MINVENW

27 januari 2000

Toespraken

13.15

Toespraak van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, mevrouw drs. J.M. de Vries, op de studiedag "Watermanagement in het Benelux-middengebied" in Hasselt (België) op 28 januari 2000 (16.30 uur).

Samenwerking genereert samenhang

(Alleen de uitgesproken tekst geldt)

Dames en heren,

Een hedendaagse geschiedschrijver Geert Mak, heeft in zijn boek 'Ooggetuigen' een compilatie gemaakt van momenten uit de Nederlandse geschiedenis. Eén daarvan wordt verteld door een Romeinse militair. Die maakt rond 50 na Christus een rondreis door Noord-Nederland, rond de Eemsmond, en hij ziet de mensen die leven in het twistgebied tussen land en zee. Hij heeft medelijden met ze. Ik lees u een passage voor.

"Het arme volk leeft daar op hoge heuvels die zij eigenhandig hebben opgeworpen tot boven de hoogste vloedlijn", vertelt bij. "Daar hebben zij hun hutten gebouwd en als het water het omringende land bedekt, zijn het de opvarenden van een schip. En als het water wijkt lijken ze schipbreukelingen, zoals ze rond hun stulpjes jacht maken op vissen die zich met de zee mee terugtrekken. De mensen hebben geen vee, en stoken turf. Te drinken hebben ze alleen regenwater, dat ze in kuilen bij de ingang van hun huizen bewaren."

Dat toch wat troosteloze, meelijwekkende land van toen is nu een van de meest dichtbevolkte landen te wereld, en leeft in relatief grote welvaart. Maar dat wil nog niet zeggen dat er nooit een wolkje aan de lucht is, in de Nederlandse omgang met het water.

Over de hele wereld verschijnen met de regelmaat van klok berichten in de media over water. Vaak gaat het over wateroverlast. Een thema waarover we ook in Nederland kunnen meepraten.

Maar het gaat niet alleen om een teveel aan water op de verkeerde plaats. Er verschijnen ook regelmatig mondiale studies over water, die de stormbal hijsen voor het tekort aan schoon water.

Voor de krantenlezer is het verwarrend dat wateroverlast en watertekort naast elkaar blijken te kunnen bestaan, vooral doordat de samenhang van de watermaterie in de pers vaak onderbelicht blijft. Waterkenners zoals u is die samenhang natuurlijk wel bekend.

Omdat de materie samenhangend is, moet ook goed waterbeheer cohesie vertonen. Niet alleen op nationaal niveau, maar ook grensoverschrijdend. Daarom wil ik u eerst een blik op het Nederlandse waterbeleid gunnen, om daarna aan te geven hoe wij tegen toekomstige ontwikkelingen aankijken, zowel nationaal als internationaal. Daarna schets ik de betekenis van uw project voor mijn beleid in Nederland.

De hoofddoelstellingen van het Nederlandse waterbeheer zijn duidelijk. De Nederlanders willen wonen in een veilig en bewoonbaar land. Dat streven gold al in de Romeinse tijd en geldt nu nog. Een misschien wat modernere wens is dat we gezonde watersystemen willen, die we ook op de lange termijn duurzaam kunnen gebruiken.

Over het algemeen lukt het goed om die doelstellingen te verwezenlijken. De grote milieuproblemen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn vrijwel geheel opgelost, wat mede te danken is aan de milieuwetgeving en de waterwetgeving die vanaf 1970 een snelle groei hebben doorgemaakt.

Helaas is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen niet altijd goed uit de verf gekomen. Daar gaan we ons nu meer op richten. Nu de grote milieuproblemen grotendeels zijn opgelost, moet een nieuwe systematiek worden opgesteld. En dat is een goed moment om meer cohesie aan te brengen tussen het beleid voor milieu, water, en ruimtelijke ordening. Het bundelen van expertise, van allerlei beleidsinzichten en ideeën, biedt meer kans op nieuwe, verantwoorde initiatieven. Die samenhang is noodzakelijk, omdat alleen op deze wijze de bestaande schade aan het milieu kan worden gerepareerd, en nieuwe ongewenste effecten kunnen worden voorkomen.

Deze nieuwe multidisciplinaire aanpak is vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding. Het is een historisch document, want alle elementen van het waterbeheer komen in deze beleidsnota aan bod, en dat is voor het eerst in Nederland.

Daarmee is de Vierde Nota ook een goede basis om deze nieuwe eeuw in te gaan. Want er komt nogal wat op ons af. De extreme neerslag, de verwachte klimaatverandering, verder toenemende rivierafvoeren en bodemdaling zijn zaken waar we in Nederland niet om heen kunnen. En we moeten natuurlijk zien te voorkomen dat we weer als permanente schipbreukelingen op terpen moeten wonen, zoals in de Romeinse tijd.

Om nu al voorbereid te zijn op de problemen die de wat verdere toekomst ons zou kunnen brengen, heb ik met de Unie van de Commissie Waterbeheer 21-ste Eeuw in het leven geroepen. Deze is aan het onderzoeken en schetsen hoe een goede waterhuishoudkundige inrichting er over ongeveer honderd jaar uit zou kunnen zien.

En dan kijkt de commissie niet alleen naar de wateroverlast, maar beschouwt ze ook de watervoorziening in droge periodes. Het advies van de commissie is nog niet gereed, maar een aantal hoofdlijnen voor het toekomstig waterbeheer tekenen zich reeds af. Zij gelden zowel op regionale als op landelijke schaal. Ik leg deze hoofdlijnen hier in kort bestek aan u voor.

De eerste is dat veiligheid voorop staat en blijft staan. Nederland is een veilig en bewoonbaar land en dat moet zo blijven. Maatregelen die gericht zijn op het realiseren van veiligheidsnormen verdragen geen uitstel.

Ten tweede moet er ruimte zijn voor water. Veerkrachtige watersystemen hebben ruimte nodig~ voor waterberging, voor uitstroming en voor tijdelijke wateropvang in uitzonderlijke omstandigheden. Deze hoofdlijn is vlot geformuleerd, maar heeft aanzienlijke ruimtelijke consequenties, waarover de commissie zich ongetwijfeld nog zal uitspreken.

De derde hoofdlijn is die van het regionale maatwerk. De diversiteit van waterhuishoudkundige systemen vraagt om een gebiedsgerichte aanpak. Op regionale schaal kan het beste worden beoordeeld hoe een optimale waterhuishoudkundige inrichting kan worden verkregen. In het ene gebied zal het tegengaan van wateroverlast meer prioriteit hebben dan in het andere. Een goede zoetwatervoorziening daarentegen moet natuurlijk overal worden beschermd en onderhouden. De bestrijding van verdroging in landbouw en natuur krijgt echter in de verschillende gebieden - afhankelijk van de specifieke situatie - verschillende accenten. Veel aspecten van dit integrale waterbeheer - inclusief de financiering - zijn in Nederland gedecentraliseerd. Dat is verstandig beleid. Dat moet zo blijven.

Een ander punt is het besef dat zogenoemde waterdichte garanties niet bestaan. laten we onszelf niets wijsmaken: welke maatregelen we ook nemen, we kunnen nooit voor 100% met zekerheid zeggen dat wateroverlast voor altijd zal uitblijven. We moeten dus waakzaam blijven en ons voortdurend bewust zijn van de risico's.

Het vijfde en laatste uitgangspunt van de Vierde Nota waterhuishouding-in- wording, is het stroomgebiedbeginsel. Dit beginsel impliceert dat we steeds in beeld moeten brengen wat een bepaalde maatregel op plek x voor consequenties heeft voor gebied y. Niet afwentelen dus, maar voorkomen dat oplossingen op de ene plaats leiden tot verscherping van problemen elders. De waterketen moet in zijn geheel beschouwd worden, van slootje tot internationale rivier.

Deze stroomgebiedbenadering houdt rekening met de verbanden binnen het watersysteem en gaat uit van een integrale aanpak. Deze stroomgebiedbenadering brengt ons op internationaal terrein. Want het water van zeeën en rivieren stoort zich niet aan menselijke constructies als grenzen en territoria. Nederland is mede-beheerder van een stuk Noordzee en van vier grote internationale rivieren, waarvan de Maas en de Schelde voor dit symposium de meest relevante zijn.

De internationale commissies ter bescherming van de Maas en de Schelde
-respectievelijk de ICBM en de ICBS - zijn voortvarend aan het werk om de kwaliteit van deze rivieren te verbeteren. Hun actieprogramma's zijn aanvaard en hun werk is ingebed in internationale verdragen.
Een ICBM is behalve een internationale commissie ook een Inter Continental Ballastic Missile. Die dubbele betekenis is wat kras, maar in sommige opzichten ook passend: want de Internationale Commissie van de Maas en die van de Schelde gaan doelgericht en gewapend met high-tech kennis op hun doel af.

Bovendien is hun programma vollediger geworden nu zij ook het thema grondwater op hun agenda hebben staan. Op de laatste ministersconferentie hebben mijn collegae en ik de Maascommissie verzocht te kijken of de bescherming van grensoverschrijdend grondwater beter kan worden gecoördineerd.

Ook binnen andere contexten worden de 'onnatuurlijk' nationale grenzen steeds meer losgelaten. Zo werken onder "Het verdrag tussen Nederland en Vlaanderen Inzake de Afvoer van Maaswater" Vlaamse en Nederlandse experts samen in een werkgroep. En aangezien Wallonië bij de lage Maasafvoeren een sleutelrol speelt, is het wenselijk dat de samenwerking met Walonische inbreng wordt verbreed. In 1999 heeft voor het eerst een vertegenwoordiger van Wallonië deelgenomen aan een vergadering van de werkgroep. Ik vind dat een goede ontwikkeling. Het is een logisch uitvloeisel van het door mij onderschreven stroomgebiedbeginsel en het is van groot belang voor de kwaliteit van de afspraken die worden gemaakt.

Natuurlijk wordt ook op Europees niveau gewerkt aan de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De ontwerp Kaderrichtlijn Water is daarvan een goed voorbeeld. De kaderrichtlijn streeft naar meer samenhang tussen reeds bestaande waterrichtlijnen, en een beperking van de bureaucratie. Van groot belang voor dit laatste punt is de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel binnen de stroomgebieden. Beslissingen moeten genomen worden op het niveau waar men de situatie het beste kent, en waar men met de gevolgen moet leven. Deze beslissingen mogen vanzelfsprekend niet botsen met de stroomgebiedbenadering. Die staat dan ook in deze richtlijn centraal.

In oktober van het afgelopen jaar hebben de Europese Lidstaten hun standpunt over het ontwerp voor de nieuwe richtlijn bepaald. Nu is het Europees Parlement aan zet. De verwachting is dat in de loop van dit jaar het Parlement en de lidstaten tot overeenstemming komen. Daarna kan het ontwerp als definitieve richtlijn worden vastgesteld.

Hierop vooruitlopend hebben mijn collega-bewindslieden en ik de ICBM en de ICBS verzocht om de mogelijke consequenties van de richtlijn voor de samenwerking in die Commissies te onderzoeken. Want een extra internationale overleglaag lijkt mij, zacht gezegd, te veel van het goede. Met de ICBM en de ICBS hebben we immers al een uitstekende structuur voor internationale coördinatie.

Natuurlijk onderschrijf ik de behoefte aan internationale coördinatie. Alleen voor de Maas hebben we al de volgende gremia: de ICBM, de Werkgroep Afvoerregulering Maas en de Werkgroep Hoogwater Maas, U kunt zich voorstellen dat ik mij soms afvraag of deze veelheid aan losse overlegfora een integrale benadering niet in de weg staat.

Ik wil dan ook van de gelegenheid gebruik maken om mijn collega, mevrouw Dua, te verzoeken om gezamenlijk te bezien of we voor de Maas en de Schelde niet tot één overkoepelend overlegorgaan kunnen komen. Dat zou de samenhang en de helderheid van het overleg zeker bevorderen. Met het oog op de verwachte kaderrichtlijn water is zo'n eenduidige, transparante en praktische aanpak hard nodig.

Dit brengt mij bij het laatste deel van mijn betoog, namelijk de betekenis van uw project voor mijn beleid. Laat ik nog even teruggaan naar de strategische hoofdlijnen die ik u aan het begin van mijn verhaal voorlegde.

Het is niet eenvoudig om deze in de praktijk te brengen. Natuurlijk hebt u gelijk als u schrijft: "Het is simpel: ons grond- en oppervlaktewater is eindig en kent beperkingen. " Maar achter al die eenvoud, zit de complexiteit van de vele tegenstellingen. Die moeten bij de uitwerking worden overbrugd. Mijn uitgangspunt daarbij is dat duurzame lange-termijn-belangen zwaarder dienen te wegen dan de korte-termijn-belangen.

Dit is overigens niet alleen een zaak van waterschappen en Rijkswaterstaat; ook gemeenten en provincies hebben hier een belangrijke taak.

Uw project is de vertaling van beleid naar concreet uitvoerbare maatregelen. Het is regionaal, en zelfs lokaal maatwerk ten voeten uit. Dat maakt het tot een onmisbare schakel in het moderne waterbeheer.

U hebt draagvlak nodig van nogal wat partijen. Het doet mij deugd dat u die partijen in uw project hebt weten te verenigen. Want die partijen zijn ook op elkaar aangewezen als het gaat om behoud en verbetering van de kwaliteit van het water.

Volgend jaar loopt uw project af, terwijl het werk nog lang niet voltooid is. Misschien denkt u aan voortzetting van het project. Waarom zou u de reikwijdte van het project niet flink vergroten door ook aspecten van waterkwaliteit in het programma op te nemen? Zo zetten we een volgende stap naar een duidelijke bottom-up structuur van projecten, streekplannen, waterhuishoudingsplannen en stroomgebiedbeheerplannen. Allemaal passend binnen de Europese kaderrichtlijn water, en internationaal gecoördineerd door een Internationale Commissie. De samenhang tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit en tussen grondwater en oppervlaktewater is dan gewaarborgd, en integraal waterbeleid de standaard.

Dames en heren,
We zijn sinds de tijd van de Romeinen ver gekomen. Van het met de hand opwerpen van modderige heuvels naar integraal waterbeheer is een enorme stap. De terpbewoners hadden nog nooit van verdroging of zorg voor waterkwaliteit gehoord. We moeten de vooruitgang koesteren en onderhouden: integraal waterbeheer en stroomgebiedbenadering zijn moderne concepten, die gelukkig steeds meer gemeengoed worden. Zowel in de watersector als in de ruimtelijke ordening en de agrarische sector. Het zijn dan ook geen eendagsvliegen, maar belangrijke concepten, en leidraden die cruciaal zijn voor een goede omgang met onze leefomgeving.

Dat de vertaling van dergelijke concepten in praktisch uitvoerbare maatregelen een behoorlijke inspanning vraagt, is voor u en mij geen nieuws. Het vereist inzicht, creativiteit en geduld. Ik ben er zeer over te spreken dat ik die exercitie samen met u kan ondernemen.


Deel: ' Toespraak De Vries, op studiedag watermanagement '




Lees ook