CDA

: Tweede Kamer : Begroting OCW (091199)

Begroting OCW (091199)

Den Haag, 9 november 1999

Uitgesproken door Clémence Ross:

KLEUR BEKENNEN:
Het onderwijs als maatschappelijke onderneming.

Voorzitter, er is een alarmerend tekort aan leerkrachten, studiekosten rijzen de pan uit, er is geweld op scholen, leerachterstanden, sociaal-emotionele problemen, schooluitval.

Deze onderwerpen stonden afgelopen jaar op onze agenda. Geen vrolijk lijstje. Gaat het goed met het onderwijs? Ik maak mij ernstig zorgen en met mij ouders, leraren en heel wat andere Nederlanders. Onterecht? Nee. Het zijn reëele zorgen. Deze bewindslieden maken vooral plannen voor de langere termijn of zij wijzen op de verantwoordelijkheid van gemeenten en scholen. Voor veel knelpunten zijn op korte termijn oplossingen nodig, waar blijven ze? Wat is de winst van een bevlogen sociaal-democrate en een rasechte liberaal samen op onderwijs.

De beleidsbrief Sterke instellingen, verantwoordelijke overheid bij de onderwijsbegroting is een brief die oproept tot discussie over de middellange en lange termijn. Het is dapper dat de bewindslieden zich in de kaart laten kijken. Komt er ook gelegenheid voor leerlingen, ouders en leraren om, bijvoorbeeld via een landelijke enquête, mee te doen aan die discussie?

De brief is, vindt het CDA, meer een visie op ondernemen dan een visie op het onderwijs als gemeenschappelijk fundament voor de samenleving. Veel zinnen Hermans en maar een paar zinnen Adelmund, zeg ik even oneerbiedig. Het lijkt heel modern en dynamisch om te spreken van ouders en leerlingen als cliënten, leerstof en resultaten als input en output, het onderwijs als branche maar het zijn wel economisch gekleurde termen en in alleen economische termen laat het onderwijs zich niet vatten. De beleidsbrief spreekt over een terugtredende overheid en meer marktwerking en over de school als publieke onderneming. Voor het CDA is en blijft het onderwijs een publieke zaak. Maar de school is geen publieke onderneming, geen verlengstuk van het ministerie van OC&W, maar een instelling die ondernemend is, zich maatschappelijk oriënteert.

Is er iets mis met ondernemende scholen? Nee, natuurlijk niet, ze moeten juist alle kans krijgen daar waar het gaat om professionaliteit, vernieuwing, samenwerking, eigen kwaliteitszorg. Maar ik heb bepaald geen heilsverwachting van de marktwerking. Is het enthousiasme daarover een verkapte drang tot bezuinigen? Wat bedoelen de bewindslieden met de zinnen: De verhouding tussen publieke en particuliere financiering van het onderwijs heeft ook gevolgen voor de visie op sponsoring, op vrijwillige ouderbijdragen en op de diensten die scholen tegen extra betaling verlenen aan ouders en deelnemers. Beperkende maatregelen zullen naar onze mening ook op dit gebied een averechts effect hebben. Het kan en mag toch niet zo zijn dat we afkoersen op financiële tweedeling binnen het leerplichtig onderwijs?

Dat activiteiten door ouders en school georganiseerd worden om extras voor de school te krijgen is niets nieuws, dat is goed en zegt iets over de betrokkenheid bij het schoolleven. Waar het CDA bezwaar tegen heeft is tweedeling als gevolg van een overheid die niet voldoende bekostigt. Scholen in wijken en dorpen waar ouders niet kapitaalkrachtig zijn, waar geen bedrijf zit dat de computers of de schoolbibliotheek wil sponsoren, moeten net zo veel onderwijskwaliteit kunnen leveren als scholen die wel dat geluk hebben. Is de huidige bekostiging daarvoor nog afdoende? Kan een school nog kwalitatief goed onderwijs geven, zonder afhankelijk te zijn van ouderbijdragen. Het CDA vraagt het zich af. Het gaat goed met veel individuele burgers en ouders zijn bereid voor het onderwijs van hun kind geld op tafel te leggen. Maar de grenzen komen in zicht. En dan gaat het over fundamentele zaken als moderne leesboeken, voldoende computers, goed schoolmeubulair. En niet over schoolreisjes en een schoolkrant.

Helder gesteld: Overgelaten aan de markt zijn heel wat scholen niet die Sterke Instellingen die zelf oplossingen kunnen vinden wanneer de overheid haar verantwoordelijkheiden voor bekostiging van de primaire taken niet voor de volle 100% waar maakt. Wij nemen geen genoegen met de opmerking in de beleidsbrief dat de overheid de grootste financier is.

Een eigen kleur:
De school die kiest.

Een school draait het beste wanneer gedeelde inspiratie de drijvende kracht is. Iedere school krijgt op die manier een eigen identiteit, bekent kleur, werkt aan waarden en normen. Kennis is belangrijk, kinderen moeten later op eigen benen kunnen staan. Maar het lijkt er op dat Het vormingsproces tegenwoordig wordt beperkt tot datgene wat toetsbaar te maken valt 1 . Steeds meer taken en vakken verplicht op het bordje van scholen schuiven zorgt voor een overladen programma voor leerlingen, voor een grote werkdruk voor leraren en steeds minder tijd voor basisvakken als taal, rekenen en lezen. Laat de overheid duidelijk maken wat kernvakken en minimumdoelen zijn. Laat de rest aan de scholen zelf. Daarin kunnen ze dan hun eigen kwaliteiten laten zien.
Zowel in het primair als voortgezet onderwijs moet er naast de kennisvakken ruimte zijn die zelf kan worden ingevuld. Cultuuronderwijs, extra sport, expressievakken of een maatschappelijke oriëntatie waarbij de leerlingen kennis maken met hun buurt, vrijwilligerswerk of instellingen. Dat maakt de kwaliteit van een school. De verantwoording van deze brede kwaliteit naar de ouders gebeurt via de schoolgids. De Inspectie kan vervolgens de school toetsen op de eisen zoals vastgelegd in de wet.

1 In: Vernieuwing Jaargang 58, nummer 7/8.


De visitatie die de Inspectie tegenwoordig houdt in de vorm van integraal schooltoezicht is natuurlijk te beschouwen als een soort gratis schooldiagnose, maar is wat het CDA betreft géén taak van de inspectie. De schoolbegeleidingsdiensten hebben vanoudsher de taak om scholen te begeleiden op pedagogisch-didactisch en onderwijskundig gebied. Het geld voor deze diensten gaat tot 2002 geoormerkt naar de gemeenten, daarna vervalt de oormerking. Schoolbegeleidingsdiensten moeten hun meerwaarde de komende jaren dus nadrukkelijk bewijzen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe het in dit verband staat met de schoolbegeleidingsdiensten?

Aan het voortgezet onderwijs worden in de begroting weinig woorden besteed en dat is vreemd. Het staat bol van de onderwijsvernieuwingen die maar moeizaam van de grond komen. Scholen zijn hard aan het werk om het VMBO en het praktijkonderwijs vorm te geven. Het IVBO en het VSO-LOM gaan verdwijnen. Leerlingen zullen via een regionale commissie leerlingenzorg een zorgindicatie krijgen. Naar blijkt zal slechts 60% van de leerlingen die nu voor extra begeleiding in aanmerking komen dat straks volgens de nieuwe indicatie ook nog krijgen. Is dat niet vreemd? Hoe kunnen scholen zorgleerlingen goed begeleiden als opeens de extra formatie wegvalt? Is die indicatiestelling soms bedoeld als rem op de uitgaven? De vernieuwing in het VMBO vindt toch niet plaats uit bezuinigingsoogpunt? En waarom krijgen leerlingen in het Voortgezet Onderwijs alleen 40 uur dyslexiebegeleiding als ze doorverwezen worden naar het speciaal onderwijs? Leerlingen op HAVO/ VWO vallen zo uit de boot. Kortom, de CDA-fractie vraagt zich af of leerlingen die hulp nodig hebben dat in de toekomst voldoende zullen krijgen. Kan de staatssecretaris op dit punt duidelijkheid verschaffen?

Het studiehuis is ook een bron van zorg. Niet dat zelfstandig leren werken niet deugt, maar het kost veel meer tijd en middelen om het beoogde doel te bereiken dan nu gegeven is. Zowel docenten als leerlingen voelen zich er niet gelukkig mee, om maar te zwijgen van de ouders die voor grote kosten geplaatst worden. Voor boeken, maar ook voor culturele activiteiten, een rekenmachine en internetkosten. (En deze laatste kosten zitten niét in de WTS.) Ik hoor het de staatssecretaris al zeggen: zie het als een uitdaging! Ik vraag haar: hoe zou u die aangaan?

Over de WTS het volgende: de voorstellen van de minister komen een eind in de richting. Toch blijven we het jammer vinden dat de armoedevallen voor ouders met een middeninkomen nog een jaar blijven bestaan. Wat dat betreft wachten we de voorstellen van de minister bij de Voorjaarsnota vol verwachting af.

Aan de huisvesting van scholen worden extra eisen gesteld: ARBO-voorwaarden, werkplekken voor ICT. Zoals het nu ligt is F 600,- per leerling het drempelbedrag dat scholen moeten neerleggen om de huisvesting aan te passen aan notabene wettelijk opgelegde veranderingen! De bewindslieden zeggen namelijk, en ik citeer uit de beantwoording van de schriftelijke vragen bij deze begroting:ICT, VMBO en het studiehuis vragen geen uitbreiding van het ruimtegebruik en houden dus geen extra geld voor huisvesting in. Hoe zeker zijn zij dat al deze veranderingen geen extra ruimtegebruik vragen? En komen de inpandige aanpassingen ook niet zodanig voort uit wettelijke voorschriften dat de rijksoverheid hierin een financiële taak heeft? Vorig jaar bij de begroting heeft de staatssecretaris beloofd bij elk nieuwe traject de huisvestingsvraag opnieuw te bekijken. De gemeenten en de scholen merken daar nog niet zo veel van. Kan hier onderzoek naar komen? Waar blijft zon onderzoek?

Kortom, het CDA is van mening zijn dat het nog schort aan de randvoorwaarden die nodig zijn om alle onderwijsinnovaties te doen slagen. Scholen hebben niet voldoende financiële ruimte om ICT, het studiehuis en het VMBO waar te maken. Komt daar geld voor of moeten ze maar sponsor-acties gaan organiseren? Wordt dat bedoeld met Van publiek gefinancierde instellingen wordt tegenwoordig ondernemingslust en publieke spirit verwacht.? Of neemt dit kabinet de eigen verantwoordelijkheid en geeft het boter bij de vis?

Een overheid die kleur bekent:
Dereguleren waar maken

Taken zijn vanuit Zoetermeer naar de gemeenten verschoven. Maar wat is er bereikt? Decentraliseren betekent ook daadwerkelijk afstand durven nemen. Gemeenten zijn enthousiast en voortvarend aan de gang met integraal onderwijsbeleid. Alleen geven vooral de kleinere gemeenten aan dat ze de helft van de tijd bezig zijn met het lezen van precieze instructies en het minitieus verantwoorden van elk initiatief. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Op zijn tijd inzicht bieden in resultaten is logisch, maar ruimte om te bewegen moet er wel zijn. Met decentralisatie moet ook deregulering komen. Wat wordt daar aan gedaan? En hoe zit het met de ontschotting tussen de departementen? Loopt dat net zo voorspoedig als op gemeentelijk niveau?

Integraal beleid is hard nodig om de school die midden in de samenleving wil staan daar ook de kans toe te bieden. Veel kinderen komen met leerachterstanden en sociaal-emotionele problemen het onderwijs binnen. De school kan al deze problemen niet alleen oplossen. Het is een probleem wat veel breder speelt: al heel vroeg zullen ouders ondersteund moeten worden om te zorgen dat de achterstand van hun kinderen zo snel mogelijk wordt ingelopen. Inburgerings- en taalcursussen opvoedingsondersteuning, een goede wijkopbouw, voorschoolse opvang: dat zijn zaken die niet onder onderwijs vallen, maar wel noodzakelijk zijn om kinderen zo veel mogelijk kansen te bieden. Daarom is het goed dat het achterstandenbeleid twee jaar geleden gedecentraliseerd is naar gemeenten. Op wijk- en dorpsniveau kan er zo optimaal gewerkt worden aan een integraal beleid. Natuurlijk moet dat resultaat opleveren. Kunnen de bewindslieden aangeven hoe zij denken dat, zonder de decentralisatie en de integrale benadering teniet te doen, de schoolresultaten van allochtone leerlingen merkbaar kunnen verbeteren?

En laten we leerkrachten opleiden die daar specifiek verstand van hebben. In een vierjarige PABO-opleiding kun je niet alles kwijt. Voor scholen met veel allochtone leerlingen heb je specifieke vaardigheden nodig. Het CDA stelt daarom voor om een specialisatie na de PABO te ontwikkelen. Net zoals de opleiding speciaal onderwijs. Een specialisatie betekent natuurlijk een andere salarisinschaling, maar ook een uitdaging en carrièrestap voor leerkrachten. Wat vinden de bewindslieden van dit idee?

Meer kleur in het vak:
Een beroep met perspectief

Wie wil er tegenwoordig nog leraar voortgezet onderwijs worden? De helft van de studenten op een lerarenopleiding gaat daadwerkelijk het onderwijs in. Je wordt gezien als een sukkel wanneer je voor het onderwijs kiest zei een docent me vorige week. Er moet als een speer gezocht worden naar oplossingen voor de korte termijn die het vak opwaarderen.

En dan de schoolleider. Al twee keer het afgelopen jaar is kamerbreed de motie van de Vlies aangenomen. Er is nog steeds niets mee gebeurd. Ondertussen verwachten we van scholen wel dat ze werken aan interne kwaliteitszorg en is er sprake van autonomievergroting en deregulering. De schoolleider is daarin de spil. Van haar/ hem wordt onderwijskundig leiderschap gevraagd, naast de veelheid aan beheerstaken. Op kleine basisscholen heeft een schoolleider daar 6 uur voor. Dat is veel te weinig. Als de bewindslieden de scholen echt serieus nemen dan zorgen ze er voor dat hierin eindelijk verandering komt. Wij wachten vol spanning af.

Hoe zijn de vorderingen met Maatwerk voor Morgen? Wat denkt hij van het actieplan Lerarenopleidingen Basisonderwijs? Het CDA zou graag ondersteuning zien van het plan om regionale promotieteams van allochtone studenten van de eigen opleiding, op scholen voor voortgezet onderwijs allochtone leerlingen te interesseren voor het beroep van leraar.

Tot slot: Ook het afgelopen jaar is de CDA-fractie druk bezig geweest met het gezins- en familiebeleid. Rond de APB hebben we het plan Kiezen voor kinderen gepresenteerd. Daarin staat het voorstel de vakantiespreiding op te heffen. Door deze spreiding kunnen kinderen niet meer logeren bij neefjes en nichtjes in andere delen van het land. Binnen gezinnen lopen vakanties niet meer synchroon doordat het ene kind andere vakanties heeft als het andere kind of ouders in een andere regio werken dan waar de kinderen naar school gaan. Samen een paar dagen ertussen uit wordt zo een heel gepuzzel. Kan voor de kleine vakanties als de herfstvakantie deze vakantiespreiding niet opgeheven worden?


Uitgesproken door Camiel Eurlings:

MdV,
Sommige contrasten zijn te heftig om zomaar te vergeten. Vergelijk maar eens hoe Paars I begon in het hoger onderwijs met de start van Paars II. Dat eerste begin kon moeilijk ongelukkiger. Het beleid van minister Ritzen en vooral ook het vertrouwen in zijn beleid zijn nooit hersteld van die valse start. Minister Hermans begon niet met onberaden ingrepen en bezuinigingen. Bij hem werden de spoorstations niet bezet maar kwam er een fanclub van studenten. Het zij hem gegund. Het was immers zijn advies over studiefinanciering dat door minister Ritzen werd verwezen naar de prullenbak, ten onrechte, zowel naar de inhoud als naar de manier waarop. Het is ook deze minister die een sfeer van openheid en dialoog heeft willen terugbrengen in het hoger onderwijs. Daar werd vurig naar verlang. De reacties uit het veld en de opgeluchte tonen uit de coalitie spreken wat dat betreft boekdelen.

De CDA-fractie waardeert dat streven naar openheid niet minder. Ik constateer daar wel iets bij, MdV. Diezelfde zo opgeluchte coalitiefracties hebben in de vorige periode niet uitgeblonken in het corrigeren van de opstelling en het beleid van de voorganger van minister Hermans. Kortom, dat was bepaald geen Sternstunde van de paarse daadkracht en visie.

En daadkracht en visie zijn juist nu meer nodig dan ooit. Het maatschappelijk belang van het onderwijs vereist een sterk stimulerend beleid. Het tekort aan hoger opgeleiden, de noodzaak tot kwaliteitsimpulsen en de toegankelijkheid van alle kansen tot ontplooiing dwingen daartoe. De verloren jaren van het centralisme van minister Ritzen maken een inhaalslag urgent.

MdV,
Voor het CDA is en blijft het uitgangspunt van het onderwijsbeleid het stimuleren van een hoge basiskwaliteit en een brede toegankelijkheid. Hiervoor blijft de minister verantwoordelijk en aanspreekbaar. Onze fractie vindt het een verademing dat minister Hermans meer verantwoordelijkheid aan de basis legt. Dit mag onze aandacht echter niet afleiden van de kernzaak: deregulering is geen doel op zich maar kan slechts dienen als een middel voor het doel van kwaliteit en toegankelijkheid. Het is instrumenteel en niet principieel.

Om verantwoord te kunnen dereguleren moet eerst de publieke verantwoordelijkheid helder worden gedefinieerd. Helaas blijft de minister hierover in de voorliggende begroting en het nieuwe HOOP 2000 vaag. Geen goede zaak want wanneer de overheid zich alleen concentreert op terugtrekkende bewegingen dan kan dit leiden tot commercialisering van het onderwijs. Vandaar dat het CDA duidelijkheid wenst over de visie van de minister op een aantal cruciale punten. Ik leg daartoe onze eigen visie voor.

Het CDA is vóór decentralisatie maar dat vereist wel dat de verantwoordelijkheden van de actoren in het hoger onderwijs helderder gedefinieerd worden. Het CDA is vóór flexibilisering, maar dat mag niet verward worden met een vrijblijvende overheidstaak. Overheid, instellingen, studenten en maatschappelijke omgeving van het onderwijs moeten elkaar kunnen aanspreken op elkaars eigen verantwoordelijkheid. Dereguleren en flexibiliteit zijn niet synoniem aan laissez-faire laissez-aller?

Voor brede toegankelijkheid van het onderwijs vindt mijn fractie het van groot belang dat de primaire processen volledig publieke taken blijven en derhalve voor 100% bekostigd. Het is van belang dat de minister hierover ook duidelijkheid geeft. Er klinken nu immers al tal van geluiden dat de overgang naar een Bachelors / Masters systematiek er toe zou leiden dat studenten alleen nog het bachelors gedeelte krijgen gefinancierd. Zij zouden dan zelf opdraaien voor de financiering van het masters-deel. Een extra kostenpost op zou kunnen lopen tot 80.000 gulden. Daarom dat wij de minister de duidelijke toezegging vragen dat ook in de toekomst de primaire processen volledig publieke taken blijven. Aldus zal een mogelijke overgang naar een bachelors en masters systeem waarover wij begin volgend jaar nog nader zullen spreken, er nooit toe kunnen leiden dat de overheid de financiering van een deel van het primair onderwijs naar de studenten doorschuift.

Voorzitter, naast de bekostiging is ook duidelijkheid over de toekomstige vorm van het hoger onderwijsstelsel. Het CDA voorstander van het behoud van het binaire stelsel. Wij zien niets in een mammoetwet voor het hoger onderwijs. Wij vinden administratieve samenwerking of zelfs bestuurlijke fusies prima, zolang als er maar een duidelijk onderscheid blijft tussen HBO en WO. Kan de minister aangeven hoe hij het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen denkt vorm te geven en hoe hij ook straks de eigen identiteit van opleidingen denkt te stimuleren?

Veel belangrijker dan de vraag hoe het juridisch in mekaar zit is de vraag wat de studenten met dit soort processen opschieten. Het lijkt er niet op dat bestuurlijke fusies in de praktijk leiden tot meer overstapmogelijkheden voor de studenten, bijvoorbeeld van een MBO naar een HBO of van een HBO naar een WO-opleiding. Wil de minister de studenten echt meer mogelijkheden bieden dan roep ik hem op om met nog een erfenis van zijn voorganger af te rekenen door de oude stapelmogelijkheden van opleidingen flexibel beter mogelijk te maken. De emancipatoire werking en de aanpak van het tekort aan hoger opgeleiden vereisen dit meer dan ooit.

Ook ten aanzien van de financiële invloed van het bedrijfsleven moet de publieke verantwoordelijkheid helderder worden gedefinieerd. Op zich is het goed dat er extra ruimte is voor samenwerking met het bedrijfsleven. Duidelijke grenzen zijn wel van belang. Zo heeft het CDA er niets op tegen dat een bedrijf bijdraagt in de studiekosten van studenten in ruil voor een latere arbeidsovereenkomst. Wij vinden het géén goede zaak als het betreffende bedrijf ook het initiële onderwijs gaat meefinancieren. Er bereiken ons geluiden dat dit nu al het geval is, onder andere bij een groot ROC. Onderschrijft de minister onze bezwaren hiertegen (onafhankelijkheid onderwijs, focussering op een aantal opleidingen waarvoor toevallig op dat moment vraag in de markt ontstaat en binnen die opleidingen een versmalling naar die leeronderdelen waar het betreffende bedrijf behoefte aan heeft)? Welke duidelijke grenzen mogen wij van hem ten aanzien van de financiering door het bedrijfsleven verwachten?

MdV,
Bij meer ruimte voor instellingen is het van belang dat de positie van de studenten sterk is. Dit om de klantgerichtheid van de instellingen te bevorderen. De CDA-fractie is dan ook een voorstander van experimenten met leerrechten waarover we bij het HOOP 2000 nader komen te spreken. Het voucher-experiment van de minister lijkt qua opzet echter zo vrijblijvend en onuitgewerkt dat de studenten een fopspeen krijgen aangereikt. De kans van slagen van zon experiment is bij voorbaat nihil. Kan de minister ons toezeggen dat hij voorafgaand aan de behandeling van het HOOP 2000 een serieuzer, breder opgezet experiment uitwerkt en aan de kamer voorlegt?

De student moet in het hoger onderwijs goede, studeerbare opleidingen krijgen. De commissie Wijnen heeft het K + S programma geëvalueerd in het rapport 3000 x beter. Wat doet de minister met die evaluatie? Het CDA ondersteunt het idee van de commissie om kennisuitwisseling over vernieuwingsprojecten krachtig te organiseren. Graag uw reactie.

Vrijblijvendheid mag evenmin het debat over de OV-kaart domineren. Ook al is de coalitie verdeeld, net als in de vorige kabinetsperiode trouwens, ook nu wil het CDA helpen! Bij de beslissing over de toekomst van de OV-kaart dient de toegankelijkheid voor studenten centraal te staan in plaats dat het sluitstuk van de discussie is. Het CDA blijft enthousiast over de OV-kaart vanwege de goede resultaten op het vlak verkeersveiligheid, milieu en vooral vanwege de gigantische tevredenheid (98%) van studenten. Kan de minister toezeggen dat, indien voortzetting van de huidige kaart binnen het financiële kader mogelijk is, hij alleen voor een alternatief zal opteren indien dit tot een nog grotere tevredenheid leidt?

MdV,
Maatschappelijk belang en helderheid over de publieke verantwoordelijkheid komen ook tot uiting in de investeringen in de OC&W-begroting. Het beeld daarvan is niet echt overtuigend, helaas. De OESO-cijfers laten zien dat ons land verder is gaan achterlopen in de bestedingen in de kennisinfrastructuur. Nóg heet de kwaliteit van het onderwijs adequaat te zijn.
Maar Nederland Kennisland houdt meer in dan dat. Adequaat alleen voldoet niet. Daar komt nog bij dat in het onderwijs de rek eruit is. Maar zolang de bezuinigingen uit Paars I en II doorwerken zijn deze extra middelen hooguit een pijnstiller. Het is tekenend dat het verkregen bedrag per student zowel in het HBO als het WO nog steeds structureel afneemt.

Elke student die een hogeschool extra inschrijft levert een lager bedrag op. Inspelen op de noodzakelijke groei is voor deze scholen financieel riskant aan het worden. De omgekeerde wereld dus van wat ons land nodig heeft. Dit ontmoedigt juist de hoofduitdaging van het hoger onderwijs.

Het voorkomen van het enorme tekort aan hoogopgeleiden (SER: 150.000 hboers, 50.000 woers in 2003). Het probleem is bekend, de visie van de minister hoe hij dat wil aanpakken allerminst. Hij lijkt vooral in te zetten op een betere doorstroming van studenten. In de verwachting dat dit vanzelf tot een rendementsverbetering zal leiden. Van deze insteek is nauwelijks resultaat te verwachten. Extra initiatieven zijn hard nodig. De uitdaging gaat verder dan de departementale schotjes van OC&W. Met de ministeries van SoZaWe, EZ en GSI moeten de handen ineen worden geslagen. De CDA-fractie vraagt van de minister om samen met zijn collegas voor de voorjaarsnota een plan van aanpak op te stellen ter voorkoming van het tekort aan hoger opgeleiden. Investeringen, prestatieafspraken, ook bij de noodzakelijke deregulering buiten OC&W, en een gezamenlijke inzet moeten hierbij centraal staan.

Wat betreft Nederland Kennisland pleit ik ervoor dat de minister de goede, vernieuwende activiteiten van het initiatief met die naam ondersteunt. Juist deze minister moet de bewustwording van het belang van de kenniseconomie krachtig aanmoedigen.

Voorzitter, eerder in mijn betoog stond ik al stil bij de financiële problemen bij heel wat instellingen. Bij deze financiële perikelen ligt er nog een erfenis van Paars-I. Het kunstonderwijs staat onder zware druk. De Nuis-bezuiniging van 25 miljoen ondermijnt de inzet voor de noodzakelijke vernieuwing. De kamer heeft twee jaar achtereen, zich duidelijk hiertegen uitgesproken. Zowel via de motie Visser-van Doorn als onlangs via de motie Belinfante. Het gaat om het restant van de aanslag, een bedrag van 10 miljoen vanaf 2001. Staatssecretaris Van der Ploeg ziet geen kans dekking te vinden, zo heeft hij moeten erkennen. Een zwaktebod. De CDA-fractie stelt daarom voor dat het kabinet uiterlijk bij de Voorjaarsnota de kunstscholen het noodzakelijke perspectief biedt en voor die resterende aanslag van 10 miljoen van buiten het HBO aanvullende dekking aanbrengt. Herhaalde, kamerbrede uitspraken hoort de regering uit te voeren. Dit geldt zelfs voor staatssecretaris van der Ploeg.

MdV,
niet alleen het kunstonderwijs staat het water aan de lippen. De rest van het HBO niet minder. Het bedrag per student is er lager dan bij PO, VO en WO en zal ondanks extra geld naar de toekomst nog verder dalen. Nu al zitten 29 van de 55 hogescholen in de rode cijfers en staan er 6 op de rand van het faillissement. En dat op een moment dat met name het HBO een enorme groei moet doormaken! Het CDA vindt dat het zo niet langer kan. Wij roepen de minister op om samen met de sector rond de tafel te gaan zitten en overeenstemming te bereiken over de noodzakelijke investeringen in de kwaliteit en voorzieningen. Het niet nog verder wegzakken van het bedrag per student moet uitgangspunt van nieuwe budgetafspraken zijn. In de voorjaarsnota moeten deze veranderingen worden geëffectueerd.

Bij het WO wordt men geconfronteerd met sterke vergrijzing van het personeel. De personeelsstructuur moet worden omgebouwd om het werken in het WO aantrekkelijker te maken. Ook is er een grote uitdaging op het vlak van ICT. De minister heeft een potje Vernieuwingsimpuls ingesteld van 10 mln gulden per jaar. Kan de minister aangeven hoe serieus hij dit zelf neemt? De uitvoeringskosten beslaan vast al de helft van dit vetpotje! De CDA-fractie is er voor dat er richting voorjaarsnota een ruimere vernieuwingsimpuls wordt uitgewerkt volgens de lijn van de VSNU: een structureel bedrag van 75mln waarvan de universiteiten, het NWO en de minister elk 25 mln leveren. Ook ten aanzien van de huisvesting is er een groot probleem: volgens de commissie Koopmans is er immers 1,7 miljard te kort om het gebouwenbestand op peil te houden. Alleen al de oude schuld cumuleert in een rentelast van 80mln per jaar. Hoe denkt de minister over deze situatie en ziet hij mogelijkheden om naar de toekomst deze rentelast te compenseren? Zijn dit niet ook concrete themas die nu het HOOP voor 4 jaar geldt in overleg met de universiteiten voorafgaand aan de behandeling van dit HOOP zouden moeten worden uitgesproken?

Het concept van leven lang leren lijkt haaks te staan op wat het beleid nu feitelijk waar wil maken. Een voorbeeld uit het W.O.: de voorgenomen bezuiniging op de open universiteit van 15 mln, oplopend vanaf 2001. Na een zwak onderbouwde analyse van de veranderende studentenpopulatie komt dit bedrag uit de lucht vallen. Er worden de OU twee alternatieven opgelegd: privatisering of opgaan in een andere universiteit. Met een korting van 20% op het totale budget zal de OU onmogelijk haar netwerk van 18 studiecentra in stand kunnen houden. En dat terwijl ook nieuwe initiatieven van lange afstandsleren zoals dat van de Universiteit van Twente van dit netwerk gebruik willen gaan maken. En ook de HBO-lerarenopleidingen al veel met de OU samenwerken. Het CDA wil dat de minister met de OU samen een kwalitatieve analyse maakt in het licht van een leven lang leren. Daaruit volgt dan de visie op de financiering, niet andersom alstublieft. (Motie)

Bij de beoogde integratie van het IBO en IO in het reguliere universitaire onderwijs stelt het CDA vraagtekens. Internationalisering van IBO/IO is absoluut niet te vergelijken met die van de universiteiten. Ook zouden wij graag van de minister vernemen of hij het niet een grote kans voor Nederland vind dat het IHE dat gevraagd is een officieel UNESCO instituut te worden. Steunt hij dit?

MdV,
De BVE-sector speelt een zeer grote rol bij de aanpak voor het tekort aan vaklieden. Een gebrek aan praktijkplaatsen verergert het tekort. Dit leidt tot de hopeloze situatie dat de zorgsector schreeuwt om nieuwe mensen en er aan de ingang van de opleiding studenten worden geweigerd. Kan de minister aangeven of hij geen mogelijkheden ziet om de begeleidingscapaciteit bij instellingen te verruimen. Waarom is zijn collega Borst hier zo passief? Spreekt hij haar soms niet hard genoeg aan?

Wat de beroepsbegeleidende leerweg betreft is onze vrees bewaarheid: de fiscaliteit is een ongerichte, slecht werkende maatregel. Dit jaar is er een onderuitputting van meer dan 100 miljoen gulden. Kan de minister uitleggen waarom deze maatregel toch weer in de begroting is opgenomen en kan hij hard maken dat de niet bestede gelden gericht zullen worden ingezet om nieuwe groepen leerlingen te bereiken?

MdV,
ik rond af.
Minister Hermans heeft veel krediet gekregen.
Geen wonder gezien de reeks inhaalslagen die van hem verlangd worden:

flexibelere studiefinanciering en wetgeving

extra investeringen in kennis en opleidingen

het herstellen van het vertrouwen in het beleid

het herstel van de eigenwaarde van het onderwijs als maatschappelijk hoogwaardige sector

Het is na 1 jaar Paars-II nu tijd voor concreet beleid. Beleid dat investeert, stimuleert en duidelijke kaders stelt.

Wacht op onze daden, zei de liberale voorman Thorbecke ooit. Graag zien wij die daden in de antwoorden op onze vragen in concreto waar worden. Het is hoog tijd.

Kamerlid: Clémence Ross en Camiel Eurlings

Deel: ' Toespraak Tweede kamer Begroting OCW '




Lees ook