Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 07-09-1999

Toespraak

Katalysator in kennisland

Minister drs. L.M.L.H.A. Hermans (OCenW) heeft op 6-9-1999 op de Technische Universiteit Eindhoven het academisch jaar geopend. Hierbij sprak hij onderstaande speech uit.

Dames en heren,

(Inleiding: Eindhoven)

Eindhoven staat bekend als de lichtstad. Met even veel recht zou je Eindhoven stad van de verlichting kunnen noemen. Weliswaar is de tijd van Voltaire reeds lang voorbij, zijn ideeën en idealen zijn hier nog steeds zichtbaar. Onderwijs en kennis spelen een belangrijke rol in deze stad. Bijna nergens in ons land vind je zoveel kennisintensieve bedrijven en instellingen bij elkaar als in Eindhoven en de regio Zuidoost Brabant. En juist in deze bedrijven en instellingen wordt momenteel fors geïnvesteerd, zoals ook de vorige spreker al heeft laten weten.

De komende jaren zullen we kennis maken met een geheel vernieuwd Eindhoven. Voor miljarden guldens wordt verspijkerd aan deze stad, 10.000 woningen, een nieuwe skyline. Het gaat goed met Eindhoven, zoals ook de werkgelegenheid laat zien: alleen vorig jaar al 4500 nieuwe banen.

Het gaat ook goed met de universiteit. De universiteit speelt een hoofdrol in de ontwikkeling van deze regio. Bijvoorbeeld door op haar campus plaats te bieden aan TNO, het Twinning Center, en de Kamer van Koophandel. De studenten en afgestudeerden profiteren ook van de campus door zelf een bedrijfje te beginnen.

De betekenis van de Technische Universiteit Eindhoven uit zich verder in onderwijs en onderzoek van hoog niveau. Ook in internationaal opzicht: zo riep het Duitse weekblad Der Spiegel de Eindhovense werktuigbouwopleiding vorig jaar uit tot de beste van Europa. De aankomende studenten weten dit te waarderen, getuige de aanmeldingscijfers voor dit nieuwe academische jaar. De sterke positie van het onderzoek aan deze universiteit blijkt uit de leidende rol bij één van de vier Technologische Topinstituten en het penvoerderschap van twee van de zes toponderzoekscholen.

Ik wil het met u hebben over de rol van de universiteit in de economische ontwikkeling, waarbij ik ook in zal gaan op de relatie met de markt. Universiteiten zijn geen marktorganisaties. Ze moeten wel inspelen op maatschappelijke wensen - bijvoorbeeld de groeiende behoefte aan hoger opgeleiden - en de vraag van studenten naar meer variëteit in leerwegen. Om universiteiten hiervoor de ruimte te geven zal ik in het HOOP voorstellen doen voor deregulering om de zelfregie van universiteiten te vergroten. Ook in het Wetenschapsbudget speelt zelfregie en creatieve ruimte een sleutelrol. Sturing vanuit de overheid zal zich daarbij concentreren op kwaliteit en vernieuwend vermogen.

(Universiteit als katalysator)

Een van de Eindhovense toponderzoekscholen is het Nederlands Instituut voor Onderzoek in de Katalyse onder leiding van Spinoza-prijswinnaar professor van Santen. Katalysatoren versnellen een chemische reactie zonder dat dit materiaal zelf verbruikt wordt. Dit beeld kan ook gebruikt worden voor de universiteit, die kennis en mensen met kennis levert en daardoor innovaties versnelt. Innovaties, die in een kenniseconomie de belangrijkste bron van economische groei zijn. Overigens gaat de parallel met een katalysator maar ten dele op: naast versnellen van innovaties creëert de universiteit natuurlijk in de eerste plaats nieuwe kennis.

Waar die versnellende rol van de universiteit toe kan leiden, is goed zichtbaar bij Stanford University in de Verenigde Staten. In de jaren 50 ontstond op haar terrein Stanford Industrial Park, in wat toen nog bekend stond als Santa Clara Valley en later - vanwege het gebruik van een bepaalde grondstof - bekend werd als Silicon Valley. In de enorme groei van Silicon Valley speelden de mensen en de kennis van Stanford een cruciale rol. Inmiddels zijn hier zo'n 4000 IT-gerelateerde bedrijven gevestigd, met een totaalomzet van 200 miljard dollar per jaar.

Nu weet ik wel dat er maar één Silicon Valley is, of zoals een bewoner ooit zei: `Silicon Valley is de enige plek op de wereld waar ze niet proberen om Silicon Valley te worden'. Maar dit voorbeeld laat wel zien hoe in een regio een combinatie van kennis en ondernemerschap zich kan ontwikkelen. En hoe belangrijk de rol van de universiteit daarin kan zijn, vooral als leverancier van nieuwe kennis en van mensen die met die kennis kunnen omgaan. Zo'n kennisintensieve regio vormt de basis voor concurrentiekracht op de wereldmarkt, ook in onze virtuele kenniseconomie. Dit verschijnsel wordt wel aangeduid met de term "glocalization". Belangrijke innovaties zijn daarom dikwijls het gevolg van een concentratie van kennis. In zo'n kennisintensieve regio, waar ook de regio Eindhoven een goed voorbeeld van is, komt de katalyserende rol van de universiteit voor zijn omgeving het best uit de verf.

(Kritiek op marktoriëntatie)

De voorbeelden van Stanford en Eindhoven laten ook zien dat kwalitatief hoogwaardig onderwijs en onderzoek een voorwaarde is voor universiteiten om hun katalyserende rol succesvol te vervullen. Hoogwaardig fundamenteel vernieuwend onderzoek en academische vorming vormen het bestaansrecht van universiteiten. Daarbij hebben universiteiten impulsen nodig van hun maatschappelijke omgeving voor hun specifieke vernieuwende rol - naast die van de wetenschap zelf.

Dit is ook onderschreven door de Sociaal Economische Raad, die in haar advies over het HOOP de essentie van marktoriëntatie omschrijft als openstaan voor en inspelen op signalen uit de maatschappelijke omgeving. Dat is iets anders dan dat universiteiten zich laten leiden door de wensen van ondernemend Nederland, zoals in de discussie in de media wel eens wordt gesuggereerd. Dat laatste beeld herken ik niet. Daarentegen zie ik dat universiteiten zich in hun primaire taken onderwijs en onderzoek laten inspireren door intensieve contacten met de buitenwereld.

Laat ik enkele voorbeelden geven, om te beginnen met het onderwijs.

(Onderwijs)

Kenmerkend voor het universitair onderwijs is brede academische vorming. Daarbij gaat het in elk geval om zaken als het ontwikkelen van denkkracht, respect voor de waarheid, een nieuwsgierige en kritische blik. Volgens sommigen, zoals professor Schuyt, kun je dit het best uitsluitend op de universiteit ontwikkelen, omdat daar de ruimte bestaat voor die kritische reflectie.

Ik zou daaraan willen toevoegen dat je ook buiten de universiteit de waarde kunt leren van wat je bínnen de universitaire muren hebt opgevangen. En andersom. Het gaat om de confrontatie van beide inzichten, juist dan beland je in een wat wel een `krachtige leeromgeving' wordt genoemd. Door die confrontatie prikkelt zo'n leeromgeving tot kritische reflectie.

Recente ontwikkelingen onderschrijven dit: er ontstaat meer en meer behoefte aan gevarieerde leerwegen. Een voorbeeld daarvan is duaal onderwijs: een geïntegreerde combinatie van leren en werken kan een zinvolle bijdrage aan de academische vorming opleveren. Op deze universiteit is een interessante samenwerking tot stand gekomen tussen de opleiding Installatietechniek, MKB-Nederland en de landelijke vereniging van installatiebedrijven. Dit laat meteen zien dat ook het midden- en kleinbedrijf een interessante partner voor de universiteiten kan zijn.

Hier past trouwens ook bij dat de universiteit af en toe een docent benoemt uit de praktijk. Hun inzichten kunnen de academie soms behoorlijk verrijken.

(Onderzoek)

Ook binnen het onderzoek kan wisselwerking met de omgeving bevruchtend werken. De veel gehoorde kritiek dat relaties met de omgeving, waaronder het bedrijfsleven, ten koste gaan van het fundamentele onderzoek moet mijns inziens genuanceerd worden.

Laat ik voorop stellen dat fundamenteel onderzoek van het grootste belang is en dat er extra aandacht voor nodig is. Van verschillende kanten is erop gewezen dat de creatieve ruimte voor de wetenschapsbeoefening de afgelopen jaren is afgenomen. De private sector trekt zich terug uit lange termijngericht onderzoek en ook bij publiek gefinancierd onderzoek is de oriëntatie op de korte termijn versterkt.

Dat is een ongewenste ontwikkeling. Daarom heb ik met KNAW, NWO en VSNU afgesproken dat er de komende jaren een extra impuls wordt gegeven aan vernieuwend onderzoek. Door de beoordelingslast te verkleinen en door extra geld. Met de Vernieuwingsimpuls is, zoals aangekondigd in het Wetenschapsbudget, 75 miljoen gemoeid. Hierin zitten nieuwe middelen, die niet eerder aan lange termijngericht onderzoek werden besteed. Zodra de begroting het toelaat wil ik de Vernieuwingsimpuls flink laten groeien.

Ook het bedrijfsleven zelf onderschrijft het belang van vernieuwend onderzoek. VNO/NCW wijst er met klem op dat niet het bedrijfsleven aan het stuur moet zitten. Juist nu veel grote bedrijven fundamenteel onderzoek afstoten, verwachten ze dat de universiteiten zich hier des te nadrukkelijker op concentreren. Fundamenteel onderzoek staat overigens niet los van de maatschappelijke omgeving. Enerzijds is fundamenteel onderzoek een bron van vernieuwing en levert het een enorm maatschappelijk rendement op, zij het op de lange termijn. Daarbij weet je niet van tevoren wat het maatschappelijk rendement van fundamenteel onderzoek is.

Anderzijds laten onderzoekers zich inspireren door maatschappelijke uitdagingen. De Technische Universiteit Eindhoven geeft hier een goed voorbeeld: zij werkt intensief samen met vele bedrijven maar heeft nadrukkelijk de keus gemaakt voor bedrijven die de voorhoede vormen als het gaat om technische innovatie.

Als het duidelijk wél gaat om contractonderzoek hoeft de academische vrijheid ook niet meteen in het geding te komen. Zo stelt de Tilburgse bestuurskundige Paul Frissen: `Wetenschappers brengen op de markt van opdrachtonderzoek hun onafhankelijkheid en dwarsheid juist als belangrijkste concurrentievoordeel mee.'

In de regel weten de universiteiten goed waar de grenzen liggen. De VSNU heeft niet voor niets zelf het initiatief genomen voor een gedragscode. Het belang van goede spelregels voor marktactiviteiten van universiteiten kan niet vaak genoeg benadrukt worden; ik zie dat de universiteiten dat erkennen.

(Veranderende omgeving en zelfregie)

Ik heb aangegeven dat universiteiten een katalyserende rol spelen naar hun omgeving en zich anderzijds kunnen laten inspireren door hun omgeving. De omgeving van de universiteiten verandert in hoog tempo. Internationalisering, informatisering en individualisering zijn daarbij trefwoorden. Duidelijk is dat we de gevolgen niet allemaal kunnen overzien.

Om universiteiten toe te rusten op de veranderlijkheid van die omgeving moeten ze beweeglijker kunnen opereren. Universiteiten moeten zelf hun onderwijs en onderzoek vorm kunnen geven. Alleen zij kunnen immers het maatwerk leveren dat nodig is om bijvoorbeeld tegemoet te komen aan de behoeften en wensen van studenten met werkervaring of - een ander voorbeeld - het aantal vrouwelijke studenten aan technische universiteiten te verhogen.

Als universiteiten beweeglijker kunnen opereren, zullen ze ook beter kunnen inspelen op de veranderende studentenmarkt. Die zal relatief minder bestaan uit kersverse vwo-ers. Mensen met werkervaring zullen zich aandienen, die niet altijd een volledige vierjarige - of zoals hier in Eindhoven vijfjarige - opleiding nodig hebben. Technische universiteiten zullen er extra aan moeten trekken om voldoende instroom te behouden. Vooral ook om gehoor te geven aan de steeds luidere lokroep van de arbeidsmarkt. In Eindhoven lukt dat de laatste jaren, maar ook hier valt op dat het nog steeds vooral om mannelijke studenten gaat: 17% van de studenten aan deze universiteit is vrouw. Universiteiten zullen zelf moeten zoeken naar de beste manier om deze problematiek te lijf te gaan. Alleen zij kunnen het juiste maatwerk bieden.

Zelfregie is het credo. Om de universiteiten beter in staat te stellen maatwerk te bieden, zal ik in het HOOP voorstellen doen voor deregulering en daarmee verdergaande stappen zetten in het verlengde van de decentralisatie van de huisvesting, de bestuursorganisatie en de arbeidsvoorwaarden.

(Voorbeeld: hbo-wo)

Een voorbeeld is de toenemende samenwerking tussen universiteiten en hogescholen, die gebruik maken van elkaars expertise en voorzieningen en naar elkaar verwijzen. De huidige regelgeving biedt ruimte voor deze samenwerking. Bestuurlijke fusie tussen een universiteit en een hogeschool is op dit moment echter niet mogelijk. Een aantal instellingen - zoals de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam - heeft mij verzocht deze wettelijke belemmering weg te nemen.

Fusie tussen universiteiten en hogescholen is weliswaar niet een ontwikkeling die ik actief wil stimuleren, maar ik zie evenmin een reden om deze vorm van samenwerking te verbieden, mits daarbij het onderscheid tussen hbo en wo blijft gehandhaafd. Dat betekent:

dat hbo en wo-opleidingen apart herkenbaar blijven, waarbij het hbo meer gericht is op de beroepspraktijk en wetenschappelijk onderwijs gekenmerkt wordt door


- verwevenheid met onderzoek


- aparte bekostiging voor de hbo- en wo-opleidingen, en


- aparte systemen voor kwaliteitszorg

Ik voeg hieraan toe dat fusie op geen enkele wijze mag betekenen dat getornd wordt aan het niveau en de kwaliteit van het universitair onderwijs.

(Voorbeeld: opleidingenaanbod/AWT-advies)

Een ander voorbeeld is het opleidingenaanbod. Door de instellingen en de omgeving is naar voren gebracht dat de huidige procedure om een nieuwe opleiding te beginnen wringt. Het duurt te lang, biedt te weinig ruimte voor flexibel opereren en maakt samenwerking tussen instellingen moeilijk.

Ik wil de instellingen zelf meer verantwoordelijk maken voor de doelmatige inrichting van hun opleidingenaanbod. Daar zal ik met name de Raden van Toezicht expliciet op aanspreken. Wanneer de universiteiten deze zelfregie adequaat ter hand nemen, is een externe beoordeling van macrodoelmatigheid van nieuwe opleidingen niet nodig. Ik zal in het HOOP daarom voorstellen om de macrodoelmatigheidstoets af te schaffen. Uiteraard moet de kwaliteit van nieuwe opleidingen wel gegarandeerd blijven. Dat blijkt achteraf uit de visitaties. Maar ook de eerste lichtingen studenten moeten deze garantie hebben. Dit kan door een toets vooraf, die inzicht geeft in het curriculum, de expertise van de docenten en belangrijke voorzieningen, bijvoorbeeld de bibliotheek. De vormgeving van zo'n toets moet overigens nog verder worden uitgewerkt.

In het licht van dit voornemen zult u begrijpen dat ik terughoudend ben om zelf initiatieven te nemen op basis van het advies van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid. Deze raad adviseert om het aantal zelfstandige opleidingslocaties voor exacte wetenschappen aan de universiteiten terug te brengen van 6 naar 3. Ik verwacht echter wel dat de universiteiten zelf stappen zullen zetten om ondoelmatigheden op te lossen. Juist door intensieve samenwerking tussen opleidingen en universiteiten kunnen schaalvoordelen worden behaald. Met name in de specialisatiefase, na het kandidaats, zie ik binnen een bachelor-master model mogelijkheden om te komen tot clustering en samenwerking tussen de universiteiten.

In de praktijk blijkt vooral samenwerking tussen algemene en technische universiteiten voor te komen. Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking tussen de Erasmus Universiteit en de Technische Universiteit Delft en tussen de Technische Universiteit Eindhoven en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Deze samenwerking tussen instellingen met een complementair profiel levert beide partijen voordeel op.

Ik zal met de universiteiten spreken over deze aanpak, waarbij mijn inzet is dat ze zelf tot afspraken komen over de oplossing van dit probleem. Het totstandkomen van zulke gezamenlijke afspraken beschouw ik als een belangrijke toetssteen voor het versterken van de zelfregie van de instellingen.

(Studiefinanciering)

Meer ruimte voor de inrichting van het onderwijs ontstaat ook door de nieuwe studiefinancieringsvoorstellen. Tijdens de opening van het hogeschooljaar, op 1 september in Arnhem, sprak de voorzitter van de vereniging van universiteiten over studiefinanciering. Hij deed zijn gehoor, naar eigen zeggen, "wilde suggesties" aan de hand. Daarbij was hij overigens niet altijd even precies over het huidige stelsel. Zo ging hij voorbij aan het feit dat 40% van de studenten een aanvullende beurs ontvangt. Wilde ideeën over de studiefinanciering waren er de laatste jaren in overvloed. Zelfs zoveel dat de universiteiten hebben aangegeven wel wat meer rust te willen. Ik kan me dat wel voorstellen en ben zelf ook meer geïnteresseerd in concrete verbeteringen. Daarom heb ik dit voorjaar voorstellen gedaan om de studiefinanciering op een paar belangrijke punten aan te pakken, zonder onnodig veel overhoop te halen. Voor deze aanpak bestaat veel steun. Inmiddels werken we aan wetgeving en invoering. Daar worden studenten wijzer van.

(Positie minister; stelselverantwoordelijkheid)

Versterken van zelfregie betekent niet dat de overheid afwezig is. Het lijkt meer op wat de Amerikanen `reinventing government' hebben genoemd. Hoofdpunt is dat `government should steer more than row.' De minister blijft verantwoordelijk voor de hoofdlijnen: de toegankelijkheid en kwaliteit van het bestel als geheel. Ik zal daarbij vooral sturen op kwaliteit.

Voor het onderzoek betekent dat: kijken of de omvang, de kwaliteit en het vernieuwend vermogen van het onderzoek op niveau zijn. De komende jaren gaan we werken aan een goede vormgeving hiervan. Ik voeg daaraan toe dat als uit de verantwoording blijkt dat de middelen langdurig niet goed besteed zijn, er consequenties moeten volgen.

Voor het onderwijs betekent dit dat het stelsel van kwaliteitszorg belangrijker wordt. We hebben een goed systeem, maar toch kan het nog scherper en onafhankelijker, en met meer oog voor de verschillen tussen de instellingen. De positie van de inspectie verandert mee: nog kritischer op de kwaliteit én de kwaliteitszorg, en onafhankelijker.

Tot deze stelselverantwoordelijkheid hoort ook het versterken van de internationale concurrentiepositie van de instellingen. Ik hoop met mijn ondertekening van de Bologna-verklaring, afgelopen juni, hieraan een bijdrage te hebben geleverd. Deze verklaring betekent een nieuwe stap op weg naar één Europese onderwijsruimte.

Het stelsel van hoger onderwijs is en blijft dus een duidelijke verantwoordelijkheid van de overheid. Maar ook hierbij moet steeds worden afgewogen of een rol van de overheid meerwaarde heeft. Immers overmatige overheidsbemoeienis leidt al snel tot problemen van beheerslast en bureaucratie. En het zal u niet verbazen dat ik een wat minder groot vertrouwen heb in de bureaucratie dan de Chinezen tijdens de Han-dynastie, die dachten dat zelfs het hiernamaals bureaucratisch georganiseerd was.

Verantwoordelijkheid voor het bestel als geheel betekent ook dat ik mij veel minder op afzonderlijke instellingen richt. Ik krijg bijvoorbeeld vragen als aan een universiteit een bepaald percentage vrouwelijk personeel niet gehaald wordt. Hoewel ik dit een belangrijke onderwerp vind, voel ik mij in zo'n incidenteel geval niet aangesproken. Nu is duidelijk gebleken dat in het gehele universitaire bestel vrouwen in hogere posities duidelijk ondervertegenwoordigd zijn. In zo'n geval voel ik me wél aangesproken. Ik heb mij dan ook bereid verklaard om bij te dragen aan een fonds voor doorstroming van vrouwelijk wetenschappelijk personeel.

Overwegingen van doelmatigheid zullen meer aan de instellingen worden overgelaten, zij het dat het geld voor universiteiten en hogescholen voor het grootste deel afkomstig is van de belastingbetaler. Dat geld moet wel goed worden besteed.

(Zelfregie en een cultuur van verantwoordelijkheid)

Deregulering is niet voldoende voor meer zelfregie. Instellingen moeten ook gebruik maken van hun beleidsruimte. Er moet binnen de instellingen een cultuur bestaan van verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen. Zo'n cultuur is pas mogelijk als de structurele, institutionele voorwaarden zijn vervuld. De MUB heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld doordat bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de universiteiten zijn belegd en de mogelijkheden voor integraal management op facultair niveau zijn versterkt. De komende jaren zal moeten blijken of deze cultuur voldoende leeft binnen de universiteiten en of universiteiten hun beleidsruimte optimaal gebruiken voor verbetering van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.

(RvT's, VSNU)

De door de MUB gecreëerde raden van toezicht spelen bij die nieuwe cultuur een belangrijke rol. We hebben zojuist de heer Boonstra als toezichthouder van de Eindhovense universiteit horen spreken. Bij hun adviserende en toezichthoudende rol zullen de Raden van Toezicht ook rekening moeten houden met belangen die hun eigen universiteit overstijgen. Laten we dit voor het gemak het nationale belang noemen. Als de Raden van Toezicht dat doen, biedt dat een basis om belangrijke taken van de overheid te decentraliseren naar de universiteiten.

Om het belang van de Raden van Toezicht te onderstrepen zou ik het op prijs stellen als zij, net als raden van commissarissen in het bedrijfsleven, in het jaarverslag van de universiteit verslag doen van de eigen werkzaamheden. Weliswaar staat dit niet in de wet en, u kent mij inmiddels, ik ben ook niet van plan hier een wet voor te maken. Maar, zoals gezegd, ik stel het op prijs. Trouwens, ik zag dat Eindhoven het goede voorbeeld al heeft gegeven.

Op het collectieve niveau is ook de VSNU belangrijk. Meer zelfregie voor de universiteiten betekent evenzeer een nieuwe rol voor het samenwerkingsverband van de universiteiten. De verschillen tussen universiteiten kunnen groter worden. Dat vind ik wenselijk, maar soms is afstemming nodig. De VSNU zou een meer coördinerende rol kunnen spelen. Een goed voorbeeld is de al door mij genoemde gedragscode voor contractonderzoek.

(Afsluiting: nieuwe investeringen, tandheelkunde)

Dames en heren,

Met deze bestuurlijke werkwijze, meer zelfregie en een cultuur van publieke verantwoordelijkheid, denk ik dat we de universiteit houden waar we haar hebben willen: in het middelpunt van Nederland als kennisland. Door meer eigen ruimte kan de universiteit tot in de verre toekomst haar rol als katalysator behouden.

Maar daar is ook geld voor nodig. Toen ik aantrad trof ik een forse bezuiniging op de universiteiten aan. Ik heb daarvoor getekend, maar gezegd dat ik zou proberen het hoger onderwijs prominenter op de agenda te krijgen. Ik ben erkentelijk voor het vertrouwen dat mij destijds gegeven is. Nu, een jaar later, zien we de eerste verbeteringen.

Het is gelukt om extra middelen voor de stijgende studentenaantallen vrij te maken. Volgend jaar krijgen de universiteiten er 55 miljoen gulden bij; dit bedrag zal in de komende jaren oplopen tot 78 miljoen. Daarnaast zal in het komende jaar - voor het eerst sinds jaren - weer prijscompensatie aan de universiteiten worden uitgekeerd, een bedrag van in totaal zo'n 30 miljoen.

Al genoemd heb ik de Vernieuwingsimpuls van 75 miljoen, met de bereidheid hiervoor in de toekomst meer uit te trekken.

Ten derde wil ik nog meer dan nu inspelen op de mogelijkheden van de informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs. Dat betekent: investeren, ook en vooral in risicovolle projecten. Hiervoor is het SURF-Educatiefonds ingesteld. De komende jaren zal ik hier voor de universiteiten 22,5 miljoen gulden extra in storten.

Ik gaf al aan dat ik in de eerste plaats verantwoordelijk ben voor het functioneren van het bestel als geheel - niet voor afzonderlijke instellingen. Met het beschikbaar komen van deze extra middelen ga ik er vanuit dat de zelfregie van de universiteiten vorm kan krijgen. Eventuele problemen in bepaalde vakgebieden moeten door individuele universiteiten binnen de reguliere budgetten worden opgelost. Bovendien mag van de instellingen in VSNU-verband verwacht worden dat zij gezamenlijk tot afspraken kunnen komen over de middelenverdeling. Dat de universiteiten dit goed oppakken, blijkt uit de afspraak die ik met de VSNU heb gemaakt over de inmiddels al lang lopende discussie over de werkplaatsfunctie tandheelkunde. De universiteiten zullen gezamenlijk voor het eind van het jaar met een concreet voorstel komen, waardoor deze werkplaatsfunctie in het bekostigingsmodel op een voor alle universiteiten acceptabele wijze wordt gefinancierd.

Ik rond af. Het lijkt erop dat het tij voor de universiteiten aan het keren is. Niet alleen financieel, maar ook politiek-bestuurlijk: het afgelopen jaar zijn voor het onderwijs belangrijke nota's uitgebracht en goed ontvangen. Voor de studiefinanciering en het lerarenbeleid zijn verbeteringen op komst. Ook de eerste reacties op het Wetenschapsbudget zijn positief. Tegelijkertijd heeft een zowel intensieve als interactieve voorbereiding op het HOOP 2000 plaatsgevonden. Dit HOOP, waarvan ik vanmiddag al een paar tipjes van de sluier heb opgelicht, verschijnt over twee weken en ik verwacht daar veel van.

Ik zie dan ook uit naar een boeiend academisch jaar. Ik geloof dat we de juiste richting te pakken hebben, en dat is maar goed ook. Immers - om ook met de verlichte Voltaire af te sluiten - `wie een verkeerde weg inslaat, moet een heel eind lopen.'

Deel: ' Toespraak Hermans bij opening academisch jaar Eindhoven '




Lees ook