Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.404 toelating van houtverduurzamingsmiddelen
Gemaakt: 23-12-1999 tijd: 12:

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


22 december 1999

Hierbij zend ik u, mede namens de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken, de antwoorden op de vragen, gesteld door de leden van uw Kamer Udo (VVD), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA) en Van Dijke (RPF) over de toelating van houtverduurzamingsmiddelen (2990000780).

De beantwoording van de vragen ziet tevens op de uitvoering van de motie van de leden van uw Kamer Udo (VVD) en Feenstra (PvdA) (TK
1999-2000, 26800 XI, nr. 47), welke op 16 december jl. is aanvaard.

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers


5

Antwoorden op de vragen van de leden Udo (VVD), Schoenmakers (PvdA), Eisses-Timmerman (CDA) en van Dijke (RPF) aan de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken over de toelating van houtverduurzamingsmiddelen.


2990000780


1.

Heeft het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen besloten om per 1 januari a.s. nagenoeg alle toepassingen van koperbevattende houtverduurzamingsmiddelen in te trekken? Zijn de economische gevolgen van deze gevolgen voorzien in de bedrijfseffectentoets, die, zoals aangegeven in het Beleidsplan Niet-Landbouwbestrijdingsmiddelen moet zijn uitgevoerd voorafgaand aan de invoering van het BMNL (Besluit Milieutoelatingseisen Niet Landbouwbestrijdingsmiddelen in juli 1998)?


1.

Ja.

In artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (BMW) zijn de criteria neergelegd die bepalend zijn voor de toelating van een bestrijdingsmiddel. Het criterium 'economische gevolgen' komt daar niet in voor. Het Besluit milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (Bmnl) geeft een nadere uitwerking van een van die criteria, te weten dat het bestrijdingsmiddel geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het milieu.


2.

Sorteren de verbodsmaatregelen van het CTB alleen effect als die vergezeld gaan van importverboden om het vermeende milieunadeel te voorkomen? Hoe verhouden zich deze importmaatregelen met de beginselen van het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Unie.


2.

Ja. Voor het tot stand brengen van nationale regelgeving is met name artikel 28 (ex artikel 30) van het EG-verdrag van belang. Dit artikel verbiedt onder meer maatregelen met gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen. Het importverbod voor met koperverbindingen verduurzaamd hout is een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 28 (ex artikel
30). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen acht bij afwezigheid van een EG-regeling een nationale maatregel echter verenigbaar met het verbod van artikel 28, ondanks een mogelijk handelsbelemmerend effect van die maatregel, indien daarmee onder meer belangen van milieu en volksgezondheid worden beschermd die voorrang behoren te krijgen op de eisen van het vrije verkeer van goederen. Daarvoor moeten die belangen van voldoende gewicht zijn.

Voorwaarden zijn verder dat de maatregel geen onderscheid maakt tussen nationale en ingevoerde producten en dat de regeling voor de behartiging van de betrokken belangen noodzakelijk is en niet onevenredig belastend.

Het voorgestelde importverbod voldoet aan deze voorwaarden. Buitenlandse bedrijven worden niet anders behandeld dan Nederlandse bedrijven. Het importverbod geldt immers in gelijke mate voor al het met koperverbindingen verduurzaamde hout ongeacht de herkomst.

Of en in hoeverre de hiervoor beschreven opvatting, die ook in de nota van toelichting is opgenomen, door de Europese Commissie en de EU-lidstaten wordt gedeeld, zal naar aanleiding van de notificatie van het ontwerpbesluit uit de door hen eventueel gegeven reacties kunnen blijken.


3.

Voorziet het BMNL niet in een afweging van nut en risico, terwijl de Europese Biocidenrichtlijn (98/8/EG) - die voor 14 mei volgend jaar in de Nederlandse regelgeving moet zijn geïmplementeerd - de voordelen van het gebruik wel in de afweging betrekt? Acht u een dergelijke belangenafweging wenselijk en, zo ja, hoe vindt die dan op dit moment plaats.


3.

De BMW voorziet op dit moment niet in een afweging tussen nut en risico. Bij de implementatie van de biociden richtlijn in de BMW wordt het begrip 'voordelen van het gebruik van het biocide' toegevoegd. De definitie van dit begrip is echter op Europees niveau nog niet uitgewerkt. Die uitwerking zal echter alleen binnen de reikwijdte van deze harmonisatierichtlijn kunnen blijven. Aan die richtlijn ligt evenmin een beoordeling van de economische gevolgen ten grondslag. Tot nu toe zijn in dit verband ter illustratie alleen voordelen voor de volksgezondheid aangehaald.


4.

Heeft de Inspectie Milieu Hygiëne in 1996 bij haar handhavingsonderzoek vastgelegd dat de sector houtverduurzaming de afspraken uit 1992 met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer inzake het milieuverantwoord maken van het productieproces goed is nagekomen? Hoe kan deze tientallen miljoenen guldens kostende operatie rendabel worden als aan deze sector de noodzakelijke houtverduurzamingsmiddelen worden ontnomen?


4.

Ja, de Inspectie Milieu Hygiëne heeft geconcludeerd dat het Werkprogramma milieumaatregelen bij Houtimpregneerbedrijven (1992) door het merendeel van de bedrijven op een goede wijze is uitgevoerd.

De houtverduurzamingsindustrie mag in Nederland alleen gebruik maken van houtverduurzamingsmiddelen die op grond van de BMW zijn toegelaten. De toelating van een aantal koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen wordt nu beperkt, omdat deze leiden tot onaanvaardbare milieu-effecten. Hiervoor zijn de betreffende middelen getoetst aan het Bmnl dat in 1998 tot stand is gekomen. Vóór 1998 ontbraken voor biociden in het kader van de toelating nadere regels met betrekking tot milieu. Het Bmnl is mede naar aanleiding van de aandacht van de Kamer voor verduurzaamd hout (en dan met name gewolmaniseerd hout) tot stand gekomen. Tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van VROM voor 1997 is een motie van het kamerlid Vos aangenomen. Deze motie betreft onder andere een verzoek aan de regering om die maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om op zo kort mogelijke termijn aan de toepassing van arseenhoudende wolmanzouten een einde te maken (TK 1996-1997,
25000 XI, nr. 25)


5.

Welke alternatieve bestrijdingsmiddelen zijn er per 1 januari beschikbaar? Wat zijn hiervan dan de financieel economische effecten voor het bedrijfsleven?


5.

Voor het verduurzamen van hout voor toepassingen in water of grond zijn geen alternatieve bestrijdingsmiddelen beschikbaar. Wel zijn voor deze toepassingen alternatieven beschikbaar die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen. Enerzijds bestaan die uit andere materialen, anderzijds uit hout dat geen verduurzaming behoeft of op een andere wijze (niet met bestrijdingsmiddelen) verduurzaamd hout.


6.

Bent u bereid de CTB-besluiten in zoverre te heroverwegen, dat, indien een importverbod moet worden afgekondigd om de vermeende negatieve effecten in Nederland te voorkomen, de datum van invoering van de beperking c.q. beëindiging van de in het geding zijnde toelatingen zal samenvallen met het finale EU-besluit over de notificatie van zo'n importverbod? Bent u bereid tot heroverweging van de CTB-besluiten indien zou blijken dat een importverbod niet de instemming van de Europese Commissie krijgt?


6.

Op 16 december jl. is de motie van de leden Udo en Feenstra aanvaard. Met deze motie is verzocht de besluitvorming omtrent houtverduurzaming af te stemmen op de implementatiedatum van de biociden richtlijn en derhalve de CTB besluiten niet per 1-1-2000 te laten ingaan. Ter uitvoering van deze motie zal ik, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretarissen van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, bij wijze van bijzondere voorziening bij ministeriële regeling bepalen dat de koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen mogen worden gebruikt tot 14 mei 2000. Het voorstel van wet dat strekt tot wijziging van de BMW ter zake van de implementatie van de biociden richtlijn. Dit wetsvoorstel zal u zo spoedig mogelijk in het nieuwe jaar worden voorgelegd.

Het besluit om de toelating van koperhoudende
houtverduurzamingsmiddelen te beperken is genomen na toetsing aan het Bmnl. Geconstateerd is dat deze middelen leiden tot onaanvaardbare milieu-effecten. Dit is mijns inziens een juiste toetsing. Wat betreft de instemming van de Commissie ter zake van het importverbod merk ik op dat de criteria in het Bmnl rechtstreeks voortvloeien uit de biociden richtlijn. Ik ben derhalve voorshands niet van mening dat het importverbod de toets van de Europese Commissie niet zal doorstaan.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Tweede Kamer toelating van houtverduurzamingsmiddelen '




Lees ook