Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Van Boxtel: grotestedenbeleid is denken, durven en doen

8 juni 1999
Nadenken over aanpassen van knellende regelgeving, durven doorbreken van een vaste bedrijfscultuur en creatief en optimaal benutten van mogelijkheden die bestaande regelgeving biedt. Dat is dé opdracht waarvoor rijk en steden staan bij een succesvolle aanpak van het grotestedenbeleid, aldus minister Van Boxtel (Grote Steden- en Integratiebeleid) bij de presentatie vandaag van de voortgangsrapportage grotestedenbeleid 1999.
Van Boxtel: Het grotestedenbeleid-proces is inmiddels onomkeerbaar. Dat is verheugend. Tegelijkertijd verplicht de onomkeerbaarheid uitdrukkelijk tot het regelmatig informeren van alle betrokken partijen. Daarom deze voortgangsbrief. Rijk en steden boeken voortgang op vele terreinen; het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) is een belangrijke stap op weg naar ontkokering. Er komt een Fonds Werk en Inkomen en een budget voor de niet-fysieke stadseconomie. En er zijn concrete plannen om het proces van versterking van de sociale infrastructuur te versnellen. Voor de steden betekent dit uiteindelijk meer ruimte. Ze gaan over meer mogelijkheden beschikken om, binnen zekere marges, hun eigen randvoorwaarden te bepalen. Daarmee kunnen ze beter inspelen op wensen van burgers. De complete stad
Steden zijn belangrijke motoren voor de Nederlandse economie. Circa 40 procent van het Bruto Nationaal Produkt (BNP) wordt gegenereerd in de G25, terwijl de steden circa 26 procent van de totale bevolking huisvesten. Om die reden wordt met het grotestedenbeleid gestreefd naar de complete stad; een stad die economische vitaal, sociaal, leefbaar en veilig is en in fysiek opzicht voldoet aan de eisen die bewoners, bedrijven en recreanten aan de stad stellen. Niettemin blijft de achterstand van de steden nog groot. In december 1998 zijn daarom doorstartconvenanten gesloten tussen het rijk en de vijfentwintig bij het grotestedenbeleid betrokken gemeenten. Deze convenanten vormen de opmaat voor de stadsconvenanten 1999-2003 die aan het einde van dit jaar met alle betrokken gemeenten individueel worden gesloten. Toetsingskader
De afgelopen maanden zijn in het grotestedenbeleid vooral twee onderwerpen van belang geweest: de indicatieve verdeling van de budgetten per stad en het toetsingskader aan de hand waarvan de door de steden in te dienen ontwikkelingsprogrammas worden getoetst. De indicatieve verdeling is nodig voor het opstellen van de stedelijke programmas.
Dit is een uniek overzicht, waarin inzicht wordt gegeven in alle budgetten die met het grotestedenbeleid samenhangen. Deze budgetten stoelen op de drie pijlers: de fysieke, economische en sociale infrastructuur. De totale omvang van deze budgetten is 5 miljard gulden. In het toetsingskader staan de meetbare doelstellingen aangegeven die de steden uitwerken in hun programmas, zoals het terugdringen van de werkloosheid en het bevorderen van de toename van het aantal arbeidsplaatsen, het verbeteren van de aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt, het verbeteren van de veiligheid en het vergroten van de bereikbaarheid van economische activiteiten.
Samenhang en ontkokering
Steden zijn met veel energie en creativiteit bezig met de voorbereiding van hun stedelijke visies. Zo betrekken zij burgers, bedrijven, instellingen, buurgemeenten en provincies bij de voorbereiding. Het kabinet ondersteunt dit proces door bijvoorbeeld het organiseren van regionale bijeenkomsten over stadseconomie samen met het VNO/NCW en het MKB. Een samenhangende aanpak is daarbij een belangrijk sleutelwoord, zoals het voornemen om in het Fonds voor Werk en Inkomen bijstand en uitstroom- en activeringsbeleid te bundelen. Hierdoor sluiten het voorzien in een inkomen en het toeleiden naar een baan beter op elkaar aan. Zo hebben de steden de ruimte om vanaf 2000 voor arbeidsbemiddeling zelf hun uitvoering aan te besteden. Ook op het terrein van stedelijke vernieuwing en de sociale infrastructuur streeft het kabinet naar meer samenhang en ontkokering. Hierdoor wordt de leefomgeving van bewoners en bedrijven in de steden verbeterd. Nieuwe aanpak
In de vorige periode van het grotestedenbeleid richtten de afspraken en de bekostiging zich vaak op projectniveau. De huidige, nieuwe aanpak is juist gericht op programmaniveau. De afstand tot de concrete uitvoering wordt daarmee voor het kabinet groter. Het kabinet vindt dat een goede zaak: niet in de Haagse burelen kan en moet bepaald worden hoe bijvoorbeeld het werkloosheidsprobleem in Nijmegen, of de stedelijke vernieuwing in Groningen moet worden vormgegeven. Voor het rijk en de steden is het van belang duidelijkheid te hebben over de behaalde maatschappelijke resultaten. Het is bijvoorbeeld van groot belang dat de werkloosheid (met name onder etnische minderheden en vrouwen) in de grote steden méér dan landelijk gemiddeld afneemt, dat de uitstroom van hogere inkomens en bedrijven afgeremd en omgebogen wordt en dat de veiligheid meetbaar toeneemt. Vanzelfsprekend zal het kabinet de steden aanspreken op hun eigen financiële en beleidsmatige inzet en op een onverhoopt achterblijven van de uitvoering. In dat laatste geval zullen aanvullende afspraken over het alsnog behalen van de maatschappelijke resultaten nodig zijn, of worden in het uiterste geval budgettaire maatregelen genomen.
Grote steden en Europa
In de nieuwe verdeling van de Doelstelling 2-middelen die in de periode 2000-2006 vanuit de Europese structuurfondsen naar Nederland komen, gaat 422 miljoen gulden naar de grote steden. Dit kan, samen met de gelden uit het communautaire initiatieven, waaronder Urban en het aandeel van de steden in de oude Doelstelling 2-gebieden die nog overheidssteun krijgen, oplopen tot ruim 600 miljoen gulden.
Aan de G25 is voorgesteld om de middelen in te zetten in de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Eindhoven, Enschede, Nijmegen en Maastricht. De selectie hiervan heeft plaatsgevonden op basis van een aantal kenmerken, zoals lage inkomens en langdurige werkloosheid. Minister Van Boxtel wil deze steden bij de Europese Commissie voordragen.
Fonds Leefbaarheid en Veiligheid
Het kabinet is van plan om een aantal van de huidige en nieuwe budgetten samen te voegen tot een nieuw Fonds Leefbaarheid en Veiligheid. De totale omvang van dit fonds bedraagt 621 miljoen voor de periode 1999 t/m 2002. Het zal bestaan uit de budgetten voor Jeugd en Veiligheid ("van Montfrans"), Leefbaarheid, Oudkomers en voortijdig schoolverlaten. Samen met het Integraal Veiligheidsprogramma biedt dit Fonds een samenhangend pakket van maatregelen om de leefbaarheid en de veiligheid per stad te vergroten.
Stedelijke vernieuwing
Aan de voortgangsbrief grotestedenbeleid zijn ook het zogenoemde beleidskaders stedelijke vernieuwing en stadseconomie toegevoegd. Deze beleidskaders bevatten de voorwaarden die de staatssecretarissen Remkes van VROM, Faber van LNV en Ybema van EZ aan de gemeentelijke ontwikkelingsprogrammas stellen, willen gemeenten aanspraak kunnen maken op een bijdrage voor de fysieke aanpak van de stedelijke vernieuwing. De keuze van de voorwaarden, de zogenoemde prestatievelden, is vooral bedoeld om gemeenten te stimuleren om tot een brede en samenhangende aanpak te komen van de verbetering van de fysieke leefomgeving.

Deel: ' Van Boxtel grotestedenbeleid is denken, durven en doen '




Lees ook