Uitspraak Rechtbank Amsterdam in zaak AF3738 Zaaknr: AWB 03/3048 BEPTDN Bron: Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak: 31-01-2003
Datum publicatie: 31-01-2003
Soort zaak: bestuursrecht - vreemdelingen
Soort procedure: voorlopige voorzieningen

Rechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
vreemdelingenkamer
voorlopige voorziening

Uitspraak
artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/3048 BEPTDN

inzake: , geboren op , van , verblijvende te , verzoeker,
gemachtigden: mrs. M.F. Wijngaarden, P.J. Schüller en V. Koppe, advocaten te Amsterdam.

tegen: de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mrs. G.M.H. Hoogvliet en C.M. Bitter, advocaten te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 13 januari 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het mondeling besluit van verweerder van 13 januari 2003, schriftelijk bekendgemaakt op 17 januari 2003, waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende verweerder te gelasten verzoeker onmiddellijk wedertoelating te verlenen in afwachting van de beslissing op zijn beroep

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2003. Partijen zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

II. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Volgens verzoeker is het besluit op zijn aanvraag genomen in strijd met het bepaalde in artikelen 3:2, 3:46, 3:47 en 4:7 van de Awb; de artikelen 3, eerste en derde lid, 5, eerste en derde lid, 8, 38, 39, 42, derde lid, en 73 van de Vw 2000; de artikelen 3.1 en 3.109-111 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000); de artikelen 3, 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en hoofdstuk C3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), de paragrafen 11.3.1, 12 en 13.2. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Verweerder heeft twintig minuten nadat verzoeker een aanvraag heeft ingediend, mondeling deze aanvraag afgewezen, zonder daarvoor de nodige feiten te vergaren en een belangenafweging te maken. Voorts is het besluit niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd. Bovendien is de motivering niet aanstonds bij bekendmaking van het besluit vermeld. De toegang kan niet worden geweigerd (ex artikel 3 van de Vw 2000) teneinde de vreemdeling het recht op een asielprocedure te ontzeggen. Met het indienen van de asielaanvraag vervalt de plicht Nederland te verlaten en had verzoeker rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op de aanvraag. Voorts had verweerder het voornemen de aanvraag af te wijzen schriftelijk kenbaar moeten maken onder opgaaf van redenen en had verzoeker in de gelegenheid moeten stellen zijn zienswijze hierop naar voren te brengen. De uitzetting naar levert bovendien schending op van artikel 3 van het EVRM.
Het enkele argument van verweerder dat er sprake is van misbruik van (proces-)recht door het indienen van de aanvraag en dat op grond daarvan de aanvraag terstond is afgewezen, is onvoldoende en mist een grondslag in de wet.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De bepalingen in afdeling 4 van hoofdstuk 3 van de Vw 2000, betreffende de wijze waarop een asielaanvraag moet worden afgewezen, lijden uitzondering indien er sprake is van misbruik van (proces-)recht. Verzoeker heeft zijn asielaanvraag eerst ingediend op de vooravond van zijn uitzetting naar . Bovendien waren verzoeker en zijn gemachtigde op het moment van de asielaanvraag bekend met het feit dat verzoeker zou worden uitgezet naar . Gelet op de voorafgaande duur van het feitelijk verblijf van verzoeker en het late moment van indiening van de asielaanvraag, is aannemelijk dat verzoeker de aanvraag slechts heeft ingediend met het doel de uitzetting te frustreren. Daarnaast staat vast dat verzoeker in is toegelaten als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dit houdt in dat verzoeker reeds bescherming geniet tegen refoulement. In dit opzicht konden de Nederlandse autoriteiten niet meer bieden dan de Noorse autoriteiten en diende het indienen van de asielaanvraag geen enkel doel.
Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat verzoeker door het indienen van de asielaanvraag op een dusdanig laat moment zonder redelijk doel misbruik heeft gemaakt van het (proces-)recht. Gelet hierop kon de aanvraag worden afgewezen zonder toepassing van de procedurele bepalingen van de Vw 2000.

3. Ter zitting is namens verzoeker nog het volgende aangevoerd. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op slechts een enkele grond: misbruik van procesrecht.
Niet valt in te zien hoe het enkele indienen van een aanvraag als misbruik van procesrecht kan worden aangemerkt. Het doen van aanvragen staat burgers vrij en onzinnige of onredelijke aanvragen kunnen op eenvoudige wijze worden afgedaan. Het procesrecht komt pas in beeld als de burger gaat procederen. Het vreemdelingenrecht kent zelfs een speciale regeling op dit gebied: de AC-procedure. Gelet op hoofdstuk C3/12.13.3.1, onder c, van de Vc 2000, kan misbruik van de asielprocedure pas in de AC-procedure worden vastgesteld, en dus niet voordat een dergelijke procedure is opgestart. De AC-procedure had dus (ten minste) moeten worden gebruikt om te komen tot de vaststelling van misbruik van de asielprocedure. Indien naar het oordeel van de rechtbank toch grond zou bestaan voor toepassing van het algemeen beginsel van misbruik van procesrecht binnen het vreemdelingenrecht, ligt het voor de hand aan te sluiten bij de criteria die in de civielrechtelijke jurisprudentie zijn ontwikkeld. Daarbij zou het dan uiteindelijk gaan om een afweging van het nadeel dat verweerder zou ondervinden van het feit dat verzoeker de AC-procedure zou doorlopen versus het belang van verzoeker met het asielverzoek nastreeft (bescherming tegen refoulement en schending van artikel 3 van het EVRM). Verweerders belang is dan, mede gelet op de lange duur van de reeds ondergane uitleveringsdetentie, minimaal. Er kan niet eens sprake zijn van misbruik van recht zolang niet is vastgesteld dat eiser in duurzame bescherming tegen uitzetting naar Jordanië of Irak krijgt. Verweerder heeft die vaststelling echter niet willen verrichten. De vluchtelingenstatus van verzoeker in is, gelet op de "Advance notification concerning revocation of asylum status" van het Noorse Directoraat van Immigratie van 12 september 2002 ingetrokken, c.q. staat op het punt ingetrokken te worden. Of terzake schorsende werking bestaat of wordt verleend, is onduidelijk. Verweerder had verzoeker ten minste in de gelegenheid moeten stellen om via zijn Noorse advocaat inlichtingen in te winnen en vervolgens moeten bezien of garanties gevraagd hadden moeten worden met het oog op artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en het Anti Folterverdrag. Terzake is verwezen naar jurisprudentie over stelplicht en bewijslast bij de intrekking van de vluchtelingenstatus van de Rechtseenheidkamer in Vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) gewezen op artikel 15c, eerste lid en onder c van de Vw (oud) aangaande het land van eerder verblijf. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel doet niet af aan deze onderzoeksplicht van verweerder, gelet op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 maart 2002 (JV 2000/103). In de ochtenduren van 13 januari 2003 dacht verzoeker nog dat hij op 23 januari 2003 voor de uitleveringskamer van de rechtbank zou worden geleid, en dat er twee weken later een uitspraak op dat verzoek zou worden gedaan. Er leek nog meer dan voldoende tijd te bestaan voor een inschatting van risico's van bijvoorbeeld een uitzetting naar . Achteraf is gebleken dat de Minister van Justitie al op 9 januari 2003 tot de conclusie was gekomen dat de uitleveringszaak niet doorgezet moest worden. Daarvan is de gemachtigden van verzoeker echter geen mededeling gedaan.
Toen verzoeker op 13 januari 2003 halsoverkop, zonder dat zijn raadslieden of het Openbaar Ministerie (OM) daarover werden geïnformeerd, uit de penitentiaire inrichting in Vught werd gehaald, en eerst aan het einde van de middag, rond half zes, een van de raadslieden van verzoeker door het OM telefonisch werd geïnformeerd dat verzoeker al op Schiphol was en naar zou worden uitgewezen, stond nog maar één optie open om een dreigende schending van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM te stoppen: de indiening van een asielaanvraag. Van het frustreren van een uitzetting is dus geen sprake geweest: verweerder heeft door zijn handelwijze zelf in de hand gewerkt dat de indiening van een asielaanvraag eerst op de valreep kon plaatsvinden.
Verweerder heeft ook de artikelen 3:3 en 3:4, tweede lid, van de Awb geschonden.
De uitzetting naar is bovendien een verkapte uitlevering; een hoogst onzorgvuldige wijze van handelen, die bovendien op gespannen voet staat met artikel 5 van het EVRM.

4. Verweerder heeft ter zitting nog het volgende doen aanvoeren. Op het moment dat verzoeker in Nederland arriveerde, ruim vier maanden geleden, was er geen enkele aanwijzing dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Hij wilde een familielid bezoeken, om vervolgens door te reizen naar .
Verweerder was dan ook voornemens om, toen de Noorse ambassadeur had laten weten dat er geen bezwaar bestond om verzoeker naar te laten doorreizen, die doorreis te laten plaatsvinden. Op 13 september 2002 zijn daartoe ook voorbereidingen getroffen. Een vlucht was al geboekt voor de 14e september 2002. De vlucht naar Oslo kon echter geen doorgang vinden omdat inmiddels duidelijk was geworden dat Jordanië inderdaad om uitlevering verzocht. Verzoeker is daarop in uitleveringsdetentie genomen.
Het lijdt naar het oordeel van verweerder geen twijfel dat misbruik van recht ertoe kan leiden dat wettelijke waarborgen niet kunnen worden ingeroepen door diegenen die zonder een in rechte te respecteren belang op die waarborgen een beroep doen. Het leerstuk van misbruik van procesrecht is wellicht het meest aan de orde geweest in het civiele recht. Ook in het bestuursrecht speelt het leerstuk een rol, waarbij dan wordt gedacht aan al die gevallen waarin misbruik van recht heeft geleid tot niet-inwilliging van aanvragen en aan de gevallen waarin misbruik grondslag is voor kostenveroordelingen.
Ook in de onderhavige zaak geldt als algemeen rechtsbeginsel dat de drager van een processuele bevoegdheid die bevoegdheid niet kan inroepen voorzover zij wordt misbruikt. Vanzelfsprekend zal -zeker op het terrein van het asielrecht- niet al te snel moeten worden geconcludeerd dat sprake is van misbruik van recht. Op verweerder rust de stelplicht en de bewijslast. Verweerder meent echter dat in casu volstrekt duidelijk is dat het asielverzoek enkel en alleen is ingediend om de verwijdering naar te frustreren en dat inhoudelijk in geen enkel opzicht redelijkerwijs het vermoeden zou kunnen bestaan dat terugkeer naar schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Relevante feiten in dit verband zijn, dat op het moment dat verzoeker in Nederland arriveerde, ruim vier maanden geleden, er geen enkele aanwijzing was dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen. Verzoeker heeft bovendien de hele periode van vier maanden van uitleveringsdetentie de mogelijkheid gehad tot indiening van een dergelijke aanvraag, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Er waren ook geen aanwijzingen anderszins dat hij die asielrechtelijke bescherming -voorzover het de terugkeer naar betreft- nodig zou hebben. De beoogde verwijdering zou gaan in de richting van een land ten aanzien waarvan er geen enkele aanwijzing bestaat dat het uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag of het EVRM niet zou nakomen. Integendeel, is sedert 1 april 2001 ook partij bij de Overeenkomst van Dublin. In dit verband heeft verweerder verwezen naar het bepaalde in de artikelen 30, aanhef en sub a, en 31, tweede lid, aanhef en sub h van de Vw 2000. Verweerder benadrukt bij dit alles dat het niet gaat om een verwijdering naar Jordanië, maar naar . Uit het door verzoeker ingeroepen arrest van het EHRM van 7 maart 2000 volgt dat een staat zich niet geheel achter het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verschuilen, doch in een situatie waarin er geen concrete aanwijzingen zijn dat het desbetreffende land zijn verdragsverplichtingen zal schenden, zal dat wel mogen. Pas wanneer door de betrokkene omstandigheden zijn aangevoerd waaruit af te leiden zou kunnen zijn dat er mogelijkerwijs wel sprake is van schending van verdragsrechten, geldt een nadere onderzoeksplicht. Daarbij heeft verweerder nog verwezen naar de in JV 2001/328 gepubliceerde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 25 oktober 2001, waarin ook is ingegaan op meergenoemd arrest van het EHRM. Ook is terzake namens verweerder de niet gepubliceerde uitspraak van de ABRS van 20 juni 2002 (nr. 200202459/1) ingeroepen. Indien en voorzover in sprake is van een mogelijke intrekking van verzoekers' vluchtelingenstatus, kan verzoeker gebruik maken van de processuele waarborgen die het Noorse recht hem terzake biedt. Verzoeker kan overigens, naar blijkt uit diverse publicaties, in gaan en staan waar hij wil.
Verzoeker maakt ten onrechte het verwijt dat sprake is van verkapte uitlevering. Van verkapte uitlevering is sprake als een staat "een vreemdeling -tegen diens wil en buiten een uitleveringsprocedure om- van zijn grondgebied verwijdert naar een land dat strafrechtelijk in betrokkene is geïnteresseerd, terwijl er voor de vreemdelingenrechtelijke maatregel geen goede gronden zijn of de verwijdering ook naar een derde staat had kunnen plaatsvinden" (A.H.J. Swart, Het eeuwige leven van de verkapte uitlevering, Recht en Kritiek 1981, p. 334 e.v.). Een uitzetting die hetzelfde gevolg heeft als een uitlevering, wordt daardoor niet onrechtmatig, aldus de Hoge Raad op 13 september 1963 (NJ 1963, 509) en op 18 november 1994 (NJ 1996,579). Weliswaar loopt in een strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker, en dat was verweerder ook bekend toen de beslissing tot uitzetting werd genomen, maar daarmee werd de uitzetting naar nog geen verkapte uitlevering. heeft overigens ook nooit om uitlevering gevraagd. Aan de conclusie dat geen sprake is van verkapte uitlevering doet niet af dat verweerder aanvankelijk in de media heeft gezegd dat de verzekering van de Noren was verkregen dat verzoeker bij aankomst in zou worden aangehouden. Daargelaten dat die veronderstelling op een misverstand berustte, zoals ook publiekelijk is toegegeven, laat zij onverlet dat geen andere mogelijkheid bestond dan uitzetting naar , en dat uitzetting naar dat land "redelijkerwijs noodzakelijk" was. Niet-uitzetting naar impliceert zonder meer dat Nederland verzoeker bij gebreke van mogelijkheden om hem naar een ander land uit te zetten, in Nederland moet (vast-)houden in afwachting van een onzekere oplossing. Dat geen sprake is geweest van een "opzetje" met de Noorse autoriteiten wordt nog het beste geïllustreerd door het gegeven dat verzoeker bij aankomst in niet is aangehouden. Verzoeker heeft geen enkel rechtens te respecteren belang bij terugkeer op korte termijn naar Nederland. Blijkens diverse perspublicaties heeft hij na terugkeer in eigenlijk aangegeven gewoon weer naar huis te willen om te kunnen eten met zijn vrouw en kinderen, en was hij blij weer thuis in te zijn. Wat zou hij dan nu hier moeten?

III. OVERWEGINGEN

1.Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrok-ken belan-gen, dat ver-eist. Daarbij dient het belang van verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
De thans gevraagde voorziening strekt er toe verweerder te gelasten verzoeker onmiddellijk wedertoelating te verlenen in afwachting van de beslissing op zijn beroep.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het in de bodemprocedure bestreden besluit naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

3. Waar partijen in extenso zijn ingegaan op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, wil de rechtbank zich in het kader van de onderhavige procedure niet onthouden van een oordeel op dat punt. Gelet op de aard van de voorlopige voorzieningsprocedure is dit oordeel echter niet bindend voor de rechter in de bodemprocedure.

4. Tussen partijen is in confesso dat de afwijzing van verzoekers asielaanvraag is gebaseerd op één afwijzingsgrond, te weten een
-voorzover hier relevant- niet in de wet neergelegd en uitgewerkt concept van misbruik van (proces-)recht.
Verweerders algemene verwijzing naar al die gevallen waarin misbruik van recht heeft geleid tot niet-inwilliging van aanvragen (waarbij niet is aangegeven of, en zo ja in hoeverre het gaat om afwijzingen op een buitenwettelijke grond), doet aan het buitenwettelijke karakter van de door verweerder in casu gehanteerde afwijzingsgrond niet af. Daarbij merkt de rechtbank nog op, dat van de zijde van verweerder ter zitting uitdrukkelijk is aangegeven dat de verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 30, aanhef en sub a, respectievelijk 31, tweede lid, aanhef en sub h van de Vw 2000 niet is bedoeld als een zelfstandige grond van afwijzing in het bestreden besluit, maar als onderdeel van de buitenwettelijke afwijzingsgrond misbruik van (proces-)recht.

5. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat in het bestuursrecht respect voor en toepassing van de wet de norm zijn. Dit laat echter onverlet dat (ook) het bestuursrecht de figuur kent dat in zeer bijzondere gevallen strikte toepassing van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen achterwege dient te blijven, als die toepassing in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

6. De rechtbank ziet echter niet, dat in casu sprake is van een zodanig bijzonder geval, dat strikte toepassing van dwingendrechtelijke voorschriften geen rechtsplicht meer kan zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat van de zijde van verweerder niet is gemotiveerd waarom een binnenwettelijke oplossing als bijvoorbeeld afdoening in een AC-procedure niet mogelijk was. Zoals namens verzoeker ook onbestreden is aangevoerd, is die procedure (mede) in het leven geroepen om misbruik van de asielprocedure tegen te gaan. Waar de motivering voor de noodzaak van een buitenwettelijke afdoening ontbreekt, is niet aannemelijk dat sprake is van een zeer bijzonder geval als hiervóór bedoeld. Gesteld noch gebleken is bijvoorbeeld ook dat zich op 13 januari 2003 de (voorzienbaar) laatste mogelijkheid tot uitzetting (naar ) voordeed.

7. Verweerder heeft voorts vooral verwezen naar het civielrechtelijke leerstuk van misbruik van procesrecht. Voorzover in het asielrecht aan dit leerstuk ruimte geboden zou moeten worden buiten het kader van de hiervóór reeds geschetste bestuursrechtelijke jurisprudentie, overweegt de rechtbank als volgt.

8. Het doen van een aanvraag maakt deel uit van het non-contentieuze bestuursprocesrecht. Gelet daarop is het op zijn minst nog maar de vraag of de indiening van een aanvraag kan worden gezien als misbruik van procesrecht. Mede om diezelfde reden is de relevantie van verweerders verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin van de Awb op zijn minst twijfelachtig.

9. Los daarvan is de rechtbank er ook geenszins van overtuigd dat feitelijk sprake was van misbruik van recht of bevoegdheid door verzoeker. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat, zoals namens verweerder ter zitting ook is bevestigd, op verweerder de plicht rust tot bewijs van het gestelde misbruik.

10. De beantwoording van de vraag of sprake was van misbruik van recht of bevoegdheid kan slechts geschieden indien de gehele feitelijke context, waaronder ook begrepen de opstelling en het handelen van de wederpartij, in ogenschouw wordt genomen. Het enkele feit dat verzoeker eerder een asielaanvraag kon indienen, maar zulks niet heeft gedaan, is op zich genomen onvoldoende om te concluderen dat de onderhavige indiening misbruik van recht of bevoegdheid betekent.

11. Naar ter zitting van de zijde van verzoeker naar voren is gebracht, waren verzoeker en zijn gemachtigden doende om te schaken op het bord van de uitlevering(-sdetentie), waarop op 23 januari 2003 een verdere behandeling ter zitting was geappointeerd. Zij zagen zelf die zitting met vertrouwen tegemoet, en hadden geen concrete aanleiding om verdere acties te ondernemen.
Aan de gemachtigden van verzoekers werd eerst op de 13e januari om 17.30 uur feitelijk duidelijk dat het uitleveringstraject waar het de Staat der Nederlanden betrof, was afgelopen. En niet alleen dat; tevens werd duidelijk dat de uitzetting van verzoeker aanstaande was. Dat verzoeker en zijn gemachtigden zich op de 13e januari 2003 overvallen voelden, en vervolgens grepen naar het wettige middel van het doen van een aanvraag om de uitzetting af te wenden, is voorstelbaar.
Onder die omstandigheden zal de conclusie dat sprake is van misbruik van recht of bevoegdheid door verzoeker slechts houdbaar zijn wanneer de verwijten die verzoeker maakt aan de Nederlandse Staat, onjuist of niet ter zake doende zijn. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. In dit verband wijst de rechtbank er nog op, dat verzoeker zich gedurende een periode van meer dan vier maanden in de macht van de Nederlandse Staat bevond, die de regie voerde over de positie van verzoeker. Dat roept extra de vraag op, of een tijdige voorafgaande mededeling van de aanstaande uitzetting aan (de gemachtigden van) verzoeker niet mogelijk was.

12. Het vorenstaande voert tot de slotsom, dat naar voorlopig oordeel het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Al hetgeen partijen hebben aangevoerd op het punt van verkapte uitlevering, kan en zal de rechtbank thans onbesproken laten.

13. Ondanks het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De afweging van het belang van verzoeker bij het treffen van een onverwijlde voorziening tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang dient immers niet uitsluitend te geschieden aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit.

14. Doorslaggevend voor de afwijzing van het verzoek is dat materieel geen concrete aanknopingspunten bestaan voor het vermoeden dat terugkeer naar schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM oplevert.
De stelling van verzoeker dat verweerder op deze punten onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijk indirect refoulement laat onverlet dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als door verzoeker verzocht, voldoende concrete indicaties van een voor verzoeker dreigend en ernstig nadeel voorhanden moeten zijn. Ook desgevraagd hebben de gemachtigden van verzoeker ter zitting echter geen opheldering kunnen verschaffen over bijvoorbeeld de exacte situatie rond de vluchtelingenstatus van verzoeker in ; zulks terwijl zij wel in contact staan met een Noorse collega. De niet inhoudelijk onderbouwde aanbeveling van die collega dat verzoeker vanuit Noors perspectief bezien zou dienen terug te keren naar Nederland is onvoldoende uitgewerkt en specifiek (en daarmee ook onvoldoende betwistbaar en verifieerbaar) om een wezenlijke rol in de belangenafweging te kunnen spelen.

15. De rechtbank acht geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:86 van de Awb.
Ter voorlichting van partijen deelt de rechtbank wel mede, dat de behandeling van het beroep van verzoeker thans is geappointeerd voor de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 26 februari a.s. De uitnodiging voor die zitting zal partijen een dezer dagen bereiken.

16. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden
dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Ekkelenkamp, griffier en uitgesproken op: 31 januari 2003 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr G.I. Panday, griffier.

De griffier, De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: HT/MEk
Coll: GP
Bp: -
D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deel: ' Uitspraak Rechtbank Amsterdam in zaak AF3738 Zaaknr AWB 03/3048 BEP.. '




Lees ook