Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de voorzitter van de Vaste Commissie

van Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer

der Staten Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

Hoofddirectie Personeel en Organisatie

Afdeling Beleid en Ontwikkeling / Arbeidsvoorwaarden en rechtspositie (HDPO/BO/AR)

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 24 januari 2000
Kenmerk HDPO/BO/AR-u1173/99
Blad /5
Bijlage(n) -
Betreft uw brief d.d. 17 december 1999 / buza 98/99

Zeer geachte voorzitter,

In antwoord op uw brief van 17 december 1999, kenmerk Buza 98/99, waarin u mij vraagt om nadere schriftelijke informatie omtrent de stand van zaken in de zaak Boerland, bericht ik u als volgt.

Ik sluit bij de beantwoording van uw vraag aan bij mijn eerdere beantwoording van de vragen gesteld op 7 januari 1999 en beantwoord op
1 februari 1999 (Aanhangsel van de Handelingen, 1998-1999, pag. 1421).

In de antwoorden op genoemde kamervragen is door mij aangegeven dat door de heer Boerland talloze procedures jegens het ministerie zijn aangespannen. Dat is onveranderd het geval. Het betreft hier steeds bestuursrechtelijke procedures. Sedert januari 1999 is het aantal procedures nog gegroeid. De procedures hebben betrekking op aspecten van de (afwikkeling van) de ambtelijke rechtspositionele verhouding met de heer Boerland, kwesties die samenhangen met het misdrijf waarvan de echtgenote van de heer Boerland het slachtoffer is geworden en de Wet openbaarheid van bestuur. In een aantal van deze procedures zijn vooral vragen van formele aard aan de orde, zoals de vraag of bepaalde brieven al dan niet besluiten of bezwaren in de zin van de Algemene wet bestuursrecht bevatten en de vraag of fictieve weigeringen om te beslissen op bezwaren aanwezig zijn. Procedures lopenop dit moment in de bezwaarfase alsmede ten overstaan van de Arrondissementsrechtbank Roermond (sector bestuursrecht), de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State.

Zoals aangegeven in mijn beantwoording van de kamervragen op 1 februari 1999 heb ik mij beraden op de vraag of het schikkingsvoorstel, dat eind 1998 aan de heer Boerland was gedaan en door hem van de hand gewezen, al dan niet zou moeten worden herhaald. Ik heb aangegeven daarbij alle inhoudelijke en juridische aspecten op hun merites te willen bezien.

In de context van dit nadere beraad is de heer Boerland -door middel van een brief van de landsadvocaat aan zijn raadsman- uitgenodigd zijn actuele financiële aanspraken, voorzien van een juridische en financiële onderbouwing, in te dienen. De reden daarvoor was dat eerdere financiële claims niet dermate eenduidig en geordend van aard waren dat de aanspraken helder waren. Aan het verzoek de aanspraken te onderbouwen, is noch door de heer Boerland noch door zijn raadsman gevolg gegeven.

Aangezien de verzochte opstelling van financiële aanspraken van de zijde van de heer Boerland niet werd gegeven, is vervolgens op basis van de correspondentie gewisseld sedert 25 november 1997, bezien welke verzoeken om vergoeding van gestelde schade door de heer Boerland zijn gedaan. Deze datum is tot uitgangspunt genomen omdat dat het moment is waarop eerder overleg over een minnelijke regeling was gestart. Onder meer op basis van dat overleg heeft de heer Boerland in de loop van de tijd een aantal concrete claims op tafel gelegd.

Het gaat om de kosten van overplaatsingen tussen 1986 en 1992, een belasting claim, een studiefonds voor de kinderen van de heer Boerland, kosten van juridische bijstand, telefoonkosten en porti alsmede reiskosten die de heer Boerland heeft moeten maken in verband met een bezwaarprocedure bij de Informatie beheergroep en immaterile schadevergoeding (smartengeld) op diverse gronden.

Ik heb mij op deze claims beraden en bij besluit van 27 juli 1999 de formele aansprakelijkheid voor schade, die de heer Boerland stelt te hebben geleden, van de hand gewezen. Mijn afwijzende beslissing van 27 juli 1999 in deze is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De bezwarenprocedure is inmiddels doorlopen en heeft, na advisering door de Commissie van Bezwaar DBZ, geleid tot een beslissing op bezwaar van 14 december
1999, waarbij mijn eerdere besluit is gehandhaafd. De heer Boerland kan tegen dit besluit beroep aantekenen bij de rechtbank Roermond.

Mijn afwijzing van aansprakelijkheid is, in de brief van 27 juli 1999, gepaard gegaan met een herhaling van mijn aanbod aan de heer Boerland een regeling in der minne te treffen.

Bij besluit van 17 februari 1999 was inmiddels binnen het ministerie een algemene regeling tot stand gekomen met betrekking tot uitkeringen bij overlijden of blijvende invaliditeit, verband houdende met een dienstreis of plaatsing op een post (het Besluit uitkeringen ongevallen). Bij overlijden van de partner van een ambtenaar voorzover dit het gevolg is van risico's en omstandigheden die samenhangen met plaatsing op een bepaalde post, welke omstandigheden zich in geval van plaatsing in Nederland niet of in beduidend mindere mate voordoen, wordt op grond van deze regeling een bedrag van f 100.000 netto toegekend. De regels van dit besluit werken terug tot 1 januari 1998. Hoewel de heer Boerland formeel niet valt onder de reikwijdte van dit besluit heb ik hem toch een uitkering aangeboden analoog aan de uitkering die hem zou toekomen indien hij wel onder dit besluit zou vallen.

Ik heb in dit verband het aanbod zoals dat eerder aan de heer Boerland is gedaan herhaald. Dat betekent dat hem naast genoemd bedrag (opnieuw) vergoeding van kosten van rechtsbijstand gemaakt in procedures tegen het ministerie en een loopbaanadvies door een extern bureau zijn aangeboden.

Ik ben tot dit aanbod bereid geweest op basis van de navolgende overwegingen: de situatie waarin de heer Boerland verkeert is die bedoeld in eerdergenoemd besluit met betrekking tot uitkeringen bij overlijden of blijvende invaliditeit, verband houdende met een dienstreis of plaatsing op een post. De gevolgen van het overlijden van zijn echtgenote ten gevolge van een misdrijf zijn voor de heer Boerland en zijn gezin zeer ingrijpend geweest. De gedachtevorming over de vraag hoe op dit soort diep ingrijpende gebeurtenissen gereageerd behoort te worden van de zijde van mijn ministerie als ambtelijk werkgever is geëvolueerd, hetgeen heeft geleid tot het tot stand komen van genoemd Besluit uitkeringen ongevallen. Juist met het oog op het tot stand brengen van een minnelijke regeling, ben ik daarnaast ook bereid geweest de hierboven genoemde kosten van rechtsbijstand en loopbaanadvies te vergoeden.

Aan het aanbod was de voorwaarde van beëindiging van alle gerechtelijke procedures gekoppeld. De heer Boerland heeft bij brief van zijn raadsman van 31 augustus 1999 dit aanbod van de hand gewezen met de niet nader geadstrueerde mededeling dat het volstrekt onvoldoende zou zijn.

Gelet op het verhandelde in de bezwaarfase met betrekking tot mijn besluit van 27juli 1999 zou de heer Boerland mijn aanbod alsnog kunnen accepteren, indien hij dat wenst. In dat geval zou hij de aanhangige procedures moeten intrekken en afzien van verder procederen over het besluit van 27 juli 1999. De diverse schriftelijke en publieke uitlatingen van de heer Boerland nadien laten een wisselend beeld zien over zijn eisenpakket. In recente processtukken heeft de heer Boerland mijn aanbod zelfs als doorkruising van een goede procesorde en als een poging tot omkoping gekwalificeerd.

Inmiddels heb ik op 13 december 1999 een persoonlijk onderhoud met de heer Boerland gehad. Dat heeft er niet toe geleid dat alsnog een minnelijke regeling tot stand is gekomen. Hetgeen tijdens het onderhoud is besproken, geeft mij vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat in dit stadium alsnog een oplossing in der minne mogelijk is. De heer Boerland meent dat het moet komen tot onafhankelijke schadevaststelling. Daaraan vooraf behoort echter een vaststelling van aansprakelijk-heid te gaan. Ik heb in mijn besluit van 27 juli 1999 gemotiveerd uiteengezet waarom ik meen jegens de heer Boerland niet tot vergoeding van schade gehouden te zijn. Met mijn besluit van 27 juli 1999 en de beslissing op bezwaar terzake van 14 september 1999 is, zoals hierboven reeds aangegeven, voor de heer Boerland de weg naar de onafhankelijke bestuursrechter geopend, terzake van zowel de aansprakelijkheid als -indien van aansprakelijkheid sprake zou zijn- de omvang van de schade.

De in de beantwoording van de kamervragen gesteld op 7 januari 1999 en beantwoord op 1 februari 1999, genoemde expertmissie naar Jamaica, die ten doel had een zo objectief mogelijk verslag te verkrijgen dat een proces-verbaal van het onderzoek naar het misdrijf zou kunnen vervangen, heeft inmiddels plaatsgevonden. De heer J. Klijnsmit (inspecteur van politie en hoofd DCRI groep Antillen) heeft in april
1999 een bezoek aan de Jamaicaanse politie gebracht. Hem is toegezegd dat de Jamaicaanse autoriteiten een samenvattend verslag van het politieonderzoek zouden maken. Onder meer werd hem te kennen gegeven dat het betrokken dossier op Jamaica als afgesloten werd beschouwd. De heer Klijnsmit heeft op 16 april 1999 schriftelijk gerapporteerd over zijn bevindingen. De heer Boerland beschikt over een kopie van deze rapportage.

Mijn in februari 1999 uitgesproken hoop dat het dossier op dit punt, met een verslag uit Jamaica gesloten zou kunnen worden is nog geen werkelijkheid geworden. De toegezegde samenvatting van het Jamaicaanse politieonderzoek is nog niet ontvangen. Wel is in nadere contacten naar voren gekomen dat het onderzoek toch nog niet geheel afgesloten zou zijn. Bij de Jamaicaans politie en regeringsautoriteiten is herhaaldelijk mondeling en schriftelijk gerappelleerd, laatstelijk op
2 december 1999, echter vooralsnog zonder resultaat. De heer Klijnsmitheeft inmiddels in december 1999 opnieuw een bezoek aan de Jamaicaanse politie gebracht. Bij die gelegenheid is hem opnieuw verzekerd dat een rapportage nog zal volgen.

De heer Boerland heeft in het gesprek dat ik op 13 december met hem voerde ook opnieuw gevraagd om een proces-verbaal van de moord. Ik heb hem gezegd dat al veel gedaan is om een proces-verbaal te verkrijgen. Ik heb hem toegezegd nog eens een beroep te zullen doen op de Jamaicaanse overheid maar geen resultaat te kunnen garanderen. Ik blijf mij inzetten voor het verkrijgen van een proces-verbaal althans meer informatie over het verloop van het onderzoek.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Deel: ' Tweede Kamer over stand van zaken in de zaak Boerland '




Lees ook