Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.117 brief sts def nederlandse toetreding tot het materieelage ntschap occar

Gemaakt: 13-12-1999 tijd: 13:46

Aan de voorzitter van de vaste commissie voor defensie


8 december 1999

Onderwerp

De Nederlandse toetreding tot het materieelagentschap Occar.

Hierbij bied ik u aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld door de Vaste Commissie voor Defensie over de brief van 3 juni 1999 inzake de toetreding van Nederland tot het materieelagentschap Occar (Kamerstuk 26 636, nr. 1). Voor zover antwoorden de beleidsterreinen van de ministers van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Financiën betreffen, zijn deze interdepartementaal afgestemd.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

H.A.L. van Hoof


1.

Per project zal een afweging gemaakt worden tussen verwerving van een bestaand project of deelneming aan een internationaal ontwikkelingsproject. In hoeverre is ons land nog vrij in het maken van een keuze als is toegetreden tot Occar? Zeker als er binnen Occar een bepaald product is of wordt ontwikkeld en Nederland desondanks toch kiest voor een vergelijkbaar product dat in een niet Occar land wordt geproduceerd? (blz. 1)


7.

Werkt lidmaatschap van Occar en het streven naar een zogenaamde «global balance» als het gaat om werkverdeling/compensatie niet in de hand dat in de praktijk nauwelijks nog alternatieven buiten Occar serieus zullen worden bekeken? (blz. 2)


8.

Voor elk materieelproject in Occar zal een afzonderlijke overeenkomst worden afgesloten. Zodoende kan steeds op nationaal niveau een afweging worden gemaakt. Zal participatie in Occar geen belemmering zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel inzake de beste wijze van verwerving?

Occar moet vooral worden gezien als een waardevolle aanvulling op de instrumenten die Defensie kan hanteren om in haar materieelbehoefte te voorzien. De Nederlandse toetreding tot Occar en het op termijn realiseren van een «global balance» hebben op zichzelf geen invloed op het defensiematerieelkeuzeproces. Om de zorgvuldigheid van het politieke besluitvormingsproces te waarborgen, blijft namelijk de vigerende regelgeving, met name het defensiematerieelkeuze proces (DMP), onverminderd van kracht. Per project zal altijd een verantwoorde afweging worden gemaakt tussen «kopen van de plank» of deelneming aan een internationaal ontwikkelingsproject. Gaat de voorkeur uit naar deelneming aan de ontwikkeling van materieel, dan zal Defensie de inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven actief bevorderen. Dit kan op basis van het uitgangspunt dat het werkaandeel overeenkomt met het aandeel van ons land in de kosten of, zoals in Occar, met het oog op een evenwicht op langere termijn.


2.

Welke materieelprojecten vallen onder Occar of gaan er waarschijnlijk onder vallen? (blz. 1)


37.

Welke multinationale materieelprojecten zijn op dit moment bij Occar ondergebracht of zullen hier binnenkort worden ondergebracht? (algemeen)

De volgende multinationale programma´s zijn bij Occar ondergebracht. De deelnemende landen zijn per project genoemd.

Project

Deelnemende landen

TIGER (inclusief TRIGAT LR)

gevechtshelicopter

Frankrijk en Duitsland

MILAN

anti-tankwapen

Frankrijk en Duitsland

HOT

anti-tankwapen

Frankrijk en Duitsland

ROLAND

luchtverdedigingssysteem

Frankrijk en Duitsland

COBRA

anti-artillerie radar

Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk

FSAF

grond-lucht raketsysteem

Frankrijk en Italië

Voorts zal op korte termijn worden besloten of twee andere programma´s ook bij Occar worden ondergebracht. Het gaat om het GTK/MRAV-programma van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en het Trigat-MR-programma, waarvoor Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk een «Memorandum of Understanding» (MoU) hebben getekend. Nederland zal op korte termijn een besluit nemen over deelneming aan het GTK-project, dat tevens als «toegangsbewijs» zal gelden. Over (voortzetting van) de deelneming aan het Trigat-project moet zowel België als Nederland nog een besluit nemen.


3.

In de Verklaring van Maastricht is het voornemen tot de vorming van een Europees materieelagentschap opgenomen. Duitsland, Italië, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben vooruitlopend hierop Occar opgericht. Doelstelling van Occar is te komen tot clustervorming van Europese defensiebedrijven. Deze clustering is van belang voor de ontwikkeling van een sterke, concurrentiekrachtige Europese defensietechnologie en industrie. Kan aangegeven worden wat de positie van de Europese Unie tot dit initiatief is ? Zijn er naast Nederland nog andere landen in de Europese Unie die geïnteresseerd zijn in toetreding tot Occar? Zo ja, welke landen zijn dat en wat voor initiatieven heeft Nederland ontplooid met deze landen om bijvoorbeeld tot een gezamenlijke aansluiting te komen? Indien niet, waarom zijn deze initiatieven achterwege gelaten? (blz. 2)

De vorming van een Europees materieelagentschap (EEA) is tot dusver vooral aan de orde geweest in Weu-kader, met name in de «Western European Armaments Group» (Weag). Thans wordt bezien of de Weag, evenals de Weu, zou moeten opgaan in de EU. Er is hoe dan ook sprake van veelvuldige contacten tussen de EU en de Weag. Tijdens de toekomstdiscussie in de ministeriële Weag-vergadering op 22 november jongstleden heb ik gepleit voor de totstandkoming van een integraal beeld, waarin ook andere Europese initiatieven op het gebied van materieelsamenwerking zullen worden bezien (Weag, Weao, Occar en het «zeslanden-initiatief»). Ook heb ik met het oog op de voortgaande herstructurering van de Europese defensie-industrie de noodzaak onderstreept van het behoud van concurrentiemogelijkheden.

Occar is opgericht mede uit onvrede over de trage voortgang in de Weag. Vooralsnog is er geen formeel verband tussen Occar - dat zelf rechtspersoonlijkheid heeft - en de Weag/EU. Succesvolle samenwerking in Occar kan wel de vorming van een EAA stimuleren. Een Europees materieelagentschap waaraan alle Europese landen kunnen deelnemen, zal volledig verenigbaar zijn met Occar. Het bestaan van Occar is dus niet strijdig met het voornemen een EAA te vormen.

Tot dusver heeft België formeel te kennen gegeven tot Occar te willen toetreden en hebben Zweden en Spanje de wens hiertoe geuit. Omdat het formele Nederlandse verzoek tot toetreding eerder is ingediend en er een concreet materieelproject is geïdentificeerd, behandelen de Occar-landen het Nederlandse verzoek met prioriteit. De drie belangstellende landen en Nederland hebben op ambtelijk niveau al wel overlegd. Wellicht kunnen zij hun voordeel doen met de ervaringen van Nederland.


4.

Waarom kent Occar slechts vier leden? (blz. 2)

Occar is voortgekomen uit een Frans-Duits bilateraal samenwerkingsverband voor defensiematerieelsamenwerking dat dateert van 1993. Vanwege de gemeenschappelijke economische en defensie-industriele belangen en met het oog op een aantal lopende bilaterale en trilaterale materieelprojecten hebben Italië en het Verenigd Koninkrijk zich bij het Frans-Duitse initiatief aangesloten. De vier landen hebben geen andere landen bij de oprichting van het materieelagentschap betrokken, omdat zij in de oprichtingsfase het aantal deelnemers beperkt wilden houden.


5.

Waarom is er geen overleg gepleegd met de Nederlandse defensie-industrie inzake eventuele toetreding tot Occar? (blz. 2)

Vanaf het ogenblik dat de Nederlandse regering in 1996 de Occar-landen heeft bericht tot het agentschap te willen toetreden, is er veelvuldig overlegd met de stichting NIID en het ministerie van Economische Zaken. Dit overleg is er steeds op gericht geweest de belangen van de Nederlandse defensie-industrie zo goed mogelijk te behartigen met het oog op een volwaardig Nederlandse Occar- lidmaatschap.


6.

Internationale samenwerking op het gebied van materieelontwikkeling leidt tot schaalvoordelen en betere risicobeheersing. Kunnen deze voordelen nader worden gespecificeerd? Is er enig zicht op de omvang van de bedoelde schaalvoordelen? (blz. 2)

Het is niet goed mogelijk voorafgaande aan Nederlandse toetreding de schaalvoordelen te kwantificeren. Schaalvoordelen, die door de bundeling van de vraag van verschillende landen zowel in de ontwikkelings- als de produktiefase kunnen worden bereikt, hebben een positieve invloed op de prijs die de afnemers uiteindelijk betalen. Potentiële risico's, in termen van product, geld en tijd, die zich in elk internationaal samenwerkingsproject voordoen, zijn in Occar beter beheersbaar. Het projectmanagement berust op uniforme procedures en regelingen en een heldere structuur, waarin de verantwoordelijkheden en verplichtingen van alle geledingen van Occar - de Raad van Toezicht, de directeur en de programmadivisies - zijn vastgelegd.


9.

Hoe verhoudt zich de voorwaarde om deel te nemen aan een concreet multinationaal materieelproject met de zin: «Toetreding tot Occar leidt niet tot een verplichting aan projecten deel te nemen»? (blz. 2)

Om tot Occar te kunnen toetreden moet inderdaad een concreet en substantieel multinationaal materieelproject worden geïdentificeerd, waaraan het desbetreffende land wil deelnemen. Als een land eenmaal lid is, is het echter niet verplicht deel te nemen aan andere projecten. Uiteraard mag worden verondersteld dat lidstaten de intentie hebben samen te werken bij de ontwikkeling en de productie van materieel.


10.

Als cruciaal kenmerk van Occar wordt genoemd het niet meer leidend zijn van het beginsel «costshare is workshare». Hoe wordt de opmerking in de zojuist verschenen «The Military Balance» van het IISS verklaart dat de voortdurende meningsverschillen over «workshare» de reden zijn voor vertraging in de ontwikkeling van Occar? Hoe wordt verzekerd dat uiteindelijk een «global balance» ontstaat? (blz. 2)

De projecten die thans bij Occar zijn ondergebracht, liepen al enige tijd en waren nog op basis van het beginsel «costshare is workshare» vormgegeven. Stilaan zal echter de overeengekomen benadering van een «global balance» terrein winnen. Een evenwichtige verdeling van werk op langere termijn vergt een voortdurende toetsing en, zo nodig, corrigerende maatregelen.


11.

Onder Occar is het «costshare is workshare» beginsel niet meer leidend voor de industriële inschakeling. In plaats hiervan wordt per project gekeken naar de werkverdeling bij meerdere projecten en over een langere periode. Op welk moment en welke wijze vindt er een correctie plaats, als blijkt dat Nederland niet voldoende heeft geparticipeerd? In de brief staat aangegeven dat er in zo'n geval maatregelen tot bijsturing kunnen worden overeengekomen. Kan aangegeven worden waar aan wordt gedacht? (blz. 2)


21.

Hoe wordt de industriële deelneming van Nederland op het gebied van defensie nauwlettend gevolgd? (blz. 3) Met behulp van welke middelen kunnen «maatregelen ter bijsturing» worden getroffen? (blz. 2) Is hiervoor overeenstemming binnen het materieelagentschap nodig? Zo ja, wordt deze overeenstemming in geval van onderbedeling van de Nederlandse industrie haalbaar geacht?

De verdeling van werk, gericht op een «global balance», wordt permanent geadministreerd door het Occar-hoofdkwartier en jaarlijks aan de Raad van Toezicht gerapporteerd. Als een «global balance» op termijn niet wordt verwezenlijkt, kan de Raad van Toezicht besluiten tot corrigerende maatregelen. Hierbij wordt onder andere gedacht aan de herverdeling van werk in lopende projecten, beperking van de concurrentiestelling in nieuwe projecten en de gerichte gunning van onderhoudscontracten. Ook vanuit Nederland zal de werkverdeling op de langere termijn nadrukkelijk in de gaten worden gehouden, zodat de Nederlandse industrie een redelijk aandeel in hoogwaardig werk zal krijgen.


12.

Wat is het voordeel van «global balance» boven specifieke compensatie per project? (blz. 2)


14.

Wat is precies de meerwaarde van een eventueel lidmaatschap van Occar voor Nederland/het Nederlandse bedrijfsleven? (blz. 2)

In Occar moet industriële betrokkenheid in de eerste plaats berusten op aantoonbare deskundigheid en concurrentiekracht en niét op de waarde van de orders die de deelnemende landen hebben geplaatst. Die dwingende werkverdeling per project heeft in het verleden de voortgang van Europese samenwerkingsprojecten vaak bemoeilijkt. De benadering in Occar biedt Nederlandse producenten de mogelijkheid mee te dingen naar alle opdrachten waarvoor zij gekwalificeerd zijn. Bovendien moet de werkwijze in Occar de doeltreffende en doelmatige uitvoering van projecten ten goede komen, wat zowel in het voordeel is van de deelnemende bedrijven als van de afnemers, de landen dus.


13.

«Het lidmaatschap van Occar betekent dat de nationale industrie in beginsel kan meedingen naar een aandeel in alle binnen Occar lopende projecten, ook die waaraan het betrokken land niet deelneemt.» Is het meedingen naar binnen Occar lopende projecten afhankelijk van het lidmaatschap van Occar? (blz. 2)

Ja. De industrieën in de Occar-lidstaten kunnen in beginsel meedingen naar een aandeel in alle projecten die bij Occar worden ondergebracht. Voorts kunnen de deelnemende landen bij consensus besluiten de mededinging uit te breiden tot landen buiten de Weag, op basis van reciprociteit (zie artikel 24, lid 3 van het Occar verdrag).


15.

De Nederlandse defensie-industrie zal door deelname aan het Occar-agentschap potentieel een grotere markt voor afzet krijgen. (blz. 2)

Nederland staat momenteel al in de top tien van grootste wapenleveranciers wereldwijd. Is het een streven van het kabinet om de wapenexporten verder te intensiveren?

Het doel van het wapenexportbeleid is niet de uitvoer van militaire goederen als zodanig terug te dringen of te bevorderen, maar erop toe te zien dat de export van de defensie-industrie en van afgestoten defensiematerieel geen inbreuk maakt op de internationale rechtsorde en niet afdoet aan de bevordering van de vrede en veiligheid. Europese materieelsamenwerking in het algemeen en Occar in het bijzonder beogen de Europese vraag naar militair materieel te harmoniseren en te bundelen, wat geen luxe is met het oog op de voortschrijdende concentratie aan de aanbodzijde van deze markt. De eigen materieelvoorziening staat dus voorop.


16.

Het systeem van «global balance» werkt alleen maar als er voldoende projecten binnen Occar lopen. Is het aannemelijk dat binnen afzienbare tijd die situatie bereikt wordt? Zo ja, waar is die verwachting op gebaseerd? (blz. 2)


17.

Het is op korte termijn niet waarschijnlijk dat een «global balance» zal worden bereikt. Kan gegarandeerd worden dat dit op lange termijn wel het geval is en dat Nederland daarin een evenredige deelname heeft? (blz. 2)


19.

Is de rol van de betekenis die de Nederlandse defensie-industrie speelt als toeleverancier naar verwachting voldoende om op langere termijn een situatie van «global balance» te bereiken? (blz. 3)

De oprichting van Occar moet worden gezien tegen de achtergrond van het streven van de Europese landen hun materieelbehoeften te harmoniseren en door vraagbundeling en sterkere marktpositie te bewerkstelligen. Het ligt daarom in de rede dat de lidstaten ernaar streven zoveel mogelijk projecten bij Occar onder te brengen. Een garantie kan echter niet worden gegeven. De rol van toeleverancier biedt de Nederlandse defensie-industrie naar verwachting een reëel perspectief op een evenwichtig aandeel in de projecten die Occar gaat uitvoeren.


18.

Nederlandse bedrijven en instellingen zullen in veel gevallen toeleverancier zijn van een buitenlandse hoofdleverancier. De hoofdleverancier dient zijn onderleveranciers op basis van gelijkwaardigheid uit de Occar-landen te kiezen. Kan aangegeven worden op welke wijze toetsing en controle hierop plaatsvindt? En is er eventueel bij gebrek aan objectiviteit de mogelijkheid van het opleggen van sancties? Zo ja, op welke wijze vindt de controle hierop dan plaats? (blz. 3)


32.

Op welke wijze kan Occar de hoofdcontractant sturen in diens keuze van toeleveranciers om zo vorm te geven aan het concept van global balance?

Occar beïnvloedt niet rechtstreeks de keuze van onderleveranciers door hoofdleveranciers. Concurrentie is immers het uitgangspunt. Offerte-aanvragen kunnen wel richtlijnen en aanwijzingen bevatten omtrent de bevordering van de concurrentie op het niveau van onderleveranciers en vervolgens de selectie. Om de concurrentie niet te verstoren, zal zo min mogelijk dwingend worden voorgeschreven. De wijze waarop hoofdleveranciers met deze richtlijnen willen omgaan, kan echter wel een rol spelen bij de gunning van contracten.


20.

Kunt u «een en ander» specificeren? (blz. 3)

Met «een en ander» wordt gedoeld op de participatie van de Nederlandse industrie in Occar-projecten (zie vraag 18).


22.

Is Nederland op dit moment betrokken bij de uitwerking van regels en procedures voor het opzetten en besturen van projecten?

Ja. Nederlandse vertegenwoordigers maken reeds deel uit van de werkgroepen waarin regelgeving en procedures worden uitgewerkt.


23.

Wijzigingen in het Occar-verdrag zijn niet mogelijk. Dit betekent dat Nederland ook moet instemmen met de vier voorwaarden. De derde voorwaarde betreft een lijst van reeds goedgekeurde Occar documenten, het «acquis». Kan aangegeven worden wat de inhoud en consequenties zijn van deze lijst? (blz. 3)

In de brief M99004161 van 24 augustus 1999 heb ik de vaste commissie van Defensie geïnformeerd over de aard en de inhoud van het «acquis».


24.

Eén van de voorwaarden voor toetreding tot Occar is het deelnemen aan een concreet multinationaal materieelproject. Is dit ook een voorwaarde om lid van het materieelagentschap te blijven? (blz. 3)

Nee, er zijn geen aanvullende voorwaarden gesteld om lid te blijven.


25.

Om deel te mogen nemen aan Occar dient Nederland deel te nemen aan een concreet multinationaal materieelproject. Gekozen is voor het Duits/Frans/Britse samenwerkingsproject GTK. Kan aangegeven worden op welke wijze Occar betrokken is bij dit project? En op welke wijze wordt de Nederlandse industrie nog betrokken bij dit project?


27

Is «global balance» voor de Nederlandse defensie industrie voorlopig geen illusie nu Nederland bij het eerste Occar project waaraan deelgenomen wordt (GTK) pas kan instappen na de ontwikkelingsfase?

Op 5 november 1999 hebben Duitsland en het Verenigd Koninkrijk een MoU voor het project GTK gesloten. Hierin is onder meer vastgelegd dat het projectmanagement bij Occar zal worden onder-ge-bracht. Waarschijnlijk gebeurt dit in het voorjaar van 2000. Frankrijk neemt overigens niet langer deel aan dit project.

De beide landen hebben op 5 november 1999 tevens een contract gesloten waarmee de ontwikkelingsfase van het project is aangevan-gen. De industrie heeft 22 maanden de tijd gekregen om een eerste prototype te leveren. Nederland heeft tot augustus 2000 de tijd om aan de ontwikkeling en de productie van pro-totypen en aan de optionele serieproductie te gaan deelnemen. Bij een definitief besluit over deelneming aan de ontwikkelingsfase zullen in het kader van het defensiematerieelkeuze proces (DMP) alle relevante factoren zorgvuldig worden afgewogen. In het contract is een clau-sule opgenomen die het toelaat dat de Neder-landse industrie voor tien tot vijftien procent bij de ontwikkeling van het gezamenlijk deel kan worden inge-scha-keld vóór Nederland een formeel besluit over deelneming aan het project heeft genomen. Opgemerkt dient te worden dat de totstandkoming van het contract niet volgens Occar-regels is geschied. Aangezien het projectmanagement wél bij Occar wordt ondergebracht, kan worden gesproken van een overgangsproject.


26

Als Nederland zich, los van de toetredingseis voor Occar, had aangemeld voor deelname aan het GTK project wat zou dit betekenen voor de positie van het Nederlandse bedrijfsleven?

In het geval dat Nederland, los van de toetredingseis, aan het project GTK zou deelnemen, zou er een «brugovereenkomst» tussen Occar en Nederland moeten worden opgesteld waarmee ons land zich onder meer verplicht voor dit project de Occar-spelregels te hanteren. Inmiddels is de feitelijke inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven in de ontwikkelingsfase van het project GTK vastgelegd in het contract tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (zie het antwoord op vraag
27). Deelneming aan Occar vergroot voor Nederland, in elk geval in het vervolg van het project, de transparantie van het proces van industriële inschakeling en levert op termijn voordelen op door het streven naar een «global balance». Uiteraard wordt ook de «brugovereenkomst» overbodig.


28.

Waarom is de huidige kostenverdeling niet in overeenstemming met de stemverhouding binnen Occar? (blz. 4)

In de aanvangsfase zijn de vier landen een pragmatische kostenverdeling overeengekomen. Frankrijk en Duitsland dragen tweemaal zoveel bij als Italië en het Verenigd Koninkrijk. In de toekomst zal de kostenverdeling worden aangepast aan de stemverdeling van de leden.


29.

Uitgangspunt van besluitvorming in Occar is unanimiteit. Hierop zijn een aantal uitzonderingen zoals de regelgeving en procedures van Occar.

Kan aangegeven worden in hoeverre dit de uitgangspunten en beginselen van Occar raakt? Nederland weet nu waaraan het begint bij deelname, maar in hoeverre is haar positie in deze gewaarborgd? (blz. 4)


30.

Nederland is niet in staat wijziging van regelgeving en procedures te blokkeren. Welke instrumenten heeft Nederland om tegen te gaan dat regels en procedures worden ingevoerd die nadelig zijn voor de Nederlandse defensie-industrie, maar die geen invloed hebben op de begroting van Occar en daarom niet via dat proces kunnen worden beïnvloed? (blz. 4)


33.

Nederland beschikt niet over een blokkerend stemmenaantal maar heeft wel de mogelijkheid financiële gevolgen van gekwalificeerde meerderheidsbesluiten te beïnvloeden via het
Occar-besluitvormingsproces, waarover bij unanimiteit wordt besloten. Betekent dit dat Nederland op deze wijze een voorgenomen besluit van de overige deelnemende landen kan blokkeren? (blz. 4)

Tot op heden zijn alle besluiten in Occar op basis van unanimiteit genomen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit verandert als Nederland is toegetreden. Belangrijk is vooral dat Nederland volwaardig lid wordt, op alle niveaus meedraait en te allen tijde zijn standpunten kan uiteenzetten. Het Occar-begrotingsproces biedt de lidstaten, ook Nederland, inderdaad de mogelijkheid vrijwel elke beslissing tegen te houden. Er zijn immers niet of nauwelijks onderwerpen van belang die geen financiële implicaties hebben. Dit is echter een paardenmiddel, waarvan de lidstaten zo min mogelijk gebruik zullen willen maken. Het streven zal erop gericht zijn een eensgezinde koers te blijven varen, omdat de kans op succes dan het grootst is. Zodra Nederland gezelschap krijgt van andere, kleinere landen, komen de (stem)verhoudingen overigens weer anders te liggen.


31.

Zijn de besluitvormingsprocedures over een project binnen Occar alleen van toepassing op een lid wanneer deze zelf participeert binnen hetzelfde project of is men ook betrokken bij de besluitvorming van projecten waar men zelf geen deel van uitmaakt? Zo dit laatste niet het geval is, hoe verzekert de Nederlandse regering zich, in het kader van «global balance» van een juiste werkverdeling? (blz. 4)

De Raad van Toezicht besluit of een project bij Occar wordt ondergebracht. In de raad zijn alle Occar-lidstaten vertegenwoordigd. De lidstaten die niet aan een project deelnemen, kunnen aan een besluit voorwaarden verbinden. Het management van het desbetreffende project is vervolgens in handen van de landen die er metterdaad aan deelnemen.


34.

Betekent de stemverhouding binnen Occar niet dat bij stemmingen bij gekwalificeerde meerderheid alle deelnemende landen, behalve Nederland, een blokkade stem hebben? Is het niet mogelijk om voor blokkade minimaal 11 stemmen te vragen waardoor alle landen op zijn minst een ander land mee moet krijgen? (blz. 4)

Ja, de vier huidige lidstaten hebben elk tien stemmen, genoeg voor een blokkerende minderheid. Tijdens de onderhandelingen over Nederlandse toetreding bleek het niet mogelijk het aantal stemmen voor een blokkerende minderheid te verhogen. De stemverhoudingen in Occar zijn overigens in overeenstemming met die in de raad van ministers van de EU.


35.

Wat zal de Nederlandse houding zijn bij de besluitvorming rond het toetreden van nieuwe lidstaten? Op welke wijze zal de Kamer daarbij betrokken worden? (blz. 4)

Nederland is in beginsel voorstander van verdere uitbreiding van Occar. De Kamer zal hierover tijdig worden geïnformeerd. De toetreding van nieuwe leden, na ratificatie van het Occar-verdrag, is geregeld in artikel 53 van het Verdrag.


36.

Wat is de inhoudelijke reactie van de regering op de opmerkingen en twijfels van de NIID in hun brief aan de Kamer d.d. 11 oktober 1999 aangaande de toegevoegde waarde van het Nederlandse lidmaatschap van Occar, mede in het licht van de gegevens rond de deelname aan het samenwerkingsproject GTK? (algemeen)

In de antwoorden op de vragen 16 tot en met 19 wordt ingegaan op de opmerkingen van de NIID. Benadrukt dient te worden dat Occar in de eerste plaats een instrument voor Defensie is om in de materieelbehoefte te voorzien. Uiteraard worden de belangen van de Nederlandse defensie-industrie niet veronachtzaamd. Telkens als dat nodig is, zal het speciale karakter van de Nederlandse defensie-industrie bij de andere lidstaten onder de aandacht worden gebracht. Bovendien zullen de resultaten van Occar-activiteiten mede in dat licht worden beoordeeld. Overigens is het idee van de NIID over een «side letter» niet goed uitvoerbaar omdat eerder is gebleken dat verdragswijzigingen niet aan de orde zijn.


38.

Welke invloed hebben recente en mogelijke toekomstige fusies en concentraties in de Europese defensie-industrie (zoals Aérospatiale en Dasa) op de uitgangspunten van de samenwerking in Occar? (algemeen)

Occar beoogt onder meer de vorming van clusters van defensiegerelateerde bedrijven. De concentratie in de Europese defensie-industrie brengt langs andere weg min of meer hetzelfde teweeg, zij het dat het aantal aanbieders afneemt. Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van de samenwerking in Occar, zolang concurrentie gewaarborgd blijft. De samenwerking in Occar heeft daar baat bij. Overigens moet worden opgemerkt dat de recente fusies in Europa zich hebben voorgedaan op de terreinen elektronica en lucht- en ruimtevaart, en niet of in mindere mate op het gebied van de bouw van marineschepen en voertuigen.


39.

Hoe wordt de kritiek vanuit de Nederlandse defensie-industrie beoordeeld dat Occar vooral uitwerking zou hebben in het voordeel van de grote landen die aan dit samenwerkingsverband deelnemen? (algemeen)

Deze kritiek wordt niet ontkend. Er moet echter bij worden aangetekend dat de recente fusies in de defensie-industrie zich vooral in de grote landen hebben voorgedaan. Ook de Nederlandse defensie-industrie heeft echter wel degelijk kansen op interessante werkpakketten in projecten die bij Occar worden ondergebracht.


40.

Hoe verhoudt zich de mogelijkheid in het defensie-materieelkeuze proces (DMP) om tot aan het moment van de beslissing over de verwerving te veranderen of af te zien van verwerven van materieel tot artikel 6 van het Occar verdrag waarin participatie in de ontwikkeling van materieel binnen Occar tot «preference» leidt bij de verwerving? Is het Occar-proces geen fuik waar, in de praktijk, moeilijk uit te stappen is? (art. 6 Occar verdrag)?

Occar-projecten zijn zonder voorbehoud onderworpen aan het Defensiematerieelkeuzeproces (DMP). Voordat een besluit tot deelneming aan een Occar-project wordt genomen, zijn alle keuzemogelijkheden de revue gepasseerd en zorgvuldig bezien. Met inachtneming van het DMP kan Nederland echter ook besluiten niet aan een Occar-project deel te nemen. Hoewel de deelneming aan de ontwikkeling van materieel in Occar-verband in beginsel wel de bereidheid veronderstelt om het uiteindelijk ook te verwerven, is er geen sprake van een automatisme. Er kunnen zich immers ontwikkelingen voordoen die tussentijds de aanpassing van de plannen vergen. Het DMP voorziet in deze mogelijkheid en het Occar-verdrag verzet zich er niet tegen.


41.

Stellen de «Privileges and immunities» Occar niet boven de wet? Is misbruik van douane privileges, militaire kennis e.d. door medewerkers van Occar nog te vervolgen in het kader van nationaal of internationaal recht? (algemeen)

De privileges en immuniteiten die worden toegekend aan Occar, komen overeen met wat in het internationale verkeer voor internationale organisaties gebruikelijk is. In beginsel zijn medewerkers van Occar onderworpen aan de rechtsmacht van het gastland, Duitsland. Een voor een goede taakvervulling nodige uitzondering bestaat in immuniteit van rechtsmacht voor handelingen verricht in de uitoefening van die taak, wat wil zeggen dat de medewerkers buiten de officiële functie-uitoefening geen immuniteit genieten. De medewerkers van Occar hebben geen fiscale voorrechten inzake belastingen op goederen en diensten en invoerrechten. Uitsluitend de organisatie zelf heeft ten aanzien van haar officiële activiteiten deze fiscale voorrechten.


42.

Is Occar gebonden aan door Nederland getekende internationale verdragen inzake landmijnen, proliferatie van bepaalde wapens, wapenhandel e.d.? Oftewel is het denkbaar dat in Occar ontwikkelde kennis of materieel verkocht wordt aan landen waaraan Nederland niet zou leveren? (algemeen)

Alle bij Occar aangesloten landen zijn partij bij dezelfde internationale verdragen als Nederland. Via de verdragsverplichtingen van de lidstaten is ook Occar dus gehouden aan de verbodsbepalingen van deze verdragen. Zo zal Occar geen antipersoneelmijnen mogen laten produceren. Overigens onderschrijven de Occar-lidstaten dezelfde EU-criteria over de wapenexport als Nederland.


43.

Is het mogelijk dat in het kader van de "cooperation with non-member states" een samenwerking wordt aangegaan met bijvoorbeeld Turkije zonder dat Nederland dat kan controleren? (algemeen)

Wat Nederland betreft komen alle EU-lidstaten, Navo-partners en enkele andere gelijkgestelde landen in beginsel in aanmerking voor samenwerking met Occar.


44.

Wordt aan nationale parlementen verantwoording afgelegd van projecten, werkwijzen, begrotingen en rekeningen van Occar? Zo nee, hoe is de democratische controle en transparantie dan geregeld? Is hier (op termijn) ook een mogelijke rol weggelegd voor EU-instanties of Europees Parlement? (algemeen)

Het parlement wordt over projecten, ongeacht of zij bij Occar zijn ondergebracht of niet, geïnformeerd conform het DMP. De financiële gevolgen van het Occar-lidmaatschap en van de deelneming aan projecten worden de Kamer in het kader van het reguliere begrotingsproces ter goedkeuring aangeboden. De rekening en de verantwoording van Occar worden gecontroleerd door een door de Raad van Toezicht aan te wijzen externe instantie. Daarnaast hebben de nationale accountantsdiensten recht op alle informatie en hebben zij inzage in alle Occar-documenten over de programma´s waarin de desbetreffende landen participeren. Betrokkenheid van Europese instanties is (vooralsnog) niet aan de orde.


45.

Hoe is Occar beschermd tegen mogelijke oneigenlijke lobby praktijken en omkooppogingen vanuit de defensie industrie? Zijn medewerkers daarvoor strafrechtelijk te vervolgen? Zo ja, waar en door wie? Zo nee, welk mogelijk sanctiemiddel maakt dat het hebben van slappe knieën zeer onaantrekkelijk wordt gemaakt? (algemeen)

De modelbepalingen voor contracten tussen Occar en de industrie voorzien in een verplichte clausule die omkoping, het geven van geschenken of het doen van voorstellen daartoe aan (onder meer) Occar-personeel verbiedt. Wanneer mocht blijken dat zulke activiteiten toch hebben plaatsgevonden, mag Occar op grond van die modelbepalingen de desbetreffende overeenkomst ontbinden.

Wanneer een medewerker van Occar zich laat omkopen, kunnen disciplinaire maatregelen (waaronder ontslag) worden genomen op grond van de personele reglementen. Bovendien kan zo iemand door het bevoegde openbaar ministerie worden vervolgd wanneer zijn handelen strafbaar is gesteld bij de wet van het land waarin een vergrijp is gepleegd, danwel het land waaruit betrokkene afkomstig is.


46.

Is het, gezien het feit dat enkele verdragspartners kernwapenmogendheden zijn denkbaar dat er kernwapenprojecten of daaraan gerelateerde projecten, binnen Occar worden uitgevoerd? (algemeen)

Artikel I van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) verbiedt de kernwapenstaten op welke wijze dan ook medewerking te verlenen aan de productie van kernwapens door niet-kernwapenstaten. Artikel II behelst een spiegelbeeldige verplichting voor de niet-kernwapenstaten. Aangezien alle Occar-landen partij zijn bij het NPV, zijn de begrenzingen op dit gebied duidelijk.


47.

Is Occar als zelfstandig rechtspersoon direct gebonden aan internationale verdragen op het gebied van wapenbeheersing, wapenhandel en proliferatie? (algemeen)

Neen, verdragen werken slechts tussen verdragspartijen. Occar is bij de oprichting niet automatisch als partij aan deze verdragen gebonden. Voorzover bedoelde verdragen dat toelaten, zou Occar in beginsel wel tot deze verdragen kunnen toetreden.


48.

Kent Occar gedragsregels die bijvoorbeeld contacten verbiedt met ex-bewindslieden van Defensie en ex-officieren, die vlak na beëindigen van hun functie in dienst treden van - of belangen behartigen voor - in militaire projecten geïnteresseerde bedrijven? Zo nee, is de regering van plan zulke regels voor te stellen in Occar? (algemeen)

Neen, dergelijke gedragsregels kent Occar niet. De regering zou er voorstander van zijn de bij Defensie geldende gedragsregels ook in Occar toe te passen.


49.

Is het juist dat een Nederlands bedrijf, indien het land van eindbestemming van de door haar geproduceerde componenten nog onbekend is, slechts een vergunning aan zou hoeven vragen voor de export naar de Occar lidstaat die verantwoordelijk is voor de eindassemblage? Zo ja, is dat niet een ongewenste versoepeling van het bestaande Nederlandse wapenexportbeleid? (algemeen)

Het Occar-verdrag bevat geen bepalingen over de export van ontwikkeld en geproduceerd materieel en tast dus het nationale exportbeleid niet aan. Op de export van Nederlandse (sub)systemen naar de hoofdcontractant zullen de bepalingen van het Nederlands wapenexportbeleid van toepassing zijn. Indien de eindbestemm-ing van Nederlandse componenten voor elders te assembleren producten bekend is, zal de fabrikant voor de in Nederland geproduceerde com-ponenten in Nederland een ex-portvergunn-ing moeten aanvragen onder vermelding van die eindbestemming. De toetsing van de aanvraag aan de criteria van het wapenexportbeleid zal zich dan op die feitelijke eindbestemming richten.

In de praktijk zal het veelal mogelijk zijn van tevoren afspraken te maken over de exportbestemmingen van de eindproducten. Indien de eindbestemming niet bekend zou zijn, dan wordt door middel van een «Internation-al Import Certifi-cate» de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van een exportvergunning over-gedragen aan het land van eindassemblage. In dat geval is vanzelfsprekend het ex-portbeleid van het desbetreffende land van toepassing. Wel blijft een ex-portvergunning vereist voor de uit-voer naar het land van assemblage. Deze systematiek geldt ook ten aanzien van Occar.


50.

Indien Nederland toetreedt tot het materieelagentschap Occar, zal de Kamer dan, zoals bij het huidige Nederlandse wapenexportbeleid, halfjaarlijks en jaarlijks overzichten krijgen van afgegeven vergunningen aan Occar, op basis van land van eindbestemming, type materieel en bedrag, als mede een overzicht krijgen waarin aangegeven wordt welke Nederlandse onderdelen hierbij zijn gebruikt aan de hand van type onderdeel, bedrag en leveringsbedrijf? (algemeen)

Occar raakt noch het nationale wapenexportbeleid van de aan deze organisatie deelnemende landen, noch de nationale rapportagesystematiek over de wapenexport. De minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Economische Zaken zullen de uitvoer van militaire goederen in het kader van de Occar-samenwerking op dezelfde wijze aan de Kamer rapporteren als de overige uitvoer, dat wil zeggen tweemaal per jaar openbaar, op basis van de waarde van afgegeven vergunningen per categorie goederen, en op basis van de waarde van afgegeven vergunningen per land van eindbestemming.


1


51.

Zal de Kamer ook verslag krijgen van zogenaamde «denials», ook als die voor andere Occar-lidstaten dan Nederland bedoeld zijn? (algemeen)

De systematiek van de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer is ook van toepassing op de uitvoer door Nederland onder auspiciën van Occar. De rapportage van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Economische Zaken kan dus tevens «denial notifications» bevatten voor Nederlandse militaire goederen die als Occar-goederen uit Nederland zouden moeten worden uitgevoerd.


52. Is het mogelijk om de criteria van het Nederlandse wapenexportbeleid ook toe te passen op de voorwaarde procecure voor nieuwe occar kandidaat lidstaten. (algemeen)

Het Nederlandse wapenexportbeleid is van toepassing op de export naar alle landen, derhalve ook op de export naar eventuele nieuwe Occar-lidstaten.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Tweede Kamer toetreding tot het materieelagentschap Occar '




Lees ook