PERSMEDEDELING VAN HET KABINET VAN

MINISTER MARLEEN VANDERPOORTEN

VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS EN VORMING

28 SEPTEMBER 1999

Opening academiejaar 1999-2000 aan de VUB

Toespraak van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming ter gelegenheid van de opening van het academiejaar 1999-2000 aan de Vrije Universiteit Brussel
- 28 september 1999.

Mevrouw de Rector,
Mijnheer de Voorzitter,
Dames en heren,
Beste Studenten,

Vandaag heb ik het genoegen om samen met u allen aan de VUB het startschot van het nieuwe academiejaar te mogen geven. Ik dank u voor de gelegenheid die u mij biedt om enkele accenten uit het Vlaams Regeerakkoord met betrekking tot het hoger onderwijs toe te lichten.

Dames en Heren,

Academisch onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn beide ingeschreven in de fundamentele opdrachtsverklaring van de universiteit. Ze zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Door deze permanente interactie bevruchten zij elkaar voortdurend.

Aan de universiteit kan onderwijs niet zonder onderzoek en kan onderzoek niet zonder onderwijs. Het heeft dus geen zin het ene te accentueren ten koste van het andere. Bovendien neemt de derde pijler die algemeen kan omschreven worden als maatschappelijke dienstverlening, ook een belangrijke plaats in.

In de zeventiende eeuw stelde een Engelse wijsgeer terecht "knowledge is power". In onze kennismaatschappij is zulks meer dan ooit waar.
In dit verband wil ik even hulde brengen aan wijlen ere- rector Roger Van Geen. Toen hij voorzitter was van de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid, stelde hij als één der eerste wetenschappers met een doortastende beleidsvisie, dat de vierde maatschappelijke revolutie was ingetreden en tegen het einde van dit millennium het uitzicht van alle wetenschappelijke werk grondig zou wijzigen.
Roger Van Geen gaf dan ook als pionier de aanzet, binnen deze universiteit, tot de uitbouw van een, toen, vooruitstrevende informatisering van meerdere diensten van zijn geliefde alma mater. Sindsdien werd de fakkel door velen overgenomen.

In de hedendaagse internationale context - onder meer in het licht van de Verklaringen van de Sorbonne in 1998 en van Bologna in 1999 - komt tot uiting dat de kennismaatschappij bezwaarlijk nog op afgezonderde eilanden tot ontplooiing kan komen. Ook in Vlaanderen wordt reeds geruime tijd nagedacht over de hertekening van het hoger onderwijslandschap.

Samenwerking en wederzijdse waardering zijn meer dan ooit nodig om de krachten van de hogere onderwijs- en onderzoeksinstellingen te bundelen. Complementariteit en het faciliteren van het dienstenaanbod worden dan ook sleutelconcepten in het nieuw beleid. Een dynamiek tot evolutie werd reeds op gang gebracht naar aanleiding van de activiteiten van ere-rector Dillemans in uitvoering van zijn missie als Bijzonder Commissaris.

De universiteiten en de overheid voerden reeds gesprekken over de gewenste evolutie. De regering nam formeel kennis van een eerste serie afspraken die in een 25- punten nota vertaald werden. De rapporten van de Bijzondere Commissaris en de inzichten die hieruit gegroeid zijn, moeten nu toelaten de contouren af te bakenen en stilaan tot conclusies te komen.

Nochtans blijft tot nader order ons binair systeem behouden en worden hogescholen geen universiteiten zoals een Vlaamse krant gisteren blokletterde. De structuur van het Vlaams tertiair onderwijs wordt immers nog altijd bepaald door het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering, en dit nadat alle actoren zijn gehoord.

De universiteiten zijn daarom nu zelf aan zet. Ik vraag rechtstreeks aan alle betrokkenen of zij zelf concrete voorstellen willen uitwerken om te komen tot meer samenwerking en een optimaler aanbod. Alle denkpistes die reeds gelanceerd zijn, kunnen het onderwerp worden van dialoog. Ik zal graag reageren op suggesties van alle betrokkenen. Het is mijn overtuiging dat tegen de opening van het volgend academiejaar het kader moet uitgetekend kunnen worden waarbinnen universiteiten en hogescholen zich samen kunnen ontwikkelen. Ik vind dat bij deze discussie geen enkele vraag uit de weg dient gegaan te worden.

Ik wil echter zeer duidelijk stellen dat het mijn absolute wens is dat de optimalisering op voorstel van en in onderlinge afspraak tussen de universiteiten tot stand zou komen. Dat dit offers zal vergen en dat daarbij weerstanden rijzen en zullen rijzen is evident. Goede verstaanders zullen echter begrepen hebben dat ook in deze operatie de beste studenten het meest beloond zullen worden. .

Het ligt voor de hand dat de Vlaamse Interuniversitaire Raad, waarvan u, Mevrouw de Rector thans het voorzitterschap opneemt, het forum bij uitstek wordt voor de ontwikkeling van de nieuwe strategie en voor het uittekenen van uitgebalanceerde voorstellen. Als voorzitter zal op U de delicate taak rusten om de gesprekken binnen deze Raad zo te leiden dat zij uitmonden op in consensus aanvaarde en concreet hanteerbare aanpassingsmodellen. Ik zal uw inspanningen daartoe zeker ondersteunen en blijf uiteraard graag permanent geïnformeerd over de stand van het overleg. Mijn medewerkers en mijn administratie zullen dat proces actief mee ondersteunen en zo mogelijk stimuleren. Maar ook vorsers, technisch en administratief personeel, regeringscommissarissen en zeker studenten wil ik graag betrekken in de dialoog.

Laat het nochtans voor iedereen duidelijk zijn dat het hoger onderwijslandschap zich vandaag niet meer laat vatten in twee totaal gescheiden blokken. Deze binaire structuur staat niet ter discussie, maar vanuit didactisch oogpunt dienen zinnige bruggen tussen beide entiteiten absoluut mogelijk gemaakt te worden.

Met de door Vlaanderen onderschreven principes van de Verklaringen van de
Sorbonne en van Bologna op de achtergrond, verwacht ik tevens dat de
universiteiten hun internationale opdrachten ten volle zullen waarmaken.
De milleniumwende houdt dientengevolge ook voor de universitaire gemeenschap een essentieel keerpunt in. In de voorbije jaren is overvloedig het uitzicht van het veld beschreven. In deze fase wil ik zelf nog geen eigen, concrete invulling geven. De eerste krachtlijnen zullen uitgetekend worden in de beleidsnota, waar ik momenteel samen met mijn medewerkers en de administratie aan werk. Deze zal ten laatste in januari bij het Vlaams Parlement worden neergelegd.

Eenieder zal beseffen dat de financiële ruimte die mij binnen de Vlaamse begroting wordt verleend daarbij een cruciale rol speelt. Het regeerakkoord is op dat vlak bemoedigend: het hoger onderwijs, en de universiteiten in het bijzonder, krijgen extra aandacht om de toekomstige ontwikkelingen te behartigen.

Dames en heren, ik zei het reeds, de universiteiten zijn nu aan zet.
Ik verwacht dat zij op grond van al het voorbereidend werk een eigen dynamiek zullen ontwikkelen waarin zij jegens mekaar duidelijke profilering aanvaarden en waarbij de zorg voor de kwaliteit van onderwijs, onderzoek en dienstverlening aan de gemeenschap zal primeren.
In deze context is het thans voldoende duidelijk dat hoger onderwijs flexibel moet zijn en dat een op kwaliteit gebaseerd credit systeem snel vorm zal moeten krijgen.

Het Vlaams hoger onderwijs moet zich dus buigen over twee complexe problematieken. De eerste is die van de optimalisering van het aanbod. Het is al te gemakkelijk terug te plooien op het eigen terrein en de afbakening van een territorium is daarbij een onoverkomelijke hinderpaal. Een open geest en een eerlijke zelfkritiek zullen onontbeerlijk zijn, willen we tot conclusies komen.
In de tweede plaats moet de manier waarop het aanbod aan de studenten wordt aangeboden geactualiseerd worden en gemoderniseerd worden.

Dames en Heren,

In de Europese Unie worden de universiteiten geplaatst voor dezelfde maatschappelijke uitdagingen en ze kampen met analoge problemen.
Zij zijn open ontmoetingsplaatsen waar academisch personeel, technici en studenten mekaar ontmoeten, samenleven en intensief in groep werken aan betekenisvolle projecten voor mens en maatschappij. De structuren die hen opvangen zijn gekenmerkt door een rijke verscheidenheid in wetenschappelijke en levensbeschouwelijke benadering. Hun infrastructuur verschilt zowel kwalitatief, als kwantitatief enorm en hun statuten zijn zeer disparaat.

De fundamentele opdrachten die de academici moeten vervullen nopen hen ertoe naast onderwijs- en onderzoeksfuncties, ook bestuurlijke taken waar te nemen. Hierbij worden van hen administratieve, technische, juridische en boekhoudkundige vaardigheden gevergd, ongeacht hun basisvorming.
Zij behartigen deze taken allemaal met een grote autonomie. Die academische en bestuurlijke vrijheid worden m.i. in de volgende decennia meer dan ooit een conditio sine qua non voor een performante werking van de instellingen en voor de ontwikkeling van nieuwe denkschema's .

Maar voor wat, hoort wat.

De studenten hebben recht op een optimale onderwijsbegeleiding die in een aantal gevallen maar kan worden gewaarborgd indien er voldoende kritische massa aan zowel studenten als aan lesgevers voorhanden is. De studenten hebben ook recht op een zo uitgebreid mogelijke waaier aan opleidingsmogelijkheden. Het is evenwel slechts maatschappelijk aanvaardbaar ze aan te bieden, indien er een voldoende concrete behoefte voor bestaat en ze op hoog kwalitatief niveau kunnen worden georganiseerd.

Onder de vorige legislatuur zijn de universiteiten aan een omvangrijk mutatieproces begonnen, niet alleen om adequaat te kunnen voldoen aan de verschillende uitdagingen die onze samenleving aan hen stelt, maar ook omdat ze zichzelf verplicht zijn die evolutie mee te sturen en mee vorm te geven.
De Vlaamse regering wil haar beleid zo afstemmen, dat zij niet alles dient voor te schrijven, maar wel de krijtlijnen tekent waarbinnen de universiteiten zelf en in onderling overleg tot het optimaliseren van het maatschappelijk nuttig onderwijsaanbod kunnen komen.

Het verlenen van grotere autonomie aan de instellingen moet evenwel gepaard gaan met verscherpte aandacht voor twee grondvoorwaarden voor toekenning van overheidsmiddelen, te weten: kwaliteitszorg en verantwoording aangaande de besteding van de publieke middelen.

De Vlaamse universiteiten zijn vertrouwd geraakt met het uit Nederland afkomstige systeem van onderwijsvisitaties. In 1991 werd bij overgang gesteld dat binnen de tien jaar alle opleidingen gevisiteerd zouden zijn. Dat lijkt nu naar voltooiing te gaan. Tijd dus voor een kritische reflectie en conclusies. Een aantal vragen dringen zich op en ik leg ze u voor ter voorbereiding van een later debat. Ten eerste, hebben de visitaties en hun rapporten geleid tot een beter performerend academisch onderwijs? Of anders uitgedrukt: hebben de universiteiten ingespeeld op de aanbevelingen van de rapporten en zo ja, hoe? In tweede orde, moeten we ons afvragen of de aangehouden periodiciteit wel in verhouding staat tot de permanente kwaliteitszorg? En tenslotte, dienen wij niet na te gaan of er nog andere, en misschien betere, methoden van kwaliteitsbewaking voorhanden zijn ?

Het spreekt voor zich dat ook in het onderzoeksbeleid de kwaliteitsbewaking centraal moet staan. In de voorbije tien jaar hebben de betrokkenen daaraan reeds heel wat aandacht besteed, maar een reële systematiek is evenwel nog niet voorhanden. Het wordt dus de hoogste tijd dat we nadenken hoe de kwaliteitszorg nog sterker kan worden ingebouwd in de werking van de Onderzoeksraden en hoe de kwaliteitsbewaking van onderwijs en onderzoek onderling bevruchtend kunnen werken.

Mevrouw de Rector,
Mijnheer de Voorzitter,

U zal echter begrijpen dat ik vandaag, nog voor het neerleggen van mijn beleidsnota, niet in detail kan ingaan op alle mogelijke aspecten van het beleid dat ik wil voeren.

Ik heb u in het bijzonder toch nu al mijn bekommernis willen meedelen met
betrekking tot de optimalisering van het universitair aanbod en de
kwaliteitsbewaking.

Ook al valt in deze legislatuur enige budgettaire ruimte te verhopen, blijven de financiële middelen spijtig genoeg te schaars om aan alle noden te voldoen. Ik ben mij inderdaad bewust van de soms moeilijke omstandigheden waarin de dagelijkse taken door de leden van de universitaire leefgemeenschap moeten worden uitgeoefend. Ook de sociale sector van de universiteiten kan nog steeds niet alle gerechtvaardigde behoeften van de studenten opvangen.

De terbeschikkingstelling van afdoende middelen voor het onderhoud en de uitbouw van een adequate infrastructuur, alsook het aanreiken van heden-daagse werkinstrumenten, teneinde een aangename werksfeer te bewerkstelligen zijn enkele van mijn grote bekommernissen.

Ik ben vandaag tevreden u te kunnen melden dat in de begroting 2000 een
budgettaire herschikking is ingeschreven waarbij meer middelen worden toegekend aan het Bijzonder Onderzoeksfonds.

De basisfinanciering van de universiteiten wordt structureel verhoogd met 200 miljoen frank en de investeringskredieten stijgen voor alle onderwijsniveaus, dus ook voor de universiteiten. Alle universiteiten samen beschikken dit jaar over ongeveer 670 miljoen frank. Dit bedrag wordt in 2000 met ongeveer 225 miljoen frank verhoogd. Dit moet toelaten om een gedeelte van de opgelopen achterstand qua infrastructuur in te halen.

De Regeringsverklaring heeft duidelijk de krijtlijnen vastgelegd van het innoverend onderwijsbeleid dat onze nieuwe bewindsploeg wil voeren. U heeft allemaal kunnen lezen dat er zeker voor het hoger onderwijs heel wat op het getouw staat. De bijzonder interessante contacten die ik inmiddels met de academisch wereld heb gehad, o.a. met rector Witte, hebben mij doen beseffen hoe boeiend, maar ook hoe complex de vervulling van mijn opdracht wordt. Ik wil de unieke kans die mij geboden wordt aangrijpen om een nieuw elan te geven aan de Vlaamse universiteiten. De universitaire structuur moet naar mijn gevoelen opnieuw worden versterkt opdat die ook in de 21ste eeuw de nodige waarborgen zou bieden voor een democratische, tolerante en performante samenleving, waarin het leven voor alle burgers kwaliteitsvol en veilig is.

Ik weet dat de VUB een bijzondere en belangrijke telg is in onze Vlaamse academische familie.
Deze instelling heeft er bij haar ontstaan voor gekozen om, als communicatiecentrum tussen vele overtuigingen in het hart van de Europese Unie, de Vlaamse vertegenwoordiging in Brussel te verankeren. Zij doet dit in een geest van verdraagzaamheid en vrij onderzoek. Zij draagt aldus waarden uit die in het kader van onze samenleving, essentieel zijn.

U hebt, Mevrouw de rector, meer bepaald in uw eigen wetenschappelijk onderzoek, gewezen op het bijzonder maatschappelijk belang van deze keuze; een keuze die echter onmiskenbaar als keerzijde van de medaille voor negatieve effecten op de financiering zorgt, vermits de VUB gelegen is in het Brussels Gewest en niet geniet van een aantal voordelen die de andere Vlaamse universiteiten worden aangereikt op grond van hun ligging.

De Vlaamse regering is er zich van bewust dat deze optie heeft geleid tot de uitbouw van een significant en met succes bekroond opvoedingsproject. Enkele discriminaties, die het gevolg zijn van de geografische ligging van deze instelling, worden best weggewerkt. Ik zal contact opnemen met de bevoegde Brusselse overheden -inzonderheid met mijn goede collega Annemie Neyts-, teneinde te onderzoeken hoe tot leniging van deze behoeften kan gekomen worden.

De VUB is een robuust schip in onze academische vloot geworden. Ik ben
ervan overtuigd dat U allen veilig de kaap van de milleniumwende zult overschrijden.

Mevrouw de Rector, wij beiden staan voor een belangrijke uitdaging, te weten mee vorm te geven aan een nieuw universitair landschap. U als voorzitter van de Vlaamse Interuniversitaire Raad, ik als minister van Onderwijs en Vorming. Twee vrouwen tegelijk in deze functies, schept een bijkomende uitdaging. Wij zijn het m.a.w. aan onszelf verplicht om deze uitdaging aan te gaan en tot een goed einde te brengen.

In naam van de Vlaamse regering en in mijn persoonlijke naam wens ik u een
boeiend en vruchtbaar academiejaar toe.
Dank U.

info : Nic Vandermarliere, woordvoerder van minister Vanderpoorten - tel. (02) 553 99 11 GSM 0477-296161

e-mail: persdienst.vanderpoorten@vlaanderen.be

Deel: ' Toespraak Vlaams minister onderwijs opening academiejaar '




Lees ook