Ministerie van Buitenlandse Zaken


Ontwikkelingssamenwerking

Onderwerp: Uitspraken minister Herfkens

Datum: 9 december 1999

Nummer: 24/99

Uitspraken minister Herfkens tijdens de begrotingsbehandeling

Minister Herfkens:

Ontwikkelingssamenwerking blijft een kwestie van beschaving. De kloof tussen arm en rijk blijft onacceptabel groot. Ik hoop niet dat wij ooit ons honderdjarig bestaan zullen vieren. Maar na vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking is het eind op korte termijn nog niet in zicht. Goed ontwikkelingsbeleid met een voldoende budget blijft nodig en daarvoor is de Kamer eensluidend. Wij leren lessen uit het verleden. Die lessen zijn in het huidige ontwikkelingsbeleid ook geleerd. Effectiviteit is geen verschraling, maar juist een ontzettend dure plicht als je armoedebestrijding serieus wilt aanpakken.

Het publieke draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking is nog steeds heel groot. Veel Kamerleden vrezen vergrijzing, uitholling en erosie van het draagvlak. Ik deel die zorg. Het draagvlak blijft alleen op peil en wordt alleen steviger als wij zichtbaar inspirerend, coherent en effectief beleid voeren. Daarom moeten wij in eigen land meer rekenschap afleggen van de behaalde resultaten. Wij moeten de vergrijzing tegengaan, wij moeten op zoek naar de jongere doelgroepen en wij moeten afscheid nemen van die gesloten, weinig vernieuwende cultuur.

Armoedebestrijding staat voorop. Dat was zo en dat blijft zo. Maar de visie op de manier waarop je armoede effectief bestrijdt, is de laatste jaren wel veranderd. Wij denken daar nu anders over dan in de jaren '70 en '80. In ieder geval weten wij dat je voor armoedebestrijding twee wegen tegelijkertijd moet bewandelen.

Ik noem in de eerste plaats de "global governance", een evenwichtiger, rechtvaardiger internationale ordening. Goed bestuur kan niet alleen zijn een eis aan ontvangende landen, het is ook een eis aan onszelf, aan de mondiale gemeenschap. In de tweede plaats is er de hulp aan ontwikkelingslanden. In een aantal landen met een relatief goed bestuur en beleid kan de hulp rechtstreeks van regering naar regering. De "ownership"-consequenties spelen dan een cruciale rol. Veel vragen gingen daarover. Wie "ownership" serieus neemt, moet niet schrikken van de gevolgen daarvan. In landen waarvan wij de regering minder betrouwbaar achten, moet je andere kanalen gebruiken, niet-gouvernementeel en soms multilateraal.

Over het Handelsdossier

Minister Herfkens: De dreigende impasse op het handelsdossier heeft onmiddellijk een negatieve weerslag op de schuldenproblematiek. De houdbaarheid van de schuldenlast, zoals gedefinieerd voor de kwalificatie van HIPC, wordt bepaald door exportinkomsten. Exportinkomsten wordenmedebepaald door markttoegang. Gebrek aan marktopening die het gevolg is van het gebrek aan voortgang van de handelsronde, wordt dus onmiddellijk vertaald in een groter aantal landen met een onhoudbare schuldenlast of een diepere, nog meer onhoudbare schuldenlast van deze groep van landen. Er is een directe samenhang. Dat zit mij hoog. Als er geen marktopening komt, blijft schuldverlichting dweilen met de kraan open en dat gaat uit mijn budget. Ik heb er groot belang bij dat er snel stappen worden gezet naar marktopening voor de HIPC-landen.

Over Ontbinding

Minister Herfkens: Ontbinden vind ik ook een belangrijk onderdeel van global governance. Ontbinding in een kwestie van goed bestuur van donorzijde. Binding van hulp verlaagt de omvang van de hulp en is strijdig met uitgangspunten van ownership. Het moet opgevallen zijn dat Nederland popelt om stappen te zetten, maar niet unilateraal. Binnen de OESO is er nu eindelijk enige beweging in de discussie en waar mogelijk zullen wij die aanzwepen.

Over Aids

Minister Herfkens: Een onderwerp waarvoor de multilaterale benadering een succes aan het worden is, is aids. Eigenlijk alle Kamerleden hebben over aids gesproken. Nederlands is een van de voortrekkers op dit dossier. Vanaf 1988 hebben wij 450 mln. besteed aan verschillende vormen van aids-bestrijding in ontwikkelingslanden. Preventie, zorg, antidiscriminatie en onderzoek zijn hierbij belangrijke actiepunten geweest. Wij hebben iedere twee, drie jaar een voortgangsrapportage naar de Kamer gestuurd. In het begin hebben wij een grote voortrekkersrol gehad. Toen werd het probleem nog absoluut niet onderkend. Wij zijn katalysator geweest, maar wij hebben ook succes gehad. Internationaal bestaat nu het besef dat aids veel meer is dan een gezondheidsprobleem. Het is ook een governanceprobleem en nog veel meer. Ook bestaat het besef dat 90% van de geïnfecteerden in ontwikkelingslanden woont en dat de epidemie daar dramatische gevolgen heeft, niet alleen voor de gezondheidszorg, maar ook sociaal en economisch, op microniveau en zelfs op macroniveau. Aids is dus vooral een ontwikkelingsprobleem. Daarom zijn wij er ook zo mee bezig bij Ontwikkelingssamenwerking, zij het geïntegreerd met alle andere activiteiten, van basisgezondheidszorg via onderwijs tot goed bestuur. (.....)

Samen met collega Borst heb ik vorige week zowel met UNAIDS als met de vertegenwoordiger van IAVI, de heer Berkley, gesproken en op grond van dat gesprek besloten om 5 mln. te geven voor de ontwikkeling van het International AIDS Vaccine Initiative. Voordat ik beweer dat ik dat structureel of op lange termijn ga doen, moet er ook geld uit de particuliere sector komen.

Over de beleidsdialoog

Minister Herfkens: De heer Hessing heeft gezegd: blanco cheques, u vraagt, wij draaien. Dat is het dus niet. Wij hebben een beleidsdialoog. Deze dialoog was de afgelopen jaren afgeschaft, maar ik heb hem in ere hersteld. Het zijn zeerserieuze gesprekken waarbij wij zeker wat in te brengen hebben. Tot dusver ging het over de sectorkeuze, maar wij blijven ermee doorgaan. (......)

De insteek van onze beleidsdialoog is de armoedebestrijding. Daar hebben wij het over, in Rio, in Cairo, in Kopenhagen, in Beijing. Het gaat om het verwezenlijken van die zeven pledges, met elkaar, als ontvangend land, als maatschappelijk middenveld, als donorgemeenschap, bilateraal en multilateraal. Het gaat dan over zaken als gender en duurzaamheid. Dat is onze inbreng.

Over het Vrouwenberaad

Minister Herfkens: Ook ik vind het ontzettend jammer dat het Vrouwenberaad is opgeheven. Ik kende dat beraad vanaf de oprichting, ongeveer 20 jaar geleden, en het was uitgegroeid tot een heel nuttige netwerkorganisatie met een professioneel secretariaat. Het was echter te duur geworden en de kernbijdrage van de MFO's werd per 1 januari afgebouwd. Ik heb aangeboden om het met die afbouw gemoeide deel over te nemen met een afbouwclausule over drie jaar. In die periode zouden de MFO's en andere lidorganisaties van het Vrouwenberaad hun bijdragen moeten invullen. Het ging immers niet alleen om mijn financiering, want de financiering is een weerspiegeling van een breder draagvlak voor deze organisatie. Het Vrouwenberaad vond mijn aanbod aardig, maar vond de financiële basis te smal voor eigen beleid. Daarom werd besloten om het beraad om te heffen. Ik betreur dat, maar dat betekent absoluut niet dat de prioriteit voor vrouwenontwikkeling van de agenda verdwijnt.

Over conlictpreventie

Minister Herfkens: In het algemeen overleg over Afrika ben ik op een gegeven moment nogal naar de Kamer uitgevallen, omdat mij werd verweten dat ik hier te weinig mee bezig ben. In tamelijk grote verontwaardiging heb ik tien, twintig zaken opgenoemd die ik het afgelopen jaar opgenomen heb. Ik noemde de "keynote speech" in het Brookingsinstituut over de problematiek van conflictbeheersing en de overgang naar structurele hulp. Ik noem mijn gesprekken met de president van Ethiopië. Ik noem mijn gesprekken met Museveni over Oeganda en over zijn rol in het Grote-Merenconflict. Ik noem mijn gesprekken bij de OAE over de versterking van haar conflictpreventiemechanisme. Ik noem het gesprek met de ambassadeur van Soedan, die ik uitermate hard heb toegesproken, omdat hij domweg probeert de internationale gemeenschap uit elkaar te spelen, hetgeen wij niet moeten accepteren. Om die reden vind ik niet dat Nederland een additionele rol moet spelen naast Noorwegen en de EU. Ik noem mijn uitgebreide gesprekken met Jimmy Carter over de dingen die hij op verschillende terreinen in Afrika aan het doen is. Ik noem mijn gesprekken met een aantal presidenten in het kader van de global coalition voor Afrika. Dat laatste valt voornamelijk onder de noemer stille diplomatie. Ik heb gewezen op de conflicten die eraan komen, bijvoorbeeld in Ivoorkust, en de weerslag daarvan op nu stabiele landen, van Mali tot Burkina Fasso. Vorige week heb ik nog uitgebreid getelefoneerd met mevrouw Short over Sierra Leone. Ik ben er voortdurend meebezig. Wij doen samen niets anders. Ik begrijp niet dat de Kamer iedere keer weer vraagt: wat doet u? wat doet u? Als ik de leden dan vraag wat er moet gebeuren wat tot nu toe niet gebeurt, kan krijg ik van geen enkel lid een helder antwoord.

Over het Bedrijfslevenprogramma

Minister Herfkens: Ik kom op een echt gezellig onderwerp, namelijk het bedrijfslevenprogramma. Het was de Kamer die op de evaluatie heeft aangedrongen om te kunnen vaststellen of dit programma de ontwikkelingsdoeleinden dient en hoe wij het ontwikkelingseffect van het programma kunnen vergroten, met name voor de minst ontwikkelde landen. De evaluatie is heel helder. De Kamer heeft hierover een brief van minister Jorritsma en mij gekregen, waarin heldere suggesties staan hoe wij de ontwikkelingsrelevantie van dit programma kunnen verhogen. De evaluatie heeft in elk geval duidelijk aangetoond dat het aan de zorgvuldige toetsingsprocedures te danken is dat de nadelen van de gebonden hulp konden worden gemitigeerd. Ik kan mevrouw Dijksma dus bevestigen dat wij niet op die procedures beknibbelen. Ik ben het echter volstrekt niet eens met mevrouw Van Ardenne die suggereert om de aanvraagprocedures te vereenvoudigen en te bekorten. Dat zou evenwel haaks staan op wat de IOB ons adviseert. Ik blijf het onverantwoord vinden om uitkomsten van evaluatie-inspectierapporten in de wind te slaan. Minister Jorritsma en ik zijn absoluut tegen het beknibbelen op de procedure.

Over het Clean Development Mechanism

Minister Herfkens: De heer Van Middelkoop vroeg ook of ik mij sterk wilde maken voor een aanscherping van de definitie van ODA. Het antwoord daarop is een volmondig "ja", maar dan wel binnen de mogelijkheden van het regeerakkoord. Die bieden echter niet altijd veel ruimte. Integendeel, Nederland verdedigt zich momenteel geweldig als het gaat om de keuzen tussen CDM of ODA. Internationaal krijgen wij de handen niet op elkaar. De heer Hessing zou een fundamenteel debat willen over de vraag wat wel of niet ODA is, maar Nederland, dat nu in het hoekje zit, is niet het land dat dit zou kunnen aanzwengelen. Ik kan wel met zekerheid zeggen dat, als ontwikkelingslanden wordt gevraagd wat ODA is, hun mening stellig is dat CDM geen ODA is. In het Kyoto-overleg hebben zij daarover duidelijk hun mening gegeven.

De financiering van CDM uit ODA was overigens geen kabinetsbesluit dat werd genomen waar ik bij was. Het was onderdeel van het regeerakkoord dat vóór mijn aantreden tot stand is gekomen in samenspraak met fracties hier in deze Kamer. Ik heb er wel voor getekend, maar het is merkwaardig dat sommige leden hierover spreken alsof ik bij de totstandkoming van het regeerakkoord was. Die suggestie wijs ik af.

Ik blijf vinden wat ik toen al zei. Er is een probleem, omdat bij het schrijven van het regeerakkoord is vooruitgelopen op internationale onderhandelingen die nog niet hebben plaatsgevonden. Enerzijds gaat hem om onderhandelingen in OESO-DAC over wat onder ODA valt. Gegeven de gedachte van Rio, die ik best te verdedigen vind, heb ik daarbij als formule gekozen: 0,7 voor armoedebestrijdende hulp en 0,1 voormilieuhulp. Landen die aan die 0,7 plus 0,1 voldoen, moeten wel 0,1% CDM hebben. Ik vond het vervelend dat in de Ontwikkelingsraad 11 lidstaten die nog geen fooi geven aan ontwikkelingssamenwerking, mij wel even de les gingen lezen over wat wel of niet ODA mag zijn. Het is een probleem om in de tekst van het regeerakkoord vooruit te lopen op uitkomsten van internationale onderhandelingen. De eerste vraag is of het ODA wordt genoemd of niet, volgens internationale afspraken. De tweede vraag is: wat is CDM eigenlijk.

Over Bemiddeling bij conflicten

Minister Herfkens: Bemiddelingspogingen om vrede te bevorderen hebben uitsluitend zin als degenen die ruzie maken, bereid zijn om naar de bemiddelaar te luisteren. Ik heb twee uur lang gesproken met de president van Ethiopië en ik heb vele keren gevraagd of het zin zou hebben bepaalde dingen te doen. Het antwoord was klip en klaar: Ethiopië heeft geen behoefte aan bemiddeling buiten de OAE om en hetzelfde geldt voor Eritrea. Dat moet je serieus nemen. En vervolgens is er binnen de Europese Unie nog discussie ontstaan of zij niet een speciale vertegenwoordiger naar de OAE zou moeten sturen. Wij vinden van niet, want als de partijen die bemiddelen, zeggen dat dit niet aan een oplossing zou bijdragen, dan moet je het niet doen. Bovendien is het risico groot dat de betrokken partijen, als je een speciale vertegenwoordiger van de VN of de EU inschakelt, de verschillende bemiddelaars tegen elkaar gaan uitspelen. Ik heb er in verband met Soedan iets over gezegd, ik maar mij er zorgen over. Ik denk dat het al veel te vaak voorkomt dat er zowel een VN-bemiddelaar als een vertegenwoordiger van de EU optreedt. Voor zover ik in de persoonlijke sfeer kan bijdragen aan bemiddelingspogingen, ben ik daartoe bereid, maar niet in de context van "wij halen Nederland er wel even bij, want dan kunnen wij de een tegen de ander uitspelen". Dat helpt niet bij deze al uitermate ingewikkelde conflicten. Ik ben dus bereid om er een rol in te spelen, daar is niets mis mee. Maar ik heb de ervaring opgedaan dat je geweldig goed moet uitkijken dat je niet tegen elkaar uitgespeeld wordt. Zou ik bijvoorbeeld mijn Noorse collega, die met haar capaciteiten en met haar veel grotere ervaring met bemiddelingsprocessen dan die van ons in Nederland de IGAD-kar aan het trekken is, voor de voeten moeten gaan lopen? Nee. Ik wantrouw ook landen die op deze manier een spelletje willen spelen.

Over Onderwijs

Minister Herfkens: Dan kom ik op de motie op stuk nr. 68 van mevrouw Remak over het onderwijs. Het hoofdonderwerp van dit debat, zou ik haast zeggen. Misschien mag ik nog een keer uitleggen waarom de overheidsuitgaven op dit terrein zijn teruggelopen. Het afgelopen jaar heeft op alle sectoren onderuitputting plaatsgevonden door de omslag in het beleid. Daardoor zijn er minder mensen bezig geweest met het uitgeven van geld. Een aantal van de afgevallen landen - de Kamer steunde van harte dat deze afvielen - zoals Kenia en Zimbabwe, waren juist landen waarin wij nogal wat deden aan onderwijs. Ik vind het nog steeds juist dat de Kamer en ik - daarin hebben wij elkaar gesteund - ervoor hebben gekozen Kenia en Zimbabwe af te laten vallen. Dat effect moeten wij nietvergeten. Het uitgavenniveau wordt 155 à 160 mln. Daarbij hebben wij nog niet eens naar de toerekeningen gekeken, maar dan kijken we uitsluitend naar het budget onder het landenprogramma. In mijn eerste termijn heb ik al gezegd dat uit de schuldverlichting veel rechtstreeks ten goede komt aan het basisonderwijs, maar er zijn ook nog budgetten die nog gesaneerd moeten worden, bijvoorbeeld voor integrale rurale ontwikkeling. Voor een land als Tanzania zit in dat project heel veel basisonderwijs. Kortom, de uitvoering van de motie is voor mij een groot probleem. Ik wil wel zeggen dat de verhoging van de verplichtingen niet uitsluitend moet worden gezocht in het budget van het landenprogramma. Ik wil mij in veel bredere zin inzetten voor onderwijsuitgaven, namelijk over de volle linie van onze begroting en door overheidsuitgaven in ontwikkelingslanden zelf. Daar komen wij echter bij de dummy 21ste eeuw nog op terug. Dan zullen wij bekijken hoe wij dat het effectiefst zichtbaar kunnen maken voor de Kamer.

Deel: ' Uitspraken minister Herfkens tijdens begrotingsbehandeling '




Lees ook