Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF0646 Zaaknr: R02/031HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 31-01-2003
Datum publicatie: 31-01-2003
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie

31 januari 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/031HR
JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. , en
2. ,
beiden wonende te ,

VERZOEKERS tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerders,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

1. ,
2. ,
3. ,
4. ,
5. ,
6. ,
7. ,
allen wonende te ,

VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen,

en

8. COÖPERATIEVE WOONVERENIGING DE MIDDELHORST U.A., gevestigd te Haren,

9. , wonende te ,

10. , wonende te ,

11. , wonende te ,

VERWEERDERS in cassatie, voorwaardelijk incidenteel verzoekers,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 november 1999 gedateerd verzoekschrift hebben verweersters in cassatie sub 8 tot en met 11 - verder te noemen: De Middelhorst c.s. - zich gewend tot de Kantonrechter te Groningen en verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen: Primair: doorhaling van de inschrijving in het handelsregister van het bestuur d.d. 18 juni 1996 en herstel van de inschrijving van het bestuur ;

Subsidiair: doorhaling van de inschrijving van het bestuur [verweerder 1] c.q. doorhaling van de aantekening, dat het bestuur tot 10 maart 1999 het bestuur van De Middelhorst was conform de beschikking van de Rechtbank te Groningen d.d. 12 februari 1999.

Verzoekers tot cassatie - verder te noemen: c.s. - hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 10 april 2000 De Middelhorst c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking hebben De Middelhorst c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.
Bij tussenbeschikking van 12 januari 2001 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter van 10 april 2000 vernietigd en c.s. en verweerders in cassatie sub 1 tot 7 - verder te noemen c.s. - toegelaten te bewijzen dat de convocaties voor de vergadering van 17 juni 1996 op 6 juni 1996 heeft opgesteld en verspreid. Bij eindbeschikking van 18 januari 2002 heeft de Rechtbank doorhaling van de inschrijving in het Handelsregister van het bestuur d.d. 18 juni 1996 gelast.
De beschikkingen van de Rechtbank van 12 januari 2001 en 18 januari 2002 zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van de Rechtbank hebben c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Middelhorst c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen. c.s. zijn in cassatie niet verschenen. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het principale beroep.
De advocaat van c.s. heeft bij brief van 21 november 2002 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 - 2.5.

3.2 Het gaat in cassatie om de vraag of, kort gezegd, de in de vergadering van De Middelhorst van 17 juni 1996 genomen besluiten, waaronder dat tot ontslag van het bestuur en benoeming van een tijdelijk bestuur onder voorzitterschap van (het bestuur ), geldig zijn. In haar eindbeschikking van 18 januari 2002 heeft de Rechtbank voormelde vraag ontkennend beantwoord. Op grond daarvan heeft zij de doorhaling gelast van de inschrijving in het handelsregister van het bestuur d.d. 18 juni 1996.

3.3 Onderdeel 1 richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen hetgeen de Rechtbank in rov. 4.4 van haar tussenbeschikking en daarop voortbouwend in haar eindbeschikking heeft overwogen, te weten dat niet-inachtneming van de in art. 47 van de statuten van De Middelhorst genoemde oproepingstermijn voor de algemene vergadering van 17 juni 1996 meebrengt dat de in die vergadering genomen besluiten nietig zijn. De sanctie op niet-naleving van een dergelijk procedureel voorschrift is, aldus het middel, op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW vernietigbaarheid van het besluit. In rov. 4.3 van haar tussenbeschikking heeft de Rechtbank als stelling van appellanten - De Middelhorst c.s. - vermeld dat de oproeping van 6 juni 1996 vals is, althans niet als een oproeping overeenkomstig de statuten kan worden beschouwd, nu deze niet van is uitgegaan, hetgeen door geïntimeerden wordt betwist. De in deze rechtsoverweging genoemde stukken - een kopie van een convocatie van 6 juni 1996 met in de kop de naam van , maar zonder diens handtekening, alsmede een brief van van 7 juni 1996, waarin deze te kennen geeft niet te hebben voldaan aan het verzoek van de vergadering om een oproep voor de volgende vergadering te doen uitgaan - geven de Rechtbank "een vermoeden van juistheid van de stelling van appellanten". Na te hebben overwogen dat noch is gesteld noch is gebleken dat andere leden overeenkomstig art. 45 van de statuten het initiatief tot het bijeenroepen van een tweede vergadering hebben genomen, heeft de Rechtbank c.s. toegelaten te bewijzen dat "de convocaties voor de vergadering 17 juni 1996 op 6 juni 1996 heeft opgesteld en verspreid". Daaraan heeft zij toegevoegd dat, zo zij daarin niet slagen, de besluiten die in deze vergadering worden genomen, op grond van de statuten als nietig dienen te worden beschouwd. In haar eindbeschikking van 18 januari 2002 heeft de Rechtbank geoordeeld dat c.s. niet in het bewijs waren geslaagd.

3.4 Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen moet aldus worden verstaan dat vaststaat dat anderen dan niet het initiatief hebben genomen tot het bijeenroepen van de vergadering van 17 juni 1996, dat zij voors- hands uitgaat van de juistheid van de stelling van De Middelhorst c.s. dat de oproep voor deze vergadering ook niet van is uitgegaan, en dat c.s. niet zijn geslaagd in het bewijs dat de convocatie heeft doen uitgaan en dat hij dit tijdig heeft gedaan. Dit een en ander is in cassatie niet bestreden. Nu hierin als oordeel van de Rechtbank besloten ligt dat de vergadering van 17 juni 1996 niet bevoegd is bijeengeroepen, en deze grond de slotsom dat de in die vergadering genomen besluiten nietig zijn, zelfstandig kan dragen, kan onderdeel 1 bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en moet het lot daarvan delen.

3.5 Het incidenteel beroep behoeft geen behandeling, nu de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principaal beroep;
veroordeelt c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Middelhorst c.s. begroot op EUR 252,69 aan verschotten en EUR 1.135,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 31 januari 2003.


*** Conclusie ***

Nr. R02/031HR
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 14 november 2002

Conclusie inzake

1. (1), en
2.

tegen

1. De coöperatie Coöperatieve Woonvereniging De Middelhorst u.a., 2. ,
3. , en
4.

1. Inleiding

1.1. De procedure in cassatie vindt haar oorsprong in een conflict rond 1996 in de Woonvereniging De Middelhorst te Haren (Gr.) over o.m. jaarrekeningen, hetgeen escaleerde tot (pogingen tot) het bijeenroepen van ledenvergaderingen, waarbij het vertrouwen in het bestuur resp. de benoeming van een nieuw bestuur aan de orde was. De onderhavige procedure is een hoofdprocedure (niet de eerste) met als inzet welk bestuur nu als het bestuur van De Middelhorst moet gelden: het oorspronkelijke 'bestuur ', inmiddels 'bestuur ', of het in 1996 benoemde 'bestuur [verweerder 1]'. Verzoekers in cassatie c.s. komen op voor het bestuur- , verweersters in cassatie De Middelhorst c.s. voor het bestuur resp. het bestuur .

1.2. De juridische hoofdvraag die in het cassatiemiddel zijdens c.s. aan de orde wordt gesteld, is of het besluit waarbij het bestuur werd benoemd, genomen ter algemene vergadering van 17 juni 1996, nietig is, dan wel vernietigbaar is geweest maar dat inmiddels niet meer is. Bij de beantwoording van die vraag hebben c.s. evenwel geen belang, indien verweerders gelijk hebben dat de afwijzing van hun verzoek mede op een andere, zelfstandig dragende grond in de beschikking(en) van de rechtbank berust, waartegen in cassatie niet is opgekomen.

1.3. Dat de partijen niet op de gedachte zijn gekomen om de gebeurtenissen door de jaren heen samen te vatten in een chronologisch overzicht op één A4-tje, is begrijpelijk. Eén A4-tje zou niet toereikend zijn. Een toch nog nét tot die omvang beperkt summier overzicht dat mij zelf enige steun bood, geeft ik, overigens pretentieloos, op de volgende bladzijde.(2)

Chronologisch overzicht
Enige data: Enige gebeurtenissen: Commentaar:

Tot in 1996 Bestuur van De Middelhorst zit 11-05-96 Vergeefs verzoek aan bestuur om A.V. 15-05-96 idem
25-05-96 Eigen oproep tot A.V.
06-06-96 Geen quorum; machtiging tot oproeping tweede vergadering zie bij 12-01-01
17-06-96 Vergadering: ontslag bestuur en benoeming bestuur
18-06-96 Inschrijving bestuur in Handelsregister 12-07-96 A.V.; ontslag bestuur ; bestuurder a.i.
15-07-96 Inschrijving in Handelsregister 19-07-06 uitgeschreven; wederinschrijving bestuur

01-08-96 bestuur uitgeschreven; wederinschrijving bestuur
25-09-96 wederinschrijving bestuur 03-01-97 bestuur uitgeschreven; inschrijving bestuur

26-05-97 Verzoek van cs aan Ktr. tot wederinschrijving bestuur
07-05-98 Afwijzing door Kantonrechter
12-02-99 Toewijzing door Rechtbankgeen cassatieberoep 10-03-99 Ledenvergadering benoemt weer bestuur zie bij 10-05-00
10-05-00 Arrest hof Leeuwarden in k.g.: besluit 10-03-99 ongeldig; bestuur heeft nog steeds te gelden als bestuur

01-11-99 Verzoek van Middelhorst cs aan Ktr. tot herstel inschrijving bestuur
10-04-00 Niet-ontvankelijkverklaring door Ktr.
12-01-01 Rb.: wel ontvankelijk; bewijsopdracht aan c.s. dat de convocaties voor de vergadering van 17-06-96 heeft opgesteld en verspreid.
18-01-02 Eindbeschikking Rb.:

- probandum genuanceerd

- oproeping voor vergadering 17-06-96 was niet in orde
- daar genomen besluiten derhalve nietig

- wederdoorhaling bestuur
17-04-02 Verzoekschrift in cassatie

2. Feiten

2.1. 'Uitgeschreven', en met enige details meer of minder, kan in cassatie worden uitgegaan van de volgende feiten.

2.2. Bij brief van 11 mei 1996 heeft het toenmalige bestuur van de Coöperatieve Woonvereniging De Middelhorst u.a. (hierna: De Middelhorst) verzocht een algemene vergadering uit te schrijven. Het bestuur heeft dat verzoek naast zich neergelegd. Daarop heeft op 15 mei 1996 een aangepaste versie van het verzoek bij het bestuur ingediend. Ook dat verzoek heeft het bestuur afgewezen. Als reactie daarop heeft met anderen vervolgens op 25 mei 1996 een oproep doen uitgaan voor een algemene vergadering op 6 juni 1996.

2.3. Op de vergadering van 6 juni 1996 was geen quorum aanwezig, zodat er om tot besluitvorming te komen een nieuwe vergadering moest worden uitgeschreven. Een zekere is op de vergadering van 6 juni 1996 conform art. 45 van de statuten van De Middelhorst door een negental leden gemachtigd een tweede vergadering bijeen te roepen tegen 17 juni 1996.

2.4. Op de vergadering van 17 juni 1996 is het besluit genomen tot ontslag van het bestuur en is een tijdelijk bestuur benoemd, onder voorzitterschap van (het bestuur ).
Deze wijziging is op 18 juni 1996 ingeschreven in het handelsregister.(3) Nadien is de inschrijving in het handelsregister nog enige malen gewijzigd. De Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft het bestuur op 1 augustus 1996 (opnieuw) ingeschreven.

2.5. Bij verzoekschrift, ingekomen op 26 mei 1997, hebben (o.m.) c.s. de kantonrechter te Groningen verzocht de inschrijving in het handelsregister te wijzigen in die zin dat het bestuur wordt (her)ingeschreven als bestuur van De Middelhorst. Wederpartij in deze procedure was de KvK. De kantonrechter heeft het verzoek bij beschikking van 7 mei 1998 afgewezen.(4) De rechtbank te Groningen heeft het verzoek in hoger beroep evenwel bij beschikking van 12 februari 1999 toegewezen.(5)

3. Procesverloop

3.1. De onderhavige procedure is niet dezelfde als die vermeld onder 2.5, maar een in 1999 gestarte nieuwe hoofdprocedure.

3.2. In de nu te beoordelen zaak hebben De Middelhorst c.s. de kantonrechter te Groningen bij inleidend verzoekschrift van 1 november 1999 verzocht om:

'primair: doorhaling van de inschrijving in het handelsregister van het bestuur d.d. 18 juni 1996 en herstel van de inschrijving van het bestuur ;
subsidiair: doorhaling van de inschrijving van het bestuur [verweerder 1] c.q. doorhaling van de aantekening dat het bestuur tot 10 maart 1999 het bestuur van de CWV was conform de beschikking van de rechtbank te Groningen d.d. 12 februari 1999.'

3.3. De kantonrechter heeft De Middelhorst c.s. bij beschikking van 10 april 2000 niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek omdat dit ertoe strekte de beschikking van de rechtbank te Groningen van 12 februari 1999 aan te tasten, terwijl verzuimd was (als belanghebbende) een verweerschrift in te dienen, resp. een rechtsmiddel aan te wenden tegen de - aan die beschikking voorafgaande - beschikking van de kantonrechter te Groningen van 7 mei 1998 (vermeld onder 2.5).

3.4. De Middelhorst c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen.
De rechtbank heeft De Middelhorst c.s. bij (tussen-)beschikking van 12 januari 2001 alsnog ontvankelijk verklaard in hun inleidend verzoek, nu zij geen partij waren in de procedure tegen de KvK, de kantonrechter hen niet als belanghebbenden heeft aangemerkt en voorts onweersproken is gebleven dat zij nimmer van het inleidende verzoekschrift in die procedure kennis hebben gehad (rov. 1).

3.5. De rechtbank heeft c.s. in deze (tussen)beschikking in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat overeenkomstig het hiervoor in § 2.3 gereleveerde, de convocaties voor de vergadering van 17 juni 1996 heeft opgesteld en verspreid.

3.6. De rechtbank heeft in haar (eind)beschikking van 18 januari 2002 (kort gezegd) overwogen dat het probandum van de bewijsopdracht kon worden genuanceerd (rov. 3), maar dat c.s. niettemin in het door hen te leveren bewijs niet waren geslaagd (rov. 6). De rechtbank heeft het primair door De Middelhorst c.s. verzochte alsnog toegewezen, en de doorhaling gelast van de inschrijving (d.d. 18 juni 1996) in het handelsregister van het bestuur .

3.7. c.s. hebben (tijdig)(6) cassatieberoep ingesteld tegen de beide beschikkingen van de rechtbank. De Middelhorst c.s. hebben verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. c.s. hebben zich tegen het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep verweerd.

4. Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep

4.1. De klacht van onderdeel 1 luidt dat de rechtbank rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft overwogen dat het gegeven, dat de oproep voor de vergadering van 17 juni 1996 niet binnen de in art. 47 van de statuten genoemde termijn is verspreid, tot nietigheid leidt van de op de vergadering van 17 juni 1996 genomen besluiten. Het onderdeel voert aan dat de niet-inachtneming van de termijn ex art. 2:15 lid 1 aanhef en onder a BW tot vernietigbaarheid leidt.

4.2. De Middelhorst c.s. hebben zich tegen het ingestelde cassatieberoep primair verweerd met een beroep op gebrek aan belang: er is volgens hen een andere, zelfstandig dragende afwijzingsgrond(7) die c.s. onbestreden hebben gelaten. De Middelhorst c.s. lezen in de beschikkingen van de rechtbank - naast het oordeel dat de oproeping niet tijdig en daardoor in strijd met art. 47 van de statuten is geschied - namelijk als tweede oordeel dat de vergadering niet, althans niet bevoegd is bijeengeroepen, en dat daardoor sprake is van strijd met art. 45 van de statuten, zodat de besluiten (ook) om die reden nietig zijn.

4.3. Dit verweer vergt een uitleg van het oordeel van de rechtbank.

4.4. De rechtbank overweegt in haar (tussen)beschikking van 12 januari 2001 in rov. 4.3:

'Voorts stellen appellanten dat de oproeping van 6 juni 1996 vals is, althans niet als een oproeping overeenkomstig de statuten kan worden beschouwd, nu die niet van is uitgegaan, hetgeen door geïntimeerden wordt betwist. Het staat vast dat het quorum op de vergadering van 6 juni 1996 niet aanwezig was, zodat er om tot besluitvorming te komen een nieuwe vergadering moest worden uitgeschreven. Als gesteld en niet weersproken moet er van worden uitgegaan dat ter vergadering van 6 juni 1996 overeenkomstig artikel 45 van de statuten door een negental leden is gemachtigd een tweede vergadering bijeen te roepen en wel tegen 17 juni 1996. In het procesdossier bevindt zich een kopie van een convocatie van 6 juni 1996 met in de kop de naam van voornoemde , maar zonder diens handtekening. Daarnaast bevindt zich in het procesdossier een wel ondertekende brief van van 7 juni 1996, waarin deze te kennen geeft niet aan het verzoek van de vergadering om een oproep voor de volgende vergadering te doen uitgaan te hebben voldaan. Deze twee stukken in samenhang bezien geven de rechtbank een vermoeden van juistheid van de stelling van appellanten. Nu noch is gesteld, noch is gebleken dat andere leden overeenkomstig het bepaalde in artikel 45 van de statuten het initiatief tot het bijeenroepen van een tweede vergadering hebben genomen, zal de rechtbank geïntimeerden opdragen te bewijzen dat de oproep van 6 juni 1996 door is opgesteld en verspreid.'

De rechtbank vervolgt in rov. 4.4:

'Slagen zij in dat bewijs dan moet de vergadering van 17 juni 1996 geacht worden rechtsgeldig te zijn bijeengeroepen. Zo zij daarin niet slagen dan dienen de besluiten die op deze vergadering zijn genomen op grond van de statuten als nietig te worden beschouwd.
Op grond van de hiervoor geformuleerde overwegingen zal de rechtbank geïntimeerden toelaten tot het bewijs, zoals in het dictum nader omschreven.
Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.'

De bewijsopdracht luidt:

'laat geïntimeerden toe te bewijzen dat de convocaties voor de vergadering van 17 juni 1996 op 6 juni 1996 heeft opgesteld en verspreid.'

4.5. Na een weergave van hetgeen in het kader van de bewijslevering (mede in contra-enquête) is voorgebracht, oordeelt de rechtbank in rov. 6 van de eindbeschikking:

'Naar het oordeel van de rechtbank zijn geïntimeerden er niet in geslaagd (tegen)bewijs te leveren van het in rechtsoverweging 4.3 van de beschikking van 12 januari 2001 aangenomen vermoeden van de juistheid van de stelling van appellanten. De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder dat in casu sprake is van niet onder ede afgelegde onderhandse schriftelijke verklaringen die twee jaar na dato zijn opgemaakt en door eerder genoemde vrouwen van hun handtekening zijn voorzien, terwijl niet duidelijk is geworden wie deze verklaringen heeft geredigeerd. Verder is de rechtbank van oordeel dat het (voorshands) door haar aangenomen bewijs terzake van de juistheid van de stelling van appellanten is bevestigd door de in contra-enquête onder ede afgelegde consistente verklaring van getuige [betrokkene 2].'

4.6. Over een en ander valt meer te lezen in rovv. 4 en 5 van de eindbeschikking van de rechtbank. Gemakshalve kort samengevat, ging het om:

- een door twee dames ( en ) ondertekende verklaring d.d. 5 juni 1998 dat zij de door (schoonzoon van ) opgemaakte oproepingsbrief d.d. 6 juni 1996, persoonlijk aan alle leden van de CWV De Middelhorst te Haren deur aan deur hebben bezorgd
[de rechtbank vond deze verklaring dus onvoldoende vertrouwenwekkend, zie boven, A-G];

- de verklaring van voornoemde zelf, erop neerkomend dat hij de oproepingsbrief wél had geredigeerd maar niet had verspreid, doch de vrijdag daarop, vanuit zijn woonplaats aan had meegegeven.

4.7. De rechtbank overweegt concluderend in rov. 8:

' Gelet op hetgeen hiervoor verder is overwogen, alsmede op grond van het in rechtsoverweging 4.4. van de tussenbeschikking van 12 januari 2001 overwogene, zal de rechtbank het verzoek van appellanten in primo alsnog toewijzen, nu in de vergadering van 17 juni 1996 het besluit is genomen tot erkenning van het bestuur als bestuur van de Coöperatieve Woonvereniging "De Middelhorst" U.A. '

4.8. Nu de rechtbank het aan c.s. opgelegde bewijs niet geleverd achtte (rov. 6), en nu zij daaraan (in lijn met de beslissing in de tussenbeschikking d.d. 12 januari 2001, rov. 4.4) de conclusie verbond:

'Zo zij daarin niet slagen dan dienen de besluiten die op deze vergadering [sc.: de vergadering van 17 juni 1996] zijn genomen op grond van de statuten als nietig te worden beschouwd.',

gaat het 'geen-belang'-verweer van De Middelhorst c.s. m.i. inderdaad op.
Ook al zouden de klachten tegen het oordeel van de rechtbank dat handelen in strijd met art. 47 van de statuten i.v.m. de vergadering van 17 juni 1996 geen nietigheid oplevert, doch slechts vernietigbaarheid (waarop thans geen beroep meer kan worden gedaan)(8) gegrond zijn, dan doet dat niet af aan het volgende.

4.9. Niet aangevochten in cassatie zijn de eerder geciteerde r.ovv. 4.3 en 4.4 van de (tussen)beschikking, en de r.ovv. 1, 6 en 8 (waaronder de zinsnede: 'alsmede op grond van het in rechtsoverweging 4.4 van de tussenbeschikking van 12 januari 2001 overwogene') van de (eind)beschikking.
Daarmee blijft overeind het in cassatie niet aangevochten eindoordeel dat, nu de bewijsopdracht niet geslaagd is - integendeel, vgl. rov. 6 van de (eind)-beschikking - de besluitvorming ter vergadering van 17 juni 1996 nietig is (vgl. r.ovv. 4.3 en 4.4 (tussen)beschikking).

4.10. Middelonderdeel 1 kan derhalve niet tot cassatie leiden. Middelonderdeel 2 dat voortbouwt op middelonderdeel 1, moet het lot daarvan delen.

5. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

5.1. Nu de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld niet vervuld is, behoeft dat niet te worden behandeld.

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep.

De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Het inleidende verzoekschrift in cassatie en het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep spreken m.i. per abuis van . Zie bijv. het uittreksel uit het handelsregister (prod. 3 bij het inl. verzoekschrift).
In de vorige instantie waren er acht mede-geïntimeerden, waaronder de nader te noemen ; deze zijn blijkens de beschikking van de rechtbank van 12 januari 2001 niet verschenen. 2 Mede gebaseerd op prod. 3 bij het inl. verzoekschrift: uittreksel handelsregister d.d. 03-02-'97.
3 Prod. 3 bij het inleidend verzoekschrift (p. 4). 4 Prod. 2 bij de akte van c.s. d.d. 30 maart 2001. 5 Ibidem, alsmede prod. 15 bij het inl. verzoekschrift. 6 Art. 426 Rv. (nw).
7 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 159, pp. 291-293. 8 Ik denk dat de cassatie-advocaat van c.s. sterke argumenten hiertoe heeft opgebracht, maar wegens het afstuiten op het belangvereiste, zie ik af van een nadere evaluatie daarvan.

Deel: ' Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer AF0646 Zaaknr R02/031HR '




Lees ook