VSNU

2 maart 1999

Universitaire werkgevers bepalen definitieve inzet nieuwe CAO: Modernisering bepaalt loonstijging universiteiten

De universitaire werkgevers willen af van de ambtelijke status. Zij kiezen voor een nieuwe CAO waarin de modernisering van de arbeidsvoorwaarden voorop staat. Dat bleek al uit de Nota van Inzet die zij 7 december uitbrachten. Het blijkt opnieuw bij de vaststelling van het loonbod, waarmee vandaag de onderhandelingen over een nieuwe universitaire CAO worden hervat. De Vereniging van Universiteiten (VSNU) biedt een eenjarige CAO, een salarisverhoging van 1,5% per 1 juli 1999 en een eenmalige eindejaarsuitkering van 0,5%. Maar worden er over de modernisering van de arbeidsvoorwaarden concrete afspraken gemaakt, dan valt er met de VSNU te praten over een grotere loonsverhoging.

De onderhandelingen over een nieuwe universitaire CAO waren al op 7 december 1998 van start gegaan. Sindsdien zijn ze echter opgeschort, omdat er over de onderwijs-CAO langdurig onderhandeld is. Toen die CAO er eenmaal was, had het ministerie van OCenW veel tijd nodig om door te rekenen wat de precieze consequenties waren voor de nog af te sluiten universitaire CAO. Inmiddels is die duidelijkheid er wel en komt de VSNU dus met een loonbod.

De overgang van publiekrecht naar privaatrecht, oftewel het afschaffen van de ambtenarenstatus en het afsluiten van een CAO die past in de marktsector, is het belangrijkste CAO-onderwerp voor de universitaire werkgevers. Hierover wil de VSNU een afspraak maken in de af te sluiten CAO. Wordt deze afspraak vastgelegd, dan kiezen de universitaire werkgevers ook voor het opnemen van een preventieve ontslagtoets, vergelijkbaar met de procedure die de arbeidsbureaus hanteren.

De omvang van het loonbod wordt niet alleen bepaald door het al dan niet moderniseren van de arbeidsvoorwaarden. De universiteiten worden namelijk al sinds het midden van jaren tachtig geconfronteerd met een stroom overheidsbezuinigingen. In de komende jaren moet er in totaal 300 miljoen worden ingeleverd. Een deel hiervan bestaat uit een arbeidsproductiviteitskorting van 0,55% per jaar gedurende een periode van vier jaar. Deze korting geldt alleen voor de rijksoverheid en het hoger onderwijs. De overige onderwijssectoren zijn hiervan uitgezonderd.
Daarnaast heeft de overheid ook gekort op de zogenaamde incidentele looncomponent. Het betreft 0,2% op de kosten die voortvloeien uit periodieken, gratificaties en dergelijke. Tegen deze achtergrond kiezen de universitaire werkgevers voor een matige loonkostenontwikkeling.


Deel: ' Universitaire werkgevers bepalen inzet nieuwe CAO '




Lees ook