Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

te

DEN HAAG
Directie Economische Samenwerking

Afdeling Energie, Onderzoek en Technologie

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 21 januari 1999
Kenmerk DES/ET-638/98
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Verdrag inzake nucleaire veiligheid

Zeer geachte Voorzitter,

Op grond van artikel 5 van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid (Trb. 1995, 105)
behoort elke Verdragsluitende Partij ter toetsing een rapport in te dienen betreffende de maatregelen die zij heeft genomen ter nakoming van elk van de verplichtingen van dit Verdrag. Het eerste rapport van Nederland is tot stand gekomen in samwenwerking met de ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het zal, evenals de andere nationale rapporten, worden besproken tijdens de eerste Review Meeting van partijen bij dit Verdrag, welke zal plaatsvinden van 12 tot 23 april a.s. in Wenen. Om die reden is het rapport in het Engels opgsteld.

Te Uwer informatie doe ik U hierbij, mede namens bovengenoemde ministeries, onderhavig rapport toekomen, voorzien van een korte beschrijving van het verdragskader waarin het rapport geplaatst moet worden.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

_________________________________________________________________

Korte beschrijving van het Verdrag inzake Nucleaire Veiligheid

De problemen rond nucleaire veiligheid in het voormalige Oostblok hebben de gedachte doen rijzen dat landen zich jegens elkaar zouden moeten verbinden tot het hanteren van verantwoorde beginselen en procedures op dit gebied. Onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Atoonenergie (IAEA) zijn weliswaar documenten terzake tot stand gekomen, maar die hebben op zich geen verbindende status. Een internationale conferentie over de veiligheid van kernenergie, in september 1991 in Wenen gehouden, riep op tot een verdrag terzake. In 1992 riep de Directeur-Generaal van de IAEA juridische en technische deskundigen bijeen om een tekst daarvoor voor te bereiden. Aan de bijeenkomsten namen omstreeks vijftig landen deel, waaronder ook Nederland. Op een diplomatieke conferentie van 14 tot 17 juni 1994 werd de ontwerptekst aanvaard, waarna het verdrag vanaf 20 september 1994 voor ondertekening werd opengesteld, Nederland ondertekende nog diezelfde dag samen met een aantal andere landen. Na ratificatie trad het verdrag voor Nederland op 13 januari 1997 in werking mede omdat er op dat moment ook volgens de bepalingen van het Verdrag reeds voldoende Staten geratificeerd hadden. Het verdrag houdt een aantal verplichtingen in aan het Koninkrijk met betrekking tot de getroffen voorzieningen op het gebled van de nucleaire veiligheid, De tekst van het verdrag is opgenomen in de Kernenergiewet.

De hoofddoelstellingen van het verdrag zijn:


1. Het bereiken en handhaven van een hoog niveau van nucleaire veiligheid


2. Het instellen en in stand houden van doeltreffende bescherming tegen mogelijke stralingsrisico's van kerninstallaties


3. Het voorkomen van ongevallen met stralingsgevolgen en het beperken van de gevolgen als dergelijke ongevallen zich toch voordoen.

Hoofdstuk 2 van het Verdrag (art. 4 t/m 19) bevat de 16 verdragsverplichtingen welke naast Algemene bepalingen en Wet- en regelgevend kader voornamelijk de Algemene veiligheidsoverwegingen en Veiligheid van installaties tot onderwerp hebben.

In de Algemene bepalingen is het "incentive" karakter van het Verdrag beschreven. Indien op het moment van inwerkingtreden van het Verdrag niet geheel aan de verplichtingen kan worden voldaan, dienen passende maatregelen te worden uitgevoerd om daar wel aan te voldoen danwel dienen plannen te worden uitgevoerd gericht op sluiting van de kerninstallatie.

In het onderdeel Wet- en regelgevend kader wordt gewezen op de noodzakelijke formeel vastgelegde elementen als veiligheidseisen, vergunningenstelsel, toezichthoduen en handhaving. Met name worden nadere eisen gesteld inzake het karakter van het Regulerend lichaam (de toezichthouder) als zijnde geheel onafhankelijk van enig ander lichaam dat zich bezig houdt met de bevordering of het gebruik van kernenergie. Tenslotte wordt gewezen op de bij de vergunninghouder liggende hoofdverantwoordelijkheid voor de veiligheid.

De Algemene veiligheidsoverwegingen vermelden verplichtingen inzake de onderwerpen Prioriteit aan veiligheid, Financiële en personele middelen, Menselijke factoren,Kwaliteitsborging, Beoordeling en verificatie van de veiligheid, Stralenbescherming en Voorbereiding op ongevallen. In het vierde en laaste onderdeel Veiligheid van installaties worden meer in detail de verplichtingen. behandeld met betrekking tot de verschillende fasen van een kerninstallatie. Dat begint met alle aspecten die van invloed zijn op de keuze van de vestigingsplaats (omgevingsfactoren), gaat vervolgens over de te nemen maatregelen om een voldoend veilig ontwerp te krijgen en ook te realiseren tijdens de oprichting van een kerninstallatie, en sluit af met de fase van de bedrijfsvoering. In deze laatste fase zijn met name aan de orde de goedkeuring voor de inbedrijfneming, voorwaarden voor veilige bedrijfsvoering, procedures voor onderhoud en beproeving, ongevalsprocedures, technische ondersteuning van de bedrijfsvoering, ongevalsrapportage, evaluatie van bedrijfservaring en afvalbeheersysteem.

Deel: ' Verdrag inzake nucleaire veiligheid '




Lees ook