Ministerie van Binnenlandse Zaken


Toespraak van minister Van Boxtel op het jaarcongres van het Algemene Verbond Bouwbedrijf

24 maart 1999
In 1983 verscheen Het Boze Oog van Gerrit Komrij, een pamflet tegen het nieuwe bouwen, de gestandaardiseerde bouw van grote hoeveelheden woningen, kantoren en openbare gebouwen, de eindeloze rijen galerijflats en doorzonwoningen, het bouwen volgens het principe van Bauhaus (vorm volgt functie). Komrij fulmineerde tegen de architecten van de verpurmerendering van Nederland. Hij noemde hen "de grote bedervers, ze zaaien onooglijkheid en planten het luisterloze. Ze laten een ongenadig spoor na van etter, schuim en oogbolkrenking. (...) Ze zijn de coloradokevers van stad en platteland. Hun ideaal is de geldbuidel. Hun visioenen zijn van schokbeton."
We kunnen gelukkig constateren dat uw bedrijfstak deze aantijgingen ruimschoots heeft overleefd. Uw activiteiten van de laatste jaren, uw creativiteit en betrokkenheid en niet in de laatste plaats, de keuze van het thema voor uw jaarcongres, maken van de kritische woorden van Komrij definitief geschiedenis. Mede door uw inspanningen krijgt de stad weer een menselijke maat. Er is geen sprake meer van flatneurose, horizonvervuiling en nieuwe truttigheid, maar het gaat nu om het bouwen aan een aantrekkelijke stad waar het goed toeven is, voor armer en rijker, alleenstaanden en gezinnen, ouderen en jongeren, kortom, een stad die levensloopbestendig is. Want de stad is niet alleen een geografisch begrip, een plaatsbepaling, een kluit gebouwen en kantoren met een ringweg er omheen. Een stad staat voor stedelijkheid. Steden zijn - van oudsher - centra van handel en bedrijvigheid, kunst en cultuur, verleden en toekomst. Stedelijkheid wordt bepaalt door een labyrintische en dynamische wisselwerking tussen al deze functies, tussen werken en ontspannen, individualiteit en collectiviteit, wonen en openbaarheid.
Veel van deze stedelijke functies zijn echter van elkaar losgeraakt, zijn in hun samenhang verwaarloosd, waardoor steden zich eenzijdig hebben ontwikkeld. Eenzijdig qua werkgelegenheid, bevolkingssamenstelling en woningvoorraad. Deze ontwikkelingen zijn er samen verantwoordelijk voor dat onze steden een achterstand hebben opgelopen. Onze steden zijn minder compleet geworden, zijn uit balans geraakt.
Het grotestedenbeleid moet deze balans herstellen, moet de stedelijke problemen integraal aanpakken, de wisselwerking tussen sociale, economische en fysieke infrastructuur herstellen en versterken. Met andere woorden: het stedelijke woonmilieu moet weer aantrekkelijk en leefbaar worden. Een conclusie die ook is getrokken in het Regeerakkoord in de vorm van een versterkte voortzetting van het grotestedenbeleid.
Voor de grote steden is in dat kader een flinke pot met geld beschikbaar gesteld. Aan nieuw geld is voor economische structuurversterking in deze kabinetsperiode specifiek onder de noemer vitaliteit steden f 930 mln. Beschikbaar. Tot 2010 gaat het om een bedrag van f 4,8 miljard. Dit is geld voor versterking van de stadseconomie, om sleutelprojecten, monumentenzorg, stedelijke vernieuwing en om een fonds leefbaarheid voor grote steden. Uiteraard dit alles, onder het beslag van nadere besluitvorming in het kabinet over de Voorjaarssnota.
Verder investeert dit kabinet fors in een aantal andere clusters die de economie versterken, zoals bereikbaarheid (2,7 mld), milieu (350 mln), ruimtedruk en -kwaliteit (745 mln) en in kennis (ruim 1,1 mld).
Ook zijn extra middelen beschikbaar voor bevordering van de werkgelegenheid, zoals het realiseren van 20.000 extra Instroom- en Doorstroombanen en voor de versterking van de sociale infrastructuur in brede zin. Het gaat hierbij om de kwaliteit van het onderwijs, kinderopvang, veiligheid, zorg, jeugdbeleid, inburgering oudkomers en om sport. In totaal gaat het om intensiveringen van zon 13 miljard. Deze middelen niet allemaal rechtstreeks naar gemeenten toe, maar worden ook uitgegeven via scholen, diensten en tal van andere instellingen. Onlangs hebben staatssecretarissen Remkes, Ybema en ik besloten de trajecten GSB en ISV voor de vijfentwintig grote steden in elkaar te schuiven. Niet alleen qua geld, maar ook qua criteria. Dit past in de hoge ambities die het kabinet heeft ten aanzien van de steden. Deze ambities kunnen we niet waarmaken door te volstaan met een projectmatige benadering. De nijpende stedelijke problematiek vraagt om een fundamentele aanpak die - zonder de korte termijn uit het oog te verliezen - de weg bereidt voor een duurzame omslag in de benadering van de steden. De kernelementen van die benadering zijn: ontkokering, samenhang in beleid, meerjarige ontwikkelingsplannen, benutten van potenties, en vooral actieve betrokkenheid van de particuliere sector, innovatie en meetbare afspraken. Al die elementen zijn gericht op het verhogen van de effectiviteit van de aanpak en het bereikte maatschappelijk resultaat. Op korte termijn moet in de steden merkbaar zijn dat zowel het Rijk, de provincies als de gemeenten - of het nu gaat om werkgelegenheid, de aanpak van wijken, of het verhogen van de veiligheid - de effectiviteit van de aanpak, het resultaat, voorop stellen.
In april zal duidelijk worden welk aandeel van de hiervoor genoemde intensiveringen de grote steden in het kader van het grotestedenbeleid tegemoet kunnen zien en wat de onderlinge verdeling tussen de G25 zal zijn. Op basis van deze indicatieve verdeling stellen zij hun meerjarige ontwikkelingsprogramma op voor de pijlers sociaal, economie en werk, en voor het ruimtelijk-fysieke terrein.
Deze integrale stadsplannen moeten op vóór 1 november 1999 worden ingediend en worden in één ronde door het Rijk beoordeeld. Daarom, én omdat de ambities van de steden hoog zijn waar het gaat om visievorming en meerjarige doorwerking, is het tijdschema voor de indiening van de stadsplannen aangepast. In de nieuwe planning zullen de stadsconvenanten uiterlijk 20 december 1999 worden ondertekend. Voor GSB is dat misschien een paar maanden later dan eerst de bedoeling was, maar voor ISV betekent dit een tijdwinst van bijna een half jaar!
De stadsplannen zullen niet alleen beoordeeld worden op inhoud en creativiteit, óók de betrokkenheid van derden, van maatschappelijke partners, en het draagvlak bij de burgers speelt een cruciale rol. De extra tijd die de steden nu hebben moet winst kunnen opleveren in termen van kwaliteit, maar er is ook meer tijd nodig en beschikbaar voor afstemming met derden, voor de noodzakelijke matching van publieke en private investeringen. De praktijk heeft meerdere male bewezen dat op het terrein van de stedelijke vernieuwing publiek-private samenwerking voor beide partijen winstgevend kan zijn. Niet alleen financieel, maar ook bijvoorbeeld in termen van werkgelegenheid en
expertise-ontwikkeling. Natuurlijk heeft de overheid een verantwoordelijkheid om de private sector steeds weer uit te dagen om stevig in de stad te investeren, om mee te denken en mee te bouwen. Daarom neemt de overheid op het terrein van de stedelijke vernieuwing ongeveer 10% van de totale kosten voor haar rekening. Dat betekent wél dat tegenover iedere rijksgulden die geïnvesteerd wordt er negen gulden aan private investeringen moet staan. Deze financieringseis maakt dat de gemeenten in toenemende mate zullen en moeten samenwerken met derden, met de corporaties en u, de particuliere bouwers en projectontwikkelaars. De eigen investeringen, het commitment van de rijksoverheid geeft houvast voor private ondernemers, maakt private investeringen rendabel, en dat moeten we een flink aantal jaren volhouden.
Ook in een herijking van het grondbeleid kan een basis voor extra financiering worden gevonden. Een nieuwe balans tussen het vaststellen van de bestemmingen van een stuk grond en de daarbij behorende prijsniveaus, de verdeling van de daarbij behorende economische voordelen en het onttrekken van grond aan de vrije gebruiksruimte verdient in dit kader wellicht aanbeveling. Een aantal conclusies in het onlangs verschenen rapport De Grondmarkt van het CPB geven een aardige opmaat voor een nieuwe discussie hierover. Bijvoorbeeld de constatering dat de door functiewijziging toegenomen waarde van grond vaak niet terecht komt bij degenen die schade ondervinden van die functie-omzetting, de constatering dat subsidies voor bedrijventerreinen kunnen leiden tot ongewenst concurrentie tussen gemeenten. In het verleden is door de huidige grondpolitiek vaak veel geld aan de neus van de gemeenten voorbij gegaan. Er is bijvoorbeeld veel geld verdiend aan stijgende grond- en huizenprijzen, geld dat bij particuliere investeerders en woningcorporaties terecht is gekomen, en niet terugvloeide naar de gemeenschap om nieuwe investeringen mogelijk te maken. Een goede manier om meer van het verdiende geld terug te laten vloeien naar de gemeenschap is het benutten van de mogelijkheden van publiek-private samenwerking. Gemeenten kunnen op die manier deelnemen aan
ontwikkelingsprojecten, en dan niet alleen de onrendabele toppen financieren, maar delen in het totale risico en de totale winst. Het is duidelijk dat U, de bouwers van Nederland, een belangrijke en noodzakelijke partner bent voor de grote steden bij het vormgeven van de complete stad. Niet alleen omdat voor de stedelijke vernieuwing veel private investeringen noodzakelijk zijn, maar ook omdat de gebouwde omgeving in belangrijke mate de leefbaarheid van onze steden bepaalt. Bouwen is een cultureel fenomeen, een stad is een kunstwerk. Architecten, projectontwikkelaars en planologen hebben een historische en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het gaat niet meer om fragmentarische stadsvernieuwing, maar om integrale stedelijke vernieuwing, tégen de monocultuur van woonwijken en bedrijvenparken. Het zwaartepunt van deze bouwopgave ligt ín de stad. Niet alleen bij de grootschalige nieuw- of herbouw, maar ook bij kleinschalige ingrepen. Ingrepen die de bestaande stad repareren en verbeteren. Ingrepen die de stad haar attractiviteit laat behouden en haar nieuwe impulsen weet te geven. Bouwen aan de stad kan de stad als geheel aan kwaliteit laten winnen. Berlage zei ooit dat architectuur en stedenbouw de Kunst van de Gemeenschap zijn; architectonische kwaliteit is een middel om de kwaliteit van de samenleving te verbeteren. In dat licht moet iedere bouwkundige ingreep, hoe klein ook, gezien worden als een eervolle uitdaging. Dat geldt ook voor de nieuwe wijken, de stadsuitbreidingen, de VINEXlocaties.
Als we bouwen ín de stad, moeten we eerst vooral bepalen voor wie we dat doen, wie we willen dat er in onze stad wonen. Daarnaast moeten we oog hebben voor de openbare ruimte, moeten we oog hebben voor de zaken die er al zijn, moeten we nadenken over leefbaarheid en veiligheid. Als we nieuwe wijken bouwen, buiten de stadskern, daar waar nog niks is, moeten we een sfeer weten op te roepen, huizen bouwen waar de bewoners trots op zijn, pleinen aanleggen die ruimte uitstralen, geen leegte; bedrijvigheid creëren om slaperigheid voor te zijn.
Door te bouwen op maat, hoe groot die maat soms ook is, met oog en verantwoordelijkheid voor de omgeving, kunt u uw bijdrage leveren aan de complete stad, een stad die in balans is met zichzelf en met haar omgeving, een stad waar we - ook zelf - graag in wonen en werken.
Niet alleen de grote projectontwikkelaars onder u, maar zeker ook de kleinere bouwbedrijven. Want de bouwsector levert niet alleen een bijdrage door het gebouwde zelf. Bouwen is tenslotte werk, liefst ook voor de buurt waarin of waarvoor gebouwd wordt. U bent tenslotte ook werkgevers. Dat betekent dat u in de uitvoeringsfase langdurig werklozen, moeilijke bemiddelbare werklozen of zelfs (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten uit de buurt inzetten voor de duur van het bouwproject, bijvoorbeeld door combinaties van leren en werken. Zo was ik onlangs op werkbezoek bij een organisatie in Schiedam waar werkzoekenden worden opgeleid tot werknemers in onder andere de bouw. Ook in Den Haag is er een
samenwerkingsproject tussen MKB en gemeente bij het scholen en tewerkstellen van langdurig werklozen voor plaatselijke bouwprojecten.
Op het gebied van de sociale samenhang van en met de buurt, maar ook de buurteconomie heeft het MKB zijn sporen de laatste jaren dubbel en dwars verdiend. Want met name het MKB besteed veel aandacht aan scholing en opleiding en is daarom vaak dé leverancier van adequaat geschoold personeel voor de hele sector. De inzet van het O+O fonds bouwnijverheid kan als voorbeeld gelden voor andere bedrijfstakken.
Het is daarom voor de hele sector een slechte zaak dat de positie van het MKB in de bouw verslechtert. Vooral omdat de kleine aannemers worden weggedrukt door de grote, landelijk gevestigde bouwers. Door gebrek aan de benodigde menskracht, expertise en investeringsruimte maken zij nauwelijks kans bij de inschrijving voor grotere projecten. Het AVBB kan helpen bewerkstelligen dat het MKB om weer stevig op de kaart te komen. Bijvoorbeeld door te bevorderen dat kleine aannemers zich voor deelprojecten kunnen inschrijven en door het helpen opzetten van netwerken van kleiner bedrijven. Door samenwerking kan de meerwaarde van lokale bouwbedrijven met al hun kennis van de lokale situatie worden vergroot. Bovendien kan door samenwerking de innovatiekracht van de verschillende bedrijven worden gecombineerd in een integrale benadering.
Bundeling van expertise is nodig omdat in de stedelijke vernieuwing de drie pijlers van het grotestedenbeleid zoveel mogelijk moeten samenkomen. De herstructurering van na-oorlogse wijken kan gecombineerd worden met de verbetering van de stedelijke infrastructuur en de revitalisering van de economische functie.
In alle gevallen vraagt een integrale aanpak van de stedelijke vernieuwing om betrokkenheid, om onorthodoxe oplossingen, nieuwe netwerken en zeker ook om goede gemeentelijke opdrachtgevers. Opdrachtgevers die in een zo vroeg mogelijk stadium de expertise inroepen van de ontwerpers en uitvoerders, die u opzoeken om u te betrekken bij het voortraject, om mee te denken over oplossingen voor stedelijke vraagstukken, die u beschouwen als een belangrijke partner, niet alleen financieel maar ook conceptueel. Komrij schreef dat Nederlandse architecten die durven zijn als rozen die ruiken: uitgestorven. Ook in de stedelijke ontwikkelingsplannen moeten we kunnen zien dat dat allang niet meer waar is. In de stadsplannen moeten ook uw wensen en uw oplossingen worden meegenomen. Ik daag u uit om mee te werken, mee te denken, mee te bouwen aan de complete stad!

Deel: ' Toespraak Van Boxtel bij Algemene Verbond Bouwbedrijf '




Lees ook