De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

De overgang op de euro: het spanningsveld tussen een ordelijke overgang en marktwerking

Toespraak door dr A.H.E.M. Wellink, president van de Nederlandsche Bank, voor de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel, departement Achterhoek op 5 maart 1999 te Varsseveld.

De EMU van start
De kop is eraf. Sinds ruim twee maanden kennen elf Europese lidstaten een gemeenschappelijke munt. Wij bevinden ons nu in een overgangsperiode. De euro, weliswaar alleen nog beschikbaar in girale vorm, is de munt van de eurozone en de nationale valuta´s zijn nog slechts uitdrukkingsvormen van de euro. Tegelijkertijd is voor de meeste Nederlanders de euro nog een ´ver van mijn bed show´. Het gebruik van de euro blijft immers vooralsnog beperkt tot de financiële markten. ´Nederland, guldensland´, zo zal het - grosso modo - zijn tot 2002.

De invoering van de gemeenschappelijke munt brengt Europa veel goeds. En ik vind dan ook dat de euro zo snel mogelijk daadwerkelijk dient te worden ingevoerd. Maar wat is ´zo snel mogelijk´? De overgang op de euro is een operatie zonder precedent. Dat klinkt als een cliché, maar kan toch niet sterk genoeg worden benadrukt. Het is een bijzonder complex project met veel verschillende betrokken partijen en even zoveel belangen en voorkeuren. Met al deze belangen moet zo goed mogelijk rekening worden gehouden. Overigens niet tegen elke prijs. Om het vertrouwen in de nieuwe munt te handhaven moet tegelijkertijd sprake zijn van een ordelijk overgangsproces.

Een ordelijke overgang versus marktwerking
Het spanningsveld tussen een ordelijke overgang en marktwerking is reeds vroeg onderkend. We spreken over een jaar of vijf geleden. Waar het Verdrag van Maastricht gedetailleerde macro-economische bepalingen bevat voor de overgang op de euro, zijn over de praktische wijze van invoering van de euro in het Verdrag aanzienlijk minder specifieke bepalingen terug te vinden. In artikel 109L, lid 4, staat slechts `De Raad neemt tevens.... de maatregelen die nodig zijn voor de spoedige invoering van de ecu als enige munteenheid van die Lidstaten´. In december 1995 stelde de Raad in Madrid het invoeringsscenario voor de euro vast.

De Europese Top van Madrid was cruciaal voor de voorbereidingen op de euro; de besluiten die de Raad destijds nam maakten namelijk een einde aan de brede twijfel of de EMU er ook echt zou komen. Dit bracht de praktische voorbereidingen in een stroomversnelling. Ten eerste gaf men de gemeenschappelijke munt een naam. Ogenschijnlijk een futiliteit, maar van grote symbolische waarde voor het publiek. Dat de ene Europese munt er ook echt zou komen werd nog eens bevestigd door het besluit dat de EMU op 1 januari 1999 van start zou gaan en dat de deelnemende landen zo vroeg mogelijk in 1998 zouden worden aangewezen. Een derde belangrijk besluit noemde ik al: de vaststelling van het - u allen bekende - tijdpad voor de overgang op de euro.

Aanvankelijk gingen de gedachten uit naar een uniform Europees scenario. Dit bleek echter noch haalbaar, noch wenselijk. Natuurlijk zou het mooi zijn geweest als de euro op 1 januari 1999 met één grote klap alle nationale valuta´s had kunnen vervangen. Maar de voorbereidingstijd voor een ´big bang´ zou te kort zijn. De productie van 70 miljard munten en 13 miljard bankbiljetten voor de eurozone duurt enkele jaren. Wat voor de producenten van bankbiljetten en muntmeesters gold, ging ook op voor de het bankwezen, het overige bedrijfsleven en de overheden. Onzekerheid over de startdatum van de EMU en over de samenstelling van de groep EMU-landen maakte dat zij hun voorbereidingen, die jaren in beslag nemen, niet eerder konden starten.

Nog even is ook overwogen de EMU per 1 januari 1999 te laten starten zonder euro, en met de invoering van de nieuwe munt - dan in één keer
- te wachten tot alle betrokken partijen hun voorbereidingen zouden hebben voltooid. Ook een dergelijk scenario, een ´vertraagde big bang´ als het ware, werd echter verworpen. Invoering van de girale en de chartale euro op hetzelfde moment zou een ordelijke overgang in de weg kunnen staan. Het viel bovendien te betwijfelen of de financiële markten bereid zouden zijn geweest te wachten met het gebruik van de euro tot de laatste hobbel in het overgangsproces genomen zou zijn. Als de langzaamste schakel in het overgangsproces de einddatum zou bepalen, zou dit tot een chaotische situatie hebben kunnen leiden. Gelet op het huidige enthousiasme over de euro op de markten lijkt dit een juiste inschatting te zijn geweest. Belangrijk argument was verder dat een ´uitgestelde knal´ ten koste zou gaan van het vertrouwen in de onomkeerbaarheid van de Europese monetaire integratie.

Nationale vrijheden binnen zekere grenzen
Het scenario van Madrid, dat is vastgelegd in Europese wetgeving, biedt lidstaten binnen grenzen de vrijheid om zelf invulling te geven aan het overgangsproces. En die vrijheid is nodig. De structuur van het financiële stelsel en het institutionele kader verschillen immers van land tot land. Verder moeten landen de overgang kunnen afstemmen op de eigen betaalgewoonten. Zo heeft het gebruik van PIN-transacties in Nederland de laatste jaren een grote vlucht genomen, terwijl Franse burgers nog gewend zijn veel betalingen met cheques te verrichten. Ook de verhouding tussen chartaal en giraal geld verschilt soms aanmerkelijk tussen landen. Bovendien moet ook binnen lidstaten de overgang zo worden vormgegeven dat aan de wensen van verschillende groepen tegemoet kan worden gekomen.

Aanvankelijk werd eraan gedacht om alleen de einddatum voor de definitieve overgang op de euro, 1 juli 2002, verplicht te stellen. Zolang deze datum niet zou worden overschreden, zou de invoeringsdatum van de chartale euro van land tot land mogen verschillen. Zo zou rekening kunnen worden gehouden met nationale voorkeuren van bijvoorbeeld de detailhandel of het bankwezen. Dit werd later echter als ongewenst beschouwd. Zo zou het tot verwarring leiden als men bijvoorbeeld in België al met de euromunten en -biljetten zou kunnen betalen, terwijl dit in Nederland nog niet zou kunnen. In het belang van een ordelijke overgang brengen alle lidstaten op 1 januari 2002 de euromunten en -biljetten in omloop.

In de gehele eurozone zullen hoe dan ook op zijn laatst op 1 juli 2002 alle nationale bankbiljetten en munten zijn vervangen door euro´s. De lengte van de periode van dubbele circulatie kan ieder land zelf bepalen. De meeste lidstaten opteren voor een zo kort mogelijke periode. In Nederland hebben de betrokken partijen hierover kort geleden een akkoord bereikt. Dit is verheugend, want de tijd dringt. Wil de omwisseling soepel en veilig verlopen, dan moet nu snel een start worden gemaakt met de uitwerking van het akkoord. Alle betrokken partijen hebben zich bereid verklaard om samen te werken aan een zo kort mogelijke overgangsperiode, waarbij een aantal uitgangspunten geldt:

* Vanaf 1 januari 2002 circuleren de gulden en de euro maximaal vier weken als wettig betaalmiddel naast elkaar. In hoeverre dit korter kan, zal worden bezien.

* Geldautomaten geven vanaf 1 januari 2002 uitsluitend eurobiljetten.

* Het daadwerkelijke omwisselen van guldens tegen euro´s zal zoveel mogelijk bij banken en postkantoren plaatsvinden. Het midden- en kleinbedrijf wordt hiermee ontlast.

* Het gebruik van de chipkaart zal structureel worden bevorderd. Het spreekt voor zich dat als we met zijn allen meer gaan ´chippen´, de chartale omwisseling aanzienlijk eenvoudiger zal zijn.
* Last but not least: bij de uitwerking wordt rekening gehouden met wat uit oogpunt van logistiek en beveiliging mogelijk is.
* Ik heb er alle vertrouwen in dat de chartale omwisseling op basis van deze uitgangspunten goed kan verlopen.

De overgang op de euro in Nederland; waar staan we nu? Na deze korte uiteenzetting over de Europese afspraken, waar wij ons aan moeten houden en de recente ontwikkelingen ten aanzien van de chartale omwisseling, wijd ik graag enkele woorden aan de overgang op de girale euro in Nederland. Waar staan we nu? Afstemming van de voorbereidingen vinden plaats in het Nationaal Forum voor de introductie van de euro. Het Forum, dat eind 1996 is opgericht, heeft als primaire doelstelling te komen tot een ordelijke invoering van de euro in Nederland. Niet via centrale sturing, maar via overleg tussen alle betrokken partijen. Iedere sector blijft verantwoordelijk voor de eigen overgang.

De vertegenwoordiging van alle belangrijke maatschappelijke organisaties maakt dat de besluiten van het Forum op een breed maatschappelijk draagvlak kunnen rekenen. Het Forum heeft een aantal uitgangspunten opgesteld als richtsnoer voor de invulling van de technische en organisatorische invulling van het overgangsproces. Deze uitgangspunten, die door alle partijen zijn onderschreven, voorzien in een stapsgewijze overgang op de euro in het betalingsverkeer. De afspraken in het stappenplan knellen niet, ze bieden flexibiliteit. Ze bieden voldoende ruimte om in te spelen op veranderingen in de voorkeuren van bedrijven en consumenten.

Een principiële keuze is dat het massale girale betalingsverkeer pas op 1 januari 2002 overgaat op de euro, gelijk met de invoering van de euromunten en -bankbiljetten. Deze keuze wijkt af van die in veel andere EMU-landen. In Nederland blijven gestandaardiseerde girale betalingsverkeersproducten, zoals periodieke overschrijvingen en automatische incasso's, tot 2002 in guldens luiden. Hetzelfde geldt voor producten in het toonbankbetalingsverkeer, zoals PIN-passen, chipcards, credit cards en cheques. De simultane overgang van het massale girale betalingsverkeer en het chartale betalingsverkeer maakt de kans op verwarring en fouten bij het Nederlandse publiek zo klein mogelijk. De particulier die dat wil, kan overigens best een eurorekening openen, maar de banken stellen zich met het aanbieden hiervan terughoudend op. Het openen van een eurorekening heeft voor de meeste mensen ook weinig zin. In winkels zal men tot 2002 nog gewoon met guldens betalen. Het risico van vergissingen zou anders ook alleen maar groter worden. Bovendien kan iedere particulier tot 2002 girale betalingen in zowel euro als gulden verrichten en ontvangen. Of zijn rekening een eurorekening is of een guldenrekening maakt niet uit. Een eventuele conversie wordt door de banken gratis uitgevoerd. De meeste banken geven ´euro-gewenningsinformatie´ op de rekeningafschriften. Zij drukken de tegenwaarde van het guldenssaldo af in euro´s.

In lijn met de gedachte dat Nederland tot 1 januari 2002 voor particulieren guldensland moet blijven, zullen
overheidsadministraties, pensioenfondsen, sociale zekerheidsinstanties en nutsbedrijven in hun communicatie met de burger tot die datum de gulden gebruiken. In aanvulling hierop geven zij, net als de banken, ´euro-gewenningsinformatie´. Nutsbedrijven zullen grote klanten, zoals multinationals, indien gewenst faciliteiten in euro aanbieden. Ook de belastingdienst hanteert tot 1 januari 2002 de gulden als rekeneenheid, al is voor wie dat wil - bedrijven en particulieren - overigens sinds 1 januari 1999 belastingaangifte in euro´s mogelijk.

Nederland blijft voor particulieren dus nog drie jaar guldensland. Hetzelfde geldt voor kleine bedrijven. Een duaal systeem wordt hiermee vermeden. De stapsgewijze overgang op de euro voorkomt dat kleinere bedrijven op hoge kosten worden gejaagd doordat zij bijvoorbeeld worden gedwongen tot een dubbele administratie. Voor grote ondernemingen ligt dit een slag anders. Deze zijn reeds gewend aan het omgaan met verschillende valuta´s. Het was dan ook te voorzien dat deze bedrijven, of in ieder geval een deel van deze groep, direct na de start van de EMU grote belangstelling voor betaalfaciliteiten in euro's zou hebben. Daarom biedt het bankwezen voor met name het `business to business'-verkeer al sinds 1 januari 1999 girale betaaldiensten in euro´s aan. Bedrijven die hun interne administratie reeds vanaf de start van de EMU of snel daarna wilden omschakelen, worden hiermee geaccommodeerd. Crediteuren en spoedbetalingen, ook wel aangeduid met ´business-to-business´-betalingen, electronic banking-pakketten en optisch leesbare overschrijvingsformulieren kunnen in euro worden gebruikt.

De overgang op de euro loopt volgens plan
Tot nu toe loopt de invoering van de euro volgens het stappenplan van het Nationaal Forum. Vooralsnog blijft het gebruik van de girale euro beperkt tot de financiële markten. Het monetaire beleid werkt in euro´s, het interbancaire betalingsverkeer luidt in euro´s, de AEX is volledig overgeschakeld en minister Zalm geeft alleen nog staatsschuld in de nieuwe munt uit. De eerste ervaringen met de girale euro zijn zonder meer positief. Na de succesvolle conversie in het weekeinde van Oud en Nieuw kende de euro een warm onthaal op de financiële markten. Marktpartijen zijn er in enkele weken in geslaagd zich aan te passen aan een ingrijpend veranderde omgeving. Bijvoorbeeld op de geldmarkt. Als hun broekzak kenden de Nederlandse banken de nationale geldmarkt. Ze wisten elkaar bijna blindelings te vinden. Hoewel het aanvankelijk op Europees niveau niet altijd direct lukte een tegenpartij te vinden, kunnen we stellen dat ook de - veel grotere - Europese broekzak inmiddels wat minder onwennig aanvoelt. Dat banken elkaar nog niet altijd direct wisten te vinden bleek uit het beroep op de permanente faciliteiten van de Europese Centrale Bank, dat wat hoger lag dan eigenlijk nodig was. Tijdens de eerste drie weken van januari waren de voorwaarden voor het gebruik van deze faciliteiten tijdelijk enigszins versoepeld. Nu de marktpartijen inmiddels goed wegwijs zijn op de markt, gelden de condities zoals die eerder waren aangekondigd.

Eurodynamiek
De invoering van de euro lijkt netjes volgens de uitgangspunten van het Nationaal Forum plaats te vinden, maar het blijft een moeilijk te plannen proces. Preferenties van burgers en bedrijven en hun gedrag zijn moeilijk volledig te doorgronden. Bovendien zijn ze aan veranderingen onderhevig.

Laat ik hier nader op ingaan. Het stappenplan van het Nationaal Forum biedt voldoende flexibiliteit, binnen bepaalde vaste kaders. Marktontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat bepaalde girale betalingsverkeersdiensten toch eerder in euro's moeten worden aangeboden of dat ´tailor made´-oplossingen moeten worden gevonden. Een goed voorbeeld van dit laatste is dat onlangs met de luchtvaartsector een oplossing is gevonden voor het probleem dat zakelijke ticketbetalingen in Nederland niet met credit cards in euro´s konden worden verricht, terwijl dit in andere landen wel mogelijk was. Uiteraard gelden bij dit soort zaken technische beperkingen. We moeten ons realiseren dat het bankwezen zijn voorbereidingen op de euro heeft gebaseerd op het eerder overeengekomen stappenplan. De ´paaltjes´ die in het stappenplan zijn geslagen, zijn noodzakelijk voor een ordelijke overgang op de euro.

Om mogelijke verschuivingen in de voorkeur en het gedrag van consumenten en bedrijven tijdig op het spoor te zijn, wordt vier maal per jaar de `Eurodynamiek' gemeten. Dat wil zeggen de mate waarin in het maatschappelijk verkeer de euro wordt gebruikt, c.q. de behoefte wordt gevoeld de euro te gaan gebruiken. De ´Eurodynamiek´ wordt onder meer gebaseerd op de resultaten van de Eurobarometer van de Nederlandsche Bank, een halfjaarlijkse enquête onder het publiek en het bedrijfsleven. Daarnaast zullen ook gegevens van het bankwezen en de belastingdienst worden meegenomen over het gebruik van de euro in het betalingsverkeer en over de ontwikkeling in het aantal aangiftes in euro. De resultaten van de eerste meting zullen binnenkort beschikbaar zijn.

Exacte cijfers over het gebruik van de euro in het betalingsverkeer van banken zijn nog niet beschikbaar. Cijfers over het gebruik van TARGET, het betalingsverkeerssysteem van de centrale banken, illustreren dat de euro in het betalingsverkeer vrijwel uitsluitend wordt gebruikt bij transacties tussen grote financiële marktpartijen. TARGET verwerkt dagelijks gemiddeld voor circa EUR 1000 miljard aan transacties. Hiervan betreft 40%, EUR 400 miljard, grensoverschrijdende betalingen. Het aantal grensoverschrijdende betalingen bedraagt gemiddeld 28.000 per dag. Zoals kon worden verwacht gaat het hier grotendeels, voor 85-90%, om interbancaire transacties. Uitgedrukt in waarde is dit zelfs 99%. De rest komt voor rekening van grote ondernemingen.

Conclusie
Ik kom tot een afronding. De euro is er, maar de invoering ervan is nog lang niet voltooid. Nederland blijft voor de meeste mensen guldensland. Althans, tot 2002. Dit is in het belang van een soepele en ordelijke overgang op de euro. Het door het Nationaal Forum overeengekomen stappenplan biedt voldoende flexibiliteit om ook rekening te houden met marktontwikkelingen.

Deel: ' Toespraak Nederlandsche Bank over overgang op de euro '




Lees ook