Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag
Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken

DPC/CM

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 11 januari 1998
Kenmerk DPC/CM/cl
Blad /1
Bijlage(n)
Betreft Beantwoorden vragen van de leden Vos en Karimi over de situatie van Nederlandse gevangenen in Marokkaanse gevangenissen

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer d.d. 24 december 1998, kenmerk 2989905040, waarbij gevoegd waren de door de leden Vos en Karimi overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U mede te delen dat de antwoorden op deze vragen reeds vervat zijn in mijn brief van 21 december 1998, kenmerk DPC-178/98, waarvan vragenstellers klaarblijkelijk nog geen kennis hadden genomen. Ik vertrouw erop dat de vragen hiermee afdoende zijn behandeld.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

_________________________________________________________________

Antwoord van de heer Van Aartsen, Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van de leden Vos en Karimi.

Vraag 1.

Wilt U de Kamer informeren over de resultaten van het bezoek van een speciale gezant aan de Marokkaanse regering in Rabat inzake de situatie van Nederlandse gevangenen in Marokkaanse gevangenissen.

Antwoord

Ja, ik verwijs naar mijn brief van 21 december 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, waarin ik verslag doe.

Vraag 2.

Bent u op de hoogte van de mededeling van de Nederlandse ambassadeur in Marokko dat de Marokkaanse autoriteiten hebben gezegd mee te willen werken aan overbrenging van Nederlandse gevangenen in Marokko naar Nederland? Klopt dit?

Welke actie zult u naar aanleiding hiervan ondernemen?

Vraag 3.

Zult u op korte termijn bilateraal afspraken maken met Marokko over overbrenging van gevangenen naar Nederland?

Antwoord

De Marokkaanse autoriteiten beraden zich nog op de wenselijkheid van de toetreding tot het verdrag van de Raad van Europa. Van Nederlandse zijde is aangedrongen op een spoedige standpuntbepaling. Ik heb echter de indruk dat de Marokkaanse autoriteiten een voorkeur hebben voor een bilateraal verdrag. Mijn ambtgenoot van Justitie schreef u op 26 mei
1998 een brief over deze kwestie. Ik zal mij met mijn ambtgenoot van Justitie verstaan over de vraag hoe de op dit terrein bestaande obstakels op zo kort mogelijke termijn kunnen worden weggenomen.

Deel: ' Van Aartsen over situatie Nederlandse gevangenen in Marokko '




Lees ook