Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF1487 Zaaknr: R02/068HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 21-02-2003
Datum publicatie: 21-02-2003
Soort zaak: civiel - personen-en familierecht
Soort procedure: cassatie

21 febuari 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/068HR
JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

, wonende te ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

1. , en
2. ,
beiden wonende te ,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 juli 2001 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift hebben verweerders in cassatie - verder te noemen: de pleegouders - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de adoptie van , op 19 mei 1985 geboren uit een relatie van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - met
- verder te noemen: de moeder - uit te spreken. De vader is niet ter terechtzitting verschenen. De Rechtbank heeft bij beschikking van 6 november 2001 het verzoek van de pleegouders toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
De pleegouders hebben een verweerschrift ingediend. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter mondelinge behandeling.
Bij beschikking van 18 juni 2002 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De pleegouders hebben verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Molmaker strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 18 december 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Uit de relatie van de vader met , de moeder, is op 19 mei 1985 een zoon, , geboren. De moeder had van rechtswege het gezag over . De vader heeft erkend. (ii) In oktober 1989 is wegens psychische problemen van de moeder onder toezicht gesteld. Sinds 1990 woont in het gezin van de pleegouders. Nadien is er enige tijd omgang geweest tussen de vader en . De omgangsregeling is in 1992 beëindigd.
(iii) Tussen 2 november 1989 en 3 februari 1993 was de vader voogd over . Bij beschikking van laatstgenoemde datum is de vader van de voogdij ontheven en is (thans) de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht benoemd tot voogdes over . Bij beschikking van 28 april 1999 zijn de pleegouders met de voogdij belast.

3.2 De pleegouders van hebben adoptie van verzocht. De vader heeft de Rechtbank bij aangetekend schrijven van 28 september 2001 uitstel van de behandeling gevraagd en meegedeeld dat hij in geen geval zou instemmen met adoptie. De Rechtbank heeft het verzoek tot adoptie ter zitting van 5 oktober 2001 behandeld en bij beschikking van 6 november 2001 het verzoek van de pleegouders toegewezen. In de beschikking heeft zij opgenomen dat de vader behoorlijk is opgeroepen, maar niet is verschenen. Voorts heeft zij overwogen dat de vader geen verweer heeft gevoerd. Op het hoger beroep van de vader heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het Hof heeft in rov. 4.5 overwogen dat de adoptie kennelijk in het belang van is. Het heeft vervolgens in rov. 4.6 overwogen dat zulks onvoldoende is om het verzoek zonder meer toe te wijzen, daar niet aan de voorwaarden van art. 1:228 BW is voldaan nu de vader het verzoek tegenspreekt, en aan dit vetorecht alleen voorbij kan worden gegaan als sprake is van een van de situaties als omschreven in art. 1:228 lid 2 BW of als de ouder door tegen te spreken misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Het Hof heeft dit laatste onderzocht (rov. 4.7 - 4.8) en in rov. 4.9 geoordeeld: "Het voorgaande brengt het Hof tot de volgende conclusie. Het vetorecht is weliswaar aan de ouder toegekend omdat adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, maar de ouder behoort bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar te laten wegen. Hiervan uitgaande komt het hof, gelet op alle hiervoor onder 4.7 en 4.8 genoemde omstandigheden, tot het oordeel dat de vader misbruik van zijn vetorecht maakt door zich daarop te beroepen omdat hij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang bij de uitoefening van dat recht en het belang van bij de adoptie, in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht had kunnen komen. Daarbij neemt het Hof in het bijzonder in aanmerking dat zeer lange tijd door adoptanten is verzorgd en opgevoed, dat , die thans 17 jaar is, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de feitelijke gezinssituatie geformaliseerd wenst te zien, dat de moeder met zijn wens instemt en dat de vader reeds jarenlang geen contact van enige betekenis met hem heeft gehad, terwijl geen contact met hem wenst."

3.4 Middel II betoogt in de eerste plaats dat het oordeel van het Hof dat de vader misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tegenspraak onjuist is, omdat alleen op de in art. 1:228 lid 2 BW genoemde gronden aan tegenspraak van een ouder voorbij kan worden gegaan. Het middel faalt op dit punt. Van de bevoegdheid van de ouder die met het kind in familierechtelijke betrekking staat, het verzoek tot adoptie tegen te spreken, kan misbruik worden gemaakt (vgl. voor het vóór 1 april 1998 geldende adoptierecht HR 20 mei 1994, nr. 8409, NJ 1994, 626 en HR 19 mei 2000, nr. R99/098, NJ 2000, 455). Op 1 april 1998 is een nieuw art. 1:228 BW in werking getreden. Ook in dit artikel is als voorwaarde voor adoptie opgenomen dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt (art. 1:228 lid 1 onder d); voorts is een tweede lid aan het artikel toegevoegd waarin de gronden zijn vermeld waarop aan die tegenspraak kan worden voorbijgegaan. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van het op 1 april 1998 in werking getreden art. 1:228 BW, is naast de in het tweede lid genoemde gronden de mogelijkheid blijven bestaan om tegenspraak van de ouder te passeren op de grond dat hij van deze bevoegdheid misbruik maakt (zie de vindplaatsen vermeld in de conclusie van de Advocaat - Generaal, nrs. 2.2.2 en 2.2.3). Het Hof is derhalve in rov. 4.6 van een juiste maatstaf uitgegaan.

3.5 Ook de overige in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 februari 2003.


*** Conclusie ***

Rekestnr. R02/068
Mr. J. K. Moltmaker
Parket, 6 december 2002
Adoptie

Conclusie inzake

tegen

1. EN
2.

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 Verzoeker tot cassatie, de vader, heeft een relatie gehad met [de moeder], de moeder. Uit deze relatie is op 19 mei 1985 een zoon, [het kind], geboren. De moeder had van rechtswege gezag over . De vader heeft erkend.

1.2 is in oktober 1989 in verband met psychische problemen van de moeder onder toezicht gesteld. Sinds september 1990 woont [het kind] in het gezin van verweerders in cassatie, de pleegouders. Nadien is er enige tijd omgang geweest tussen de vader en . De omgangsregeling is in 1992 beëindigd.

1.3 Tussen 2 november 1989 en 3 februari 1993 was de vader voogd over . Bij beschikking van laatstgenoemde datum is de vader van de voogdij ontheven en werd (thans) de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht benoemd tot voogdes over . Bij beschikking van 28 april 1999 werden de pleegouders met de voogdij belast.

1.4 Bij verzoekschrift, ingekomen op 2 juli 2001, hebben de pleegouders de rechtbank te Arnhem verzocht de adoptie van uit te spreken.

1.5 De vader is bij brief van 14 september 2001 opgeroepen te verschijnen op de mondelinge behandeling die zou plaatsvinden op 8 oktober 2001. De vader heeft bij aangetekende brief d.d. 28 september 2001 (zie bijlagen bij de pleitaantekeningen in hoger beroep van de raadsman van de vader) de rechtbank verzocht tot uitstel van de procedure. Hij voerde daartoe aan dat hij in tijdnood kwam. In deze brief heeft de vader voorts geschreven dat hij in geen geval akkoord zal gaan met adoptie.

1.6 De rechtbank heeft het verzoek van de pleegouders tot adoptie van toegewezen bij beschikking van 6 november 2001. Zij heeft in haar beschikking opgenomen dat de vader behoorlijk is opgeroepen, maar niet is verschenen ter zitting. Voorts heeft zij overwogen dat de vader geen verweer heeft gevoerd.

1.7 De vader is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. De pleegouders hebben een verweerschrift ingediend. De moeder is opgeroepen, maar niet verschenen ter mondelinge behandeling.

1.8 Het hof heeft bij beschikking van 18 juni 2002 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe, nadat het in rov. 4.5 had overwogen dat de adoptie in het kennelijk belang van is, onderzocht of de vader misbruik maakt van zijn bevoegdheid om het adoptieverzoek tegen te spreken. Die vraag heeft het hof bevestigend beantwoord in rov. 4.6 tot en met 4.9:

"4.6 Dat de beoogde adoptie in het kennelijk belang van is, is evenwel onvoldoende om het verzoek tot adoptie zonder meer toe te wijzen. Aan de voorwaarden, die artikel 1:228 BW aan adoptie stelt, is in het onderhavige geval immers niet zonder meer voldaan, nu de vader het verzoek tegenspreekt. Aan dit vetorecht kan alleen worden voorbijgegaan als sprake is van een van de situaties als omschreven in artikel 1:228 lid 2 BW of als de ouder door tegen te spreken misbruik maakt van zijn bevoegdheid.

4.7 Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat de sporadische ontmoetingen tussen de vader en gedurende de laatste 10 jaar met name hebben plaatsgevonden in het kader van familieaangelegenheden waarbij de vader en geen persoonlijk contact hebben gehad. verklaarde tijdens zijn verhoor door het hof dat hij vanaf zijn zesde of zevende jaar al geen contact meer heeft gehad met de vader. Daarbij komt dat bijna twaalf jaar wordt verzorgd en opgevoed in het gezin van verweerders, dat hij reeds geruime tijd de geslachtsnaam van verweerders in het maatschappelijk verkeer gebruikt, dat hij ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven adoptie door verweerders graag te willen en de band met zijn biologische vader graag wil verbreken, dat hij verweerders ook als zijn feitelijke ouders ziet en hen vader en moeder noemt, hij door hen altijd liefdevol is behandeld en zich in het gezin van verweerders geborgen voelt. Al deze aspecten hebben ertoe geleid dat zijn feitelijke situatie geformaliseerd wil zien zodat hij ook ná zijn op handen zijnde meerderjarigheid volledig lid van de familie van verweerders zal zijn. De moeder heeft geen bezwaar tegen voormelde adoptie. Daartegenover stelt de vader dat hij instandhouding van de familierechtelijke betrekkingen met wenst omdat toewijzing van het adoptieverzoek, in de gegeven omstandigheden, de laatste stap zou zijn in een proces van ouderverstoting waarmee de oorspronkelijke herkomst van wordt ontkend dan wel genegeerd en daarmee een vitaal aspect van zelf. Daarom kan een adoptie niet in het belang van zijn ondanks het feit dat hij vanaf september 1990 in het gezin van verweerders verblijft.

4.8 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader als antwoord op de vraag van het hof welke gevolgen hij beoogt met zijn tegenspraak tegen de adoptie van door verweerders verklaard dat [het kind] is gehersenspoeld en dat een deskundige onderzoek daarnaar dient uit te voeren. Het hof gaat aan deze stelling voorbij nu tijdens het verhoor van door het hof geen enkel spoor van de juistheid van het door de vader gestelde is gesignaleerd. Ook uit eerdere onderzoeken die in het kader van de verschillende tussen partijen gevoerde procedures hebben plaatsgevonden is daarvan nimmer iets gebleken.

4.9 Het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusie. Het vetorecht is weliswaar aan de ouder toegekend omdat adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, maar de ouder behoort bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar te laten wegen. Hiervan uitgaande komt het hof, gelet op alle hiervoor onder 4.7 en 4.8 genoemde omstandigheden, tot het oordeel dat de vader misbruik van zijn vetorecht maakt door zich daarop te beroepen omdat hij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang bij de uitoefening van dat recht en het belang van bij de adoptie, in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht had kunnen komen. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat zeer lange tijd door adoptanten is verzorgd en opgevoed, dat , die thans 17 jaar is, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de feitelijke gezinssituatie geformaliseerd wenst te zien, dat de moeder met zijn wens instemt en dat de vader reeds jarenlang geen contact van enige betekenis met hem heeft gehad, terwijl geen contact met hem wenst."

1.9 De vader heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. De pleegouders hebben een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1 Middel I

2.1.1 Middel I bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op de grieven van de vader dat de rechtbank had moeten reageren op zijn verzoek tot uitstel en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen verweer heeft gevoerd, nu hij immers bij de in punt 1.5 vermelde brief verweer heeft gevoerd.

2.1.2 De desbetreffende grieven zijn voor het eerst bij mondelinge behandeling naar voren gebracht. De rechter mag op grieven die in een zo laat stadium worden voorgedragen niet ingaan tenzij de wederpartij ondubbelzinnig in de behandeling daarvan heeft toegestemd, H. J. Snijders / A. Wendels, Civiel appel, 1999, nrs. 397 en 208. Een uitzondering heeft de Hoge Raad gemaakt voor alimentatieprocedures omdat wijziging daar steeds mogelijk is, HR 26 april 1991, NJ 1992,407, m.nt. JBMV.

2.1.3 Uit de beschikking van het hof noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat de pleegouders hebben ingestemd met de behandeling van deze grieven. Ook in cassatie wordt zulks niet verdedigd. Het hof heeft deze grieven derhalve terecht buiten beschouwing laten.

2.1.4 Gezien het voorgaande faalt middel I. Het is dan ook ten overvloede dat ik er nog het volgende over opmerk.

2.1.5 Art. 429h (oud) Rv., dat op 1 januari 2002 is vervangen door art. 282 Rv. (Wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 623), bepaalde dat een verweerschrift, behalve bij in de wet genoemde, hier niet van toepassing zijnde gevallen, door tussenkomst van een procureur dient te worden ingediend. Voor zover de brief van de vader van 28 september 2001 bedoeld was als verweerschrift, mocht de rechtbank daarop geen acht slaan nu dat niet was ondertekend door een procureur.

2.1.6 De vader is niet verschenen ter zitting. Een veto zoals bedoeld in art. 1:228, eerste lid, sub d BW kan alleen in persoon en ten overstaan van de rechter worden uitgesproken, HR 6 juni 1958, NJ 1958, 375 en HR 20 mei 1994, NJ 1994,626, m.nt. WH-S. Het stond de rechtbank dan ook niet zonder meer vrij de inhoud van de brief van de vader van 28 september 2001 in haar overwegingen te betrekken.

2.1.7 Aan de vereisten van art. 6 EVRM is voldaan nu de vader in appel is gehoord, zodat een eventueel verzuim in eerste instantie is hersteld. Vermeld zij ten slotte dat uit art. 6 EVRM niet het recht op behandeling in twee instanties valt af te leiden, HR 17 november 1989, NJ 1990,496, m.nt. JBMV, HR 24 april 1992, NJ 1992,672, m.nt. PAS, HR 26 november 1999, NJ 2000,210, m.nt. PAS en HR 19 januari 2001, NJ 2001, 232.

2.2 Middel II

2.2.1 Middel II is gericht tegen rov. 4.5 tot en met 4.9 van de beschikking van het hof, maar bevat slechts klachten over het oordeel van het hof dat de vader misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tegenspraak. Dat oordeel is volgens de vader rechtens onjuist omdat alleen op de in art.1:228, tweede lid BW genoemde gronden aan tegenspraak van een ouder voorbijgegaan kan worden. Uit oogpunt van kinderbescherming is er geen reden om de familierechtelijke betrekkingen tussen en de vader te verbreken nu het gezag bij de pleegouders rust en de vader noch de moeder daaraan willen tornen. In ieder geval is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de vader geen enkel rechtens te respecteren belang heeft bij de uitoefening van zijn vetorecht, zo luidt de klacht.

2.2.2 In zijn rov. 4.6 heeft het hof het juiste criterium vooropgesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis is ook na 1 april 1998, de datum waarop het huidige artikel 1:228 BW in werking is getreden, naast de in het tweede lid genoemde gronden de mogelijkheid blijven bestaan om tegenspraak van de ouder te passeren op de grond dat hij van deze bevoegdheid misbruik maakt. Op p. 14 zegt de MvT (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 649, nr. 3):

"Opmerking verdient dat de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het maken van misbruik van de bevoegdheid tegenspraak te leveren tegen de adoptie van belang blijft. Aan tegenspraak die geen ander doel dient dan een ander te schaden, mag reeds op die grond worden voorbij gegaan (vgl. artikel 3:13 j0 15 BW)."

2.2.3 In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 649, nr. 6, p. 29/30) wordt een opmerking van gelijke strekking gemaakt:

"De gronden waarop aan de tegenspraak van een ouder voorbij kan worden gegaan, zijn in artikel 228, tweede lid, opgesomd. Er zijn geen andere gronden op grond waarvan aan de tegenspraak voorbij kan worden gegaan, tenzij het misbruik van de bevoegdheid tot het voeren van tegenspraak betreft. Het lijkt mij niet nodig artikel 13 van Boek 3 BW in artikel 228 op te nemen. Ingevolge artikel 15 Boek 3 BW vindt artikel 13 in dit geval toepassing. Het zou eerder tot verwarring kunnen leiden, indien artikel 13 van Boek 3 BW hier uitdrukkelijk wordt overgenomen, terwijl dit niet met andere artikelen uit Boek 3 gebeurt."

2.2.4 In HR 20 mei 1994, NJ 1994, 626 waarin een stiefouderadoptie aan de orde was, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen :

"In verband met deze beperking (van het vetorecht, M) verdient vooreerst opmerking dat, ofschoon het vetorecht aan de andere eigen ouder is toegekend omdat de adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, de andere ouder bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar behoort te laten wegen. En voorts dat in de regel het belang van het kind om door de adoptanten te worden geadopteerd zal toenemen naar mate het door hen langer is verzorgd en opgevoed."

2.2.5 In HR 19 mei 2000, NJ 2000, 455, eveneens met betrekking tot stiefouderadoptie, herhaalde de Hoge Raad deze overwegingen:

"Ofschoon het vetorecht aan de andere ouder is toegekend omdat adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, behoort de andere ouder bij het uitoefenen van deze bevoegdheid het belang van het kind zwaar te laten wegen. Voorts zal in de regel het belang van het kind om door de adoptanten te worden geadopteerd toenemen naar mate het door hen langer is verzorgd en opgevoed (HR 20 mei 1994, nr. 8409, NJ 1994, 626).
Door op de gronden vermeld in rov. 4.12, hiervoor weergegeven in 3.2, te oordelen dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt, heeft het Hof derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst."

2.2.6 Kritisch over deze uitspraak is J. de Boer in zijn noot onder HR 27 oktober 2000, NJ 2001,104. Hoewel zijn bezwaren zijn toegespitst op de stiefouderadoptie, gaan zij grotendeels ook op voor een gewone adoptie:

"8. De Hoge Raad overweegt dat de ouder die overweegt het vetorecht uit te oefenen het belang van het kind zwaar moet laten wegen. Het probleem is echter dat onzeker is wat dat belang op de lange duur is (zie hierboven). Adoptie heeft na de 23e verjaardag een onherroepelijk karakter (art. 1:231, tweede lid, BW), het huwelijk tussen de stiefouder en de verzorgende ouder kan worden ontbonden, de contacten met de stiefouder kunnen verflauwen, de oorspronkelijke ouder kan, al dan niet in het kader van een zoeken naar de eigen identiteit, weer in beeld komen. Overigens meen ik dat ook het emotionele belang van de zich tegen adoptie verzettende ouder te respecteren is. Het gaat hier om ontneming van ouderschap. Het recht zich te verzetten tegen een "ontoudering", behoort tot de rechten die moeilijk kunnen worden misbruikt (al moge dat niet geheel zijn uitgesloten, zoals bedoeld in art. 3:13, derde lid, BW).
9. De wetgever heeft - blijkens het nieuwe afstammingsrecht - geoordeeld dat bestaande afstammingsbanden in beginsel onverbrekelijk zijn; ontkenning van vaderschap of vernietiging van een erkenning is absoluut uitgesloten als de vader de verwekker is. In het algemeen is dit het beste zowel voor kinderen als ouders. Adoptie is hierop een uitzondering, waarbij strikte voorwaarden gelden. Indien kind en ouder in gezinsverband hebben geleefd, de ouder zich niet heeft schuldig gemaakt aan misbruik van gezag, grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding of zekere misdrijven jegens het kind (art. 1:228, tweede lid, BW), kan de ouder een adoptie tegenhouden. Dit is een recent oordeel van de wetgever in een controversiële kwestie (waarbij de wetgever ten behoeve van stiefouders nog voorzien heeft in gezamenlijk gezag van ouder en niet-ouder). Ik meen dat de rechter hieraan niet voorbij moet gaan."

2.2.7 Door te overwegen als het hof heeft gedaan in zijn rov. 4.9 heeft het niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De afweging van belangen zoals door het hof gemaakt is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Zijn oordeel kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

2.2.8 Ten slotte klaagt de vader over de afwijzing door het hof van zijn verzoek om nader onderzoek door een deskundige. Deze klacht faalt. Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of hij behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting, HR 19 mei 2000, NJ 2000, 455. Het oordeel van het hof dat het daaraan geen behoefte had, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3 Conclusie

Beide middelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

A-G i.b.d.

Deel: ' Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer AF1487 Zaaknr R02/068HR '




Lees ook