Tweede Kamer der Staten Generaal


26690000.003 lijst van vragen en antwoorden bestrijding van seksueel m isbruik van kinderen

Gemaakt: 13-12-1999 tijd: 16:3


20


26690 Bestrijding van seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen

Nr. 3 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 8 december 1999

De vaste commissie voor Justitie 1) heeft over de nota Bestrijding van seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen (kamerstuk
26690, nrs. 1 en 2) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 6 december 1999 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgegdrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier voor deze lijst,

Nava

Vraag 1. In hoeverre heeft de toegenomen aandacht voor seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen ook te maken met de verslaglegging van deze zaken in de media?

Antwoord: Verslaglegging van deze zaken in de media draagt bij aan het zichtbaar maken van de aard en omvang van de problematiek en aan de versterking van het bewustzijn dat kinderen er recht op hebben om onbezorgd en zonder bedreiging van hun lichamelijke en geestelijke integriteit op te kunnen groeien. Vanuit dit toegenomen bewustzijn is de maatschappelijke verontwaardiging over en aandacht (zowel vanuit de samenleving als in de media) voor gevallen van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen verklaarbaar.

Vraag 2. Vanaf wanneer vindt er een gecoördineerd beleid plaats inzake bestrijding misbruik en geweld tegen kinderen, nu vast is komen te staan dat hier sprake is van een breed terrein?

Antwoord: Al sedert de jaren tachtig worden op diverse terreinen activiteiten ontplooid ter bestrijding van deze problematiek. Op specifieke onderdelen van het beleid (aanpak kindermishandeling, geweld tegen meisjes en vrouwen) vindt al geruime tijd samenwerking tussen de diverse betrokken departementen en uitvoerende organisaties plaats. Met de kabinetsnota heeft het kabinet een uitgebreid overzicht gegeven van de lopende en voorgenomen maatregelen en activiteiten ter bestrijding van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen. Het vervolgtraject van deze nota zal zijn gericht op het verder vergroten van eenheid in beleid en beleidsuitvoering op dit terrein. Dit zal gebeuren door uitvoering te geven aan een Nationaal Actieplan bestrijding seksueel misbruik van kinderen, dat momenteel wordt opgesteld.

Vraag 3. Welke landen hebben gekozen voor de brede aanpak van seksueel misbruik van kinderen? In hoeverre zijn er belemmeringen in de aanpak van het probleem, nu een aantal landen zich beperkt tot commerciële seksuele exploitatie van kinderen?

Antwoord: Dezerzijds is niet exact bekend welke van de 122 landen die in Stockholm aanwezig waren net als Nederland hebben gekozen voor een brede aanpak van het probleem. Overigens laten de verklaring en het actieplan van Stockholm landen vrij zelf de aanpak van hun voorkeur te kiezen. Veel activiteiten in de nationale actieplannen betreffen beleid, ook gericht op de aanpak van commerciële seksuele exploitatie van kinderen in de relationele sfeer. Veel van de maatregelen die in deze sfeer genomen worden dragen bij aan de aanpak van niet-commercieel misbruik in de relationele sfeer.

Vraag 4. Is bij het opstellen van de nota ook de problematiek van de pedofielen betrokken?

Antwoord: Ja. Zowel bij het schetsen van de achtergronden van de daders als bij de beschrijving van de lopende en voorgenomen maatregelen, zoals t.a.v. kinderpornografie op internet, kindersekstoerisme en voorkoming van recidive voor de TBS is deze problematiek betrokken. Daarnaast wordt in het vervolgtraject op de nota, het bij vraag 2 genoemde Nationaal Actieplan, uitgebreid aandacht besteed aan maatregelen met betrekking tot pedofielen die een zedendelict hebben begaan.

Vraag 5. Welke 20 landen hebben reeds een nationaal actieplan gepresenteerd? Welke landen zullen dat voor 2000 nog halen?

Antwoord: De internationale ngo ECPAT (End Child Prostitution, Child Pornography and Trafficking of Children for Sexual Purposes) inventariseert jaarlijks de follow-up van het Wereldcongres tegen commerciële seksuele exploitatie van kinderen gehouden in 1996 in Stockholm. In september 1999 heeft ECPAT-international hierover voor de derde keer een rapport uitgebracht, "A step forward". Naar blijkt uit dit rapport hadden, op het moment van opstellen van het rapport, de volgende landen een nationaal actieplan opgesteld: Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Noorwegen, Zweden, Italië, Portugal, Kroatië, Israël, Bangladesh, India, Nepal, Cambodja, El Salvador, Mexico, Colombia, Ethiopië en Mauritius. In de volgende landen is, volgens het rapport, een actieplan in ontwikkeling: Verenigd Koninkrijk, Finland, Zwitserland, Letland, Litouwen,Tsjechië, Roemenië, Filipijnen, Thailand, Pakistan, Taiwan, Vietnam, Solomon Eilanden, Australië, Nieuw-Zeeland, Papoea Nieuw-Guinea, Costa Rica, Dominicaanse Republiek, Nicaragua, Togo, Oeganda en Zuid-Afrika. Een aantal landen zal waarschijnlijk op korte termijn beginnen met het opstellen van een actieplan: Hongarije, Macedonië, Micronesië, Cook Eilanden, Samoa, Jamaica, Uruguay en Senegal. Ook Nederland is inmiddels gestart met het opstellen van een Nationaal Actieplan.

Vraag 6en 46: Bestaat er enig inzicht in de omvang van het verschijnsel virtuele kinderpornografie? Is er sprake van een toename van het aantreffen van virtuele kinderpornografie?

Antwoord: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen geheel getekende, geschilderde of op een andere wijze «kunstzinnig» vervaardigde afbeeldingen voorstellende kinderpornografie en foto's van kinderen, waarvan uiteindelijk door middel van computerprogramma's kinderpornografische afbeeldingen (foto's) worden gemaakt (in het vakjargon «morfing» geheten).

Van de «kunstzinnig» vervaardigde afbeeldingen is het in de meeste gevallen niet bekend of er kinderen in die situaties model hebben gestaan (en dus daadwerkelijk misbruikt zijn) of dat ze geheel aan de fantasie van de kunstenaar zijn ontsproten. Er zijn ook afbeeldingen bekend van bijvoorbeeld figuurtjes uit bekende «Disney-tekenfilms» voor kinderen, die in een (al of niet kinder-)pornografische setting zijn getekend en via het Internet worden verspreid. Tevens zijn er tekeningen bekend, voorstellende sado-masochistische situaties waarin kinderen zijn afgebeeld. Van dit soort «kunstzinnige uitingen» zijn zowel op het Internet als in boekvorm (veelal afkomstig uit Japan) vele voorbeelden bekend.

Ook van de door middel van computerprogramma's veranderde (gemorfde) foto's zijn meerdere voorbeelden bekend. Hiervoor zijn wel originele foto's van kinderen gebruikt die door middel van morfing (computerproces om foto's virtueel te veranderen) zijn veranderd in virtuele kinderpornografie. Soms worden hiervoor foto's gebruikt die gemaakt zijn op bijvoorbeeld nudistenstranden, maar er zijn ook virtuele kinderpornografische foto's bekend van kinderen uit bekende televisieseries of van kinderen uit gidsen van postorderbedrijven.

De computerprogramma's die in staat zijn om dergelijke veranderingen in bestaande foto's te maken, worden steeds geavanceerder en verfijnder, zodat het steeds moeilijker wordt om vast te stellen of het om een door middel van computerprogramma's vervaardigde/veranderde foto gaat, waarvoor een eerst niet-pornografische (niet strafbaar in de zin van artikel 240b Wetboek van Strafrecht) foto van een echt kind is gebruikt of dat het om een foto gaat van een misbruiksituatie zoals strafbaar gesteld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Soms kan dit wel worden vastgesteld doordat soms met de nodige expertise nog steeds te zien is dat de oorspronkelijke, niet strafbare foto wel bekend is.

Ook van deze vorm van virtuele kinderpornografie zijn meerdere voorbeelden bekend met name op het Internet. Er duiken ook met enige regelmaat nieuwe afbeeldingen op, soms aan de hand van op dat moment populaire televisieseries waarin kinderen acteren.

Of er sprake is van een toename is moeilijk vast te stellen, door de grote hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen die op het Internet voorhanden zijn en doordat het door de voortschrijdende techniek steeds moeilijker wordt om vast te stellen of het om virtuele (gemorfde) foto's gaat of echt opgenomen misbruiksituaties waarbij kinderen als slachtoffer betrokken zijn. Dit bemoeilijkt ook het verkrijgen van zicht op de omvang.

Vraag 7. Wat wordt precies bedoeld met sociale achterstandssituatie, temeer daar ook gesteld wordt dat seksueel misbruik in ieder gezin kan voorkomen?

Antwoord: Lang werd gedacht dat seksueel misbruik alleen voorkwam in zeer problematische gezinnen, behorend tot de lagere sociale klasse. De laatste tien jaar wordt duidelijk dat seksueel misbruik, en met name incest, in ieder gezin kan voorkomen. Onderzoek van dr. F. Lamers-Winkelman (VU) heeft aangetoond dat als er sprake is van (een vermoeden van) misbruik binnen het gezin, het gezin en ouders meer te kampen hebben met allerlei problemen. Deze gezinnen en kinderen hebben vaker eerder te maken gehad met hulpverlenings- en/of kinderbeschermingsinstellingen. Vaders van de binnen het gezin misbruikte kinderen hadden vaker geen betaald werk of werk op een lager beroepsniveau en een lager opleidingsniveau dan vaders van niet misbruikte kinderen. Ook de moeders hebben een lager beroepsniveau.

Vraag 8. Hoe vaak wordt jaarlijks aangifte gedaan van seksueel misbruik in niet-commerciële context? Hoe vaak betreft dit een aangifte van verscheidene kinderen in een gezin?

Antwoord: Er wordt in de statistieken niet vastgelegd of er bij een aangifte van seksueel misbruik sprake is van een commerciële context. De ervaring heeft geleerd dat dergelijke aangiften echter zelden voorkomen. Om een indruk te krijgen van het aantal aangiften in een niet-commerciële context kunnen we om die reden uitgaan van de CBS-gegevens over het totaal aangiften van seksueel misbruik. Dr. F. Lamers-Winkelman vermeldt in haar vorenvermeld literatuuronderzoek dat door veel onderzoekers wordt aangegeven dat seksueel misbruik vaak meerdere kinderen uit één gezin treft, onafhankelijk van de relatie tussen kinderenen en de pleger. Dit verschijnsel wordt `co-victimization' genoemd.

Vraag 9. Wat is het geschatte aantal kinderprostitué(e)s?

Antwoord: Het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch onderzoek (NISSO) heeft in oktober 1998 een rapport uitgebracht over de aard en omvang van (gedwongen) prostitutie onder minderjarige (allochtone) meisjes. Daaruit blijkt dat een gedegen inzicht in de omvang van jeugdprostitutie in Nederland slechts mondjesmaat aanwezig is. Het NISSO schat het aantal minderjarige (allochtone) meisjes in dit verband op een aantal tussen 500 en 1500. Inmiddels is een onderzoek, uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie, van start gegaan naar prostitutie onder allochtone jongens. Hierdoor zal meer zicht verkregen worden op aard en omvang van de jeugdprostitutie onder allochtone jongens.

Ter gelegenheid van tien jaar kinderrechten werd op 17 november een Zwartbrief verspreid door Terre des Hommes Nederland. Zij melden dat wereldwijd 10 miljoen kinderen onder de 17 jaar gedwongen worden tot prostitutie.

Vraag 10. Is inmiddels het probleem van registratie ten aanzien van jeugdprostitutie opgelost?

Antwoord: Voor de problematiek van kinderprostitutie zal altijd sprake zijn van een zogenoemd dark number. Dikwijls wordt van gedwongen prostitutie geen aangifte gedaan of wordt deze weer ingetrokken. Uit onderzoek is verder gebleken dat slachtoffers in eerste instantie steun zoeken bij naaste familie en/of vrienden.

De verbetering van de registratie binnen de politie, hulpverlening en tussen hulpverlening en politie is een actiepunt van het Nationaal Actieplan aanpak seksueel misbruik van kinderen.

Vraag 11. Kan een reactie gegeven worden op het onderzoek van Terre des Hommes inzake het onder valse voorwendselen naar o.a. Nederland lokken van jonge meisjes, die uiteindelijk in de prostitutie werken?

Antwoord: Er heeft inmiddels een eerste oriënterend overleg met Terre des Hommes over het rapport plaatsgevonden. Door het Ministerie van Buitenlandse zaken wordt onderzoek verricht naar de beweringen van Terre des Hommes over ten onrechte afgegeven visa door de ambassade in Lagos.

Conform de brief van de Minister van Buitenlandse zaken aan de Tweede Kamer d.d. 25 oktober 1999 (kamerstuk 26106, nr. 2), zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek en de maatregelen die de Minister van Buitenlandse Zaken heeft getroffen. Tevens heeft de Staatssecretaris van Justitie u bij brief van 13 oktober 1999 een reactie naar aanleiding van het rapport van Terre des Hommes toegezonden. Deze brief is in afschrift bij deze antwoorden gevoegd. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.

Vraag 12. Is bij het opstellen van het onderdeel achtergronden plegers seksueel misbruik ook gebruik gemaakt van de kennis van mevr. C. Hutsebaut, criminologe?

Antwoord: Bij het opstellen van de kabinetsnota zijn de beschikbare tijd en capaciteit gebruikt om een integrale weergave te maken van het huidige en voorgenomen beleid en een aanzet te geven voor het Nationaal Actieplan.

Daarvoor is gebruik gemaakt van alle informatie(rapporten, literatuur etc.) die met betrekking tot dit onderwerp binnen de betrokken departementen voorhanden is. Voor het stuk «achtergronden plegers seksueel misbruik» is mede gebruik gemaakt van het rapport «Kinderporno en Kinderprostitutie in Nederland» dat is geschreven door de Landelijke Werkgroep Bestrijding Kinderprostitutie en Kinderpornografie. In deze werkgroep had een aantal gerenommeerde wetenschappers zitting, waaronder de heren J. Doek, J. Frenken, en de dames F. Lamers-Winkelman en De Savornin Lohman. Het vervolgtraject op de nota voorziet in een Nationaal Actieplan dat in concept voor commentaar ook voorgelegd zal worden aan een aantal vertegenwoordigers van de wetenschap.

Vraag 13. Waar is de mythe over genezing van AIDS door seks met jonge meisjes vastgesteld? Bestaat een beeld van de herkomst van deze mythe?

Antwoord: Met name in zuidelijk Afrika bestaat de mythe dat AIDS genezen wordt door seks te hebben met een maagd. Zowel in Zambia, Zimbabwe, Nigeria als in Zuid-Afrika hebben AIDS-onderzoekers deze trend gesignaleerd. Uit onderzoek van de Universiteit van Durban blijkt dat in de Zuidafrikaanse provincie KwaZulu Natal alleen al dagelijks vijf verkrachtingszaken van meisjes onder de acht jaar voor de rechtbank komen.

Het werkelijke probleem ligt in het taboe dat in Afrika heerst op het praten over seksualiteit in het algemeen en AIDS in het bijzonder.

Vraag 14 en 17. Hoe wordt invulling gegeven aan het geven van voorlichting over strafbaarheid van seksueel misbruik en de gevolgen voor het kind en op welke wijze wordt de projecten, die gericht zijn op preventie, inhoud gegeven? Gebeurt een en ander in het kader van schoolactiviteiten?

Antwoord: In het kader van (basis)schoollessen wordt inhoud gegeven aan waarden en normen op het gebied van zeden door middel van de Marietje Kessels-projecten. De Marietje Kessels-projecten zijn preventieve projecten met als doel het vergroten van de weerbaarheid bij kinderen op de basisschool in situaties waarin sprake is van (seksueel) machtsmisbruik jegens henzelf of jegens andere kinderen. In de projecten wordt seksespecifiek gewerkt. Voor zowel de jongens- als de meisjesgroepen is er aandacht voor mentale en fysieke weerbaarheid en voor grensoverschrijdend gedrag van henzelf. Het verhogen van de weerbaarheid is onmisbaar in de strijd tegen huiselijk en seksueel geweld. Onderzoek heeft aangetoond dat verzet helpt: in 50% van de gevallen stopt het geweld, terwijl het in 30% van de gevallen vermindert. De bedoeling is om nieuwe vaardigheden aan te leren. Zo verandert hun gedrag tegenover andere kinderen en worden ze weerbaar ten opzichte van volwassenen. De ouders worden betrokken bij de inhoud van de lessen, zodat er ook thuis over gepraat kan worden.

Binnenkort verschijnt het Handboek Marietje Kessels-projecten, dat de methodieken beschrijft en cursusmateriaal bevat om de mentale en fysieke assertiviteit van kinderen te vergroten. Het laat zien wat in de praktijk tegen seksueel geweld gedaan kan worden.

Voorts is het Platform Marietje Kessels-projecten opgericht: dit is een samenwerkingsproject dat een bijdrage gaat leveren aan beleids-, werk-, product- en methodiekontwikkeling van Marietje Kessels-projecten (en sterk vergelijkbare projecten) in Nederland.

Voorts heeft het Ministerie van OC&W als streefdoel gesteld dat iedere school een preventiebeleid heeft ten aanzien van seksuele intimidatie, waarvan de activiteiten zijn geïntegreerd in de lessen en de leerlingbegeleiding. Dit streven is in de kerndoelen van de basisscholen en van het voortgezet onderwijs vastgelegd. Op basis van deze kerndoelen zijn basisscholen verplicht aandacht te besteden aan sociale weerbaarheid. In het voortgezet onderwijs, onder andere op basis van kerndoel 14 lichamelijke opvoeding, moeten lessen rond seksuele intimidatie in het curriculum opgenomen zijn.

Het Project Preventie Seksuele Intimidatie (PPSI) wordt in opdracht van het Ministerie van OC&W door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum(APS) uitgevoerd, om scholen te helpen een actief beleid te voeren tegen seksueel misbruik.

Vraag 15. Betekent het feit dat 78% van de bij Bureau Vertrouwensartsen gemelde gevallen van seksueel misbruik van een jongen tussen de 6 en 18 jaar betreft dat 22% van de misbruikte jongens jonger is dan 6 jaar? Zo nee, hoe ziet die groep er dan wel uit?

Antwoord: De meldingen van seksueel misbruik bij het Bureau Vertrouwensartsen worden onderverdeeld in vier leeftijdsgroepen: van 0 tot en met 5 jaar, van 6 tot en met 11 jaar, van 12 tot en met 17 jaar en 18 jaar en ouder. Het aantal meldingen over seksueel misbruikte jongens onder de 6 jaar verschilt per jaar: in 1991 18% van de meldingen, in 1992 16%, in
1993 18 % en in 1994 betreft 15% van meldingen seksueel misbruikte jongens onder de 6 jaar.

Vraag 16. Waarom bevindt de bestrijding van seksueel geweld zich nog in een proces van ontwikkeling?

Antwoord: De aandacht voor dit onderwerp in de media is de afgelopen jaren toegenomen. Tevens wordt er vanuit overheidswege veel aandacht besteed aan maatregelen op het terrein van opsporing, repressie, hulpverlening en deskundigheidsbevordering op het gebied van seksueel geweld. Ook bij onderzoekers is sinds een aantal jaar belangstelling voor de problematiek rond seksueel misbruik van kinderen gegroeid. Door al deze toegenomen aandacht wordt meer bekend over aard en omvang, over slachtoffers en daders en over effectiviteit van beleid en wetgeving en daarmee ook over lacunes in de bestaande maatregelen, het bestaande onderzoek, de huidige deskundigheid bij betrokkenen en het bestaande beleid. Dit betekent dat het beleid omtrent de bestrijding van seksueel geweld zich voortdurend verder ontwikkelt onder invloed van wat er meer bekend wordt op dit gebied.

Vraag 17 gevoegd bij 14

Vraag 18. Hoe wordt vergroting van de deskundigheid van en samenwerking tussen professionals in de hulpverlening, scholen en politie bewerkstelligd?

Antwoord: In het plan van aanpak Werkwijze Vertrouwensinspecteurs, dat de onderwijsinspectie voorbereidt op de nieuwe taken sinds de inwerkingtreding van de Wet bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs (28 juli 1999, Staatsblad 313), is speciale aandacht voor additionele scholingsbehoefte opgenomen. Er zijn al twee werkconferenties georganiseerd, dit zal worden voortgezet. Binnen deze werkconferenties wordt veel aandacht besteed aan de samenwerking met andere instituties. Er wordt o.a. gewerkt aan een relevant netwerk van vertrouwensinspecteurs met de Kinderbescherming, Bureau Slachtofferhulp, reclasseringsinstellingen, instellingen voor jeugdzorg en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg. Tevens zijn er inmiddels contacten tussen de Rechercheschool en de inspectie om er zorg voor te dragen dat de werkwijzen op elkaar aan te sluiten.

Door deze nieuwe wetgeving, waarin de meldingsplicht van het personeel is geregeld, worden scholen gestimuleerd om vertrouwenspersonen buiten de school te zoeken, bijvoorbeeld vanuit de GGD of de jeugdhulpverlening. Dit geeft ook een impuls aan de deskundigheid van en samenwerking tussen scholen en jeugdhulpverlening.

Vraag 19. Hoe zal educatie ter ontwikkeling van normen en waarden rond seksueel misbruik vorm worden gegeven? (Zie ook het antwoord bij vraag
14 en 17)

Antwoord: De eerste twee kerndoelen voor de basisvorming zijn: «het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden» en «het onderkennen van en omgaan met de overeenkomsten en verschillen tussen de seksen. Hiermee wordt het belang van de ontwikkeling van normen en waarden rond seksueel misbruik in de scholen gemarkeerd. Het onderwijs is echter zo georganiseerd dat de verantwoordelijkheid om hieraan invulling te geven bij de scholen zelf ligt.

Het opstellen van gedragscodes ten aanzien van seksuele intimidatie is voor een school o.a. een manier om dit vorm te geven. In deze gedragscodes geeft de school naar de leerlingen en het personeel aan wat normale omgangsvormen zijn. In de klas kan hier bijvoorbeeld aandacht aan worden gegeven. Zo wordt aan jongeren duidelijk gemaakt hoe er met elkaar om moet worden gegaan. Het Ministerie van OC&W stimuleert scholen om gedragscodes op te stellen. Het eerdergenoemde PPSI (project preventie seksuele intimidatie, project binnen het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, APS) ondersteunt scholen bij de invulling ervan.

Vraag 20 en 21. Zijn er beleidsvoornemens die prioriteit geven aan de versterking van het hulpaanbod voor kinderen? Kan de regering nader ingaan op het feit dat in de praktijk blijkt dat zowel de capaciteit als de deskundigheid binnen de jeugdhulpverlening absoluut ontoereikend is voor hulpverlening van jeugdige slachtoffers van seksueel geweld (bijvoorbeeld op het tekort aan kinderpsychiaters en andere specialisten op het gebied van seksueel geweld in de jeugdhulpverlening)?

Antwoord: De hulp aan jeugdige slachtoffers van seksueel geweld is niet het exclusieve domein van de jeugdhulpverlening. Met name in de jeugd-GGZ maar ook in de jeugdbescherming vindt dergelijke hulpverlening plaats. Om de toeleiding naar de hulpverlening te verbeteren vindt een forse investering plaats in de jeugdzorg, zowel gericht op de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, de Bureaus Jeugdzorg als op het rendement en de capaciteit. De komende jaren stelt het Kabinet rechtstreeks gericht op de jeugdzorg daarvoor 110 miljoen structureel beschikbaar. Via het convenant arbeidsmarkt zet het Kabinet in op verhoging van de aantrekkelijkheid van de sector. Vraag 22: Heeft vanaf het opstarten van preventief jeugdbeleid de bestrijding van seksueel misbruik een belangrijke rol gespeeld? Antwoord: In het kader van preventief jeugdbeleid is in het bijzonder op het punt van vroegtijdige signalering en onderkenning een adequaat en afgestemd netwerk van basisvoorzieningen van het grootste belang. Voorzieningen als consultatiebureaus, peuterspeelzalen, kinderopvang, GGD's, schoolartsen, onderwijs en sociaal-cultureel werk komen met nagenoeg alle jonge kinderen in een buurt in aanraking en kunnen een samenhangend beleid voeren gericht op signalering en onderkenning van seksueel misbruik en geweld tegen kinderen. In het kader van het programma Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering (O & O) zijn twee innovatietrajecten van start gegaan - Communities That Care en O&O op wijkniveau - gericht op kinderen en gezinnen in achterstandswijken. Beoogd resultaat van deze trajecten is een (of meerdere) breed inzetbaar plan(nen) van aanpak voor wijk- en probleemanalyse, waarbij alle aspecten van inhoud, processturing, implementatie en professionele ontwikkeling worden meegenomen. Het vroegtijdig signaleren van seksueel misbruik van kinderen is een onderdeel van deze aanpak. Vraag 23 In welke gevallen hebben slachtoffers van seksueel misbruik geen behoefte aan hulpverlening op maat? Hoe kan de benodigde specialistische kennis in de hulpverlening volgens de regering worden verdiept en uitgebreid? Op welke terreinen bestaat een tekort aan deze kennis? Is daarbij ook sprake van regionale lacunes? Is de regering van mening dat ook familieleden of anderen in de naaste omgeving van het slachtoffer behoefte hebben aan hulpverlening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de regering om met die behoefte? Antwoord: Over de prevalentie van hulpverlening aan slachtoffers bij seksuele kindermishandeling binnen het gezin bestaan geen harde cijfers. Gezinnen vormen complexe netwerken van afhankelijkheidsrelaties. Seksueel misbruik binnen gezinsrelaties leidt tot ernstige en vaak langdurige gevolgen voor alle gezinsleden. Voor herstel van vertrouwen van de slachtoffers in hun directe leefomgeving is hulpverlening aan alle betrokkenen noodzakelijk, inclusief aan de pleger van het misbruik. De vraag vervolgens naar de mate waarin hulpverlening aan familieleden en anderen in de naaste omgeving van het slachtoffer hulp nodig is, kan van geval tot geval verschillend zijn. In de geestelijke gezondheidszorg waar veel van deze hulpverlening wordt uitgevoerd, is het gebruikelijk dat ook de naaste omgeving van het slachtoffer een hulpaanbod krijgt. Naast de hulpverlening die geboden wordt vanuit een vrijwillig kader kan ook civiel-en/of strafrechtelijk ingrijpen aan de orde zijn. De belangrijkste benaderingswijze in de hulpverlening die in Nederland wordt toegepast is die van het zogenoemde meersporenbeleid. Daarin wordt aan alle gezinsleden een eigen hulpverlener toegewezen. De laatste jaren zijn gespecialiseerde vormen van hulpverlening ontwikkeld. Voor slachtoffers is naast individuele hulp ook deelname aan gespreksgroepen mogelijk waar ervaringen kunnen worden uitgewisseld met lotgenoten. Dit groepsaanbod levert een belangrijke bijdrage aan versterking van het zelfbeeld en aan de ontwikkeling van sociale vaardigheden. Ook voor moeders van slachtoffers van seksueel misbruik bestaan sedert enige jaren vormen van individuele en groepshulpverlening. Ten behoeve van de hulpverlening aan plegers zijn naar Amerikaans voorbeeld veelal op gedragstherapeutische grondslag gebaseerde terugvalpreventieprogramma's ontwikkeld. Ook het voeren van gesprekken met meerder gezinsleden vormt onderdeel van het huidige aanbod. De laatste jaren wordt op enkele plaatsen de zogenoemde contextuele, gezinsgerichte benadering toegepast Daarin blijft de hulpverlening in handen van één instelling waardoor minder coördinatieproblemen optreden. De overheid subsidieert de verdere ontwikkeling en beschrijving van deze methodiek. De verdere ontwikkeling en verspreiding van specialistische diagnostiek gericht op het toeleiden van alle betrokkenen naar het juiste aanbod verdient nog bijzondere aandacht. Daarbij zijn enkele bijzondere groepen te benoemen, zoals misbruikte jongens, vrouwelijke plegers en (hele) jonge kinderen. Tevens is van belang dat nieuw ontwikkelde kennis binnen alle regio's voorhanden is. Vraag 24 Is er een sluitende aanpak van jeugdige daders die in een vroegtijdig stadium behandeld dienen te worden? Antwoord: Op dit moment staan er voor de jeugdige dader feitelijk 4 trajecten open: Een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming kan, in overleg met de Officier van Justitie, de jongere een leerstraf Seksualiteit bij de Rutgers Stichting laten volgen. Dit gebeurt meestal wanneer het «minder ernstige» zedendelicten betreft. Hier dient aangetekend te worden dat (jeugdige) zedendelinquenten (nog) geen HALT-straf of -afdoening kunnen krijgen. Jeugdigen van wie de aard van het delict of hun persoon aanleiding geven om hen een zogeheten «persoonlijkheidsonderzoek» te laten ondergaan. Jeugdigen die geen persoonlijkheidsonderzoek krijgen en geen leerstraf Seksualiteit bij de Rutgers Stichting, kunnen eventueel detentie opgelegd krijgen. Voor jongeren die buiten het strafrechtelijk circuit blijven kan het geïndiceerd zijn dat de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming zelf een onderzoek instelt. Het aantal zedendelicten en -delinquenten dat uiteindelijk bij de politie bekend wordt is tamelijk gering (ongeveer 10--15%). Ofschoon het een selecte groep is die bekend raakt bij de politie, is het wel een eerste mogelijkheid om die jongeren nader te onderzoeken. Als verdachten van een zedenmisdrijf worden minderjarigen op het politiebureau door een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming bezocht in het kader van vroeghulp en/of voorgeleiding. Binnenkort wordt een verkennend onderzoek naar jeugdige zedendelinquenten afgerond waarin de vraag centraal staat wie de jeugdige zedendelinquent is. Aan de hand van de uitkomsten en aanbevelingen van dit vooronderzoek wordt (onder meer) beslist of er aanleiding is tot een landelijk kwantitatief vervolgonderzoek. Een dergelijk grootschalig empirisch onderzoek kan onder meer een goede basis geven om in een later stadium het effect van behandelingsmethodieken na te gaan. Voorts kan vervolgonderzoek voorzien in onderbouwing van de behoefte aan de ontwikkeling van een screenings- en selectieinstrument (t.b.v. raadsonderzoekers en zedenrechercheurs). Aan de hand van dit instrument kan in relatief korte tijd een adequate beslissing worden genomen ten aanzien van een juiste verwijzing. In het bijzonder kan hierbij gedacht worden aan de vraag of een jongere, gezien de achterliggende problematiek, een taakstraf zou moeten krijgen, een ambulante behandeling meer voor de hand ligt of wellicht een intramurale behandeling geïndiceerd is. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen naar verwachting een bijdrage leveren aan een verdere ontwikkeling in de aanpak van jeugdige daders. Vraag 25. Hoeveel zedendelinquenten bevinden zich op dit moment in de TBS? Hoeveel van hen geldt als ongeneeslijk? Hoeveel van hen vallen al langer dan acht jaar onder de TBS? Antwoord: Op 1 januari '99 bedroeg de administratieve sterkte van de tbs-klinieken, inclusief personen op proefverlof, 1087 tbs gestelden. Van deze populatie betrof het in 297 gevallen (ruim 27%) personen met o.a. een seksueel delict. Van voornoemde doelgroep waren begin '99 circa 75 personen langer dan acht jaar intramuraal in verpleging. Van de populatie tbs gestelden van begin '80 blijkt ten tijde van een in het kader van de IBO-tbs gehouden cohort onderzoek nog gemiddeld circa 5% zich in de tbs-kliniek te bevinden. Daarvan mag worden verondersteld dat de kans op beëindiging van het intramurale verblijf steeds meer zal afnemen. Deze groep tbs-ers is te beschouwen als ongeneeslijk ziek. Vraag 26, 27 en 33: Zijn gegevens voorhanden over de afgelopen vijf jaar waaruit blijkt in hoeveel gevallen na het ondergaan van een tbs-maatregel van recidive is gebleken in gevallen van seksuele delicten tegen volwassenen respectievelijk kinderen? In hoeverre is het reëel te spreken van terugdringen van recidive als blijkt dat in 70% van de gevallen sprake is van het vervallen in de oude fout? Antwoord: Vanzelfsprekend is elk delict na een TBS er een teveel. Deze algemene recidive neemt blijkens het binnenkort te publiceren WODC-onderzoek de laatste jaren steeds verder af, en bedraagt nu (cohort '89-'93) 53%. Maar vanuit het oogpunt van maatschappijbeveiliging gaat het vooral om de recidive van `tbs-achtige' delicten , dat wil zeggen de ernstige (seksuele) geweldsdelicten. Het niveau van recidive bleef hier de laatste jaren stabiel (tussen de 15 en 20%), en bedraagt bij het cohort `89-`93 17%. Opvallend is de daling van de recidive met betrekking tot seksueel geweld, dat daalde van 2% (cohort `79-'83) tot 1% (`84-'88 en `89-'93). In dit laatste cohort, dat bestaat uit 924 personen, gaat het dus om 15 tbs-gestelden. De (recidive)cijfers bij seksueel geweld tegen kinderen laat over de genoemde jaren het volgende beeld zien:
2%, 1% en minder dan 1% (2 personen van de 924). Deze cijfers maken duidelijk dat de tbs-maatregel wel degelijk effectief is. Aan verdere verbetering wordt in het kader van de uitwerking van het kabinetsstandpunt IBO TBS gewerkt. De gevraagde gegevens over de laatste vijf jaar zijn niet onmiddellijk beschikbaar. Daarvoor is een afzonderlijke analyse van de cijfers nodig. Het WODC zal dit nagaan. De gevraagde informatie zal voor het eind van het jaar aan u worden gestuurd. Vraag 28. Is het wenselijk dat, gelet op het hoge percentage van veroordeelde pedoseksuelen die na hun straf opnieuw een soortgelijk misdrijf plegen, er al tijdens de detentieperiode een aangepast behandelcontract met zedendelinquenten wordt aangegaan? Antwoord: Ik ben voor het aanbieden van gedragsbeïnvloedende programma's aan pedoseksuelen die daarvan kunnen profiteren, zodat zij minder recidiveren. Dat kan door (pedo-)seksuele delinquenten een terugvalpreventieprogramma aan te bieden of ze op een dergelijk programma na vrijlating voor te bereiden en ze te motiveren tot deelname. Vraag 29 en 32. Zijn er aanwijzingen/gegevens voorhanden waaruit blijkt dat steeds meer valse of gedeeltelijk valse aangiften in zedenzaken voorkomen? Zo ja, heeft dit verschijnsel ook (in gelijke mate) betrekking op zaken betreffende kinderprostitutie? Antwoord: Valse en dubieuze beschuldigingen komen voor, maar er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat dit probleem toeneemt. Er is weinig bekend over valse beschuldigingen in relatie tot kinderprostitutie. Vraag 30. Zijn er gegevens voorhanden over de afgelopen vijf jaar waaruit blijkt in hoeveel gevallen in het kader van het zogenoemde vrijheden (verlof)beleid van seksuele delicten tegen volwassenen respectievelijk kinderen is gebleken? Antwoord: Over de periode '95 t/m '98 blijkt het aantal externe delicten, dat wil zeggen delicten gepleegd door patiënten buiten de inrichting en waarvoor proces verbaal is opgemaakt, vanuit een verlofsituatie 13 te bedragen. In zeven gevallen ging het om een delict vanuit een verlofsituatie, in twee gevallen vanuit woonverlof en in vier gevallen tijdens proefverlof. De differentiatie naar seksuele delicten is niet specifiek te maken voor voornoemde groep maar wel naar het totaal aantal externe delicten. In totaal hadden zeven delicten een seksuele component. In twee gevallen een seksuele component met een slachtoffer beneden 16 jaar, in twee gevallen met een slachtoffer 16 jaar of ouder en in drie gevallen betrof het de categorie `overig'. Over het lopende jaar kan worden gemeld dat in twee gevallen patiënten verdacht worden van een seksueel misdrijf. Vraag 31. Wordt er in het kader van de TBS-behandeling ook gewezen op de periode na de behandeling zoals monitoren en andere aspecten van het blijvend volgen? Hoe staat de regering tegenover het door de politiebond ACP voorgestelde dadervolgsysteem? Antwoord: Ja, de voorwaardelijke beëindiging volgt in veel gevallen op het proefverlof of wordt op advies van een inrichting daartoe besloten. In beide gevallen geldt, dat de kliniek zich ervan vergewist dat de betrokkene bereid is zich aan de voorwaarden te houden. Op dit moment houdt een werkgroep binnen het ministerie van Justitie zich bezig met de problematiek omtrent de informatieverstrekking over zedendelinquenten die na detentie of TBS terugkeren in de maatschappij. Alle aspecten die betrekking hebben op deze problematiek (ook die van een dadervolgsysteem) worden door de werkgroep in kaart gebracht. Ik zal voor het einde van dit jaar de Kamer hierover berichten. Vraag 32 gevoegd bij 29 Vraag 33 gevoegd bij
26 en 27 Vraag 34. In welke zin is de richtlijn de Beaufort gewijzigd? Antwoord: De richtlijn De Beaufort is geactualiseerd. Deze actualisering was nodig omdat een aantal bepalingen uit deze richtlijn inmiddels was opgenomen in (nieuwe) wetten en beleidsregels. Zo bestaan inmiddels de Wet Terwee (Staatsblad 1993, 29) en de bijbehorende Richtlijn slachtofferzorg (Stcrt. 1995, 65) waarin enkele voorschriften van de richtlijn De Beaufort zijn opgenomen. Daarnaast is er de richtlijn Voorlichting opsporing en vervolging (Stcrt. 1998,
17) die op punten overlap vertoont met de voorschriften uit de richtlijn De Beaufort. Daarbij is de richtlijn De Beaufort geschreven voor een politieorganisatie die bestond uit een korps Rijkspolitie en gemeentepolitiekorpsen terwijl na de reorganisatie de regionale politiekorpsen hun zedentaak op verschillende manieren hebben vormgegeven in de organisatie. Tenslotte wordt op enkele punten het algemeen belang van het opsporen van zedenmisdrijven meer aangezet. Van het opnemen in de richtlijn van beleidswijzigingen is derhalve geen sprake. Vraag 35.Op elk parket zal een zedenaanspreekofficier van justitie worden ingesteld. Welke deskundigheid en welke maatregelen zijn nodig in de politieorganisatie om deze zedenspecialisten hun werk te kunnen laten doen? Antwoord: De zedenaanspreekofficieren op de parketten vervullen een rol als vraagbaak voor collega-officieren en de politie, zowel waar het de behandeling van complexe zedenzaken betreft als in beleidsaangelegenheden. De zedenaanspreekofficieren zijn niet primair met de behandeling van zedenzaken belast, alhoewel dit in de praktijk soms wel gebeurt. Ongeveer de helft heeft de cursus zedelijkheidswetgeving bij de SSR gevolgd en het is de bedoeling om de nieuw benoemde zedenaanspreekofficieren te plaatsen op de cursus in maart 2000. Alle gespecialiseerde medewerkers bij de regionale politiekorpsen hebben de cursus zeden bij het Instituut voor Criminologische Beheersing en Recherchekunde (de rechercheschool) gevolgd, zoals voorgeschreven in de `aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties' van het College van procureurs-generaal. Vraag 36 en 52. Hoe verloopt de communicatie tussen het ministerie van Justitie en het meldpunt kinderporno nu? Hoeveel meldingen zijn er bij het meldpunt in 1998 en de eerste helft van 1999 binnengekomen, en hoeveel daarvan zijn reden geweest tot nader onderzoek door Justitie? Functioneert het meldpunt als vorm van zelfregulering naar tevredenheid? Zijn alle internetproviders voornemens om mee te werken om ongewenste starfbare afbeeldingen tegen te gaan? Op welke wijze zal dit worden gecontroleerd door politie en Justitie? Bestaat er reden voor overheidsregulering indien het meldpunt niet naar tevredenheid functioneert? Antwoord: De communicatie tussen het Meldpunt kinderpornografie en de politie vindt plaats door tussenkomst van de informatiecoördinator kinderporno/internet van de divisie CRI. De communicatie functioneert naar alle tevredenheid. Van 1 maart 1999 tot heden is in 40 gevallen door de CRI in samenwerking met de regionale politiekorpsen en het landelijk parket een nader onderzoek ingesteld. Hiervan bleken 25 gevallen onvoldoende aanknopingspunten te bieden voor verder recherche-onderzoek (omdat het bijvoorbeeld ging om materiaal dat vanuit het buitenland op het Internet was geplaatst of omdat er geen verdachte kon worden achterhaald). Er zijn 14 zaken bij de regionale politiekorpsen uitgezet. Dit betreft vier middelgrote onderzoeken en tien kleinschalige onderzoeken. Er is één zaak in bovenregionaal verband uitgezet. In de regel zijn internet-providers bereid mee te werken aan onderzoeken naar kinderpornografie op Internet. Met de Nederlandse Vereniging van Internet Providers (NLIP) zijn daarover afspraken gemaakt. Echter niet alle providers zijn aangesloten bij het NLIP. Zelfregulering is niet voldoende. Strafrechtelijke vervolging is noodzakelijk als sluitstuk op de te nemen maatregelen. Deze strafrechtelijke vervolging richt zich in eerste instantie op degene die het materiaal op het net heeft geplaatst, in bezit heeft of heeft verspreid. Het Meldpunt kinderpornografie fungeert als filter op alle binnenkomende meldingen. De medewerkers van het Meldpunt stellen vast of er sprake is van strafbaar gestelde kinderpornografie conform artikel 240b Wetboek van Strafrecht. Tevens stellen zij het land van herkomst van de verspreider vast. Indien er twijfel bestaat over strafbaarheid of herkomst wordt er overleg gepleegd met de divisie CRI. Indien er sprake is van Nederlandse betrokkenheid, doen zij aangifte bij de divisie CRI. Vraag 37 en Vraag 38 Wat zijn de resultaten van de in
1998 aangekondigde maatregelen tegen kinderpornografie? Hoe staat het met de toegezegde initiatieven om kinderpornografie op internet tegen te gaan? Antwoord: In de afgelopen kabinetsperiode zijn de nodige verbeteringen doorgevoerd in de aanpak van zedenzaken, meer in het bijzonder de bestrijding van kinderpornografie, door politie en Justitie. In aanvulling op hetgeen ik daarover in mijn antwoord op de vragen 36, 43 en 52 heb gezegd, wil ik nog op het volgende wijzen. Er is een substantiële uitbreiding van het aantal medewerkers bij de divisie CRI dat zich bezighoudt met zedencriminaliteit gerealiseerd: van vier mensen in 1996 naar veertien nu. Vijf daarvan zijn ingezet op het rechercheren van kinderporno. Bij alle arrondissementsparketten zijn zedenaanspreekofficieren aangesteld. Bij de behandeling van ernstige zedenaangiften geldt sinds kort een aantal aanvullende zorgvuldigheidsvereisten. Deze eisen zijn gedeeltelijk neergelegd in twee aanwijzingen van het College van procureurs-generaal die op 1 oktober j.l. in werking zijn getreden. De ene betreft de kwaliteit in de opsporing van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties, en de andere heeft betrekking op de bejegening en de opvang van slachtoffers van zedendelicten. Het project ABRIO is inmiddels begonnen met het beschrijven van werkprocessen kinderpornografie. Er vindt een geleidelijke invoering van het zogeheten VICLAS-systeem bij de korpsen plaats. Dit is een data-bank waarin gegevens die betrekking hebben op verkrachtingszaken en pedoseksuele misdrijven worden opgeslagen. Voordeel van dit systeem is dat zedenmisdrijven die door dezelfde dader worden gepleegd, aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Ook oude zaken die inmiddels zijn afgewikkeld worden in deze database opgenomen. Alle gegevens worden 30 jaar bewaard. Over de invoering van VICLAS zijn in 1998 met vier regionale politiekorpsen convenanten gesloten. Inmiddels werken negen regiokorpsen met dit systeem en zullen de overige korpsen spoedig volgen. Behalve in Nederland werken in Europa België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk met het systeem. Er is in het kader van het project `gemeenschappelijke voorziening aanpak kinderpornografie' gewerkt aan een prototype van een databank waarin kinderpornografisch materiaal wordt opgeslagen dat binnenkort bij de korpsen zal worden geïntroduceerd. Deze databank is zodanig opgezet dat het materiaal internationaal kan worden vergeleken. Zoals ik in de beantwoording op de vragen 36 en 52 heb aangegeven heeft de samenwerking met het Meldpunt kinderporno van de Internet serice-providers dit jaar geleid tot 15 opsporingsonderzoeken. Daarnaast surveilleert de politie ook zelf actief naar kinderpornografie op Internet en is er een bovenregionaal team geformeerd dat haar voorbereidende werkzaamheden inmiddels heeft afgerond. Vraag 39. In hoeverre is wetswijziging nodig voor het daadwerkelijk inhoud geven aan het blijvend volgen van uitbehandelde pedoseksuelen? Kan binnen de huidige wetgeving een recidiverende pedoseksueel blijvend -dus levenslang -opgesloten worden voor behandeling? Antwoord: Voor zover hier wordt gedoeld op het volgen vanuit justitieel verband geldt het volgende. Hieraan voorafgaand wil ik opmerken dat begeleiding van pedoseksuelen natuurlijk ook door de reguliere instanties kan geschieden, bijvoorbeeld die op het terrein van de (geestelijke) gezondheidszorg zoals de Riagg's. Ten aanzien van een pedoseksuele dader kan de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging worden opgelegd, mits aan de criteria van het bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens is voldaan. De TBS met bevel tot verpleging kan indien deze is opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen de lichamelijke integriteit, waarvan in deze gevallen sprake is, telkens met de periode van één of twee jaar door de rechter worden verlengd, indien het gevaar dat de betrokkene vormt voor de maatschappij een dergelijke verlenging vordert. In zoverre is het dus wettelijke mogelijk om een recidiverende pedoseksueel die blijvend delictgevaarlijk is zo nodig levenslang uit de maatschappij te weren. De maatregel van TBS met bevel tot verpleging is evenwel gericht op zodanige behandeling dat de betrokkene geen gevaar meer vormt voor de samenleving. Om de terugkeer naar de maatschappij na behandeling in een TBS-inrichting zo goed mogelijk te laten verlopen (waardoor de kans op recidive zo klein mogelijk wordt) wordt in de tenuitvoerlegging van de maatregel gewerkt met het verlenen van toenemende vrijheden. Tijdens de intramurale behandeling geschiedt dit door eerst in de inrichting en vervolgens ook daarbuiten meer vrijheden toe te kennen. Buiten de inrichting geschiedt dit door verlening van verlof, welke varieert van begeleid verlof naar meerdaags onbegeleid verlof. De fase die daarna volgt is die van het proefverlof. In deze fase verblijft de ter beschikking gestelde niet meer in de TBS-inrichting maar in de vrije samenleving dan wel in een voorziening van de geestelijke gezondheidzorg (bijvoorbeeld een psychiatrisch ziekenhuis). De duur van het proefverlof is niet aan wettelijke grenzen verbonden. Ook tijdens proefverlof wordt de TBS zo nodig telkens door de rechter verlengd. De rechter heeft de mogelijkheid de verpleging onder het stellen van voorwaarden te beëindigen. Een dergelijke situatie kan maximaal drie jaren duren. Tijdens deze periode staat de veroordeelde in ieder geval onder toezicht van de reclassering en dient hij zich overigens aan de voorwaarden hem opgelegd door de rechter te houden. De wet kent deze mogelijkheid sinds 1997. In het kader van de evaluatie van de wetgeving wordt bezien of deze periode voldoende lang is. De mogelijkheden na oplegging van een gevangenisstraf aan een pedoseksueel zijn beperkter. Indien een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd is de duur van het toezicht na de detentie beperkt tot de proeftijd die aan het voorwaardelijk opgelegde deel is verbonden. Deze kan maximaal drie jaar duren. Zoals tijdens de behandeling van de Justitie-begroting onlangs aan de orde is geweest zal in het kader van het project Heroriëntatie Sanctiestelsel nader aandacht worden besteedt aan de herziening van de regeling van de vervroegde invrijheidstelling. In dat kader wordt de mogelijkheden voor een verruiming van de mate van toezicht na een periode van detentie verder besproken. In het voorjaar van 2000 zal de Tweede Kamer een beleidsnota hierover worden toegezonden. Zowel na tbs als na gevangenisstraf kan `blijvend volgen' alleen na wetswijziging. Een pedoseksueel die onverminderd delictgevaarlijk is ondanks de behandeling tijdens de tbs kan `levenslang' worden opgesloten wanneer de rechter de tbs met verpleging steeds verlengt. Vraag 40. Hoe vaak is DNA-onderzoek bij zedenmisdrijven toegepast en in hoeveel gevallen heeft dit onderzoek bij misdrijven geleid tot een oplossing van de zaak. Antwoord: Voor een volledige beantwoording van de vraag in hoeveel gevallen DNA-onderzoek bij zedenmisdrijven is toegepast en vervolgens heeft geleid tot een oplossing van de zaak zou een dossier-onderzoek dienen te worden uitegvoerd dat bij een inzet van twee onderzoekers enkele maanden in beslag zou nemen. Om toch een betrouwbaar beeld te kunnen geven heb ik er voor gekozen om over de periode tussen 1 januari 1998 en 20 september 1998 steekproefsgewijs onderzoek te doen aan de hand van de rapporten die bij het Nationaal Forensisch Instituut voorhanden zijn. Over genoemde periode zijn 185 onderzoeksaanvragen voor DNA-onderzoek in een zedenzaak bezien. In al deze zaken was een verdachte bekend. In 68 zaken kon door middel van DNA-onderzoek een verdachte worden aangewezen als mogelijke dader. In
25 gevallen kon een verdachte worden uitgesloten. In de overige zaken werden geen biologische sporen aangetroffen, was er geen referentiemateriaal van de verdachte beschikbaar, werd er geen DNA-profiel uit de biologische sporen verkregen of kon geen uitsluitsel gegeven worden. Dit betekent dat in 93 van de onderzochte zaken waarin én een geschikt biologisch spoor én referentiemateriaal van de verdachte aanwezig was, in 73% een mogelijke dader kon worden aangewezen en in 27% een verdachte kon worden uitgesloten. Vraag 41. Hoe gaan de ons omringende landen (bijv. de andere landen van de Europese Unie) om met het genoemde ILO-verdrag? Zullen zij het verdrag ook ratificeren? Antwoord: De Europese Unie heeft sinds de totstandkoming van ILO-Conventie 182 in juni 1999 bij meerdere gelegenheden landen opgeroepen tot een spoedige ratificatie van het verdrag, recentelijk bijvoorbeeld nog in de EU-interventie over de rechten van het kind in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te New York. Het spreekt dan ook voor zich dat de EU-landen zich elk afzonderlijk inzetten om het verdrag zo spoedig mogelijk te ratificeren. Alle EU landen, maar ook de VS, Canada en EER landen zijn bezig het verdrag te ratificeren. In een aantal landen vergt dit aanpassing van de wet, waardoor het ratificatieproces mogelijk enkele jaren in beslag gaat nemen. Vraag 42. In welke zin zal kinderen met behulp van muismatten geleerd worden verantwoord met Internet om te gaan? Antwoord: Het betreft hier een initiatief van ECPAT-Nederland. ECPAT-Nederland wil een muismat voor scholen in het primair onderwijs verspreiden waarop een aantal tips en waarschuwingen zijn afgedrukt over onvriendelijke en onaangename ervaringen die mogelijk zijn bij internetgebruik. Een muismat is tijdens het internetgebruik `bij de hand', waaroor deze wijze van presenteren effectief lijkt. ECPAT-Nederland heeft ondersteuning gevraagd van het Ministerie van OCenW bij de verspreiding van de muismatten onder scholen. De invoering ervan zal te zijner tijd plaatsvinden in de relatie met de verdere computervoorzieningen in het primair onderwijs. Vraag 43 Hoe zal de gemeenschappelijke voorziening vorm krijgen? Hoe zal deze voorziening in relatie tot de CRI staan? Antwoord: Het project Gemeenschappelijke Voorziening Aanpak Kinderporno (GVAK) ondersteunt en versterkt de aanpak van kinderpornografie door de regionale politiekorpsen en de arrondissementsparketten van het openbaar ministerie. De GVAK zal de volgende zaken gaan realiseren: Gemeenschappelijke databank Internetsurveillance en -recherche Interregionaal netwerk van experts Bovenregionaal team waarin alle relevante disciplines vertegenwoordigd zijn Interregionaal aanspreekpunt Het begeleiden van een aantal bovenregionale onderzoeken Evaluaties en procesbeschrijvingen in het kader van het project ABRIO De realisatie van deze functies vindt binnen de projectduur plaats, doch de implementatie in de bestaande structuren komt in een later stadium tot stand. De divisie CRI participeert in de GVAK en heeft twee medewerkers aan het project beschikbaar gesteld. Deze medewerkers zijn verantwoordelijk voor het realiseren van internetsurveillance en -recherche en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke databank. De `aanwijzing kinderpornografie' van het College van procureurs-generaal (Stcrt 1998, nr. 209) vermeldt de rol van de divisie CRI met betrekking tot kinderpornografie en de daarmee samenhangende informatievoorziening. Vraag 44. Hoe vaak komen er aangiften voor waarbij sprake is van hervonden herinneringen, herinneringen van voor de derde verjaardag of ritueel misbruik? Hoe zal de deskundigenpool worden samengesteld? Op grond van welke criteria zullen de leden worden aangezocht? Hoe wordt de kwaliteit van de pool bewaakt? Antwoord: Volgens een schatting van de werkgroep die de `aanwijzing opsporing seksueel misbruik in
afhankelijkheidsrelaties' van het College van procureurs-generaal heeft voorbereid, zou het per jaar om 15 à 20 zaken gaan. De deskundigenpool heeft vorm gekregen in de Landelijke expertisegroep bijzondere zedenzaken, en bestaat uit drie hoofdgroepen van deskundigen: (1) klinisch psychologen, psychiaters en pedagogen, (2) psychologen die gespecialiseerd zijn in de psychologische functieleer (waarneming, geheugen), en (3) ervaren zedenrechercheurs. Voorts is aan de expertisegroep een gedragskundige toegevoegd van het Korps landelijke politiediensten. De leden van de expertisegroep zijn afkomstig uit de wetenschappelijke wereld of kunnen bogen op uitgebreide praktijkervaring in het beoordelen van zedenzaken. Per zaak wordt een adviesgroep samengesteld die bestaat uit vier personen: drie deskundigen uit de drie verschillende hoofdgroepen en de gedragskundige die verantwoordelijk is voor het concipiëren van het adviesrapport. Er is een coördinatiepunt in het leven geroepen dat is ondergebracht bij het Korps landelijke politiediensten. Dit is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van expertise (onder andere literatuurstudie en analyse van behandelde zaken), het concipiëren van adviesrapporten en het opstellen van een jaarverslag waarin verantwoording wordt afgelegd aan het College van procureurs-generaal. Jaarlijks organiseert het coördinatiepunt een werkconferentie waarop alle behandelde zaken de revue passeren en conclusies worden getrokken voor de toekomst. Door deze werkwijze (ontwikkelen expertise, jaarlijkse rapportage, werkconferenties) kan de kwaliteit van de Landelijke expertisegroep bijzondere zedenzaken worden gewaarborgd. Vraag 45. Wanneer wordt inhoud gegeven aan de toezegging van de regering legislatieve voornemens te verbinden aan het betreffende arrest van de Hoge Raad? Antwoord: Het voorstel tot wijziging van artikel 240b Sr. naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 21 april 1998, NJ 782 zal worden opgenomen in een wetsvoorstel dat ertoe strekt uitvoering te geven aan de legislatieve voornemens die in de nota zijn aangekondigd. Het streven is erop gericht om dit wetsvoorstel in het voorjaar van 2000 bij de Raad van State aanhangig te doen maken.

Vraag 46 gevoegd bij 6

Vraag 47. Kan de regering toelichten waarom het verstandiger is met betrekking tot de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie de internationale ontwikkelingen af te wachten? Op welke termijn verwacht de regering dat internationale afspraken hieromtrent gemaakt kunnen worden? Welke maatregelen worden in de tussentijd genomen, nu vaststaat dat het nodig is ook op te treden tegen kinderporno op Internet?

Antwoord: In het kader van de Raad van Europa wordt onderhandeld over een Convention on Crime in Cyberspace. De Verenigde Staten en Canada zijn bij deze onderhandelingen betrokken. Eén van de voorstellen die ter tafel ligt is ook te voorzien in strafbaarstelling van realistische uitbeeldingen van kinderporno zelfs wanneer vaststaat dat daarbij niet een echt kind is betrokken (zogenoemde virtuele kinderporno). Distributie van virtuele kinderporno vindt ook plaats via het Internet. Gelet op het internationale karakter van het Internet is het wenselijk dat er in internationaal verband consensus bestaat over de strafbaarstelling en de aanpak van virtuele kinderporno. Daarom verdient het aanbeveling de internationale ontwikkelingen af te wachten. Het is de bedoeling dat een ontwerp van de hoger genoemde conventie eind 2001 gereed komt. In de tussentijd is strafrechtelijk optreden tegen kinderporno (op Internet) mogelijk, indien daarbij een echt kind is betrokken dan wel indien er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrokkenheid van een echt kind. Mocht in dergelijke gevallen toch sprake zijn van virtuele kinderporno, dan ligt het op de weg van de verdachte deze twijfel aannemelijk te maken.

Vraag 48: Hoe zou meer overeenstemming in internationaal verband over de reikwijdte en beschermingsomvang van de strafwetgeving inzake seksueel misbruik van kinderen moeten blijken? Wanneer is volgens de regering sprake van voldoende overeenstemming om de dubbele strafbaarheid bij dit soort delicten te laten vervallen? Hoe kan de regering een bijdrage leveren aan grotere internationale overeenstemming? Is zij daartoe bereid?

Antwoord: Gevraagd wordt of de regering bereid is in internationaal verband te bevorderen dat het vereiste van dubbele strafbaarheid wordt geschrapt bij seksueel misbruik van kinderen.

Vooropgesteld zij dat het geen zin heeft deze eis eenzijdig, in Nederland, te schrappen. Voor een succesvolle vervolging van Nederlanders die in het buitenland een dergelijk feit hebben begaan, zijn we immers afhankelijk van de medewerking van het betrokken land. Dat land zal weinig animo hebben om mee te werken aan de bewijsgaring als het betrokken feit volgens zijn eigen wetgeving niet strafbaar is.

Waar het dus op aan komt is dat seksueel misbruik met kinderen in alle landen strafbaar wordt gesteld. Daartoe wordt in internationaal verband gewerkt aan een verplichting voor staten om dergelijke feiten strafbaar te stellen. Ik wijs onder andere op de onderhandelingen in het kader van de Verenigde Naties over een protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind over handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderporno. Bij deze onderhandelingen neemt Nederland een duidelijk standpunt in ten faveure van een strafbaarstellingsverplichting.

Vraag 49. Kan de veiligheid in het onderwijs ten aanzien van preventie van seksueel misbruikt niet ook aanmerkelijk verbeterd worden als scholen serieus werk maken van het vragen van een verklaring van goed gedrag van leerkrachten? Is de regering bereid steekproefsgewijs te onderzoeken hoe serieus daarmee wordt omgegaan? Hoe vaak komt het voor dat voor seksuele intimidatie of misbruik veroordeelde leerkrachten op een andere school weer aan de slag kunnen? Houdt het lerarentekort geen extra risico's in, omdat scholen eerder geneigd zullen zijn iemand aan te nemen? Hoe vaak worden jaarlijks leraren door de rechter de lesbevoegdheid ontnomen als straf voor seksueel misbruik? Stijgt of daalt dit aantal? Voor hoe lang worden leraren gemiddeld uit de lesbevoegdheid gezet?

Antwoord: In de onderwijsregelgeving is vastgelegd dat een leraar uitsluitend mag worden benoemd als hij in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar. De inspectie houdt toezicht op dit voorschrift dat tevens als bekostigingsvoorwaarde is geformuleerd. Een school die hiermee in strijd handelt, loopt een risico dat het salaris van de desbetreffende leraar niet wordt vergoed. Er is dus alle reden om aan te nemen dat een school hier serieus mee omgaat.

Inmiddels is wetgeving in voorbereiding om de geldigheidstermijn te verkorten tot zes maanden; het instrument wint hierdoor aan waarde.

Een leraar die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, zal onder de huidige wetgeving in beginsel geen verklaring omtrent het gedrag kunnen krijgen. Een dergelijke leraar kan dus niet op een andere school aan de slag. Het lerarentekort houdt geen extra risico in, omdat
-zoals gezegd- het bezit van een recente verklaring omtrent het gedrag een benoemingsvereiste. Over het ontnemen van lesbevoegdheid door een rechter zijn geen specifieke gegevens voor handen.

Vraag 50. Op welke wijze wordt de totstandkoming van wetgeving bevorderd waarin seksueel misbruik waarbij uitsluitend het kind seksuele handelingen pleegt, strafbaar wordt gesteld?

Antwoord: Het aangekondigde voorstel tot strafbaarstelling van (de exploitatie van) seksueel misbruik waarbij uitsluitend het kind seksuele handelingen pleegt, zal worden neergelegd in het reeds genoemde wetsvoorstel ter uitvoering van een aantal legislatieve voornemens uit de nota.

Vraag 51. Is de informatie juist dat de reisdoelen van (kinder)sekstoeristen verlegd worden van bijvoorbeeld Thailand, Sri Lanka, Brazilië en Indonesië naar bijvoorbeeld landen als Tsjechië, Roemenië en Bulgarije? Zo ja, welke betekenis komt in het kader van de bestrijding toe aan het feit dat landen lid van de Raad van Europa zijn?

Antwoord: Mede door meer voorlichting aan reizigers en aandacht voor het probleem van kindersekstoeristen in m.n. Azië, is er inderdaad een verschuiving waarneembaar van kindersekstoerisme naar Oost-Europa.

Binnen de Raad van Europa wordt op verschillende manieren de aanpak van seksuele exploitatie van kinderen vormgegeven.

Speciale vermelding verdient artikel 7.10 van het Europees Sociaal Handvest waarin staten worden opgeroepen in te staan voor speciale bescherming van kinderen tegen fysieke en morele gevaren waaraan zij blootstaan. Het verdragscomité van onafhankelijke experts heeft deze paragraaf zo uitgelegd dat hieronder ook seksuele mishandeling van kinderen valt. Landen dienen nu ook hierover aan het Comité te rapporteren.

Tevens verdient vermelding richtlijn No. 91(11) van de Raad van Europa inzake sexuele exploitatie van kinderen, kinderpornografie, kinderprostitutie en kinderhandel. Lidstaten hebben in 1998 gerapporteerd over de uitvoering van deze richtlijn tijdens een regionale follow-up bijeenkomst van het Wereldcongres in Stockholm.

Vraag 52 bij 36

Vraag 53. Is Nederland lid van de Interpol-werkgroep?

Antwoord: Nederland is lid van de Interpolwerkgroep «Interpol specialists group on crimes against children» vanaf de start daarvan in 1992. In deze werkgroep wordt informatie uitgewisseld over handel in kinderen, vermiste kinderen, seksueel misbruik en kinderpornografie. Nederland wordt vertegenwoordigd door medewerkers van de divisie CRI.

Vraag 54: Op welke wijze zal de projectgroep Nationaal Actieplan rapporteren over de noodzakelijke regie en coördinatie?

Antwoord: Het Nationaal Actieplan aanpak seksueel misbruik van kinderen dat in voorbereiding is voorziet in de ontwikkeling van een monitoringinstrument. Van tijd tot tijd zal zicht op de voortgang van de uitvoering van dit plan verkregen moeten worden. De projectgroep zal over de bevindingen met betrekking tot de voortgang te zijner tijd rapporteren. Ik ben bereid de uitkomsten van deze bevindingen aan de Kamer toe te sturen.


1) Samenstelling:

Leden

Van de Camp (CDA)

Biesheuvel (CDA)

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Scheltema-de Nie (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Zijlstra (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Middel (PvdA)

Van Heemst (PvdA), voorzitter

Dittrich (D66), ondervoorzitter

Rabbae (GL)

Rouvoet (RPF)

Van Oven (PvdA)

O.P.G. Vos (VVD)

Van Wijmen (CDA)

Patijn (VVD)

De Wit (SP)

Ross-van Dorp (CDA)

Niederer (VVD)

Nicolaï (VVD)

Halsema (GL)

Weekers (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Wijn (CDA)

Brood (VVD)

Plv. leden

Balkenende (CDA)

Verhagen (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Van Vliet (D66)

Arib (PvdA)

Duijkers (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Barth (PvdA)

Hoekema (D66)

Karimi (GL)

Schutte (GPV)

Santi (PvdA)

Van den Doel (VVD)

Rietkerk (CDA)

Rijpstra (VVD)

Marijnissen (SP)

Buijs (CDA)

Van Baalen (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Oedayraj Singh Varma (GL)

De Vries (VVD)

Van Walsem (D66)

Eurlings (CDA)

Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Tweede Kamer bestrijding van seksueel misbruik van kinderen '




Lees ook