Ministerie van Financien

Titel: Uitleg begrip overbedeling

De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris het volgende besloten.

Besluit van 23 december 1998, DB98/4092M

Inleiding

Mij is gebleken dat er in de praktijk vragen zijn gerezen met betrekking tot de uitleg van het begrip overbedeling zoals dat in de artikelen 20b, tweede lid, respectievelijk 45, vijfde lid, ten 4e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is opgenomen. Deze vragen hebben betrekking op de aftrek van persoonlijke-verplichtingenrente in de situatie waarin sprake is van een schuld die is ontstaan tengevolge van het gebruikmaken van keuzelegaat tegen inbreng van de waarde (hierna: keuzelegaatschuld).

Hieronder geef ik aan op welke wijze de keuzelegaatschuld dient te worden uitgelegd voor de toepassing van de hiervoor vermelde bepalingen.

Beschrijving van de situatie

De notariële praktijk maakt in testamenten gebruik van het zogenoemde keuzelegaat tegen inbreng van de waarde. Hierbij wordt aan de legataris het recht verleend om een met name genoemd vermogensbestanddeel aan de boedel te onttrekken. Hiertegenover dient de legataris de waarde van dat vermogensbestanddeel aan de boedel te vergoeden. Deze vergoeding wordt in veruit de meeste gevallen schuldig gebleven. Bij de legataris ontstaat aldus een schuld aan de boedel ter grootte van de waarde van het aan de boedel onttrokken vermogensbestanddeel. De rente op die schuld wordt in de regel (enkelvoudig) bijgeschreven. De rente wordt voldaan op het tijdstip waarop de boedel wordt verdeeld.

De vraag is opgekomen of voor de toepassing van de artikelen 20b, tweede lid, respectievelijk 45, vijfde lid, ten 4e, van de Wet, een keuzelegaatschuld gelijk is te stellen aan een schuld wegens overbedeling.

Standpunt

Naar mijn oordeel zijn de hiervóór bedoelde schulden niet aan elkaar gelijk te stellen. Indien een vermogensbestanddeel aan een boedel wordt onttrokken tegen inbreng van de waarde blijft de boedel als zodanig in stand. Van een verdeling is derhalve geen sprake. Er kan evenmin sprake zijn van een schuld wegens overbedeling zolang de boedel in stand blijft.

De rente die betrekking heeft op een keuzelegaatschuld dient dan ook, voor zover geen sprake is van rente die betrekking heeft op een bron van inkomen, als reguliere persoonlijke-verplichtingenrente te worden aangemerkt. Dit houdt in dat deze in aftrek is gemaximeerd op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet.

Er kan zich een situatie voordoen waarbij door middel van een keuzelegaat meer aan een boedel wordt onttrokken dan waarop recht bestaat op grond van het testament of op grond van het wettelijk erfrecht. Bij scheiding en deling blijft dan een schuld bestaan bij degene die gebruik heeft gemaakt van het keuzelegaat. Voor zover deze schuld betrekking heeft op hetgeen te veel is onttrokken, ontmoet het bij mij geen bezwaar dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 20b, tweede lid, respectievelijk artikel 45, vijfde lid, ten 4e, van de Wet IB gelden. De hiervóór bedoelde situatie licht ik hieronder toe met een voorbeeld. Ter voorkoming van misverstand merk ik op dat het in artikel 20b, tweede lid, van de Wet, genoemde vereiste dat de verschuldigde rente eerst bij overlijden van de schuldenaar wordt verrekend met de inkomsten uit de (keuzelegaat-)schuld, onverkort geldt.

Voorbeeld:

Een nalatenschap bestaat uit 100: een schilderij ter waarde van 70 en contanten ter grootte van 30. Er zijn twee erven, X en Y. Beiden zijn voor gelijke delen gerechtigd tot de nalatenschap. Aan X is een keuzelegaat met betrekking tot het schilderij toegekend onder de voorwaarde de waarde in de boedel in te brengen. X maakt hiervan gebruik en blijft die inbreng schuldig. De (onverdeelde) boedel bestaat thans uit een vordering op X van 70 en de contanten van 30. Als X en Y overgaan tot scheiding en deling van de nalatenschap is het uitgangspunt dat een ieder recht heeft op 50%. In de praktijk zal de verdeling als volgt plaatsvinden: Y verkrijgt de contanten van 30 en een vordering op X van 20.

De schuld van X ter grootte van 20 wordt na de verdeling aangemerkt als een overbedelingsschuld als bedoeld in artikel 45, vijfde lid, ten 4e van de Wet.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat de legataris voor de financiering van een aanmerkelijkbelangpakket dat door middel van een keuzelegaat wordt verkregen de bijzondere maatregel van artikel 3d, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, deelachtig kan worden. In dat geval dient uiteraard wel aan de eisen van die bepaling te zijn voldaan.

Deel: ' Uitleg Financien inzake begrip overbedeling '




Lees ook