De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

De euro en de ondernemer

Voordracht van dr. A.H.E.M. Wellink, president van de Nederlandsche Bank, ter gelegenheid van een bijeenkomst van de Kamer van Koophandel Haaglanden, op 26 januari 1999 te Den Haag.

Een historische gebeurtenis
Sinds kort is Van Dale weer een woord rijker: euroforie. Die euroforie brak los rond de jaarwisseling, toen bleek dat de overgang op de euro bij de nationale centrale banken en een belangrijk deel van de financiële sector een groot succes was, een enkele oprisping daargelaten. Ofschoon het voor ons spannende tijden waren, was de goede afloop uiteindelijk geen verrassing. De financiële sector en de nationale centrale banken zijn jaren bezig geweest met de voorbereiding van dit unieke moment en kwamen goed beslagen ten ijs.

De dagen rond de jaarwisseling leverden ook historische momenten op. Alvorens in te gaan op de gevolgen van de invoering van de euro voor het bedrijfsleven, wil ik hier even bij stilstaan. Bij de euro gaat het niet alleen om geld. De start van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) is een volgende stap in het Europese integratieproces dat al na de Tweede Wereldoorlog is begonnen. Omdat politieke integratie een brug te ver was, heeft men gekozen voor een geleidelijk proces van economische integratie. Natuurlijk verliep dit proces niet zonder problemen. Vaak werden er twee stappen vooruit gezet, gevolg door één stap achteruit. De invoering van de euro is in dit proces misschien wel de belangrijkste stap voorwaarts tot op heden. Immers, nog niet eerder in de geschiedenis hebben elf landen vrijwillig de zeggenschap over hun valuta uit handen gegeven aan een supranationaal lichaam.

De euro is niet het eindpunt van het Europese integratieproces, noch op economisch, noch op politiek vlak. De monetaire eenwording zal de integratie op andere beleidsterreinen hoogstwaarschijnlijk bespoedigen. Denk aan sommige fiscale dossiers of de vervolmaking van de Europese binnenmarkt. Eén munt - nu als uiting van een economisch sterk verenigd Europa - zal landen ook politiek dichter bij elkaar brengen. En ofschoon een Europese politieke unie voorlopig nog een `ver-van-ons-bed-show' is, brengt de euro haar wel een stapje dichterbij.

Economische ratio van de euro
De invoering van de euro is bovenal een belangrijke stap voorwaarts in het Europese economische integratieproces. Dit brengt mij op de gevolgen van de euro voor het bedrijfsleven.

Het is belangrijk nog eens te benadrukken dat de voordelen van de euro niet beginnen bij de invoering op 1 januari 2002 van de euromunten en
-bankbiljetten. De financiële voordelen van de euro doen zich namelijk nu al voelen. In de kern is de EMU niets anders dan een systeem van vaste, niet-aanpasbare wisselkoersen. Het is met name deze wisselkoersstabiliteit die het bedrijfsleven, in het bijzonder het internationaal opererende deel daarvan, geen windeieren legt. Het ligt vervolgens voor de hand om dan ook maar één munt in te voeren. Dit heeft bijkomende voordelen, zoals lagere transactie- en omwisselingskosten. Maar vergeleken met de voordelen van vaste wisselkoersen zijn deze beperkt.

Bij de voordelen van wisselkoersstabiliteit denkt men snel aan een wat abstract, macro-economisch verhaal. Maar we moeten niet vergeten dat de macro-economie een optelsom is van micro-economische feiten. Een aantal voorbeelden:

Nederlandse ondernemers zijn zich als geen ander bewust van de onzekerheden die wisselkoersfluctuaties kunnen veroorzaken. Denk bijvoorbeeld aan de exporteur van groente en fruit, die zijn concurrentiepositie als sneeuw voor de zon zag verdwijnen wanneer een ander land in de Europese Unie haar munt afwaardeerde.

Uiteraard kan men zich als bedrijf indekken tegen deze wisselkoersrisico's. Maar dit kost geld. Al met al gaat het hier om een besparing - alleen al in Nederland - van bijna NLG 1 miljard per jaar.

Grotere, internationaal opererende bedrijven kunnen bovendien besparen op hun treasury-activiteiten en de noodzaak een dubbele, of zelfs meervoudige, boekhouding te voeren.

Volgens economische modellen leidt de EMU ook tot indirecte baten - bijvoorbeeld een grotere transparantie van markten, meer afzetmogelijkheden, lagere financieringskosten - die gunstig uitwerken voor de economische groei en de werkgelegenheid. Hierbij moet ook worden gedacht aan de voordelen van een stabiele macro-economische omgeving die de EMU impliceert, zoals prijsstabiliteit, gezonde overheidsfinanciën en het gunstige effect hiervan op de lange rente. De ramingen voor deze indirecte baten lopen uiteen. Al met al lijkt het voor Nederland te gaan om indirecte baten van enkele miljarden guldens per jaar.

Het is en blijft een moeilijke opgave de voor- en nadelen van de euro te kwantificeren. De Nederlandsche Bank doet hiertoe een poging door onder andere ieder half jaar een euro-enquête te houden, de eurobarometer. In deze enquête wordt ondernemers (het gaat om 800 ondernemingen) van tijd tot tijd de vraag voorgelegd wat de euro hun per saldo gaat opleveren. Hierbij concentreert de Bank zich op de directe baten van de euro. Zoals gezegd, de financiële voordelen die het gevolg zijn van een beter draaiende economie als gevolg van de euro zijn helemaal moeilijk in cijfers uit te drukken.

Invoeringskosten
Laten we eerst kijken naar het kostenplaatje. Het Nederlandse bedrijfsleven schat de - eenmalige - invoeringskosten van de euro op NLG 5 miljard (september 1998). Inclusief het bankwezen gaat het om ongeveer NLG 6,5 miljard, bijna 1% van het BBP. Uit de eurobarometer komt naar voren dat het bedrijfsleven de grootste kosten verwacht bij de aanpassing van software en computerapparatuur - 26% van de kosten - gevolgd door aanpassing van de boekhouding en de financiële administratie, 21% van de kosten. De overige belangrijkste posten vloeien voort uit het voeren van een dubbele administratie, kosten voor de aanpassing van het drukwerk, opleidingen voor het personeel en externe advisering en de aanpassing van het `treasury management'.

Naast deze eenmalige invoeringskosten, moet ook worden gewezen op een meer macro-economische kostenpost. Landen kunnen hun wisselkoers immers niet meer als aanpassingsinstrument gebruiken, bijvoorbeeld door via een afwaardering van de munt de concurrentiepositie op te krikken. Voor open economieën is hier overigens sprake van een tweesnijdend zwaard. Weliswaar verbetert de concurrentiepositie, maar de import wordt duurder. Uiteindelijk ebben de aanvankelijke voordelen van de afwaardering weg en blijft een hoger inflatietempo over. Nederland heeft daarom al jaren geleden in feite afstand gedaan van het wisselkoersinstrument. Daarom zijn wij gewend geraakt aan een (de facto) monetaire unie omdat de gulden vijftien jaar lang nauw aan de Duitse mark gekoppeld is geweest. Met andere woorden, de Nederlandse economie heeft zich ingesteld op het niet gebruiken van de wisselkoers als instrument van economische politiek. Voor sommige andere Europese landen geldt dit minder. Hun economieën moeten zich nog aanpassen aan de nieuwe situatie. Hiertoe is het vooral belangrijk dat de reeds ingezette flexibilisering van de marktwerking in Europa wordt voorgezet.

Terug naar de praktische invoeringskosten. Ten opzichte van eerdere enquêtes zijn de geschatte invoeringskosten wat gedaald. Er is reden om aan te nemen dat de genoemde (bijna) 1% van ons BPP tamelijk realistisch is, omdat bedrijven in de loop van de tijd steeds beter in kaart hebben gebracht welke voorbereidingen voor de euro nodig zijn. Zo gaf 44% van het grootbedrijf in september 1998 aan voor meer dan de helft gereed te zijn voor de invoering van de euro. Voor het midden- en kleinbedrijf bedroegen deze percentages 28, respectievelijk 18%. Er valt nog veel te doen, maar in vergelijking met maart 1998 is dit al een hele vooruitgang. Toen bleek slechts 19% van het grootbedrijf voor meer dan 50% klaar te zijn voor de euro; het midden- en kleinbedrijf rapporteerde percentages van 14, respectievelijk 8%.

Financiële baten van de euro
De kost gaat voor de baat uit, luidt een bekend Nederlands gezegde. Dat geldt ook voor de euro. De directe baten van de monetaire unie worden door het bedrijfsleven op ongeveer NLG 2 miljard geschat. In tegenstelling tot de kosten, zijn deze baten niet eenmalig, maar keren zij elk jaar terug. Het verdwijnen van de noodzaak om valutarisico's af te dekken, levert het meeste geld op: zoals gezegd bijna NLG 1 miljard.

Uiteraard verschillen de voordelen van de euro voor het bedrijfsleven van sector tot sector. Industrie en groothandel zeggen het meeste aan de EMU te zullen verdienen. De detailhandel en de zakelijke dienstverlening schatten de directe baten van de EMU het laagst in. Deze verschillen vertalen zich ook in het tempo waarin de invoeringskosten worden terugverdiend. Voor industrie en groothandel is dit ruim een jaar. De detailhandel en de zakelijke dienstverlening menen de kosten van de invoering in vier tot vijf jaar terug te verdienen. Voor een gemiddelde investering, is dit overigens nog steeds een zeer acceptabel resultaat.

Euroforie in het bedrijfsleven?
Het spreekt vanzelf dat we moeten proberen de invoeringskosten van de euro zo laag mogelijk te houden. Mede hiertoe is in 1996 het Nationale Forum voor de introductie van de euro opgericht. In dit forum hebben de belangrijkste belangenorganisaties en instellingen die nauw bij de euro zijn betrokken zitting. Voorzitter is de Thesaurier-Generaal van het Ministerie van Financiën. Dit Forum heeft onlangs voorgesteld de invoeringsperiode voor de euromunten en -bankbiljetten te beperken tot maximaal vier weken. Een voorstel dat is overgenomen door de regering.

We moeten er natuurlijk alles aan doen om die periode zoveel mogelijk te verkorten. Daar lijken ook best mogelijkheden voor te bestaan, echter alles onder de randvoorwaarde dat er voor 1 januari 2002 geen munten en bankbiljetten aan het publiek worden verstrekt. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft zich inmiddels hiertegen uitgesproken. Bewust zeg ik "er lijken mogelijkheden voor verkorting te bestaan", omdat definitieve uitspraken pas kunnen worden gedaan na verdere studie en diepgaand overleg met alle betrokkenen.

De invoering van de chartale euro kan onder meer worden bespoedigd, wanneer het gebruik van elektronische betaalmiddelen de komende jaren zal groeien. Zoals al eens eerder opgemerkt, is het daarom belangrijk om de verschillende standaarden - chipknip en chipper - op elkaar af te stemmen. Dat is - ook letterlijk trouwens - een dure plicht van het bankwezen en komt iedereen ten goede: bedrijfsleven, publiek, maar ook banken zelf. Idealiter zouden alle elektronische betalingen straks via één terminal moeten kunnen plaatsvinden.

Het kan sommigen allemaal blijkbaar niet snel genoeg gaan. Enkele weken geleden gingen er stemmen op om de invoering van de chartale euro te vervroegen. De euromunten en -bankbiljetten zouden niet vanaf 1 januari 2002, maar eerder moeten worden ingevoerd. De Ecofin-Raad heeft onlangs besloten om deze mogelijkheid nader te gaan onderzoeken. Het is begrijpelijk dat de euroforie mensen op deze gedachten brengt, maar echt haalbaar is het al met al niet. Minister Zalm durfde er een fles wijn op te verwedden dat het voorstel om de invoering van de euro te vervroegen het niet haalt. De nationale centrale banken en de muntmeesters hebben de tijd tot en met 2001 hard nodig om voldoende euromunten en -bankbiljetten te maken. De lengte van de overgangsperiode na de start van de muntunie - drie jaar - is bepaald op basis van de tijd die nodig is om 70 miljard munten en 13 miljard bankbiljetten voor het eurogebied te maken. Niet alleen de centrale banken en muntmeesters, maar ook de overheid en het bedrijfsleven - in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf - hebben tijd nodig om zich op de volledige omschakeling naar de euro voor te bereiden. Veel bedrijven zijn in hun planning al uitgegaan van de in Europese wetgeving vastgelegde datum van 1 januari 2002. Er is dus al goed over de overgangsperiode voor de invoering van de chartale euro nagedacht. Net zoals we het conversieweekeinde rond de jaarwisseling zeer goed hebben voorbereid. Dat is een belangrijke reden geweest waarom de omschakeling rond de jaarwisseling succesvol verliep en we met plezier aan dit weekeinde kunnen terugdenken.

Voor wat betreft de invoering van de girale euro, heeft het Nationaal Forum ingezet op een introductiescenario waarbij een duaal systeem zo veel mogelijk wordt voorkomen. Daarom is er onder meer voor gekozen om de overgang op de euro in het massale girale betalingsverkeer tegelijk te laten plaatsvinden met de invoering van de euromunten en
-bankbiljetten. Het is de bedoeling om Nederland tot 1 januari 2002 vooral een guldensland te laten zijn. Dit is ook in het belang van het bedrijfsleven: met name het midden- en kleinbedrijf wordt zo niet op kosten gejaagd om een duale administratie op te zetten.

Tot slot
Wanneer de Tweede Kamer over het invoeringsscenario heeft gesproken, is het zaak het scenario in de komende maanden nader uit te gaan werken. En hierbij zal uiteraard rekening moeten worden gehouden met de belangen van alle betrokkenen, inclusief het Nederlandse bedrijfsleven. Daarvoor hebben we juist het breed samengestelde Nationale Forum in het leven geroepen. En tot dusverre heeft dit uitstekend werk geleverd.

Ik kom tot een afronding. Euroforie is er al. Laten we de komende jaren verder werken om ook eurofilie in de Van Dale te introduceren. Aan ondernemend Nederland zal het niet liggen. Als er één land in de wereld is waar het bedrijfsleven in staat is om nieuwe kansen en uitdagingen op te pakken, is het Nederland wel.

Deel: ' Toespraak De Nederlandsche Bank de euro en de ondernemer '




Lees ook