Persbericht FNV


Ter gelegenheid van 50 jaar SER

Inleiding van FNV voorzitter Lodewijk de Waal, ter gelegenheid van 50 jaar SER, 23 februari 2000 in Den Haag 23 februari 2000

1. Majesteit,
Excellenties,
Mijnheer de voorzitter,
Geachte leden van de Raad,
Geachte genodigden,
Nog maar enkele jaren geleden begon een van mijn collega's haar maidenspeech in deze zaal met de aanhef "Beste mensen". De voorzitter greep in en corrigeerde dat de aanspreektitel `Geachte leden van de Raad" dient te zijn.
Het gebeurt niet vaak dat men een FNV'er in verwarring brengt, maar dit was een van die gelegenheden.
Als vice-voorzitter van de raad en voorzitter van de FNV - de organisatie die benoemingsgerechtigd is voor maar liefst acht leden - word ik geacht de SER goed te kennen. Door dit voorval in uw herinnering te roepen, wil ik maar zeggen dat ook ik hier soms nog met verwondering rondloop. De SER bestaat 50 jaar en heeft nog steeds onvermoede kanten. Denkt u aan het `bedrijfsongeval', toen de Kamer in een onbewaakt ogenblik de adviesplicht besloot te schrappen. Menigeen dacht dat dit de bittere apotheose zou zijn van jarenlange diskwalificaties van de raad als `Sociaal-Economische Rem'.
Was dit het begin van het einde?
Kennelijk nog niet, want ons bereiken steeds meer adviesaanvragen, van meer ministeries en over een breder scala van beleidsterreinen.
Het pas verworven recht van het parlement om voor advies naar de SER te stappen wordt al gebruikt, en inmiddels maakt men zich al zorgen over de vraag of het niet een beetje uit de hand aan het lopen is.
Tenslotte zouden wij niet graag op een middag in de week naar het parlement geroepen worden om vragen te beantwoorden. 2. De SER bestaat 50 jaar.
En veel is veranderd.
Zo is de openheid die betracht wordt, vergroot, en is de snelheid van advisering zeer toegenomen.
Zozeer zelfs de raadpleging van de achterban van met name de vakorganisaties, nog al eens in het gedrang komt. Dat is onwenselijk, want de SER-advisering geeft juist de meerwaarde van een maatschappelijk draagvlak. Maar dan moet je wel de gelegenheid hebben om dat te organiseren. De SER heeft niet alleen meerwaarde voor de politiek, -door haar draagvlak, door de kwaliteit van haar adviezen, ze heeft ook meerwaarde voor sociale partners.
Die meerwaarde zit hem niet in het onderling overleg -dat vindt zonodig plaats in de Stichting van de Arbeid. Die meerwaarde zit hem vooral in de functie die onafhankelijke leden kunnen hebben.
Hun onafhankelijkheid, maar vooral hun deskundigheid geeft een extra dimensie.
Vanuit deze eigenschappen kunnen ze bruggen bouwen, werken naar consensus.
Hier wil ik toch een zorg vermelden.
Als de onafhankelijkheid van de `kroonleden' in gevaar komt, als hun politieke kleur een rol gaat spelen boven deskundigheid, verliest dit proces zijn meerwaarde.
De SER mag geen plek worden waar politici, na een al dan niet voltooide politieke carrière, zich op het speelveld van sociale partners gaan begeven.
Zou dat wel gebeuren, dan voorzie ik een terugtrekkende beweging van sociale partners naar hun `eigen' Stichting van de Arbeid 3. Ik kom van de oud-politici automatisch op de politiek. En van de politiek op pragmatisme versus idealisme. Op zich is er natuurlijk niks mis met idealisme. De vakbeweging is hier uit ontstaan.
En nog steeds staan in onze grondslag de idealen die ons werk leiden.
Op basis van gelijkwaardigheid, solidariteit, vrijheid, rechtvaardigheid en duurzaamheid proberen wij ons praktisch handelen richting te geven.
Maar ik ben ook een pragmaticus, ik wil graag mijn doel bereiken. Daarvoor is overleg nodig, zijn onderhandelingen bruikbaar, is het benutten van adviseringsmogelijkheden effectief. Idealisme en pragmatisme zijn niet elkaars tegenpolen. Pragmatisch ben je als je de juiste middelen kiest om je idealen te realiseren.
Als je moet vaststellen dat de tucht van het marktmechanisme economische en maatschappelijke beslissingen bepaalt, dan moet je dat natuurlijk bekritiseren.
Je moet duidelijk maken welke maatschappelijke negatieve effecten dat heeft of kan hebben.
Maar je moet je ook realiseren dat je bij die veranderde markt- en machtsverhoudingen je instrumenten moet aanpassen. Overtuigingskracht, jazeker.
Overleggen, ja zeker.
Compromissen sluiten, jazeker.
Nieuwe medestanders zoeken, bijvoorbeeld de milieubeweging, jazeker.
4. Halverwege de geschiedenis van de SER heeft de FNV gekozen voor de realistische strategie van het zoeken naar punten van overeenstemming met de werkgevers.
En ook de werkgevers hebben gekozen voor een strategie van samenwerking in plaats van harde confrontatie, van mikken op de langere termijn, in plaats van het voordeeltje van de dag. Dat zijn van beide zijden bewuste keuzes geweest. Wij hebben geen strijd gevoerd tegen het principe van de flexibilisering van arbeidsrelaties, van werktijden, van arbeidscontracten, uitzendarbeid en zo meer. Maar we hebben er een wending aangegeven, waardoor flexibiliteit ook interessant werd voor de werknemers.
Wij hebben ons niet verzet tegen een steeds verdergaande decentralisatie van CAO-afspraken, van arbeidsverhoudingen, maar we hebben geprobeerd daaraan mede sturing te geven. Het was onze manier om in die tijd de effecten van het marktmechanisme te beheersen en te corrigeren. We zoeken en vinden steeds een balans tussen de verschillende belangen, waardoor we er allemaal beter van worden. En we hebben daar de vruchten van geplukt, zo zeer dat elders in Europa het Nederlandse model, het met elkaar overleggen en afspraken maken, op grote belangstelling kan bogen. Maar er zijn gevaren die de cohesie kunnen bedreigen. Het praktisch en pragmatisch handelen wordt ingeruild voor meer ideologisch gericht handelen.
Het risico ligt bij iedere partner in het stelsel, maar momenteel vooral bij de politiek.
Werkgevers en hun organisaties hebben immers nauwelijks nog dichtgetimmerde ideologisch getinte opvattingen. Misschien wat erg simpel voorgesteld: zij zijn uit op pure belangenbehartiging, denken zakelijk (want eigenlijk toch gericht op eenvoudige doelstellingen als winstmaximalisatie of continuïteit) en maken afspraken als aan hun doelen wordt bijgedragen.
Tegen deze achtergrond doen zij aan conflictmijding en zijn zij gevoelig voor machtsposities, ook die van de vakbeweging. Ik hoop dat zij de verleiding weerstaan terug te vallen op oude ideologische posities, bijvoorbeeld rond de stelselherziening sociale zekerheid.

5. Maar dan de politiek.
Sommigen geloven fundamenteel, om niet te zeggen fundamentalistisch in de vrije markt, in de vrije concurrentie, de eigen verantwoordelijkheid van individuen, de afstandelijke rol van de overheid, maar willen vervolgens ook nog de taken en plichten van werknemers en werkgevers bepalen. Anderen denken dat zeggenschap van ministers, staatssecretarissen, ambtenaren en parlementsleden over uitvoerende taken leidt tot beheersbaarheid en efficiëntie.
Het kan leiden tot maatregelen die het prestatievermogen van de overlegeconomie - ik vermijd een vreselijker woord - onderuit halen.
In deze politieke opvattingen is de positie van de overheid en sociale partners niet zakelijk maar ideologisch ingekleurd. Het is voor het continueren van het huidige model uiterst noodzakelijk dat de overheid enerzijds en de werknemers- en werkgeversorganisaties anderzijds dezelfde vertrekpunten hanteren voor het maken van beleid.
Waar ideologie de boventoon voert, leidt dit tot op zijn minst suboptimale schijnoplossingen, en op zijn ergst tot intolerantie. Een maatschappijvisie, niet een dichtgetimmerde ideologie, moet een inspiratiebron zijn voor praktisch handelen. 6. Ik kom weer terug bij de jarige SER.
De SER is door de jaren heen onverminderd populair geweest bij belangengroeperingen die geen deel uitmaakten van de raad. Velen hebben toegang gezocht, maar geen zetel in de Raad gekregen. De FNV is het daar mee eens, maar ziet absoluut meerwaarde in het betrekken van belangengroepen in de commissies. De consumentenorganisaties waren de eerste die toegang kregen in de Commissie voor Consumentenaangelegenheden. De milieuorganisaties hebben inmiddels een relatie met de commissie RIB en met de ouderenorganisaties loopt momenteel overleg over de wijze waarop zij op relevante onderwerpen hun inbreng bij de voorbereiding van adviezen kunnen leveren. Het is voor mij een teken dat de SER erin slaagt de tekenen der tijd te verstaan en zijn advies- en overlegrol weet te vernieuwen. De FNV wil daaraan bijdragen door met ingang van de nieuwe zittingsperiode enkele bondsvoorzitters in de delegatie op te nemen.
Kortom verbreding en vernieuwing van de SER zijn prima, maar ik vind wel dat het hart van de SER de vakcentrales en werkgeversorganisaties moet blijven.
Laat daar geen misverstand over bestaan.
7. Het hart van de SER is ook de behandeling van sociaal-economische onderwerpen.
De letters SER betekenen per slot van rekening Sociaal-Economische Raad.
De laatste tijd bespeur ik wat dwalingen.
Ik vraag me in alle gemoede af wat de autoriteit van de Raad is als het gaat om verkeersveiligheid.
Mijn boodschap is dan ook: ga hier kritisch mee om. Maar ga wel volledig voor díe onderwerpen die van groot economisch belang zijn.
Milieu en ruimtelijke ordening is zo'n thema. Maar ook om de gezondheidszorg kunnen we niet meer heen. In een vergrijzende samenleving wordt de invloed van de gezondheidszorg op de economie steeds groter. Het wordt een moeilijk en zwaar dossier.
Dat voorspel ik nu al.
Ook daar zou ideologische vooringenomenheid ons niet verder helpen.
Want de meningen van de leden van de SER liggen behoorlijk uiteen. Maar we moeten het oppakken en met man en macht proberen een goed advies te geven.
8. Tot slot.

De SER bestaat 50 jaar en daarmee ook het SER-secretariaat. De kwaliteit van de SER is voor de oppervlakkige waarnemer reeds zichtbaar in de top van Sociale Zaken met een oud-voorzitter als minister en een voormalig algemeen secretaris als secretaris-generaal.
Toch zou ik het me te gemakkelijk maken door alleen daarop te wijzen.
In haast elke raadsvergadering wordt waardering uitgesproken voor het werk van het secretariaat bij de totstandkoming van adviezen. Dat zijn geen loze woorden.
Dit huis van overleg zou niet hetzelfde zijn zonder de medewerkers die het heeft.
Maar die waardering gaat verder dan louter de taakvervulling door de commissiesecretarissen.
Wie het gebouw binnenkomt, wordt getroffen door de gastvrijheid en de onvermoeibare service.
Voor mij valt die het best samen te vatten in de persoon van Bep de Jong, die ons in de vergaderingen jarenlang van koffie voorzag. Niet geïmponeerd door welke status dan ook, zag ze ons als `haar jongens'.
De service en efficiency van het secretariaat naderen de perfectie.
Over alles wordt nagedacht.
Eén anekdote wil ik u als afsluiting van mijn verhaal niet onthouden.
Toen bij het afscheid van Klaas de Vries zijn geschilderd portret moest worden opgehangen, bleek over de plaats uitgebreid vergaderd te zijn, en zelfs het haakje in de muur was in de kleur van de achterwand geschilderd!
En laat ik, als laatste, met Bep de Jong nog een blik werpen op de toekomst van de SER. Op haar afscheid, toen de kritiek op de SER een hoogtepunt bereikte, sprak zij de historische woorden: `de SER wordt nooit opgeheven, want waar zouden al die mannen dan naar toe moeten'.
En zo is het.

Deel: ' Toespraak De Waal (FNV) ter gelegenheid van 50 jaar SER '




Lees ook