FNV


`DE TOEKOMST VAN DE FNV'

door LODEWIJK DE WAAL, voorzitter van de FNV, bij de opening van het VAKBONDSKANTOOR ROTTERDAM op vrijdag 1 oktober in Rotterdam 1 oktober 1999

Beste mensen,

1. We nemen vandaag een nieuw vakbondskantoor in gebruik.

Dat is altijd een beetje een symbolische gebeurtenis. Een gebouw straalt iets uit, laat zien wie je bent, of wie je wilt zijn.

Denk bijvoorbeeld aan de monumentale vakbondsburcht van de Diamantbewerkersbond aan de Plantage Franschelaan, de huidige Henri Polaklaan in Amsterdam.

Een fantastisch toonbeeld van zelfverzekerdheid en vooruitgangsoptimisme uit het begin van deze eeuw.

Ik citeer even uit het besluit van het bondsbestuur van de ANDB van 1 december 1897.

De opdracht aan architect Berlage luidde dat het gebouw "een symbool moet worden van de arbeidersbeweging, van haar schoonheid en haar kracht."

De arbeiders zouden in dat "gemeenschappelijke tehuis het ideaal moeten vinden van datgene wat alle mensen pas in de toekomst, in een nieuwe samenleving, voor zich zouden bezitten: een ideale woning."

Dat gebouw werd in gebruik genomen in 1900, nu op een haar na honderd jaar geleden.

Het was het eerste verenigingsgebouw van een vakbond.

In de eeuw die sindsdien is verstreken zijn misschien wel honderden vakbondsgebouwen geopend.

En vandaag nemen we het zoveelste in gebruik.

Geen hoofdkantoor ditmaal, maar één van de zeven regio-bolwerken die we als vakcentrale en bonden aan het oprichten en inrichten zijn.

Geen gebouw met een superieure culturele uitstraling, maar een zakelijk functioneel kantoor.

Nu denkt U natuurlijk: wat zegt nou zo'n kil zakelijk kantoor?

Zo'n paar honderd meter gehuurd kantooroppervlak!

Wat straalt dat nou uit?

Niks toch?

Maar daar vergist u zich in.

Ook dit kantoor zegt - of u dat nou leuk vindt of niet - iets over onszelf, over onze organisaties, over onze werkwijze en onze doelstellingen.

Al was het maar dat het toont hoe zakelijk we tegenwoordig zijn!

En - en daar wil ik het hier vooral over hebben - het zegt iets over de fase waarin we ons bevinden.

FNV-Bondgenoten, FNV regionaal Werk en FNV-Ledenservice trekken hier in één gebouw.

Dat is een belangrijke stap, ook al is het maar een tussenstap - zoals alle huisvesting en alle organisatorische oplossingen de afgelopen eeuw telkens weer tussenstappen bleken te zijn.

De volgende stap zal zijn dat jullie over een paar jaar samen met de Bouw- en Houtbond en ABVAKABO FNV een nog beter regiopand zullen betrekken.

Dat zal de FNV-samenwerking ook organisatorisch en beleidsmatig weer een stap verder brengen.

Een nieuw gebouw betrekken is dus een beetje als een nieuwe jas kopen.

De jas die je uitkiest zegt iets over jezelf.

En over wat je van plan bent.

Als het een goeie jas is, voel je je niet alleen van buiten, maar ook van binnen een beetje nieuw.

Het Toon Hermans gevoel van "zit mijn dasje goed, zit mijn jasje goed", zal ik maar zeggen.

Dat gevoel moet een nieuw gebouw je toch geven, nietwaar?

Daarom wilde ik de opening van deze ruimte aangrijpen om een aantal opmerkingen te maken over de ontwikkeling van onze eigen organisatie.

Want ik weet niet of u het in de gaten heeft, maar we zitten met zijn allen midden in een stapsgewijze, maar toch vrij ingrijpende verbouwing van ons aller FNV, - niet alleen wat betreft de gebouwen, maar ook wat betreft de organisatie.

Ik begin dan toch maar even met de gebouwen, (de 'fysieke infrastructuur' om in eigentijds jargon te blijven, dan begrijpt u tenminste wat ik bedoel).

En zo kom ik vanzelf te spreken over de organisatie, en over het beleid van de FNV, zeg maar over de 'software'...

2. Jarenlang wordt al gezegd dat FNV en bonden hun huisvesting beter moeten coördineren.

Dat is niet alleen financieel efficiënt, maar het verbetert ook de onderlinge samenwerking.

En gelukkig komt daar langzamerhand behoorlijk schot in.

Bonden en vakcentrale hebben in grote lijnen afgesproken dat er - verspreid over Nederland - zeven regionale FNV-bolwerken komen, waar zoveel mogelijk alle regionale en districtskantoren worden geconcentreerd.

Het gebouw dat jullie hier vandaag in gebruik nemen (en de volgende stap samen met Bouw- Houtbond en ABVAKABO FNV), is er daar één van.

De andere zes komen in Groningen, Deventer, Utrecht, Amsterdam, Bergen op Zoom en Weert.

Het is nog niet overal zo ver, dat alles al bij elkaar zit, maar in al die zeven regio's wordt daar stap voor stap naar toegewerkt, net zoals dat hier in Rotterdam gaat.

3. De FNV-regio's worden overigens niet alleen gebouw-technisch in een nieuwe jas gestoken, maar ook organisatorisch.

De FNV kende tot voor kort districtsbesturen, maar die zijn inmiddels eigenlijk een stille dood gestorven.

Dat komt onder andere omdat FNV-Bondgenoten geen districtsorganisatie meer kent, maar vooral sectoraal is georganiseerd.

Dus vielen er in de FNV-regio's opeens vier bondsvertegenwoordigingen weg.

Maar het komt óók, omdat dat oude model zichzelf wat overleefd had.

Om het wat provocerend te zeggen: er werd soms te veel "bestuurtje gespeeld" en te weinig actie naar buiten ondernomen.

Ik doel hier overigens niet speciaal op deze regio.

Toch liggen er in de regio tal van taken voor de FNV, bijvoorbeeld op het gebied van de arbeidsmarkt, de gemeentepolitiek of de ruimtelijke ordening.

Dus moet de FNV in de regio ook organisatorisch een nieuwe opzet krijgen, die aansluit bij de manier waarop de nieuwe bonden werken.

De zeven regio-kantoren vormen daarvoor een prima uitvalsbasis.

Daar ontmoeten bestuurders en kaderleden uit de hele regio elkaar.

Of ze nou bij de ene bond horen, of bij de andere, bij FNV Regionaal werk of bij Ledenservice, ze zijn uiteindelijk allemaal voor dezelfde doelen bezig, in één en hetzelfde gebouw.

Mensen komen elkaar tegen in de gang of in de kantine, en vinden elkaar makkelijker.

Dat is prettiger en efficiënter werken.

De veelheid aan vakbonds-structuurtjes, -bestuurtjes en -cultuurtjes in de regio kan op die manier indikken tot een geïntegreerde, open professionele organisatie.

Om die zeven regionale FNV-bolwerken heen, kunnen dan tal van kader-activiteiten worden ondernomen.

Van daaruit kan een netwerk van decentrale activiteiten, vakbondscentra en ledenservice-steunpunten worden gestimuleerd, ondersteund, en gecoördineerd.

We gaan dus toe naar activiteitengroepen.

Dat kan lokaal zijn of per onderwerp.

Als mensen zich bezig willen houden met Mainport Rotterdam, met de behandeling van bijstandscliënten door de sociale dienst, of met het beroepsonderwijs in de regio, dan kan dat.

Maak een plannetje en dien een begroting in.

Dat moet natuurlijk wel worden beoordeeld en goedgekeurd, maar dat is de manier waarop het regionaal kader van de FNV in de toekomst gaat werken.

4. Het is enige tijd het plan geweest, om van het huidige hoofdkantoor van de FNV-vakcentrale in Amsterdam Sloterdijk, het regiobolwerk Noord Holland te maken.

De vakcentrale zelf zou dan naar Woerden verhuizen.

Dat was in de tijd dat het er nog naar uitzag dat ABVAKABO FNV en de onderwijsbond AOb landelijk zouden gaan samenwerken, en samen met de Politiebond een nieuw hoofdkantoor zouden gaan betrekken in Woerden, niet toevallig vlakbij het al even spiksplinternieuwe hoofdkantoor van FNV Bondgenoten, dat bovendien nog steeds plannen heeft om de samenwerking met de BHB aan te halen.

En de Bouwbond zit, zoals u weet, ook al jaren in Woerden.

Als dat allemaal was doorgegaan, zou ook de FNV vakcentrale naar Woerden zijn verkast, zodat de top van de grote bonden en van de vakcentrale allemaal bij elkaar zouden komen te zitten.

Woerden zou dan waarlijk de vakbondshoofdstad van Nederland zijn geworden.

Ik weet niet of Henri Polak dat echt inspirerend gevonden zou hebben, maar verrassend zou het in elk geval wel geweest zijn.

Maar er kwam, zoals u weet, een kink in de kabel.

De Onderwijsbond wilde toch liever zelfstandig blijven, ging niet samen met ABVAKABO FNV.

Die verhuisde dus niet naar Woerden.

En de vakcentrale FNV evenmin.

Dat stroomlijnen van de huisvesting aan de top is dus op een haar na mislukt.

5. En dat is eigenlijk wel jammer, moet ik eerlijk zeggen.

Vooral omdat daardoor de stroomlijning van de hele FNV-organisatie enigszins trager zal gaan verlopen dan ik vorig jaar nog had gedacht.

Toch blijft zo'n stroomlijning nodig.

Want alleen al door de vorming van Bondgenoten verandert de functie van de vakcentrale.

En naarmate ABVAKABO FNV, Politiebond en Onderwijsbond - zij het wat minder intensief dan aanvankelijk gedacht - toch wat naar elkaar toegroeien, wordt de noodzaak om de FNV ook organisatorisch anders in elkaar te steken alleen maar groter.

Hoe de `FNV-nieuwe-stijl' er precies uit gaat zien, daar zal het federatiebestuur binnenkort voorstellen over doen.

Technisch juridisch gesproken zijn verschillende modellen of scenario's denkbaar.

Maar de hoofdlijnen zoals ik die zie, zal ik u nu vast verklappen.

6. Zoals u weet vormen de bonden nu samen de Federatieraad van de FNV, een soort parlement, dat de FNV-regering (het federatiebestuur) controleert.

Dat model heeft sinds de vorming van de FNV, eind jaren zeventig, goed gewerkt.

De FNV telde gedurende die periode steeds tussen de twintig en de vijftien bonden en bondjes, die elkaar wekelijks ontmoetten in de Federatieraad (en in voorbereidende beleidsadviesraden over diverse beleidsterreinen).

Maar als de FNV gaat bestaan uit drie (op den duur misschien zelfs twee) hele grote vakbondsblokken, en een aantal kleinere, maar ook zeer specifieke bonden, dan moet de Federatieraad anders worden georganiseerd.

Want om nou tweewekelijks een heel vergadercircuit te gaan optuigen voor zeven mensen ... - dat lijkt me heel gezellig, maar echt efficiënt is het niet.

Dan kunnen we beter even gewoon het café in duiken.

Iets dergelijks geldt ook voor de beleidsafdelingen.

Het is niet efficiënt als juristen, economen of VGW-specialisten bij FNV-Bondgenoten, ABVAKABO FNV en FNV-vakcentrale dezelfde problemen aan het onderzoeken zijn.

En in de praktijk zien we dan ook dat die specialisten elkaar opzoeken en met elkaar overleggen.

Als het goed is, vormen ze in feite één brede, samenwerkende deskundige staf.

Het zou heel erg voor de hand liggen om die drie beleidsvoorbereidende apparaten in elkaar te schuiven, zodat er één geïntegreerde denktank ontstaat.

Daarbij moet natuurlijk wel beseft worden, dat binnen zo'n denktank verschillende soorten taken moeten worden uitgevoerd.

Het beleidswerk van de bonden is meestal meer op bedrijven en branches gericht, ter ondersteuning van de kaderleden en de cao-onderhandelaars.

Het beleidswerk van de vakcentrale is vooral gericht op de Stichting van de Arbeid, de SER, de politiek, wetgeving.

Maar qua deskundigheid komt dat allemaal heel dicht bij elkaar.

Hoe dat dan ook precies vorm moge krijgen, het ligt voor de hand dat de toppen van de grote bonden en de top van de vakcentrale naar elkaar toegroeien, in elkaar groeien en uiteindelijk versmelten.

Een soort indikken of "inklinken", net zoals ik dat daarnet ook in de regio heb geschetst, waar het bondswerk en het FNV-werk steeds nauwer op elkaar betrokken worden.

De verhouding tussen vakbonden en vakcentrale is dus aan het veranderen.

De Federatieraad kan niet langer het parlement blijven dat de FNV-regering controleert.

In de plaats van die FR/FB-constructie moet er in mijn ogen één geïntegreerd FNV-bestuur Nieuwe Stijl komen, bestaande uit de bondsvoorzitters.

Voor de dagelijkse aansturing stellen zij een Dagelijks Bestuur aan, inclusief voorzitter.

Dat komt er kortom op neer, dat de bonden veel meer zelf de vakcentrale gaan besturen.

Een vakcentrale die op zijn beurt dichter bij de bonden komt te staan.

7. Dat is globaal het perspectief op de langere termijn.

Hoe snel zulke ontwikkelingen gaan, hangt natuurlijk van diezelfde bonden af.

Misschien dat de AOb over vijf jaar besluit, om toch de samenwerking met de ABVAKABO FNV aan te gaan.

Maar misschien volhardt hij in zijn zelfstandige positie.

Misschien kiest de Horecabond - als ze ziet dat Bondgenoten de fusie-ellende definitief weet te overwinnen - toch voor aansluiting bij de grote broer.

Misschien vinden Bouw & Hout en Bondgenoten elkaar op één of andere manier; misschien niet.

Dat zijn allemaal onzekerheden, die het denken over de toekomst niet in de weg mogen staan.

Ik zie het allemaal als mogelijkheden, waar we gewoon hardop over kunnen praten.

En waar we rekening mee moeten houden.

In die zin zijn er allerlei opties en allerlei snelheidsvarianten denkbaar.

8. Daar moet - om het plaatje compleet te maken - nog één ontwikkeling bij in ogenschouw genomen worden, die ik nog niet vermeld heb.

En dat is de ontwikkeling binnen die grote nieuwe vakbonden zelf.

FNV Bondgenoten hecht veel waarde aan het eigen initiatief en de herkenbaarheid van de bedrijfsgroepen.

En daar geeft ik ze groot gelijk in.

Behalve het voor iedereen herkenbare algemene kwaliteitsmerk "FNV", moeten mensen ook weten dat de bond dicht bij hun werk staat.

Dat is ook de kracht van specifieke bonden zoals Kappersbond, Horecabond of Sportbond.

Juist de grote bonden kunnen daarvan leren.

Het is goed als ook leden in de metaal, het vervoer of de detailhandel hun bond direct herkennen als DE bond die bij hun werk en hun bedrijf past.

Dus terwijl de FNV en de grote bonden aan de top en in de regio in elkaar groeien (en in die zin dus algemener worden), mag van mij de herkenbaarheid in de bedrijven en in de branches specifieker worden.

Die beide ontwikkelingen horen bij elkaar, houden elkaar in evenwicht, en versterken elkaar.

9. Zo ziet het plaatje van de FNV van de toekomst er in mijn ogen dus ongeveer uit.

Aan de top een in elkaar groeien van besturen, beleidsapparaten en denktanks.

In de regio zeven FNV-bolwerken, met daaromheen een scala aan moderne vakbondsactiviteiten.

In de bedrijfstakken herkenbare bedrijfsgroepen, met korte lijnen naar kadergroepen in de bedrijven.

En optimale service aan de leden.

Al bij al een moderne flexibele organisatie met minder lagen, en korte, directe lijnen tussen top en basis.

Met voldoende ruimte om decentraal je gang te gaan.

En voldoende coördinatie om elkaar vast te houden en op dezelfde koers te blijven.

Want dat is uiteindelijk natuurlijk de hamvraag waar het om draait: waar doen we het allemaal voor?!

Al die gebouwen en die organisatiestructuren zijn immers alleen maar instrumenten om dingen te doen en om dingen te bereiken.

En daarmee kom ik aan het laatste deel van mijn drieluik: de inhoud.

10. Twintig jaar hebben we als FNV gewerkt zoals we gewerkt hebben. We zijn nu toe aan een stroomlijning van onze organisatie.

Maar in die twintig jaar is ook de wereld om ons heen veranderd, - mede als resultaat van onze eigen inspanningen overigens.

De FNV begon haar werkzaamheden onder een buitengewoon moeilijk gesternte.

In de jaren tachtig maakten we - op de jaren dertig na - de zwaarste economische depressie van de eeuw mee.

We zijn daar ook weer uitgeklommen, - met dank aan het poldermodel.

We moesten allemaal inleveren, maar wonnen er uiteindelijk toch weer bij, ook al werd de inkomensongelijkheid groter dan hij eind jaren zeventig was.

De verzorgingsstaat liep wat kleerscheuren op, maar bleef kwalitatief toch de moeite waard. Er kwamen nieuwe evenwichten tot stand tussen centraal en decentraal, tussen individu en collectiviteit, tussen markt en overheid.

De arbeidsverhoudingen werden decentraler.

Flexibilisering deed zijn intrede, eerst wild-west, later in acceptabele randvoorwaarden ingekaderd.

De arbeidsmarkt komt inmiddels weer behoorlijk in balans.

Naast langdurig werklozen (die we nog als resten van de voorbije crisis mogen beschouwen), zijn er steeds meer kraptes en onvervulde vacatures.

En zo zijn we op het einde van de eeuw toch nog welvarender dan we ooit geweest zijn.

Natuurlijk, de inkomensongelijkheid is te groot.

De onderkant moet worden opgetrokken.

De werkdruk moet omlaag en de scholing omhoog.

Maar laten we bij al onze kritiek, ook onze zegeningen tellen.

Zo bekeken is de vraag zelfs: wat moet een vakbond zich in de rijke jaren negentig - waar we tot ons aller verbazing na de crisisjaren tachtig toch nog in terecht gekomen zijn - tot taak stellen?

Natuurlijk, in algemene zin zijn we nog steeds met dezelfde dingen bezig als toen twintig jaar geleden de FNV tot stand kwam, of toen Henri Polak honderd jaar geleden zíjn schitterende vakbonds-burcht liet bouwen.

Sociale rechtvaardigheid.

De kwaliteit van het bestaan.

Het bestrijden van armoede en uitsluiting.

En het bevorderen van participatie en ontplooiing.

Maar wie louter in algemeenheden denkt, ziet de veranderingen niet. In algemeenheden gesproken lijkt alles hetzelfde. Dan lijkt de wereld stil te staan.

Terwijl er in die twintig FNV-jaren zo enorm veel is veranderd!

We zijn die crisis van de jaren tachtig heel anders uitgekomen, dan we erin gingen.

Eind jaren zeventig was tachtig procent van de getrouwde mannen nog kostwinner, om maar eens iets te noemen.

Nu nog maar dertig procent!

Slechts één op de zes werknemers werkte in deeltijd.

Nu één op de drie!

Vrouwen hebben de afgelopen twintig jaar massaal de arbeidsmarkt betreden.

In de meeste huishoudens komen twee inkomens binnen, meestal een groot en een klein.

Tegelijk zijn de arbeidstijden uitgewaaierd over een veelheid van contracten en roosters.

Eind jaren zeventig werkten de meeste mensen 40 uur per week.

We vechten nu voor 36 uur, maar ook voor het recht op deeltijd, voor tijdsparen en Cao à la carte.

Dat is een heel andere strijd dan die voor de 40-urige werkweek!

Die strijd eindigde in een voor iedereen gelijk eindresultaat: de vijfdaagse werkweek bij een achturige werkdag, tussen de middag een half uur pauze, het weekend vrij en een paar weken vakantie.

Onze strijd van vandaag zal eindigen in meer verschillen tussen mensen.

Sommigen willen korter werken, anderen langer.

Sommigen kiezen voor veel verdienen nu, anderen sparen voor later.

Het uniforme leefpatroon is doorbroken.

Er is een enorme diversiteit aan leefpatronen, levenslopen en ontwikkelingslijnen.

Mensen willen wel gelijke kansen, maar tegelijk ook: zelf keuzes maken.

Dat betekent meer individualiteit, en tegelijk ook: minder gelijkheid.

Dat hoeft niet verkeerd te zijn. Henri Polak zou stinkend jaloers op ons zijn, ook al strookt onze individualisering volstrekt niet met zijn paternalisme en centralisme.

Maar hij heeft dan ook nooit kunnen vermoeden dat de achterkleinkinderen van zijn leden zoveel ontplooiingskansen en keuzemogelijkheden zouden hebben.

Dat is dus alleen maar mooi.

Maar het is ook even wennen.

De vakbeweging moet zich niet alleen richten op modernisering van de wereld om ons heen; we moeten ons ook bezinnen op de modernisering van onze eigen organisatie en onze eigen taakstelling.

We kunnen niet alleen blijven roepen dat er nog steeds armoede bestaat, dat marktwerking verkeerd is, of dat de solidariteit ons boven alles gaat.

Als we ons tot dergelijke vakbonds-cliché's zouden beperken, sluiten we onze ogen voor de dilemma's waar we voor staan.

Dilemma's, die voortvloeien uit die individualisering, die de logische consequentie is van een eeuw emancipatie.

Als mensen meer zelf kunnen beslissen, behoeven ze minder bescherming.

Wij zijn als vakbeweging gespecialiseerd in bescherming, in collectieve oplossingen.

Deels blijft dat zo.

Mensen willen die zekerheid nog steeds.

Maar tegelijk willen ze vrijheid en zelfstandigheid.

Geen afhankelijkheid.

Geen paternalisme.

Dat betekent dat we mensen ook op hun individuele verantwoordelijkheid moeten durven aanspreken.

Anders ontstaan er nieuwe vormen van misbruik en Onverantwoordelijk gedrag.

Dat zijn geen gemakkelijke dilemma's.

Want waar ligt het evenwicht?

Ik noem maar een paar voorbeelden.

Mogen mensen die dat willen ook langer dan 36 uur werken?

Moet kinderopvang volledig collectief gefinancierd worden?

Is het niet goed als mensen ook zelf meebetalen aan voorzieningen waar ze voor kiezen?

Is marktwerking in de sociale zekerheid altijd per definitie verkeerd?

Zouden we het vakbondslidmaatschap niet op moeten splitsen in een aantal diensten waar mensen apart voor betalen?

Dat is het type dilemma's waar de vakbeweging in een individualiserende samenleving van mondige zelfstandige mensen voor staat.

Ik geef nu de antwoorden niet, maar het is nooit verkeerd vragen te stellen.

We kunnen ons daar niet aan onttrekken, door te zeggen: laat de overheid het maar oplossen, het is ons pakkie-an niet, en we zullen wel laten weten wanneer het resultaat ons niet bevalt.

Zo'n beste-stuurman-aan-de-wal-strategie levert geen goede resultaten op.

We zullen juist moeten deelnemen aan het debat, en deelnemen aan het vinden van oplossingen.

Daar zijn we goed in.

Dat is altijd de manier geweest waarop de FNV heeft gewerkt: door onszelf als deel van het probleem te beschouwen, konden we ook deel van de oplossing zijn.

Ik hoop dat dat zo blijft, en dat u met ons meedenkt.

Stilstand is achteruitgang.

Daarom hebben we nieuwe gedachten en nieuwe ideeën nodig, nieuwe organisatorische oplossingen en ..... nieuwe gebouwen!

Ik wens u veel succes in dit nieuwe vakbondsbolwerk, veel inspiratie, nog heel veel veranderingen en dus nog heel veel verhuizingen!

Deel: ' Toespraak Lodewijk de Waal opening FNV-kantoor Rotterdam '




Lees ook