Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF1929 Zaaknr: 02380/01


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 4-02-2003
Datum publicatie: 4-02-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie

4 februari 2003
Strafkamer
nr. 02380/01
LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 2001, nummer 22/000579-01, in de strafzaak tegen:
, geboren te (Marokko) op 1974, wonende te .

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 17 juli 2000, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 140 uren, in plaats van drie maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. O.G. Schuur, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en wat betreft het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel en voorts tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte heeft toegewezen, althans dat het Hof die beslissing in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota is, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, namens de verdachte aldaar het volgende aangevoerd: "Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (...) Sinds de procedure in eerste aanleg is de situatie gewijzigd. Aangeefster heeft onlangs van de ex-werkgever van cliënt een bedrag van f 1.500,-- ontvangen als schadevergoeding voor het gedrag van . Het betrof, voor zover mijn cliënt bekend is, een schikking. Indien aangeefster haar vordering handhaaft, dient zij aan te tonen dat haar schade hoger is dan f 1.500,--. Thans is niet aantoonbaar dat de geleden schade de f 1.500,-- overtreft. De vordering dient dus te worden afgewezen, dan wel, vanwege het niet-eenvoudige karakter ervan, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ik wijs er nog op dat de werkgever de betaalde schadevergoeding op zou kunnen verhalen. Deze complicerende factor draagt mijns inziens verder bij aan de niet-eenvoudige aard van de vordering."

3.3. Aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als hiervoor onder 1 vermeld, heeft het Hof in de bestreden uitspraak de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
"12. Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden (immateriële) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van f.1.000,--. In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde (immateriële) schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.
Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.

13. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het onder 2 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van f.1.000,-- ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]."

3.4. In het licht van het onder 3.2 weergegeven betoog van de verdediging, dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat het ertoe strekt dat de door de benadeelde partij geleden schade reeds is vergoed, zodat de grondslag aan haar vordering is komen te ontvallen, is het onder 3.3 weergegeven oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd.

3.5. Het middel treft dus doel.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4.2. genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee, dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel;
Wijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde de zaak wat de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel betreft opnieuw te behandelen en af te doen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 4 februari 2003.


*** Conclusie ***

Nr. 02380/01
Mr Wortel
Zitting: 10 december 2002

Conclusie inzake:

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 140 uren (in plaats van 3 maanden gevangenisstraf). Voorts is verzoeker veroordeeld aan de benadeelde partij duizend gulden te betalen. Ten behoeve van deze benadeelde partij is voor hetzelfde bedrag de in art. 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opgelegd, met de gebruikelijke clausule dat de ene betalingsverplichting vervalt voor zover aan de andere zal zijn voldaan.

2. Namens verzoeker heeft mr. O.G. Schuur, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Dat middel betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

4. Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen heeft de raadsman medegedeeld dat de benadeelde partij kort tevoren een bedrag van f 1.500,= van verzoekers voormalige werkgever had ontvangen als schadevergoeding voor het gedrag van verzoeker. Dat betrof, voor zover de verdediging bekend, een schikking. De raadsman wees er op dat de voormalige werkgever de betaalde schadevergoeding op verzoeker zou kunnen verhalen. Aan zijn mededelingen verbond de raadsman de stelling dat de vordering afgewezen dient te worden, dan wel de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard diende te worden.

5. In de bestreden uitspraak is overwogen:
"In het onderhavige strafproces heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden (immateriële) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde tot een bedrag van f.1.000,- -. In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.
de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde (immateriële) schade is geleden en dat deze schade het gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen."

6. De raadsman had er naar mijn inzicht goed aan gedaan zijn bovengenoemde mededeling te onderbouwen. Zonder nadere toelichting roept zij vragen op. Het is, mede omdat het genoemde bedrag uitstijgt boven het bedrag waarvoor de benadeelde partij zich met haar vordering in dit strafproces heeft gevoegd, niet uit te sluiten dat de betaling van de voormalige werkgever een vordering betreft die de benadeelde partij tegen de voormalige werkgever zelf heeft gericht. Daar wijst ook op dat de betaling de uitkomst zou zijn van een schikking.

7. Daar staat tegenover dat de benadeelde partij haar vordering op verzoeker heeft aangemerkt als een voorschot op de vergoeding van immateriële schade. De steller van het middel wijst daar terecht op. Uit de omstandigheid dat de voormalige werkgever van verzoeker een hoger bedrag heeft uitgekeerd dan in dit strafproces is gevorderd volgt daarom nog niet noodzakelijk dat die betaling grondslag heeft in een andere aansprakelijkheid dan die waarop de vordering van de benadeelde partij in deze strafprocedure betrekking heeft.

8. Het middel kan naar mijn oordeel geen doel treffen voor zover wordt betoogd dat reeds de bovengenoemde mededeling van de raadsman grond had moeten zijn de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het is denkbaar dat een betere onderbouwing van die stelling, aan de hand van relevante stukken, en een eventueel weerwoord van de benadeelde partij het mogelijk maken op eenvoudige wijze vast te stellen of de door de voormalige werkgever van verzoeker gedane betaling strekt tot vergoeding van dezelfde schade waarop de in dit strafproces gedane vordering betrekking heeft. Het oordeel of de gegrondheid van de vordering voldoende eenvoudig is vast te stellen is aan de feitenrechter voorbehouden. Daaromtrent kan in cassatie niets worden vastgesteld.

9. Naar mijn inzicht treft het middel echter doel voor zover wordt betoogd dat het Hof de namens verzoeker gedane mededeling nadrukkelijk, desverkiezend na enig nader onderzoek, in zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij had moeten betrekken. Mij dunkt dat die mededeling niet zó vaag of onbepaald is dat zij zonder nadere motivering gepasseerd mocht worden.

10. Overigens vond ik geen gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel , en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre opnieuw te worden afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Deel: ' Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer AF1929 Zaaknr 02380/01 '




Lees ook