expostbus51


MINISTERIE DEF

Mindef:Toespraak minister De Grave Clingendael

NB: EMBARGO TOT 20/4/99, 18.00 UUR

GESPROKEN TEKST GELDT

Toespraak door de minister van Defensie, mr. F.H.G. de Grave, om 18.00 uur uitgesproken op het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael, Den Haag, 20 april 1999.

DEFENSIE IN DE TOEKOMST:

OP WEG NAAR DE DEFENSIENOTA 2000

Inleiding
Terwijl wij ons in de vredige omgeving van het park Clingendael buigen over de toekomst van onze krijgsmacht, worden elders in Europa mensen gedeporteerd en vermoord wegens hun etnische afkomst. Al tien jaar lang buit Milosevic etnische tegenstellingen uit en wakkert hij de haat aan op de Balkan om zijn machtspositie te verdedigen. Hij schuwt geen middel en zelfs het lot van de bevolking in Servi. laat hem onverschillig. Grote delen van het voormalige Joegoslavi. zijn verwoest en honderdduizenden lieten het leven.

Milosevic en zijn helpers moeten worden gestopt. Elie Wiesel, een van de overlevenden van de Holocaust die de slachtoffers van Hitler een stem gaf, schreef onlangs in Newsweek: 'Wanneer mensenlevens op het spel staan, is onverschilligheid geen antwoord. Niet kiezen is ook een keuze (...). Neutraliteit helpt de agressor, niet zijn slachtoffers'.

De Navo heeft de rug recht gehouden toen president Milosevic in Rambouillet zijn beproefde spel van vertraging en ontwijking speelde. Het is waar dat de Navo-bombardementen onmiddellijk zijn gevolgd door nog grotere etnische zuiveringen in Kosovo. Maar, dat het kwaad zich - blijkbaar grondig voorbereid - op afschuwelijke wijze manifesteerde, mag de bestrijders van het kwaad niet worden aangerekend: het was Milosevic die zijn ware gezicht toonde toen hij zich niet langer achter handlangers kon verschuilen.

De Navo zet de luchtacties voort zolang dat nodig is. Het is Milosevic die het moment bepaalt waarop de Navo haar aanvallen kan staken en de pogingen het conflict op te lossen langs diplomatieke weg kunnen worden vervolgd. De eisen die de Navo aan Milosevic stelt zijn duidelijk. Ook spant het bondgenootschap zich in om humanitaire hulp te bieden aan de honderdduizenden Kosovaren die van huis en haard zijn verdreven en noodgedwongen in Albani., Macedoni. en Montenegro zijn opgevangen. Ik wil hier nogmaals mijn waardering en steun uitspreken voor de mannen en vrouwen van Defensie die samen de Nederlandse bijdrage aan de Navo-operaties leveren.

Oorlog en vrede
In Europa bestaan oorlog en vrede naast elkaar. Beide begrippen zijn tegenwoordig niet eenvoudig te scheiden. Nederland is een vredig land, maar Nederlandse militairen bevinden zich op dit ogenblik op de Balkan onder oorlogsomstandigheden. Wat betekent vrede voor iemand die wordt onderdrukt of vervolgd? Wat betekent vrede als er geen vrijheid en rechtvaardigheid zijn? Wat betekent onze vrede op de 28ste dag van de luchtacties tegen Milosevic? Dergelijke moeilijke vragen weerspiegelen de diffuse situatie waarop ons veiligheids- en defensiebeleid een antwoord moet zijn.

De complexiteit van de huidige vraagstukken inzake vrede en veiligheid en de hiermee samenhangende veranderingen in het defensiebeleid zijn overtuigende argumenten voor een grondige discussie over de toekomst van onze krijgsmacht. Vanzelfsprekend moet de vraag worden gesteld of de gebeurtenissen in Joegoslavi. de kern van de Hoofdlijnennotitie van januari niet op losse schroeven zetten. Naar mijn overtuiging is dit niet het geval, integendeel. Waar de gebeurtenissen van de laatste weken ons wel bewuster van hebben gemaakt, is dat het nadenken over de komende Defensienota geen theoretische oefening is. Halverwege de Hoofdlijnennotitie en de Defensienota zijn we er hardhandig aan herinnerd dat vrede en veiligheid verworvenheden zijn die moeten worden bevochten voordat ze kunnen worden gekoesterd. Wie de illusie had dat het nadenken over de toekomst van Defensie vrijblijvend was, is met de neus op de feiten gedrukt.

Ook de komende periode nemen de staatssecretaris en ik daarom zoveel mogelijk deel aan bijeenkomsten als deze. Vandaag is het Instituut Clingendael gastheer: een gastheer die ons onlangs al trakteerde op een belangwekkende bijdrage aan de discussie, waarover zo dadelijk meer. Ik ben Clingendael hiervoor dankbaar.

Internationale Ontwikkelingen
De solidariteit die de negentien bondgenoten onder de huidige moeilijke omstandigheden tonen, onderstreept eens te meer waartoe de Navo ook na de Koude Oorlog in staat is. Over enkele dagen komen de Navo-leiders bijeen in Washington. Uiteraard staat Kosovo hoog op de agenda, wat het belang onderstreept van de nieuwe taken van de Navo buiten het eigen gebied. Deze taken zullen, mede op Nederlands voorstel, een prominente plaats krijgen in het aangepaste Strategische Concept dat de Navo op de top zal vaststellen.

Het Strategische Concept zal de ontwikkelingen weerspiegelen die de Navo doormaakt om flexibeler te kunnen antwoorden op de uitdagingen van onze tijd. Het concept van de 'Combined Joint Task Forces', bekrachtigd in 1996 in Berlijn, zal nu, drie jaar later, verder tot wasdom komen. De Europese Veiligheids en Defensie Identiteit krijgt, mede dankzij de gewijzigde houding van het VK, nieuwe impulsen. Dit zal de Navo versterken. Het is jammer dat professor Van Staden in zijn bijdrage aan de studie 'Krijgsmacht of Vredesmacht' niet ingaat op het belang van de Europese veiligheids- en defensie-samenwerking. Het is wel enigszins begrijpelijk, want de Navo-luchtacties boven Joegoslavi. onderstrepen hoezeer de Verenigde Staten een cruciale rol spelen in het bondgenootschap. E.n ding staat w.l vast: een prominentere rol van Europa in de Navo verhoudt zich slecht tot verdere ingrijpende bezuinigingen op het defensiebudget. In verband hiermee is het pleidooi van professor Van Staden hiertegen, onlangs op een bijeenkomst in de Ridderzaal, niet van logica gespeend. Maar Europese veiligheids- en defensiesamenwerking biedt ook mogelijkheden om de effectiviteit van de defensie-inspanningen te vergroten.

In Washington zullen de Navo-landen eens temeer duidelijk maken aan welke eigenschappen moderne krijgsmachten moeten voldoen: Snelle inzetbaarheid en paraatheid, voortzettingsvermogen, flexibiliteit en mobiliteit, inpasbaarheid van nationale eenheden in multinationale verbanden, het vermogen op te treden in sterk uiteenlopende scenario's, het belang van gezamenlijk ('joint') optreden van krijgsmachtdelen en de noodzaak ons te verdedigen en te beschermen tegen ballistische raketten. Deze zaken bepaalden de Hoofdlijnennotitie en zullen ook hun stempel zetten op de Defensienota.

Defensie in discussie
Over hoe de Nederlandse krijgsmacht van de toekomst er precies uit moet zien, lopen de meningen natuurlijk uiteen: twee Nederlanders, twee meningen. Dat een welvarend en open land als het onze moet blijven beschikken over een moderne krijgsmacht, staat echter buiten kijf. Defensie is .n discussie, maar staat niet t.r discussie. Zij kan bogen op brede steun in de samenleving. Na tien jaren van ingrijpende bezuinigingen en soms te optimistische opvattingen over de internationale veiligheidssituatie, is dit een belangrijke vaststelling. De verontwaardiging en bezorgdheid onder de Nederlandse bevolking over Kosovo onderstrepen de bereidheid in het uiterste geval militair op te treden, samen met onze bondgenoten. De jarenlange investeringen in personeel en materieel stellen Nederland nu in staat een bijdrage van betekenis te leveren aan de Navo-acties tegen Milosevic en zijn troepen.

De ervaringen in Kosovo zullen uiteraard in beschouwing worden genomen tijdens de aanloop naar de Defensienota. Naar aanleiding van de luchtacties is, bijvoorbeeld, gesuggereerd dat de voorgenomen verlaging van het aantal F16-jachtvliegtuigen ongedaan moet worden gemaakt, omdat juist de Koninklijke luchtmacht zo'n actieve rol speelt in de Navo-acties. De vraag is of deze redenering hout snijdt. Het zijn niet zo zeer de aantallen als wel het technische uitrustingsniveau van de F16ïs en de beschikbaarheid van ervaren vliegers die belangrijke factoren van invloed zijn, met name als het aankomt op het voortzettingsvermogen. In het algemeen is het, naar mijn overtuiging, nodig het voortzettingsvermogen van alle modules, ongeacht het krijgsmachtdeel waartoe zij behoren, goed tegen het licht te houden.

Op weg naar de Defensienota 2000
Het Strategische Concept van de Navo is het kader voor de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:


- Eenheden die geschikt zijn voor de hoofdtaken van de krijgsmacht krijgen voorrang. Die hoofdtaken zijn:

. de verdediging van het eigen en bond-genootschappelijke gebied;
. de bescherming en bevordering van de internationale rechtsorde. Het betreft niet alleen vredebewarende operaties, maar ook operaties waarbij sprake is van dreiging met of gebruik van geweld;
. de handhaving van de nationale rechtsorde en de ondersteuning van civiele overheden, zowel nationaal als internationaal, bij rampen-bestrijding en vredesopbouw.


- Onze eenheden buiten treden buiten het Koninkrijk uitsluitend op in internationaal verband. Daarom moeten we beschikken over moderne, goed inpasbare eenheden als bouwstenen voor grotere verbanden. Dit 'moduledenken' zal steeds meer zijn stempel op onze krijgsmacht gaan drukken;


- Zolang taakspecialisatie een brug te ver blijft, biedt het moduledenken, immers de keerzijde van taakspecialisatie, een goede grondslag voor internationale samenwerking, met name met de ons omringende landen;


- De internationale verbanden waarin onze modules optreden, vertonen steeds hechtere samenwerking tussen krijgsmachtdelen. Dergelijk 'joint' optreden vergroot de effectiviteit van onze eenheden en moet dus verder worden versterkt.

Het denken in modules zal allengs belangrijker worden dan het onderscheid tussen de krijgsmachtdelen. Ook Clingendael onderstreept in zijn studie 'Krijgsmacht of Vredesmacht' het belang van de modulaire benadering. Sinds 1989 heeft ons land in feite al voortdurend met modules deelgenomen aan vredes-operaties. Dit is ook thans op de Balkan het geval. Zie het gemechaniseerde bataljon van de landmacht in Bosni., het F16-detachement in Amendola en de taakgroep die deelneemt aan humanitaire Navo-operatie in Albani.. De samenstelling van deze taakgroep - mariniers en het ATS, een Chinook-detachement van de luchtmacht en een transporteenheid van de landmacht - is bij uitstek een voorbeeld van de modulaire benadering waarbij de krijgsmachtdelen zij aan zij opereren.

Studie Clingendael
De Clingendael-studie 'Krijgsmacht of Vredesmacht' is een belangwekkende bijdrage aan de Strategische Toekomst-discussie Defensie. Belangrijke voorstellen erin weerspiegelen de benadering van de Hoofdlijnennotitie: onze krijgsmacht moet zo paraat mogelijk zijn en inzetbaar in sterk uiteenlopende situaties, van humanitaire en vredestaken tot het gevecht op grotere schaal. Een vredesmacht zonder gevechtstaken, ..n van de twee opties in de recente Clingendael-studie, is voor Nederland dan ook niet aan de orde. Terzijde merk ik op dat de constatering van Clingendael dat de Scandinavische landen zich tot een dergelijke krijgsmacht beperken, geen recht doet aan de defensie-inspanningen van deze landen. Hoe dit ook zij, het is te simpel om slechts twee opties te presenteren die eigenlijk de polen zijn waartussen heel veel mogelijk is, waaronder de Hoofdlijnennotitie.

Niettemin is de Clingendael-studie het soort bijdrage aan de Strategische Toekomstdiscussie waarop ik heb gehoopt. Het is een prikkelend stuk, dat op zijn beurt voor discussie vatbaar is. Ook andere uitkomsten zijn denkbaar, uitkomsten overigens die steeds zullen moeten passen in de alom onderschreven behoefte aan een meer parate, snel inzetbare krijgsmacht die voldoet aan de Navo-eisen.

Dat zo'n krijgsmacht vergezeld moet gaan van een toereikend budget, heeft Clingendael terecht onderstreept. Over de moeilijke vraag wat een toereikend budget precies is, zijn de auteurs van 'Krijgsmacht of Vredesmacht' vooralsnog heengestapt; de twee opties zijn niet financieel onderbouwd. Zij gaan er voorts stilzwijgend vanuit dat de werving van voldoende personeel voor een geheel parate landmacht geen probleem hoeft op te leveren. Deze en andere problemen hebben de auteurs er niet van weerhouden hun idee.n uit te werken tot op het niveau van eskadron en compagnie. Aan een volledig parate divisie voor de Koninklijke landmacht verbinden zij alvast de naam van hun instituut. Ik wil naar aanleiding van het Clingendael-model voor een expeditionaire krijgsmacht met een geheel parate landmacht graag enkele kritische opmerkingen maken en een mogelijk perspectief beschrijven.

Duits-Nederlandse legerkorps
De Clingendael-auteurs leggen de bijl aan de wortels van het Duits-Nederlandse legerkorps. Daar zijn ze blijkbaar zelf wat van geschrokken. Daarom onderstrepen ze het belang van de Duits-Nederlandse samenwerking en pleiten zij voor nieuwe samenwerkingsvormen. Ik zie geen heil in deze benadering. We moeten blijven investeren in wat wij samen met Duitsland hebben opgebouwd. Heroverweging van de samenwerking in het binationale legerkorps zou een volstrekt verkeerd signaal zijn aan de bondgenoten, waaronder de drie nieuwe, die Artikel 5 van het Verdrag van Washington onverminderd van belang achten. In het Strategische Concept zal de collectieve verdediging een prominente plaats behouden. De samenwerking met Belgi., Duitsland en het VK draagt bij uitstek bij tot de internationale inbedding van de Nederlandse krijgsmacht en de interoperabiliteit van eenheden. En dat het belang van multinationale eenheden wordt onderstreept in het Strategische Concept, zal u niet verbazen.

Clingendael beschouwt het Duits-Nederlandse legerkorps ten onrechte als louter geschikt voor het grote conflict. Het hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse legerkorps, bijvoorbeeld, is geschikt voor operaties binnen .n buiten het Navo-gebied. Het is volledig mobiel en kan overal optreden. Het Duitse en Nederlandse personeel is prima op elkaar ingespeeld en de legerkorpsstaf beschikt over een luchtmachtcel voor 'joint' optreden. Het hoofdkwartier is in november 1997 beschikbaar gesteld als 'headquarters answerable to WEU' en dit voorjaar hebben de commandant van het Duits-Nederlandse legerkorps en de militaire staf van de Weu hierover nadere afspraken gemaakt.

Het hoofdkwartier is gereed om taken in Navo-, Weu- en, in de toekomst, EU-verband uit te voeren. Het is een Europees hoofdkwartier, opgenomen in de Navo-structuur. Het sluit goed aan bij de aan beide zijden van de Atlantische Oceaan levende behoefte aan moderne, snel inzetbare Europese militaire capaciteiten. Grote mobiele hoofdkwartieren zijn schaars. Als Duitsland en Nederland samen willen deelnemen aan een operatie buiten het Navo-gebied, kunnen zij het binationale hoofdkwartier hoog plaatsen op de lijst van mogelijke bijdragen. Zo is het hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse legerkorps in staat, als de Navo hierom vraagt, de kernstaf te leveren voor Sfor in Bosni. of voor een vergelijkbare operatie in Kosovo.

Met het oog op dergelijke scenario's heb ik de bevelhebber van de Landstrijdkrachten gevraagd, in overleg met zijn Duitse collega, te bezien of het binationale hoofdkwartier verder kan worden versterkt. Hierbij denk ik aan de luchtmachtcel voor 'joint' optreden, het voortzettings-vermogen, de inpasbaarheid van staffunctionarissen uit andere landen en de ondersteuning van Cimic-operaties.

Naast het hoofdkwartier kunnen de legerkorpstroepen, waaronder verbindingseenheden, afzonderlijk als modules worden ingezet. Ten onrechte nemen de auteurs van de Clingendael-studie aan dat de legerkorpstroepen, die uiteenlopend van aard en samenstelling zijn, te vervangen zijn door pantserinfanterie. Ook op andere niveaus is samenwerking denkbaar. Een sprekend praktijkvoorbeeld is de inzet van de 11e afdeling rijdende artillerie, de Gele Rijders, in een Duitse brigade in Macedoni..

Inzetbaarheid en voorzettingsvermogen
Tegen de achtergrond van het Strategische Concept zijn de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de Nederlandse krijgsmacht van groot belang. In dit opzicht deel ik de analyse van Clingendael. Ik wijs erop dat de uitbreiding van de parate capaciteit van de landmacht en het Korps mariniers met respectievelijk 800 en 300 man, die in de Hoofdlijnennotitie is aangekondigd, ook voor Defensie het vertrekpunt is. Daar blijft het niet bij. We onderzoeken de mogelijkheden om het voortzettingsvermogen verder te versterken.

De krijgsmacht van de toekomst is echter niet van vandaag op morgen gestalte te geven. De uitgangssituatie dicteert de marges, of we dit nu leuk vinden of niet. Neem, bijvoorbeeld, de grotere gevechtskracht van de parate landmachtdivisie die Clingendael voor ogen staat. Deze verhoogt, bij de huidige contractduur, de jaarlijkse wervingsbehoefte van de Koninklijke landmacht aan Beroepsmilitairen voor Bepaalde Tijd (BBTers) van 3.600 tot zo'n 5.500. Het aantal van 5.500 - ruim 50 procent meer dus - zal de auteurs tegenvallen, maar vloeit mede voort uit de ondersteunende functies die zij buiten beeld laten. Parate gevechtseenheden kunnen immers niet zonder onder-steunende eenheden die, bijvoorbeeld, zorgen voor aanvoer, geniesteun, onderhoud en luchtverdediging.

Het is zeer de vraag of de huidige krappe arbeidsmarkt kan voorzien in jaarlijks 5500 BBTers voor de Koninklijke landmacht. Defensie aarzelt niet de weg te gaan naar een zo paraat mogelijke landmacht, maar plant deze route wel zorgvuldig en realistisch. Een grote sprong voorwaarts is alleen verstandig als je weet dat je veilig kunt landen. Anders is het een sprong in het duister.

De verdere versterking van de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen zijn op termijn mogelijk als het vernieuwde personeelsbeleid dat de Hoofdlijnennotitie beschrijft vruchten gaat afwerpen. Dit beleid is gericht op verdere professionalisering, verjonging en flexibilisering. Er komen meer militairen voor bepaalde tijd, met langere contracten. Het nieuwe personeelssysteem biedt de mogelijkheid het personeel breder inzetbaar te maken; de langere contracten leveren meer personeel op en extra tijd voor opleiding en training.

Uiteraard is een zo ingrijpende aanpassing van het personeelsbestand van Defensie een zaak van de lange termijn. De winst kan niet onmiddellijk worden ge.ncasseerd. Voorshands blijven mobilisabele eenheden onverkort van belang, en niet alleen in Nederland. Het concept van de mobilisabele eenheden stelt de Navo in staat een aanzienlijke strijdmacht op de been te brengen als de nood aan de man komt. Mobilisabel materieel is ook allerminst dood kapitaal. Het materieel wordt bijvoorbeeld gebruikt voor opleidingen en door eenheden die hun missie uitvoeren op de Balkan.

De mobilisabele eenheden van de landmacht bestaan naast het actieve beroepspersoneel steeds meer uit voormalige beroepsmilitairen, BBTers dus. Dit zijn in feite reservisten. Ik zou daarom voortaan ook liever spreken van reserve-eenheden. Mobilisabele eenheden worden nog teveel geassocieerd met een totale mobilisatie. De kans daarop is echter klein. De kans dat de landmacht met het oog op het voortzettingsvermogen een beroep moet doen op reservisten, is groter. Wat mij betreft, zal deze benadering dan ook verder worden uitgewerkt.

Samenwerking tussen krijgsmachtdelen
Ik kom op de samenwerking tussen onderdelen van de krijgsmacht die de meervoudige inzetbaarheid vergroten. Clingendael onderkent in zijn studie in het bijzonder de relatie tussen de Koninklijke landmacht en het Korps mariniers, maar werkt die in mijn ogen niet geheel uit.

Om met de deur in huis te vallen: ik ben niet voor de samenvoeging van de luchtmobiele brigade, het Korps mariniers en de commando's. In de eerste plaats dienen deze eenheden elk hun primaire taak te behouden. Zij dragen door hun specifieke kenmerken bij aan de multi-inzetbare krijgsmacht. In de tweede plaats mogen de cultuur en identiteit van deze eenheden niet zomaar overboord worden gezet: zij bepalen immers in hoge mate de aantrekkingskracht en de samenhang van de eenheden. In de derde plaats leidt de samenvoeging niet tot belangrijke personele besparingen. En in de vierde plaats stuit samenvoeging op grote praktische bezwaren: nieuwe infrastructuur, concentratie van milieubelasting en verlies aan werkgelegenheid in soms kwetsbare regio's.

Het Korps mariniers moet als integraal onderdeel van de Brits-Nederlandse amfibische macht voorbereid blijven op amfibische operaties. Wat ik daarbij niet voor ogen heb, zijn operaties zoals landingen in Normandi.. Amfibisch behelst vooral het specialisme om op plaatsen met gebrekkige of ontbrekende havenfaciliteiten vanuit zee snel een troepenmacht aan land te brengen en zo een veilig bruggenhoofd te vormen voor de komst van zwaardere eenheden. Dat kunnen gevechts- en luchtverdedigings-eenheden zijn, maar ook eenheden die deelnemen aan een humanitaire operatie.

Daarbij levert de zware opleiding tot marinier ons militairen op die bij uitstek geschikt zijn voor uiteenlopende taken. Dit is gebleken in Bosni., Cambodja, Ha.ti en Noord-Irak, en onlangs in Honduras. Daarbij is ook gebleken dat de lichte uitrusting van de mariniers voor sommige taken aanvulling behoeft. Het gaat daarbij vooral om beschermende mobiliteit in de vorm van pantservoertuigen, iets wat onder bepaalde omstandigheden, zoals in Bosni., ook geldt voor de Luchtmobiele brigade. Op ad hoc basis werden de mariniers uitgerust met YPR-pantser-voertuigen van de Koninklijke landmacht en eenheden van de landmacht met 'All Terrain' voertuigen van het Korps mariniers. De komende aflossingen van de Luchtmobiele brigade voor Sfor worden thans getraind met het YPR-voertuig. Maar tijdens een groter conflict is de specialiteit van deze brigade het luchtmobiel optreden om de mobiliteit en de slagkracht van haar helikopters optimaal te benutten.

In aanvulling op de Patria-pantserwielvoertuigen die speciaal voor VN-operaties worden aangeschaft, kunnen pantservoertuigen van de reserve-eenheden van de Koninklijke landmacht worden gebruikt door het Korps mariniers. De training met deze systemen kan een vast onderdeel zijn van de opleiding van de mariniers. De Luchtmobiele brigade brengt dit thans, met het oog op Bosni., al in de praktijk. De Koninklijke landmacht kan de mariniers verder ondersteunen, ook op logistiek gebied en met genie. Naarmate de contracten van BBT-militairen langer worden, nemen de mogelijkheden toe hen te trainen op verschillende systemen. In het onwaarschijnlijke geval van een grote aanval op het Navo-gebied blijven de pantservoertuigen beschikbaar voor reserve pantser-infanteriebataljons. Omgekeerd kan het Korps mariniers de landmacht ondersteunen met zijn specifieke deskundigheid. Uitbreiding van de samenwerking op deze gebieden vergroot op doelmatige wijze de flexibiliteit en het voortzettingsvermogen van onze krijgsmacht.

Er wordt, kortom, een belangrijke nieuwe impuls gegeven aan de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen. Als het YPR-pantservoertuig omstreeks 2005 moet worden vervangen, dient dit te geschieden in het licht van de bredere taken zoals ik die zojuist heb geschetst.

Slot
Ik vat een en ander samen. Tijdens de Koude Oorlog stonden de samenstelling, de opleiding en de uitrusting van eenheden in het teken van een vastomlijnde taak. Sindsdien is sprake van een diffuse veiligheidssituatie, en worden eenheden ingezet voor sterk uiteenlopende taken, van Cyprus tot Bosni. en Kosovo. Zo nodig krijgen ze hiervoor ad hoc extra uitrusting en training. Hoewel elke situatie specifieke eisen stelt, kunnen verschillende eenheden beter dan tot dusver worden toegesneden op meervoudige inzetbaarheid. De structurele voorbereiding op meervoudige inzet is doelmatig dankzij het gebruik van bestaand materieel voor mobilisabele eenheden door het Korps mariniers en de Luchtmobiele brigade. Dit vergroot de flexibiliteit van onze krijgsmacht. De mogelijkheden voor meervoudige inzet zijn belangrijk toegenomen door de overgang naar een beroepskrijgsmacht en nemen verder toe naarmate BBTers langer dienen. De bijdrage die voormalige beroepsmilitairen, reservisten dus, kunnen leveren aan de vergroting van het voortzettingsvermogen van met name de landmacht, wordt in de aanloop naar de Defensienota nader bestudeerd.

Ik heb vandaag niet meer dan een algemeen inzicht kunnen bieden in enkele idee.n die tijdens de Strategische Toekomstdiscussie zijn opgekomen. Andere belangrijke onderwerpen verdienen evenzeer de aandacht. Veel moet nog worden bestudeerd en uitgewerkt op weg naar de Defensienota 2000. Ik hoop de nota in november uit te brengen. Dat is eerder dan aanvankelijk was voorzien, maar het komt tegemoet aan de wens van het parlement. Bovendien is het belangrijk dat het defensiepersoneel niet te lang hoeft te wachten op nieuwe beleidsplannen. Duidelijk is dat op verschillende plaatsen creatief wordt nagedacht over de toekomst van onze krijgsmacht, ook hier op Clingendael. Geen enkele bijdrage aan de discussie is het laatste woord, maar samen voeden ze de gedachtevorming waarmee de voorbereiding van de Defensienota is gediend. Als de Strategische Toekomstdiscussie hiervoor als katalysator kan dienen, is zij meer dan de moeite waard.

Zoals ik al heb gezegd, zullen de ervaringen in Kosovo nadrukkelijk een rol spelen bij de voorbereiding van de Defensienota. Veel belangrijker echter is dat de internationale gemeenschap Milosevic een halt toeroept en de humanitaire ramp in Kosovo zo snel mogelijk be.indigt. Elie Wiesel, die ik in mijn inleiding al aanhaalde, schreef hierover deze behartigenswaardige woorden: 'President Slobodan Milosevic is een misdadiger. Zij die nog steeds geloven dat er geweldloze manieren zijn om zijn onmenselijke daden jegens Albanezen te stoppen, zijn na.ef. Zij vergeten in wat voor eeuw wij leven'.

. . . . .

20 apr 99 16:15

Deel: ' Toespraak minister De Grave op Clingendael '




Lees ook