Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 18-01-1999

Toespraak

Uitreiking van de Spinoza-premies

Toespraak van drs. L.M.L.H.A. Hermans, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, bij de uitreiking van de Spinoza-premies, 19 januari 1999 te Den Haag , Oude Stadhuis Javastraat

Mijnheer de voorzitter van het NWO,
Geachte SPINOZA-laureaten,
Dames en heren,

Er is in Nederland een kwalitatief hoogstaand potentieel aan wetenschappelijk onderzoekers. Vandaag is dat weer eens goed zichtbaar.
De laureaten krijgen met de SPINOZA-premie de hoogste in Nederland bestaande erkenning als wetenschappelijk onderzoeker.

De grotere zichtbaarheid en erkenning van onze excellente onderzoekers vergroten de aantrekkingskracht op jong talent voor onderzoek. Dat is ook nodig, als we kijken naar het dreigende gebrek aan een nieuwe generatie onderzoekers (en meer in het algemeen aan hoger opgeleiden). Erkenning van kwaliteit bevordert bovendien een waardevolle en effectieve samenwerking, zowel nationaal als internationaal. Het biedt een relatief klein land met een zeer open economie de noodzakelijke toegang tot de wereldmarkt van kennis. Het verkrijgen van extra middelen uit internationale fondsen ligt dan ook in een kansrijk verschiet.
De positie van Nederland zal in toenemende mate afhangen van onze innovatieve kracht, die in een kenniseconomie voortdurend voeding nodig heeft vanuit het wetenschappelijk onderzoek. Het aspect van "zichtbaarheid", nationaal en internationaal is, kortom, van groot belang. In de recente discussie in de pers over de pro's en contra's van toponderzoekscholen is dit aspect mijns inziens daarom ten onrechte vaak buiten beschouwing gebleven.
Aan de erkenning, stimulering en zichtbaarmaking van topkwaliteit doen we de laatste jaren gelukkig al veel. De persoonsgerichte steun, zoals de SPINOZA-premies, acht ik in dat verband van belang.

Dat brengt mij tot het punt, waarop ik vandaag vooral de aandacht wil richten: de werkvloer van het onderzoek. De vraag is dan of de man of vrouw die het onderzoek uitvoert, voldoende ruimte heeft om zijn of haar creativiteit uit te leven. Pas dan kunnen immers zijn of haar talenten volledig ten goede kan komen aan de samenleving. Kortom, beschikken onderzoekers over voldoende, wat ik zou willen noemen, "creatieve ruimte"?

De achterliggende jaren is in het wetenschapsbeleid veel nadruk gelegd op het verhogen van de kwaliteit en de maatschappelijke relevantie van het onderzoek. Het element van competitie is ook in belang toegenomen. Ik noem maar even in sneltreinvaart de Verkenningen, de sectorraden en de Adviesraad voor Wetenschapsbeleid en Technologiebeleid. We kunnen met dit samenstel van organen redelijk goed uit de voeten. Uiteraard valt er nog veel te verbeteren maar daar wil ik het vandaag niet over hebben.

Als ik de vraag opwerp of er voldoende creatieve ruimte is voor de onderzoekers, dan begrijpt u al dat ik daar wat twijfels over heb. Er zijn steeds sterkere geluiden uit de onderzoekwereld dat de vele goedbedoelde maatregelen en regels langzamerhand een optimale onderzoeksituatie in de weg staan. Zo zijn universiteiten voor hun onderzoek steeds meer afhankelijk geworden van externe opdrachtgevers, subsidies en programma's; elk met weer eigen voorwaarden. Ik wijs ook nog op de veelheid van evaluatieprocessen.
Ook zie ik dat de vele en lange procedures om extra fondsen te verwerven ertoe leiden dat de onderzoekers minder risicovol onderzoek entameren.

In de onderzoekwereld wordt hard gewerkt, met uitstekende resultaten. Juist daarom vind ik het van groot belang dat wij gezamenlijk streven naar het vergroten van de "creatieve ruimte" voor onderzoekers. Dat betekent niet een terugkeer naar ivoren torens en het afschaffen van alle regels en stopzetten van waardevolle initiatieven tot programmatische samenwerking. De wereld die Voskuil in de eerste delen van "Het Bureau" schetst, ligt gelukkig ver achter ons. Ik ben met de voorzitter van de VSNU van oordeel dat de maatschappelijke waarde van het onderzoek, juist ook vraagt om het afleggen van verantwoording aan de samenleving en dat er hoge eisen mogen worden gesteld aan kwaliteit. Bijvoorbeeld de toekenning van gelden voor onderzoek voor wat langere termijnen - ik denk dan aan tien jaren - zou kunnen bijdragen aan vergroting van de "creatieve ruimte" voor onderzoekers. Directeuren van de toponderzoekscholen waarderen juist dit element, omdat het met name risicovol onderzoek bevordert. Naar mijn idee zijn de aspecten die ik zojuist noemde van belang voor de manier waarop we nu verder zouden kunnen gaan bij het uitdragen van de kwaliteit van ons onderzoek - en dus bij de versterking van de maatschappelijke betekenis en erkenning daarvan. Ik verneem graag uw ideeën hierover.

Enkele suggesties van mijn kant. Versterking van de waardevolle initiatieven die NWO in het verleden heeft genomen, zou een goede zaak zijn. Wellicht dat een zekere afstemming tussen de verwante persoonsgerichte programma's van NWO en de KNAW daarbij kan leiden tot een effectievere inzet van bestaande financiële middelen. Tot slot zou ik willen opperen om de topinstituten een duidelijke rol te laten spelen in internationale samenwerking, in de eerste plaats binnen de EU. We moeten deze sterke punten in de kennisinfrastructuur nu uitbuiten.

Investeren in de toekomst, in kennis en expertise, is niet een zaak voor de overheid alleen. Er liggen vele kansen en uitdagingen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Hoopvol in dat verband is het recente besluit van Philips om samen met de banken een grote investering te plegen in het opzetten van een high-tech campus in Eindhoven. De nadruk die ik hier heb gelegd op kwaliteit geeft aan hoe belangrijk ik dat vind. Maar we mogen andere aspecten van het onderzoek natuurlijk niet vergeten. Ik noem dan de versterking van de Nederlandse kennisinfrastructuur waartoe het Kabinet in het kader van ICES vorig jaar een belangrijk besluit heeft genomen. Het gaat om de investeringen in het wetenschappelijk complex in de Watergraafsmeer, in het zogenaamde Delfts Cluster, in het project Biomade in Groningen en in het project Gigaport in Amsterdam, eveneens in de Watergraafsmeer. Bij deze projecten, die van strategisch belang zijn voor Nederland, gaan hoge kwaliteit en maatschappelijke relevantie hand in hand.

Tot slot nog kort twee onderwerpen die ik in de komende jaren van belang acht.

Moeten we niet in een belangrijke deel van de Nederlandse kennisinfrastructuur, de universiteiten, meer differentiatie en onderlinge profilering mogelijk maken? Ik denk dan aan verschillen in de mate waarin men wil excelleren in het wetenschappelijk onderzoek, op verschillen in de breedte van het aanbod van het onderwijs en onderzoek, de mate van internationalisering etc. Ik hoop met de VSNU over dit soort vragen binnenkort van gedachten te wisselen. Het tweede onderwerp: de maatschappelijke inbedding van het onderzoek. Ik doel daarmee vooral op de directe interactie van het onderzoek met externe geïnteresseerden. Het gaat dan onder meer om versteviging van de contacten van sectorraden met NWO en met de universiteiten. Maar ook om de rol die de verkenningen in directe zin, dat wil zeggen zonder tussenkomst van de overheid, kunnen hebben voor het onderzoek. Dat vereist een actieve opstelling van de gebruikers van het onderzoek, die vooral een lange-termijnvisie op hun belang bij onderzoek moeten ontwikkelen. Ik vat samen. Maatschappelijke inspiratie en oriëntatie is voor een hoge waardering van onderzoek onmisbaar. Ik ben ervan overtuigd dat een vergroting van de creatieve ruimte voor de onderzoekers daarmee zeer goed te verenigen is. Waarschijnlijk beter dan de hectiek die - ik zeg het nogmaals: ongewild - door een veelheid van verschillende beleidsinstrumenten vaak teweeg wordt gebracht.

Ik ga nu gaarne over tot de uitreiking van de bij de toegekende Spinoza premies behorende beeldjes aan :

Prof. Hoeijmakers, hoogleraar Moleculaire genetica aan de Erasmus Universiteit Rotterdam,

Prof. Lenstra, hoogleraar Fundamentele en toegepaste wiskunde aan de Universiteit Leiden,

Prof. Muysken, hoogleraar Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit Leiden, tot voor kort verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Deel: ' Toespraak Hermans bij uitreiking Spinoza-premies '




Lees ook