NIVEL persbericht 4 april 2000

TWEEDE NATIONALE STUDIE IN DE HUISARTSPRAKTIJK GESTART

Deze week is de "Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk" van het NIVEL van start gegaan. In deze studie worden actuele gegevens verzameld om het toekomstig beleid ten aanzien van de huisartsenzorg in Nederland voor te bereiden en te onderbouwen. In 100 huisartspraktijken vindt, gedurende één jaar, een uitgebreide gegevensverzameling plaats waarin de gezondheid en behoeften van de patiënten en het dagelijkse werk van de huisarts uitvoerig aan bod komen. De hoofdfinancier van de studie is het Ministerie van VWS (ZorgOnderzoek Nederland).

Relevantie van de studie
Huisartsen staan momenteel in het middelpunt van de belangstelling. Hun werkdruk neemt toe door een groeiende vraag naar huisartsenzorg en de invoering van verschillende beleidsmaatregelen die het dagelijkse werk aanzienlijk hebben veranderd. Dit kan consequenties hebben voor de kwaliteit van zorg die wordt geleverd. Er zijn dan ook een aantal concrete maatregelen genomen om de problemen op te lossen zoals het beschikbaar stellen van praktijkondersteuning en het uitbreiden van de opleidingsplaatsen voor huisartsen.

Om de centrale positie en rol van de huisarts in het Nederlandse gezondheidszorgsysteem te behouden is een lange-termijn visie op de huisartsenzorg nodig, gevolgd door beleid van de overheid en de beroepsgroep. Dit moet worden onderbouwd door feitelijke en betrouwbare informatie over de huisartsenzorg. De Tweede Nationale Studie zal in deze behoefte voorzien.

Omvang van de tweede Nationale Studie
In 100 huisartspraktijken, verdeeld over heel Nederland, nemen ruim 200 huisartsen aan de studie deel. Zij zullen gedurende 1 jaar met behulp van hun computer gegevens registreren over ca. 2 miljoen contacten met hun patiënten. Daarnaast worden gegevens verzameld bij alle plm. 400.000 personen die in de deelnemende praktijken staan ingeschreven. Voor de bescherming van de privacy is een privacy-reglement van kracht dat is gedeponeerd bij de Registratiekamer.

De tweede Nationale Studie kost 18 miljoen gulden. De financiering is in handen van het ministerie van VWS (o.a. via ZorgOnderzoek Nederland, RIVM en de Inspectie voor de Gezondheidszorg), ziektekostenverzekeraars en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV).

Onderzoeksthema's en gegevensverzameling
De studie richt zich op vijf centrale onderzoeksthema's:
* gezondheid en ziekte in de bevolking: welke gezondheidsproblemen ervaren mensen en welke daarvan worden aan de huisarts gepresenteerd?

* verschillen in gezondheid en toegankelijkheid van de zorg: krijgt iedereen de zorg die hij/zij nodig heeft?

* gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen en afstemming van zorg: welke behandelingen voert de huisarts uit, welke patiënten worden naar de specialist verwezen?

* kwaliteit van de huisartsenzorg: hoe is de kwaliteit van de huisartsenzorg in vergelijking met de richtlijnen voor optimale zorg van het Nederlands Huisartsen Genootschap, hoe tevreden zijn de patiënten?

* organisatie van de huisartsenzorg en de werkbelasting van huisartsen: hoe is de praktijkvoering georganiseerd, welke taken worden door huisartsen gedelegeerd aan de praktijkassistente of praktijkondersteuners?

Tevens worden de gegevens gebruikt voor een groot aantal deelonderzoeken en publicaties zoals de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het RIVM.

Eerste Nationale Studie in 1987/1988
In 1987-1988 vond de eerste Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk plaats. Deze studie leverde een schat aan informatie op die gebruikt is bij het beleid t.a.v. de huisartsgeneeskunde (de honorering van huisartsen in zogenaamde achterstandsgebieden, de werkbelasting van huisartsen), bij de beleidsvoorbereiding (Volkgezondheid Toekomst Verkenningen 1993 en 1997 van het RIVM, rapport van de commissie Biesheuvel) en in wetenschappelijke publicaties en proefschriften. De gegevens worden tot heden gebruikt als nationale referentie-informatie over de huisartsgeneeskunde. Een tweede studie is van groot belang om de informatie uit 1987-1988 actueel te maken. Door de vergelijkbare opzet van de tweede Nationale Studie zal het mogelijk zijn om op veel punten vergelijkingen te maken tussen de periode 2000/2001 en 1987/1988, toen bijvoorbeeld de automatisering van de huisartspraktijk en het kwaliteitsbeleid van de beroepsgroep nog in de kinderschoenen stond.
Nationale samenwerking
De studie wordt uitgevoerd door het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Daarbij wordt samengewerkt met de beroepsorganisaties NHG en LHV en een groot aantal onderzoeksgroepen, waaronder LINH (Landelijk Netwerk Informatie Huisartsenzorg), de Werkgroep Onderzoek Kwaliteit en de universitaire vakgroepen Huisartsgeneeskunde.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr. F.G. Schellevis of dr. G.P. Westert, projectleiders van de tweede Nationale Studie, NIVEL, tel. 030 - 2729 724 of 2729 670 of op de Internet-website: http://www.nivel.nl/nationalestudie


-balk.gif (1076 bytes)



25 januari 2000

Steeds meer Apotheek Service Punten in Nederlandse ziekenhuizen

In 1995 was in acht Nederlandse ziekenhuizen een Apotheek Service Punt gevestigd. In 1999 is dat aantal verviervoudigd. Van de ziekenhuizen zonder zo'n voorziening heeft één op de drie concrete plannen om een servicepunt op te zetten. Apotheek Service Punten verbeteren de overdracht van informatie omtrent geneesmiddelen bij opname in en ontslag uit het ziekenhuis. De aanwezigheid van een servicepunt beperkt de kans op problemen met de farmaceutische zorg. Dit blijkt uit een onderzoek dat het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, heeft uitgevoerd in opdracht van de Stichting Bedrijfsfonds Apotheken (SBA).

Bij opname in en ontslag uit het ziekenhuis kunnen knelpunten ontstaan bij de farmaceutische zorg. Het ziekenhuis beschikt vaak niet over voldoende informatie over het geneesmiddelengebruik van de patiënt. Tijdens het verblijf in het ziekenhuis kan dat gebruik worden aangepast en de huisarts krijgt deze veranderingen vaak niet of niet op tijd te horen. Daarnaast wordt de openbare apotheek zelden betrokken bij de nazorg en weet vaak niet eens dat er een opname is geweest. Dit kan ertoe leiden dat geneesmiddelen niet op tijd beschikbaar zijn na ontslag uit het ziekenhuis.

De huidige 33 Apotheek Service Punten vormen de verbinding tussen het ziekenhuis en de openbare apotheek. Ze bevorderen de communicatie tussen medisch specialisten en openbare apotheken en verbeteren de service aan de patiënten. Er zijn minder problemen en onduidelijkheden omtrent de geneesmiddelen die een patiënt na een ziekenhuisopname moet blijven gebruiken.

In sommige gevallen wordt voor opname van een patiënt de medicatiehistorie opgevraagd bij de openbare apotheek. In de meeste gevallen maakt de medewerker van het Apotheek Service Punt, één of twee dagen voor het ontslag, een computeruitdraai met daarop de geneesmiddelen die de patiënt gebruikt. De medisch specialist beoordeelt hierna welke medicatie ook na het ontslag voortgezet moet worden. De apothekersassistent van het Apotheek Service Punt controleert het recept en informeert hoe de patiënt de medicijnen geleverd wil hebben. Vervolgens stuurt de apothekersassistent het recept door naar de openbare apotheek, die verantwoordelijk is voor de juiste aflevering. Een aantal servicepunten verstuurt een afschrift van het recept naar de huisarts van de desbetreffende patiënt.

De informatie-overdracht vindt meestal plaats via faxen en soms via email.

Hoewel de meeste Apotheek Service Punten in ziekenhuizen gevestigd zijn, spelen de openbare apothekers een belangrijke rol bij de financiering van de loonkosten. De ziekenhuizen dragen in de meeste gevallen de materiële kosten.

Meer informatie bij: dr. J.Hutten, onderzoeker, tel. 030 - 27 29 653, email: j.hutten@nivel.nl


-balk.gif (1076 bytes)



17 januari 2000

NIVEL ontvangt IS0-9001 certificaat

Deze week is aan het NIVEL (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) een ISO-9001 certificaat uitgereikt. Dit certificaat heeft betrekking op de kerntaak van het NIVEL: het verrichten van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de gezondheidszorg. De feestelijke uitreiking vormt de bekroning van een intensief proces waarin alle procedures rond de kwaliteitswaarborging van het onderzoek voor de buitenwereld inzichtelijk en toetsbaar zijn gemaakt.

De motivering om een ISO-certificaat te verwerven komt rechtstreeks voort uit de werkzaamheden die het NIVEL in de gezondheidszorg uitvoert. Al jarenlang is onderzoek naar de kwaliteit van de gezondheidszorg een van de speerpunten van het NIVEL-werkprogramma. Zo wordt bijvoorbeeld ten behoeve van de komende Leidschendamconferentie (24 en 25 mei 2000) per sector van de gezondheidszorg een overzicht gemaakt van de huidige stand van zaken in de kwaliteitswaarborging. Op een gegeven moment realiseerde het NIVEL zich dat het eigenlijk merkwaardig is als een onderzoeksinstituut uitspraken doet over de mate waarin gezondheidszorginstellingen zich onderwerpen aan externe kwaliteitstoetsing, wanneer het zelf niet kan laten zien dat de eigen kwaliteitsborging goed in orde is. Natuurlijk neemt het NIVEL al deel aan de gebruikelijke kwaliteitstoetsing in de wetenschappelijke wereld, bijvoorbeeld door deel te nemen in visitaties die door de KNAW worden uitgevoerd, maar dat is een beperkte toetsing. In aanvulling hierop maakt het ISO-certificaat nu duidelijk dat ook de waarborging van de kwaliteit van het onderzoeksproces zelf goed is geregeld. Hierdoor hebben de vele opdrachtgevers van het NIVEL, maar ook degenen die door het NIVEL worden onderzocht de garantie dat het onderzoek bij het NIVEL in goede handen is.

De toekenning van het certificaat ISO 9001 maakt ook zichtbaar dat het NIVEL niet alleen zijn standaardprocedures goed op orde heeft (dat wordt geregeld via het ISO 9002 certificaat), maar daarboven ook systematisch werkt aan innovatie in het onderzoeksproces. In dat opzicht was het moment van uitreiking van het certificaat door Certiked (het certificatie-instituut voor de kennisintensieve dienstverlening) goed gekozen. Deze week trok het gehele instituut zich terug om gezamenlijk te werken aan de uitdagingen van de nieuwe eeuw. Voor het NIVEL betekent dat de verdere ontwikkeling naar een kenniscentrum voor de gehele gezondheidszorg, gebruik makend van nieuwe media als internet.

Informatie: Mw Prof. dr. J. Bensing, tel. 030 - 27 29 700, email: j.bensing@nivel.nl


-balk.gif (1076 bytes)



20 december 1999

Cijfers uit de huisartspraktijk
VOORSCHRIJVEN VAN OESTROGENEN DOOR DE HUISARTS BLIJFT BEPERKT
Nederlandse huisartsen zijn terughoudend met het voorschrijven van oestrogenen aan vrouwen rond de overgang. Ondanks de toegenomen druk, onder andere door de aandacht in de massamedia, om deze middelen vaker voor te schrijven is er de afgelopen jaren echter een dalende tendens waarneembaar. In 1998 werd bij 28 van de 10.000 vrouwen tussen 40 en 60 jaar voor de eerste maal oestrogeen door de huisarts voorgeschreven. In 1996 was dit nog 88. Er zijn echter sterke regionale verschillen. Huisartsen in de oostelijke provincies (Overijssel, Gelderland, Flevoland) schreven drie keer zo vaak oestrogeen voor dan hun collega's in de drie noordelijke provincies (Friesland, Groningen, Drenthe).

Verder blijkt dat de therapie vooral wordt gestart in verband met klachten die zich tijdens en kort na de overgang voordoen. Het meest wordt deze behandeling begonnen bij vrouwen tussen 45 en 55 jaar. Het aantal neemt snel af vanaf 55 jaar. Dit wijst erop dat de vaak hevige pleidooien voor het voorschrijven van hormoon suppletie ter preventie van osteoporose geen ingang hebben gevonden in de Nederlandse huisartspraktijk. Dit blijkt uit het jaarverslag 1998 van de Peilstations Nederland.

De Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland is een landelijk netwerk van huisartspraktijken. De registratie wordt beheerd door het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Iedere week melden de deelnemende huisartsen het voorkomen van bepaalde ziektebeelden en gebeurtenissen in hun praktijk. Samen bestrijken ze een representatieve selectie van één procent van de Nederlandse bevolking.

Kinkhoest steekt in 1998 de kop weer op
Hoewel meer dan 90% van de Nederlandse bevolking wordt ingeënt tegen kinkhoest, is de ziekte in de loop van de jaren negentig enkele periodes opnieuw opgedoken. De cijfers uit de Peilstations laten zien dat daar in het laatste kwartaal van 1998 ook sprake van is geweest. Toen werden er 4 gevallen per 10.000 inwoners gemeld. Verder blijkt dat er grote regionale verschillen in Nederland zijn. In de zuidelijke provincies (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) zijn in 1998 12 kinkhoest-gevallen per 10.000 geregistreerd. In de andere provincies lag dit aantal 3 tot 6 keer lager.

Griep houdt langer aan
Vorige seizoen hebben meer dan 370.000 mensen vanwege griep contact gehad met de huisarts. Daarmee is 1998 een gemiddeld "griep-jaar" te noemen. In 1996 waren dat er slechts 180.000 (dus de helft), terwijl in het topjaar 1993 meer dan 700.000 (dus ruim twee keer zoveel) ziektegevallen door de huisarts zijn geregistreerd.
Opvallend is wel dat er vorig jaar sprake was van twee elkaar opvolgende griepgolven, waardoor de griep-periode veel langer aanhield dan gebruikelijk is.

Aantal mensen met "maag- en darmklachten" stijgt licht Gastro-enteritis is een aandoening die in Nederland zeer regelmatig voorkomt en bijdraagt tot een aanzienlijke zorgbelasting van de huisartsenzorg. 'Buikgriep' kan in epidemieën voorkomen, vooral als virussen de oorzaak zijn. Het aantal meldingen in 1998 is licht gestegen in vergelijking met eerder jaren: 65 nieuwe ziektegevallen per 10.000 inwoners. Vooral in de grote steden is er een duidelijke stijging waarneembaar: van 59 in 1996 tot 98 in 1998. Opmerkelijk is dat er in de zuidelijke provincies vanaf 1992 een duidelijke daling is te zien, terwijl dit in andere regio=s niet optreedt.

Lichte daling suïcide(poging)
In tegenstelling tot wat door sommigen wordt vermoed, heeft zich in 1998 een lichte daling voorgedaan van het aantal geregistreerde (pogingen tot) zelfmoord: van 6 naar 5 meldingen per 10.000 inwoners. De meeste suïcidepogingen vinden nog steeds plaats in de grote steden.
Stijging geweld slachtoffers bij de huisarts zet niet door In 1997 was er een sterke stijging te constateren van het aantal slachtoffers van zogenaamd eenzijdig fysiek geweld dat door de deelnemende huisartsen werd geregistreerd. Het betreft hier handelingen waarbij tegen de wil van de ander inbreuk wordt gemaakt op zijn/haar fysieke integriteit en/of pijn of letsel wordt toegebracht. Vechtpartijen waarbij meerdere mensen betrokken zijn worden niet meegenomen. In 1998 heeft deze trend zich echter niet doorgezet. Het aantal slachtoffers dat de huisarts bezocht daalde zelfs licht ten opzichte van 1997: van 9 naar 8 per 10.000 inwoners.

Vrouwen zijn vaker slachtoffer van fysiek geweld dan mannen. In 85% van de gemelde gevallen was de dader een man. Verder is opmerkelijk dat vrouwen in 65% van de gevallen de dader kende, terwijl mannen in meerderheid (ook 65%) het slachtoffer waren van onbekenden.

Verzoeken om euthanasie gelijk gebleven
In 1998 zijn de Peilstationartsen 49 keer geconfronteerd met een verzoek om euthanasie toe te passen. Dit is gelijk aan het aantal in het jaar daarvoor.

De meeste patiënten werden thuis verzorgd. In een meerderheid van de gevallen (82%) hadden de mensen kanker. Het verzoek kwam bijna uitsluitend van de patiënt zelf. Meestal was er een schriftelijke euthanasie verklaring beschikbaar. De verzoeken werden het meest geregistreerd in de westelijke provincies en in de grote steden.

Behalve over deze onderwerpen zijn in het jaarverslag cijfers opgenomen over: het maken van een uitstrijkje, mammografie, sterilisaties, hondenbeten, Herpes Zoster (gordelroos), Seksueel-Overdraagbare Aandoeningen (SOA), angst voor AIDS, prostaatlijden en eetstoornissen.

Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland. Jaarverslag 1998. Utrecht, NIVEL, 1999.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr. A. Bartelds (tel. 030 - 2729634), email: a.bartelds@nivel.nl


-balk.gif (1076 bytes)



20 december 1999

VERLOSKUNDIGEN IN DE KNEL

De verloskundigen in ons land worden in toenemende mate geconfronteerd met knelpunten in hun dagelijkse beroepsuitoefening, zoals een onevenwichtige balans tussen werk en privé, het tekort aan waarnemers, te lage praktijkinkomsten en onvoldoende ondersteuning door de kraamzorg.

Dit blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, dat werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Hiertoe werden telefonische interviews afgenomen bij bijna 200 werkzame verloskundigen.

In Nederland werken circa 1500 verloskundigen. Uit deze groep werden ten behoeve van het onderzoek telefonische interviews gehouden onder een steekproef van 200 verloskundigen verdeeld over drie groepen: vrijgevestigde verloskundigen, waarnemers en pas-afgestudeerde verloskundigen. In deze interviews werd gevraagd naar mogelijke knelpunten in de beroepsuitoefening. Een knelpunt dat veelvuldig werd genoemd is de onevenwichtige balans tussen werk en privé. Dat geldt met name voor de wat oudere verloskundigen. Men moet veel meer uren werken dan men eigenlijk zou willen. Verder worden met name de vrijgevestigde verloskundigen geconfronteerd met problemen op het personele vlak. Men kan geen waarnemers krijgen, terwijl het vinden van een opvolger of een extra maatschapslid vaak niet gerealiseerd kan worden. Ook op het financiële vlak worden knelpunten ervaren. Dit geldt met name voor de verloskundigen die net een praktijk zijn gestart. De hoeveelheid werk staat niet in relatie tot de honorering, waarbij sprake is van een toename in het extra werk als gevolg van automatisering, administratie en overleg met andere beroepsgroepen en instanties, waar meestal geen vergoeding tegenover staat. Tot slot worden verloskundigen steeds vaker met het probleem opgezadeld dat er grote tekorten zijn in de kraamzorg. Dit betekent dat men extra zorgtaken krijgt die niet tot hun eigenlijke takenpakket behoren.

Uit het onderzoek blijkt dat de verloskundigen een grote kans hebben verzeild te raken in een vicieuze cirkel van knelpunten. Naast een toenemend aantal cliënten is er sprake van een toename in de hoeveelheid extra werk, waardoor er meer uren gemaakt moeten worden die niet gehonoreerd worden. Extra handen in de vorm van een waarnemer of een extra "maat" is een luxe die men zich veelal om financiële redenen niet kan permitteren. Verloskundigen die zich dat wel kunnen veroorloven, hebben moeite om ze te vinden.

Het gevolg van dit alles is dat veel verloskundigen moeite hebben voor hun individuele problemen een oplossing te vinden: ze moeten meer werken dan ze van plan waren, soms blijft er werk liggen, er wordt eerder naar de gynaecoloog verwezen of er moeten zelfs cliënten worden geweigerd.

Bron: Wiegers T, Calsbeek H, Hingstman L.. Knelpunten in de verloskundige zorgverlening. Een `quick scan' onder verloskundigen in de eerste lijn. NIVEL december 1999.
Informatie:

Mw. T. Wiegers (NIVEL) 030-2729769, e-mail: t.wiegers@nivel.nl


-balk.gif (1076 bytes)



8 december 1999

UITNODIGING HUISARTS LEIDT TOT HOGE OPKOMST BIJ BEVOLKINGONDERZOEK BAARMOEDERHALSKANKER

In 1998 heeft ruim 66% van de opgeroepen vrouwen gevolg gegeven aan de uitnodiging om een uitstrijkje te laten maken in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Als de GGD vrouwen uitnodigt, ligt het opkomstpercentage op 56 procent. Als de uitnodiging van de huisartsenpraktijk komt, geven nog meer vrouwen hieraan gehoor: 71 procent. Dit blijkt uit een onderzoek in huisartsenpraktijken die aangesloten zijn bij het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH). Dat is een samenwerkingsverband dat tot doel heeft het leveren van representatieve informatie over de door huisartsen gegeven zorg.

Alle vrouwen in de leeftijd van dertig tot zestig jaar krijgen eens in de vijf jaar een uitnodiging om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Jaarlijks wordt in 4 procent van de uitstrijkjes die gemaakt zijn in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker een mogelijke onregelmatigheid aangetroffen. Daarom is het belangrijk om zo veel mogelijk vrouwen te bereiken.

Er zijn drie verschillende uitnodigingssystemen. De GGD verzoekt vrouwen om een uitstrijkje te laten maken, de eigen huisarts doet dat, of de eerste uitnodiging gaat vanuit de GGD en de herinnering vanuit de huisartspraktijk. In dit laatste geval is het opkomstpercentage nog 10% hoger dan wanneer alleen de GGD uitnodigt.

Het onderzoek in 47 huisartspraktijken, die een goede afspiegeling geven van de Nederlandse bevolking, toont aan dat de opkomst per uitnodigingssysteem verschilt. Uitnodiging uitsluitend via de huisarts leidt tot de hoogste opkomst. De huisarts is, in tegenstelling tot de GGD, in staat om vooraf een selectie te maken van vrouwen die in aanmerking komen. Na een baarmoederverwijdering hoeven vrouwen bijvoorbeeld geen uitstrijkje meer te laten maken. Er kunnen ook ander redenen zijn (zwangerschap) om vrouwen tijdelijk buiten het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker te laten.

Het betrekken van meer huisartspraktijken bij het uitnodigen voor het bevolkingsonderzoek lijkt de aangewezen weg om de opkomst te verhogen.

Voor meer informatie kunt u kontakt opnemen met dr. J. Braspennig (024-3616338).


-balk.gif (1076 bytes)



22 november 1999

COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS EN OUDEREN LIJDT ONDER TIJDSDRUK

Verpleegkundigen en verzorgenden vinden een persoonlijk gesprek een belangrijk onderdeel van de zorgverlening aan ouderen. Wanneer ze echter onder tijdsdruk staan, komen ze minder toe aan gesprekken over onderwerpen die belangrijk zijn voor oudere cliënten. Als de tijd dringt, blijkt het sociale babbeltje over ditjes en datjes het te winnen van de professionele communicatie. Professionele communicatie omvat onder andere het bieden van voorlichting en het geven van psychosociale begeleiding . Het is denkbaar dat het praten over ditjes en datjes, vooral als men het druk heeft, wordt gebruikt om gesprekken over wezenlijke problemen te vermijden, omdat die meer tijd en aandacht vragen.Onder tijdsdruk tonen zorgverleners ook minder genegenheid, bemoediging, begrip en bezorgdheid voor de oudere cliënt. Dit blijkt uit het proefschrift van mevrouw W. Caris-Verhallen van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Zij verrichtte onderzoek in de thuiszorg en in een verzorgingshuis.

Het onderzoek vond plaats in een organisatie voor thuiszorg en in een verzorgingshuis. Daar werden 300 zorgcontacten op video opgenomen. Deze videobanden werden geobserveerd en geanalyseerd. Op deze wijze kon de communicatie tussen verplegenden en hun oudere cliënten in kaart worden gebracht.

Bijna de helft van de onderzochte communicatie tussen zorgverleners en cliënten bestond uit sociale conversatie: een grapje om het ijs te breken, een praatje over het weer en wat er op de televisie te zien was, enzovoort. Ook was bij de zorgverleners vaak gedrag te zien dat aangeeft dat je de ander begrijpt en aanvoelt (affectieve communicatie): aankijken, knikken, glimlachen en aanraken. Deze bevindingen weerspreken het beeld van de zorgverlener die oppervlakkig en louter functioneel omgaat met cliënten.

Doordat zorgverleners onder tijdsdruk meer neigen tot informele sociale conversatie dan tot professionele communicatie, kan de kwaliteit van de zorg in het gedrang komen. Juist omdat veel ouderen het moeilijk vinden om uit zichzelf over hun gevoelsleven of over problemen te praten, is het belangrijk dat de zorgverlener hen hiertoe uitnodigt. Daar is tijd voor nodig en die tijd moet dan ook beschikbaar zijn. Door het groeiend aantal ouderen, de toenemende wachtlijsten en de grotere vraag naar zorg komt dit steeds vaker in het gedrang.

Uit het proefschrift komt naar voren dat ouderen zeker behoefte hebben aan vriendelijkheid, gezelligheid, het delen van ervaringen en persoonlijke belangstelling. Door echter ook aandacht te schenken aan onderwerpen die aansluiten bij de belangstellingswereld van de oudere cliënt, kunnen zorgverleners meer bijdragen aan de kwaliteit van leven.

De verschillende vormen van communicatie moeten blijvend aandacht krijgen in opleiding, bijscholing en werkbegeleiding van zorgverleners, luidt een van de aanbevelingen van het proefschrift. Daarbij zouden zorgverleners kunnen leren hoe zij kunnen aansluiten op de persoonlijke behoeften van cliënten op het gebied van communicatie.

Sociale conversatie vervult dan wel een belangrijke rol in de omgang tussen zorgverlener en cliënt, omdat deze kan zorgen voor verstrooiing, afleiding, tijdverdrijf, 'nieuwsgaring' en het ontdekken van wederzijdse interesses. De vraag is echter wanneer dit type conversatie gewenst is, hoe deze wordt gebruikt en wat de cliënt eraan heeft. Deskundige communicatie is immers een voorwaarde voor het bieden van kwaliteitszorg aan ouderen. Temeer daar verpleegkundigen en verzorgenden een belangrijke rol spelen in de zorg aan ouderen met gezondheidsproblemen.

Meer informatie bij: mevr. dr. W. Caris-Verhallen, NIVEL Utrecht, tel 030-2729725/700, fax 030-2729729, e-mail: w.caris@nivel.nl


-balk.gif (1076 bytes)



18 november 1999

ALLOCHTONE OUDEREN EVEN GOED GEVACCINEERD TEGEN GRIEP ALS NEDERLANDSE OUDEREN

In het algemeen krijgen Turkse, Marokkaanse en Surinaamse ouderen vrijwel net zo vaak een griepprik als Nederlandse ouderen. Van de 55-plussers die tot een risicogroep behoren, wordt gemiddeld 79 procent gevaccineerd tegen griep. Dat geldt zowel voor Nederlandse als voor allochtone ouderen. Dat blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, dat plaatsvond in 16 huisartsenpraktijken met relatief veel allochtone patiënten. Dat is verrassend, want allochtonen maken verhoudingsgewijs weinig gebruik van preventie-programma's. Een oproep in de eigen taal zorgt voor een nog hogere vaccinatiegraad.

Verschillen tussen etnische groepen
Tot de risicogroepen voor griep behoren mensen met chronische aandoeningen als diabetes, hart- en longproblemen en nierziekten. In 1996 zijn alle personen van 65 jaar en ouder hieraan toegevoegd. Al ligt de vaccinatiegraad tegen griep gemiddeld hoog onder allochtone ouderen, tussen de etnische groepen zijn er wel verschillen. Gezonde Turkse 65-plussers, dus mensen zonder medische indicatie, zijn wat minder vaak gevaccineerd. Daarentegen zijn Marokkaanse en Surinaamse 65-plussers zonder medische indicatie vaker gevaccineerd dan hun Nederlandse leeftijdgenoten. Marokkaanse 65-plussers mét een medische indicatie zijn weer minder vaak ingeënt met een vaccin tegen griep.
De NIVEL-onderzoekers hebben ook gekeken naar de reden waarom men zich niet laat vaccineren. Allochtonen voeren vooral redenen van praktische aard aan: men verbleef elders, ontving geen uitnodiging of begreep die niet. Nederlanders zijn vaak bang voor bijwerkingen, zeggen dat ze nooit griep krijgen of menen dat een griepprik niet helpt.

De aanpak van de jaarlijkse griepcampagne is verschillend. Iets meer dan de helft van de huisartsenpraktijken stuurt een persoonlijke brief of oproepkaart. Iets minder dan de helft van de huisartsenpraktijken wees de patiënten nog eens extra op de griepprik door een poster of aankondiging in de wachtkamer. Een derde van de huisartsen herinnert patiënten tijdens het spreekuur aan de vaccinatie. De verschillende manieren van oproepen leiden echter niet tot verschillen in opkomst.

Maar weinig huisartsen nemen specifieke maatregelen om allochtone patiënten te bereiken. Toch zou hiermee nog winst te behalen zijn. Het onderzoek toont aan dat een oproep in de eigen taal de vaccinatiegraad verhoogt. Van de Turkse en Marokkaanse ouderen die een oproep, dan wel informatie in de eigen taal kregen, is 85 procent gevaccineerd. Voor degenen die verstoken bleven van een oproep of informatie in de eigen taal, geldt een percentage van 70. Een oproep in de eigen taal blijkt vooral voor 65-plussers effectief.

Deel: ' Tweede Nationale Studie in de huisartspraktijk gestart '




Lees ook