Ministerie van Binnenlandse Zaken


'Een complete stad is een werkende stad' (minister Van Boxtel op de Bilderbergconferentie - 30-1-1999)

Toespraak van minister Van Boxtel op de Bilderbergconferentie van het VNO-NCW
30 januari 1999
In uw lijfblad Forum stond op 14 januari de uitslag van een enquête over de populariteit van het tweede kabinet Kok. Iedere minister had een cijfer gekregen. Ik kreeg een vijf en een half, een onvoldoende dus. Een onvoldoende als gemiddelde waardering van de directeuren en bestuursvoorzitters van 127 grote Nederlandse ondernemingen, een onvoldoende dus van u, de deelnemers aan deze Bilderbergconferentie. Het is dus óf onbegrijpelijk dat ik hier sta óf hoog tijd. In het bewuste Forum-artikel staat niet waar ik mijn onvoldoende aan verdiend heb, er staat niks in over mijn beleidsterrein: het grotesteden- en integratiebeleid. Er wordt zelfs geen woord gewijd aan de aanpak van het millenniumprobleem, en dat is toch iets waar, ook voor u, geen herexamen voor mogelijk is.
Dat wil niet zeggen dat ik niet benieuwd ben naar uw visie op het grotestedenbeleid, want dat ben ik wel. Ik heb met genoegen het boekje 'Een goede buur(t) is beter...' van het NCW gelezen. Ik wil weten welke rol het bedrijfsleven kan en wil spelen als het gaat om de revitalisering van de grote steden. Daarom ben ik vandaag hier: om te horen wat u denkt en doet, maar u begrijpt, ik voel me voldoende uitgedaagd om ook te vertellen wat ík vind dat er zou moeten gebeuren.
Alleen aan wat beweegt kan sturing worden gegeven. Dat geldt dus zeker voor onze steden. Steden zijn de motor van onze samenleving, een motor van modernisering, een plaats waar die modernisering zich voltrekt, een gistend vat van onvoorspelbare mogelijkheden. Maar voor we kunnen sturen moeten we een visie uitwerken, moeten we kijken naar de werkelijkheid, de status quo. En die werkelijkheid is in de meeste, vooral grote steden, niet zo rooskleurig. Ik weet dat de gunstige economische ontwikkelingen niet aan de steden voorbij zijn gegaan, maar ik voorspel u: als het even tegen zit worden eenzijdigheden weer helder zichtbaar. Immers, de positie van de steden in Nederland is in de afgelopen decennia drastisch veranderd. Een samenstel van ontwikkelingen op sociaal, economisch en ruimtelijk gebied hebben geleid tot een cumulatie van sociaal-economische problemen: wegtrekkende bedrijvigheid, suburbanisatie van een welvarend deel van de bevolking, scheefgroei op de arbeidsmarkt, concentratie en segregatie van etnische groepen, dreigende onleefbaarheid van bepaalde vooral naoorlogse wijken, toenemende onveiligheid en criminaliteit, vroegtijdige schoolverlaters, om eens een handjevol van de grootstedelijke problemen te noemen. Er is sprake van een zekere segregatie, een uit elkaar groeien van stad en rand. Maar dat betekent niet dat we het hebben over wijken en mensen die geen kansen meer hebben, die niks kunnen. Zeker niet. Juist deze mensen kunnen (en willen!) uw nieuwe werknemers zijn. Ik weet wel dat bedrijven regelmatig het gevoel hebben de stad uit gepest te zijn, maar de tijden zijn veranderd, en vooral het inzicht in wat een stad nodig heeft om leefbaar en vitaal te zijn.
De grote steden zijn aanzienlijk verarmd en zijn als woonmilieu steeds sterker gaan contrasteren met de relatief welvarende suburbs. Een grote meerderheid van de grootstedelijke wijken hoort in sociaal-economisch opzicht tot de laagst geklasseerde gebieden van Nederland. Hun aantrekkelijkheid is voor veel woningzoekenden en ook voor veel bedrijven verder gedaald. Daar heb ik - kort gezegd - het beeld van de complete, vitale stad tegenover gezet. Een vitale stad is een mix van deugd en ondeugd (Zijderveld), van sociale, economische, culturele en etnische differentiatie. Een complete stad is een stad in balans, zonder fysieke en psychologische 'harde' grenzen, zodat alle inwoners grenzenloos kunnen genieten van het centrum, van de cultuur, van sportvoorzieningen, van alles wat een stad kan bieden. Dat is een complete stad, een stad waar je goed woont, waar mensen goed met elkaar omgaan, waar fatsoenlijke voorzieningen zijn. Een complete stad is een vitale leefomgeving, een netwerk van mensen, jong en oud, bedrijven, organisaties en maatschappelijke verbanden; een levend weefsel waarbinnen bewegingen van het ene onderdeel de andere functies onvermijdelijk beroeren. Een stad, een wijk, een buurt waar je als bewoner trots op bent en waar je je veilig voelt.
Dat is het Leitmotiv, de focus van het grotestedenbeleid voor de komende jaren: op basis van een integrale aanpak investeren in de fysieke infrastructuur, in het herstel van de werkgelegenheid en de bedrijvigheid en in de sociale infrastructuur van onze steden. Maar een effectieve verbetering van de fysieke infrastructuur van de grote steden houdt niet op bij de bestaande stadsgrenzen, maar moet bekeken worden in het raamwerk van de totale ruimte in Nederland. De grote steden spelen daarin een belangrijke rol. Dat is de reden dat het kabinet in het laatste Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport er bewust voor heeft gekozen om de aanleg van de Noord-Zuidlijn, de infraprojecten voor de VINEX-locaties en de aanleg van randstadrail te garanderen. En onlangs heeft mijn gewaardeerde collega Pronk (de nummer vijftien op uw hitlijst!) de Startnota Ruimtelijke Ordening 1999 uitgebracht. Uitgangspunt van deze visie op de ruimtelijke ordening van Nederland in de komende periode is 'Stedenland-plus', de compactestadbenadering, aangevuld met een beheerste ontwikkeling van regionaal gedifferentieerde corridors. Beheerst omdat ordening vraagt om samenhang, niet alleen tussen stad en landschap, maar ook tussen beeld en functie van een gebied. Gedifferentieerd omdat niet iedere regio dezelfde behoeften heeft in termen van deconcentratie en bereikbaarheid van economische functies. We moeten oppassen dat de corridors niet gaan lijken op de Amerikaanse edge cities, nederzettingen die zomaar langs de snelweg lijken te zijn neergekwakt, steden zonder stedelijkheid (Zijderveld). Uw voorzitter, de heer Blankert schreef afgelopen woensdag in het NRC/Handelsblad dat corridors geen bedreiging vormen voor de grote steden, maar juist een enorme kans zijn om steden nieuw leven in te blazen. Verstedelijking, economische bedrijvigheid buiten de stad, kunnen een positieve invloed hebben op de leefbaarheid in de grote steden. Ik ben dat met hem eens, met de aantekening dat het één het ander niet hoeft uit te sluiten. Corridorontwikkeling moet gezien worden als gebundelde verstedelijking. Corridors zijn een aanvulling, niet een alternatief als het gaat om de versterking van de economische infrastructuur van de grote steden! Nederland moet een land zijn met vitale steden, niet een vitaal land met slapende steden. Ook in Europees verband zijn de steden belangrijke economische, sociale en culturele krachtbronnen. Europese steden komen steeds vaker in onderlinge concurrentieverhoudingen terecht, niet alleen als het gaat om de Europese kampioenschappen voetbal of bij de selectie van de Europese Cultuurstad, maar ook steeds vaker in economisch perspectief. Het stedenbeleid is daarom zeker niet alleen nationaal beleid. Delors zei het al: 'Als de steden falen, faalt Europa'.
De fysieke infrastructuur is niet de enige pijler van het grotestedenbeleid. In het SER-advies over het grotestedenbeleid werd gesteld dat 'arbeid in onze samenleving het integratiekader bij uitstek is. De beste manier om achterstandsituaties in wijken en steden te bestrijden is dus gelegen in een versterking en benutting van het economisch potentieel op wijk- en stadsniveau. Leefbaarheid is dan een belangrijke uitkomst van beleid. Maar tevens is leefbaarheid een steeds belangrijker onderdeel van het vestigingsklimaat voor bedrijven.'
Dat uitgangspunt onderschrijf ik volledig: werk staat niet alleen voor geld, financiële armslag, maar ook voor aanzien en voldoening, collega's en acceptatie. Een economisch startpunt dat leidt tot een sociaal-economisch eindpunt. Daarom moeten we de komende jaar stevig investeren in het creëren van werkgelegenheid, in het stimuleren van economische bedrijvigheid op stads-en wijkniveau.
Want de steden zijn ook in economische zin uit balans geraakt. De verandering van de economische functie en de
werkgelegenheidsstructuur hing samen met deconcentratie van vooral industriële bedrijvigheid vanuit de steden naar hun randgebieden en daarbuiten. De steden raakten hun functie als motor van de economie, industriestad of handelsstad, deels kwijt. Mede daardoor is veel werkgelegenheid voor laaggeschoolden uit de stad verdwenen, terwijl het aanbod van laaggeschoolde werknemers in de steden nog steeds hoog is.
Maar ook de buurtsuper, de groenteman, de melkboer en de bakker verdwenen uit vele stadswijken. Dit had niet alleen consequenties voor de leefbaarheid en levendigheid van de buurt, maar ook voor de werkgelegenheid. Hoge werkloosheid, langdurige werkloosheid stak in de grote steden razendsnel de kop op en is zelfs nu - na enige jaren van economische welvaart - nog steeds veel te hoog. Zeker in de oude wijken, de probleemwijken waar een cultuur van armoede is ontstaan, waar achterstand zichzelf dreigt te reproduceren.
Gelukkig kunnen we constateren dat de trend van een steeds toenemend aantal werklozen, waarbinnen vooral langdurig werklozen, na 1995 is omgebogen. Het percentage geregistreerde werklozen bedroeg eind 1995 in de vier grote steden nog 13,2 procent van de beroepsbevolking. In de rest van Nederland was dit percentage slechts 6 procent. Als gevolg van de ontwikkelingen in de afgelopen twee jaar bedraagt eind 1997 het werkloosheidspercentage in de vier grote steden 9,3 procent van de beroepsbevolking, bijna vier procentpunten minder dan eind 1995. In de andere steden was de afname 'slechts' 1,5 procentpunten. Bovendien is het aantal langdurig werklozen in de vier grote steden binnen de totale werkloosheid gelijk gebleven, terwijl in de andere steden dit aandeel iets toenam.
Om de economische infrastructuur in steden, wijken en buurten effectief te versterken, zijn er nieuwe vormen van samenwerking nodig. Nieuwe coalities, partnerschap tussen overheid en bedrijfsleven, tussen het publieke en het private domein, tussen beleid en uitvoering, bewoners en ondernemers.
De essentie van het grotestedenbeleid is dat de steden zijn uitgedaagd om onder woorden te brengen hoe de komende, pakweg tien jaar, in iedere stad dit nieuwe partnerschap tot stand komt. Die uitdaging kiezen ze zelf. Het Rijk grijpt daar op in bij het grotestedenbeleid, bij de stedelijke vernieuwing, het ruimtelijk beleid en het beleid rond de bedrijvigheid. Het kabinet trekt hier veel geld voor uit. Zo'n miljard in deze regeerperiode (in het ICES-pakket 'vitaliteit steden'), én een inzet van circa 5 miljard tot 2010.
Maar ook het bedrijfsleven levert een steeds grotere bijdrage. Het lijkt wel alsof ondernemers de stad en de wijk opnieuw ontdekken. Niet alleen als afzetgebied voor hun producten, maar ook voor het aantrekken van personeel. Ik heb al gezegd dat werk belangrijk is voor de leefbaarheid van stad en wijk, maar leefbaarheid, een sterke sociale structuur is minstens even belangrijk voor de werkgever. Uw directe omgeving is niet alleen afzetgebied en arbeidsmarkt, u moet als bedrijf niet alleen naar uw omzet kijken, maar ook rekening houden met en een bijdrage leveren aan de samenhang van uw omgeving. U noemt het maatschappelijk ondernemen, ik noem het sociale samenhang, want betrokkenheid moet vanzelfsprekend zijn.
Vlak voor de Kerst heb ik met de steden een doorstartconvenant getekend, een reeks afspraken over de doelstellingen van het grotestedenbeleid voor de komende periode. Die lijst is niet bedoeld als een keurslijf voor de steden, maar als een actielijst. Steden zullen moeten kiezen voor hún speerpunten. Zij moeten stedelijke ontwikkelingsplannen maken. U bent als ondernemers medevormgevers van die plannen. Uw prioriteiten zullen een belangrijk startpunt vormen. Maar, dan zult u wel actie moeten ondernemen. Ik daag u hierbij dan ook uit de dialoog aan te gaan met de stadsbestuurders, maar ook met burgers en maatschappelijke instellingen om samen na te denken over projecten die economische bedrijvigheid stimuleren, die uitgaan van de capaciteiten van de wijk. Dat geldt zeker ook voor de zogenaamde achterstandswijken. Want, niet iedere probleemwijk is bij voorbaat een kansarme wijk! Een concentratie van personen met dezelfde achtergrond in bepaalde wijken of buurten kan ook een positief effect oproepen. Sociale netwerken en wederzijdse ondersteuning vormen tenslotte een goede basis voor verschillende buurtgerichte activiteiten, maar zeker ook voor ondernemers. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in de Utrechtse wijk Lombok en aan het Amsterdamse Mercatorplein. Er moet de komende periode een gezamenlijke inspanning worden geleverd. Het kabinet heeft daar ook veel geld voor beschikbaar gesteld: bijna een miljard en als de stedelijke vernieuwing op gang komt nog vele honderden miljoenen meer!
De laatste jaren is er vooral in de grote steden sprake van een groei van het zelfstandig ondernemerschap onder allochtonen. De kansen die het zelfstandig ondernemerschap aan allochtonen biedt wordt in veel gevallen echter niet optimaal benut. Dat komt voor een deel door de complexiteit van de Nederlandse wet- en regelgeving rond het ondernemerschap, maar ook door zaken als het vinden van een goede locatie, het verkrijgen van externe financiering, het opbouwen van een zakelijk netwerk, en de beschikbaarheid van goede scholing en advisering. De Kamers van Koophandel proberen nu in een aantal grote steden te voorzien in de behoefte aan begeleiding en advisering door de inzet van wijkconsulenten. Dat is een initiatief dat heel veel startende etnische ondernemers nog beter op weg kan helpen. Om de bedrijvigheid daadwerkelijk te stimuleren moeten, onder andere door de overheid, betere voorwaarden worden gecreëerd voor zelfstandig ondernemerschap en voor grotere ondernemingen. Bijvoorbeeld door het aanpassen van bestemmingsplannen, het bevorderen van bedrijfsverzamelgebouwen, het consequent hanteren van de één-loketgedachte. Dat zo'n aanpak resultaat oplevert kunnen we zien in Groningen. Het bedrijf Marktkauf wilde zich in Groningen vestigen. De gemeentelijke rompslomp kon worden geregeld met één woordvoerder namens alle betrokken gemeentelijke instellingen. Dat leverde winst op voor het bedrijf maar zeker ook voor de gemeente, want Marktkauf nam 90 door de gemeente geselecteerde langdurig werklozen aan in het nieuwe bedrijf. Een snelle vorm van arbeidsbemiddeling die tastbare resultaten oplevert. Want ook op het terrein van de arbeidsvoorziening en reïntegratie moeten we onorthodox durven zijn. Het gaat er om mensen aan het werk te krijgen, en zeker voor de mensen die nu het verst van de arbeidsmarkt af staan, is vaak een extra inspanning nodig. Een inspanning zoals het ArenA-project in Amsterdam Zuid-Oost. Daar houden het uitzendbureau Randstad, de Sociale Dienst en het Arbeidsbureau samen kantoor. Zij werken via dit ene loket nauw samen met elkaar én met lokale ondernemers om langdurig werklozen aan het werk te krijgen, en het is een succes! Niet in het minst door de inzet en betrokkenheid van het bedrijfsleven. Op dit moment zijn er initiatieven uwerzijds die mij het vertrouwen geven dat we op de goede weg zijn. Ik noem de landelijke activiteiten in het kader van het Overlegplatform Stedelijke Vernieuwing, Samen Werken en Ondernemers doen Meer, en allerlei stedelijke coalities en activiteiten. Ik heb daarom onlangs in Enschede mijn handtekening gezet onder het samenwerkingsakkoord tussen het OPS, de stad Enschede, de provincie Overijssel, het bedrijfsleven en de Enschedese woningcorporaties en instellingen, een unieke samenwerking om de dreigende verloedering in Enschede-Noord een halt toe te roepen. Een akkoord dat wat mij betreft model kan staan voor dit soort coalities in en met andere steden en organisaties. Maar we kunnen samen veel meer doen, we kunnen samen meer en andere oplossingen verzinnen om de problemen in de grote steden te lijf te gaan. Oplossingen die wat mij betreft onorthodox kunnen zijn.
Ik wil daar graag met u over doorpraten. Ik wil graag met u en de steden gezamenlijk een dialoog aangaan om te kijken hoe we elkaar kunnen versterken, om te kijken hoe we onze krachten kunnen bundelen. Een dergelijk gesprek moet de aanzet zijn voor een creatieve en intensieve samenwerking op stedelijk niveau, maar is ook een gelegenheid om te praten over bovenlokale samenwerking. Niet alleen omdat stedelijke bedrijvigheid voor u noodzakelijk is, maar vooral ook omdat uw betrokkenheid noodzakelijk is voor de stedelijke ontwikkeling. Het lijkt mij daarom goed vandaag met u de afspraak te maken dat wij onze contacten voortzetten. Zou het niet goed zijn om uw commissie voor het Grotestedenbeleid over een paar maanden in gesprek te brengen met een aantal vertegenwoordigers van het rijk en de grote steden? Ik zal daar graag het initiatief toe nemen en daarbij zeker mijn collega's Ybema van EZ en Remkes van VROM uitnodigen. Ook uit hun budgetten komt veel geld voor de stedelijke vernieuwing.
Ik weet dat een dubbeltje zelden een kwartje wordt, maar ik ga er van uit dat de guldens van het kabinet voor het grotestedenbeleid door uw inzet minstens verdubbeld kunnen worden. Als dit lukt dan zijn de complete steden werkende steden!
Ik dank u voor uw aandacht en reken op uw inzet!

Deel: ' Toespraak Van Boxtel op Bilderbergconferentie VNO-NCW '




Lees ook