Gerechtshof Amsterdam


Persexemplaar

arrestnummer 228/99
rolnummer 23-003036-97
datum uitspraak 15 februari 1999
tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 20 november 1996 in de strafzaak onder parketnummer 13-126009-96 van

HET OPENBAAR MINISTERIE

tegen

Irma M.,

Beperkt appel

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling ter terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 5. primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 en 7 november 1996 en in hoger beroep van 26 maart 1998, 2 april 1998, 19 mei 1998, 14 september
1998, 26 november 1998 en 1 februari 1999.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voorzover in hoger beroep aan de orde- tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van een verweer


1.1. Door de raadsman is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging van de verdachte. Hij heeft daartoe ?zakelijk samengevat? het volgende aangevoerd.


1.2. Op initiatief van de CID zijn vanaf omstreeks april 1995 door de CID-medewerkers Karel Stoltz en Willem Velthuizen contacten onderhouden met de verdachte, die daarmee een informantenstatus verkreeg. Deze contacten hadden tot doel de medewerking te verkrijgen van de verdachte bij het achterhalen van (een) videoband(en) waarop een lid of leden van de staande magistratuur zou(den) zijn afgebeeld, terwijl deze in de club Satyricon, waarin de verdachte werkzaam was (geweest), met een medewerkster van die club verkeerde(n). Gedurende die contacten is de verdachte door de CID-medewerkers herhaaldelijk zeer intimiderend benaderd en onder grote druk gezet om deze band(en) te verschaffen. Al in een vroeg stadium van de contacten waren de CID-medewerkers, ervan op de hoogte dat de verdachte, tezamen met haar mededaders H. en G., betrokken was bij het plegen van zogenaamde ram- of snelkraken. De politie heeft toen niet direct ingegrepen. De verdachte en/of haar mededaders zijn niet aangehouden in verband met het plegen van deze snelkraken, ook niet toen zij bij het plegen van een van deze kraken door de CID-medewerkers waren gevolgd. Door dit alles is bij de verdachte de indruk ontstaan dat zij en haar mededaders niet voor de snelkraken zouden worden gearresteerd, indien en zolang zij bereid was de van haar verlangde medewerking te verlenen. Aan de verdachte is toegezegd dat haar enige vorm van straffeloosheid voor de snelkraken zou toekomen, op voorwaarde dat zij de videoband(en) zou verstrekken. Aldus heeft de CID welbewust een situatie in het leven geroepen en laten bestaan, waarin de arrestatie van de verdachte als een zwaard van Damocles boven haar hoofd bleef hangen om dusdoende de druk op haar te vergroten. Een en ander heeft er mede toe geleid dat de verdachte de CID-medewerkers, naar haar eigen verklaring, ?aan het lijntje heeft gehouden?. De CID-medewerkers hebben haar te verstaan gegeven dat zij in staat waren onderzoek van de politie naar de snelkraken op- of tegen te houden; uit het tijdsverloop tussen het bekend worden van haar betrokkenheid bij snelkraken, het tactisch-operationeel bruikbaar maken van de bij de CID bekende informatie over de betrokkenheid van de verdachte bij snelkraken en het tijdstip van haar aanhouding blijkt dat dit het geval is geweest. De druk op de verdachte is nog vergroot door het dreigement haar mededaders te kunnen laten aanhouden; H. en G. zijn in de desbetreffende periode daadwerkelijk een keer, niet ter zake een snelkraak, aangehouden en na korte tijd weer vrijgelaten. Aan de verdachte is door de CID-medewerkers een groot geldbedrag getoond, waarover zij kon beschikken als zij de gevraagde videoband(en) zou leveren en er is gesproken over het aan haar verschaffen van een andere identiteit e.d. In de woning van de verdachte is, zonder haar toestemming en zonder mededeling voor- of achteraf, door de CID-medewerkers binnen getreden en zijn haar toebehorende videobanden meegenomen, gekopieerd en weer teruggeplaatst.


1.3. Deze handelingen en gedragingen van de CID-medewerkers hebben plaatsgevonden met medeweten en instemming, en in ieder geval onder verantwoordelijkheid, van de officier van justitie. In de geschetste omstandigheden is bij de verdachte de stellige indruk gewekt dat het het openbaar ministerie niet kon schelen dat de verdachte deze snelkraken pleegde, omdat het de officier van justitie boven alles ging om het achterhalen van de videoband(en). Daardoor is bij de verdachte het vertrouwen gewekt dat zij niet zou worden vervolgd voor de thans aan haar tenlastegelegde snelkraken, althans is het optreden van de CID zodanig ongeoorloofd geweest, dat het openbaar ministerie het recht op vervolging van de verdachte moet worden ontzegd.


2. Bij de beoordeling van dit verweer neemt het hof een aantal feiten en omstandigheden tot uitgangspunt. Deze feiten en omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk geworden op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. In het bijzonder heeft het hof dit afgeleid uit de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaringen van de getuigen Velthuizen, Stoltz, Teeven en Van Teijlingen, alsmede uit het aanvullende processen-verbaal d.d. 9 oktober 1998 en 2 november 1998 van Van Teijlingen. Voor zover het hof een bepaalde lezing van een der betrokkenen niet aannemelijk heeft geoordeeld, berust dit op een waardering van al de overige beschikbare gegevens, in onderling verband en samenhang beschouwd. In voorkomende gevallen zal zulks nader worden gemotiveerd.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

a. Op 22 augustus 1995 heeft de CID in de personen van Velthuizen en Stoltz voor het eerst contact gezocht met de verdachte. Vanaf die datum tot en met 17 februari 1997 heeft de CID 13 maal persoonlijk en 32 maal telefonisch contact gehad met de verdachte. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het eerste contact met de verdachte al in april 1995 heeft plaatsgevonden, zoals de verdachte heeft verklaard. Uit door haar overgelegde dagboekaantekeningen blijkt veeleer het tegendeel.

b. Het contact van de CID met de verdachte had niet tot doel informatie te vergaren omtrent ramkraken, maar hield uitsluitend verband met onderzoek in een andere zaak. Beoogd werd door de CID dat de verdachte, in de woorden van de procureur-generaal in zijn requisitoir, ?weer zou gaan werken in een bepaalde sexclub om zodoende de hand te kunnen leggen op videobanden, waarop meer of minder bekende beroepsbeoefenaars in compromitterende posities te zien zouden zijn?.

c. Niet aannemelijk is geworden dat aan de verdachte in haar contacten met de CID onvoorwaardelijk is toegezegd dat zij niet zou worden vervolgd voor haar betrokkenheid bij gepleegde ramkraken en al helemaal niet dat zij ook gevrijwaard zou blijven van vervolging voor nog te plegen ramkraken. Op grond van de verklaringen van Velthuizen is in ieder geval aannemelijk geworden dat door de CID-medewerkers met de verdachte erover is gesproken dat, als door haar bepaald materiaal zou worden aangeleverd, dit gunstige gevolgen zou kunnen hebben voor door haar gepleegde ramkraken. Dat strookt in zoverre met de verklaringen van de verdachte zelf, die er op neerkomen dat zij, indien zij met bepaalde informatie zou komen, (enige vorm van) ?vrijstelling? zou krijgen in verband met gepleegde ramkraken.

d. In de gesprekken van de CID met de verdachte zijn in verband met het verkrijgen van de bedoelde videoband(en) onderwerpen als het verschaffen van een andere identiteit en een ander adres aan de orde geweest. Niet aannemelijk is geworden dat daaromtrent aan de verdachte toezeggingen zijn gedaan.

e. De verdachte, die zegt niet te weten om welke videoband(en) het gaat en bestrijdt dat zij de beschikking heeft, heeft gehad of zou (hebben) kunnen krijgen over de bedoelde videoband(en), heeft deze band(en) niet aan de CID verschaft. Zij is ook niet meer gaan werken in de bewuste club. Zij heeft verklaard dat zij niet is ingegaan op het verzoek van de CID om informante te worden en voorts dat haar geld is geboden, welk geld zij niet heeft aangenomen. Zij heeft verder nog verklaard dat zij de CID-medewerkers ten aanzien van haar medewerking aan het verkrijgen van de bedoelde band(en) ?aan het lijntje heeft gehouden?.

f. Op 28 augustus 1995 beschikte de CID over informatie waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij ram- of snelkraken bleek. Deze snelkraken zijn in het contact van de CID met de verdachte meermalen aan de orde geweest. In ieder geval is met de verdachte gesproken over mogelijke betrokkenheid bij ramkraken op 28 augustus
1995 en op 8 februari 1996, de datum van een gepleegde ramkraak bij een bloemist.

g. In de periode van 9 augustus 1995 tot en met 15 maart 1996 hebben blijkens het dossier een twintigtal ramkraken plaatsgevonden, veelal in Amsterdam en omgeving. De verdachte heeft bekend bij de, op de tenlastelegging onder 2. tot en met 4. vermelde, ramkraken te zijn betrokken, samen met haar mededaders H. en G.. Deze snelkraken hebben plaatsgevonden op 18 december 1995,
29 februari 1996 en 14 maart 1996. Zij heeft voorts bekend vanaf september 1995 bij zo?n 7 à 10 van de in het dossier vermelde ramkraken als mededader betrokken te zijn geweest. G. heeft verklaard dat hij met H. en de verdachte een nog groter aantal van de in het dossier vermelde snelkraken heeft gepleegd.

h. Op 12 september 1995 heeft de CID, tijdens de afwezigheid van de verdachte, zonder haar toestemming, haar woning betreden, een aantal videobanden van de verdachte meegenomen, deze gekopieerd en vervolgens de originele banden teruggeplaatst. Naar luid van de verklaring van de CID-medewerkers en van Teeven zou deze handelwijze zijn geschied met toestemming van G., die toen - naar de CID wist in verband met vakantie van de verdachte: tijdelijk - de beschikking had over de sleutel van haar woning en als beheerder van haar woning of als zaakwaarnemer van de verdachte kon worden beschouwd. G. heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep ontkend toestemming te hebben gegeven of als beheerder of zaakwaarnemer te zijn opgetreden. Wat daarvan zij, het hof acht het niet aannemelijk dat de CID serieus heeft gemeend of kunnen menen dat zij de videobanden met behoorlijk namens de verdachte gegeven toestemming kon meenemen. Het hof stelt vast dat hier sprake is geweest van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van de verdachte.

i. De verdachte heeft verklaard dat Velthuizen en Stoltz op 4 oktober 1995 haar voor het eerst hebben verteld dat de CID wist dat zij, samen met H. en G., meedeed met de ramkraken. In het licht van het feit dat al op 28 augustus 1995 met de verdachte over ramkraken is gesproken, het ontbreken van exacte gegevens over de tijdstippen waarop dit thema nadien aan de orde is geweest en hetgeen omtrent de inhoud van de contacten van de CID met de verdachte ook overigens door Stoltz en Velthuizen is verklaard, acht het hof dit niet onaannemelijk.

j. Op 6 oktober 1995 is, met toestemming van de officier van justitie, door de CID-medewerkers aan de verdachte een geldbedrag van ? 25.000,-- getoond. Daarmee werd, naar de verdachte ook verklaart te hebben begrepen, uitsluitend beoogd de verdachte ervan te overtuigen dat zij een beloning kon verwachten als zij aan de CID de bedoelde videoband(en) zou verschaffen. Bij de beslissing van de officier van justitie is naar alle waarschijnlijkheid geen voorwerp van debat geweest of de verdachte als verdachte van ramkraken kon worden beschouwd. De officier van justitie heeft in dit verband verklaard dat, ook indien toen bekend was dat de verdachte betrokken was bij ramkraken, de beslissing niet anders zou zijn uitgevallen, gelet op het belang van het onderzoek in de andere zaak.

k. Op 30 november 1996 is door Van Teijlingen een proces-verbaal opgemaakt omtrent de betrokkenheid van onder anderen de verdachte, H. en Harry de brugwachter ? naar later bleek: G. - bij ramkraken. Dit proces-verbaal is opgemaakt naar aanleiding van een verzoek om informatie van de tactische recherche en aan de chef van het wijkteam Bureau Meer en Vaart op 4 december 1995 ter operationeel gebruik ter beschikking gesteld. Omtrent de bron van de in dit proces-verbaal vervatte informatie is genoegzaam komen vast te staan dat dit niet de verdachte is geweest. De CID achtte de informatie die de verdachte, klaarblijkelijk ook eigener beweging, over haar wetenschap van of betrokkenheid bij ramkraken aan Velthuizen en Stoltz verschafte, niet nodig voor het onderzoek naar ramkraken, omdat men gelijktijdig over een andere bron beschikte. De informatie over snelkraken is, in ieder geval tot 30 november
1995, niet tactisch-operationeel gebruikt of bruikbaar gemaakt. Zodanig gebruik vóór die datum is aan de CID niet verzocht en voordien door de CID ook niet overwogen of bevorderd.

l. Op 9 december 1995 is H. aangehouden in verband met een gestolen auto, nadat Velthuizen en Stoltz, die beschikten over informatie over een gestolen auto, die in de buurt van de woning van de verdachte stond geparkeerd, H. bezig zagen de auto te starten. Deze waarneming is door hen aan de centrale meldkamer doorgegeven. Omtrent een tussentijdse aanhouding van G. zijn, behoudens de terloopse mededeling van hem ter terechtzitting in hoger beroep, in de onderhavige strafzaak geen nadere gegevens bekend geworden.

m. Op 7 februari 1996 is een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd tegen de verdachte. In het kader van het geopende gerechtelijk vooronderzoek zijn over de telefoonaansluiting van de verdachte gevoerde gesprekken afgeluisterd en opgenomen. Daaronder zijn gesprekken van de verdachte met Velthuizen en Stoltz. In het relaas
1 (proces-verbaal 1550-0002/95) van de tactische recherche over de pro-actieve onderzoeksfase wordt melding gemaakt van de ramkraak te Nieuw-Vennep op 22 november 1995 (tenlastegelegd onder 1.) en die van 11 januari 1996 op Kingsalmarkt te Amstelveen, waarbij de verdachte in haar auto is gesignaleerd (ad informandum tenlastegelegd).

n. Naar aanleiding van een groot aantal ramkraken is door de misdaadanalist Oldenbeuving een onderzoek ingesteld, waarvan op 9 februari 1996 in een analyserapport verslag is gedaan. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van het onder k. vermelde proces-verbaal.

o. De verdachte is buiten heterdaad aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij ramkraken en op 26 maart 1996 in verzekering gesteld.


3.1. Tegen de achtergrond van vorenstaande feiten en omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat aan de verdachte niet (onvoorwaardelijk) is toegezegd dat zij niet zou worden vervolgd voor de gepleegde ramkraken. Evenmin is aannemelijk geworden dat bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij daarvoor niet zou worden vervolgd. Als zij al mocht hebben gemeend dat zij vrijuit zou gaan, dan toch alleen indien zij de gevraagde videoband(en) zou hebben verschaft. Nu zij zelf heeft verklaard nimmer over die band(en) te hebben kunnen beschikken, wist zij derhalve dat zij aan het verzoek tot het verschaffen daarvan nooit zou kunnen voldoen. Zij mag dan wel de CID ?aan het lijntje? hebben gehouden, dat kan niet verhelen dat dit tegen beter weten in geschiedde. De verdachte heeft dan ook niet gerechtvaardigd kunnen menen dat zij, onverschillig of zij het verlangde materiaal verschafte of niet, niettemin gevrijwaard zou zijn van vervolging voor de gepleegde ramkraken. Integendeel, uit de verklaringen van Velthuizen en Stoltz moet worden afgeleid dat de verdachte er herhaaldelijk op is gewezen dat zij voor gepleegde strafbare feiten op de gewone wijze zou worden vervolgd.

Voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie om deze reden is dan ook geen plaats.


3.2. De door de verdachte gepleegde ramkraken berustten telkens op een eigen zelfstandig wilsbesluit. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de verdachte door de CID op een of andere wijze ertoe zou zijn aangezet ramkraken te plegen of dat zodanige intimidatie heeft plaatsgevonden of druk is uitgeoefend dat zij deswege tot het plegen van die strafbare feiten is overgegaan.


3.3. De vraag is welke betekenis toekomt aan het gegeven dat het de CID uit de contacten met de verdachte of anderszins op zeker moment zonder meer duidelijk was of moet zijn geweest dat de verdachte zich daadwerkelijk zelf schuldig had gemaakt aan ramkraken. Wat er zij van het exacte tijdstip waarop deze wetenschap bij de CID bekend was ?naar hierboven aannemelijk is geoordeeld was dat ten minste op 4 oktober 1995 ?die datum lag in ieder geval op een moment vóór de tenlastegelegde ramkraken.


3.4. Vaststaat dat tot 30 november 1995 geen CID-informatie met betrekking tot de onderhavige ramkraken tactisch-operationeel bruikbaar is gemaakt. Niet is echter aannemelijk geworden dat de CID of de officier van justitie welbewust heeft gewacht met het beschikbaar stellen van informatie over ramkraken met het oog op uitstel van de start van een tactisch onderzoek naar de verdachte. Het moge zo zijn dat door de CID met de van de verdachte afkomstige informatie over haar betrokkenheid bij ramkraken, in de woorden van Velthuizen bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige ter terechtzitting in hoger beroep, ?niets is gedaan? en dat die informatie voor de wijze van optreden van de CID jegens de verdachte, blijkens de verklaring van Teeven op die zitting, geen punt van debat is of zou zijn geweest, dit betekent nog niet dat de overigens en gelijktijdig beschikbare informatie dienaangaande uit andere bron is achtergehouden.

Na 30 november 1995 heeft het tot februari 1996 geduurd voordat het tactische team feitelijk van start is gegaan. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat deze vertraging in het tactisch onderzoek het gevolg is van ingrijpen van de CID of de officier van justitie. In het bijzonder is ook niet aannemelijk geworden dat de CID vanaf eind november 1995 het tactisch onderzoek naar de door de verdachte gepleegde ramkraken heeft op- of tegengehouden.

Een en ander leidt het hof in het bijzonder af uit de verklaringen van Velthuizen, Stoltz, Van Teijlingen en Teeven als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep.

Voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie vanwege enige vorm van vertraging of belemmering van het tactisch onderzoek naar de ramkraken is dan ook geen plaats.


3.5. Ook wanneer men ervan uitgaat dat de CID of de officier van justitie de mogelijkheid had om te (doen) voorkomen dat de verdachte (nieuwe) ramkraken pleegde, kan vooreerst niet worden gezegd dat door het uitblijven van dit ingrijpen op ontoelaatbare wijze inbreuk is gemaakt op rechten van de verdachte of dat rechtens te respecteren belangen van de verdachte zijn geschonden. De verdachte zelf kan er rechtens geen aanspraak op maken dat wordt ingegrepen wanneer zij strafbare feiten pleegt of gaat plegen.


3.6. Wel is denkbaar dat ? met het oog op (algemene) belangen van een integere rechtspleging ? het achterwege blijven van een optreden dat kan voeren tot het voorkomen van ramkraken onder omstandigheden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging dan wel tot een vermindering van de op te leggen straf.


3.7. Hoewel in het algemeen opsporingsambtenaren niet verplicht zijn gebruik te maken van hun strafvorderlijke bevoegdheden, bestaat er geen volledige vrijheid tot het achterwege laten van aanhouding van de verdachte voor gepleegde strafbare feiten of van ingrijpen ter voorkoming van het plegen daarvan. Het hof zal in dit verband nagaan of in de zaak van de verdachte sprake is geweest van een welbewust toelaten dat ramkraken werden gepleegd of zouden worden gepleegd, dan wel van het welbewust aanvaarden van de geenszins denkbeeldige kans daarop. Eerst indien zulk welbewust niet ingrijpen aan de orde is, behoeft de vraag beantwoording of daarvoor uit een oogpunt van opportuniteit in verband met andere opsporingsbelangen of vanwege andere omstandigheden goede redenen bestonden.


3.8. Uit de verklaringen van de getuigen Velthuizen, Stoltz, Van Teijlingen en Teeven is aannemelijk geworden dat de CID of de officier van justitie geenszins welbewust heeft toegelaten dat een ramkraak werd gepleegd. En evenmin is aannemelijk geworden dat zij willens en wetens de geenszins denkbeeldige kans daarop hebben aanvaard. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de CID
- door het volgen van de verdachte en/of haar mededaders of op grond van andere informatie - ter plaatse aanwezig is geweest op het moment dat aldaar mede door de verdachte een ramkraak zou worden uitgevoerd of aldaar tijdig aanwezig had kunnen zijn. Het andersluidende standpunt van de verdachte heeft niet voldoende steun kunnen krijgen

in de feiten.


3.9. Het feit dat de CID op zeker moment wist van door de verdachte gepleegde ramkraken impliceert niet dat zij er met enige mate van waarschijnlijkheid van moest uitgaan dat de verdachte ook in de nabije toekomst zulke strafbare feiten zou plegen. Het enkele feit dat een risico bestond dat de verdachte een dergelijke ramkraak zou kunnen plegen is onvoldoende om daaruit af te leiden dat de CID of de officier van justitie welbewust de reële kans dat een nieuwe ramkraak door de verdachte werd uitgevoerd heeft aanvaard. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat, op grond van mededelingen daarover van de verdachte, of van handelingen en gedragingen van de verdachte, dan wel anderszins, de CID vooraf over enigszins concrete informatie beschikte dat de verdachte een nieuwe ramkraak zou gaan plegen.


3.10. In de geschetste omstandigheden is de handelwijze van de CID en de officier van justitie niet van dien aard geweest, dat dit kan leiden tot het verval van de bevoegdheid van het openbaar ministerie de verdachte ter zake de ramkraken te vervolgen. Ook voor strafvermindering wegens ontoelaatbaar niet ingrijpen is geen grond.


3.11. Niettemin moet worden beoordeeld of in de gegeven omstandigheden het optreden van de CID en/of de officier van justitie overigens leidt tot vermindering van de op te leggen straf. Hoewel dat optreden niet is gericht geweest op informatieverkrijging in of met betrekking tot de onderhavige strafzaak, acht het hof een beoordeling daarvan hier geboden. Reeds het feit dat de verdachte gedurende de periode dat zij de tenlastegelegde strafbare feiten pleegde in contact stond met de CID en daarbij haar betrokkenheid bij ramkraken aan de orde geweest, rechtvaardigt zulks.


3.12. Uit het geheel van verklaringen rijst het beeld op dat het de CID en de officier van justitie in de gehele periode van de contacten met de verdachte boven alles te doen was om de videoband(en). Daarbij heeft men in de contacten met de verdachte op het boven water krijgen van die banden zozeer de nadruk gelegd, dat het kon lijken alsof men geen belang hechtte aan de betrokkenheid van de verdachte bij ramkraken. De CID en de officier van justitie hebben dusdoende gedurende enige tijd de facto een situatie laten bestaan waarin het gevaar schuilde dat de verdachte zou menen dat haar medewerking aan het achterhalen van de videoband(en) zo belangrijk werd gevonden, dat zij op het gebied van ramkraken haar gang kon gaan. Zij wist vanaf 4 oktober 1995 dat de CID haar actieve betrokkenheid bij ramkraken kende, doch dit leidde niet tot, voor verdachte kenbaar, onmiddellijk ingrijpen van de politie. In die omstandigheden is niet geheel onverklaarbaar dat bij de verdachte de idee heeft postgevat dat zij ? zolang zij maar de CID aan het lijntje hield ? ongestoord zou kunnen voortgaan met het plegen van ramkraken. Weliswaar niet geheel onverklaarbaar, maar op geen enkele wijze gerechtvaardigd; de verdachte heeft immers ? en het kan niet anders dan bewust ? de CID tegen beter weten in aan het lijntje gehouden in de voor zichzelf gecreëerde illusie dat zij gedurende die tijd vrijelijk ramkraken zou kunnen plegen.

Gelet op de vaststaande intensieve contacten van de CID met de verdachte en hetgeen omtrent die contacten, die ook wel 's nachts plaatsvonden, door Velthuizen en Stolz is verklaard, is voorts niet onbegrijpelijk dat de verdachte deze, zoals zij heeft verklaard, heeft ervaren als grote op haar uitgeoefende druk. In dit verband is evenmin onbegrijpelijk dat zij de arrestatie van H. en mogelijk van G. (zie hetgeen is vermeld onder 1.) in haar perceptie eveneens als vorm van druk heeft beleefd.

De CID heeft voorts op ongeoorloofde wijze haar woning betreden, videobanden meegenomen en gekopieerd.

Het vorenstaande optreden van de CID dient enige matigende invloed te hebben op de hoogte van een op te leggen straf.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat:


- ten aanzien van het onder 1. primair tenlastegelegde -

zij op 22 november 1995 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand van De Bock heeft weggenomen fotocamera's en 1 videocamera en 1 radiocassetterecorder, toebehorende aan VOF Foto Film De Bock;


- ten aanzien van het onder 2. primair tenlastegelegde -

zij op 29 februari 1996 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand van Polectro filiaal Bos en Lommerweg 373 heeft weggenomen videocamera's toebehorende aan Polectro BV, waarbij verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door met een bestelbus merk Mitsubishi de pui en het rolluik van die winkel te rammen en daarna een glazen vitrinekast te forceren;


- ten aanzien van het onder 3. primair tenlastegelegde -

zij op 14 maart 1996 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand van Megapool filiaal Burgemeester de Vlugtlaan 1 heeft weggenomen tien auto-radiocassetterecorders en een zonnehemel merk Philips en een compact-disc merk Sony en een disk merk Sony en een draadloze telefoon merk Eltek en een walkman merk Akai, toebehorende aan bovengenoemd winkelbedrijf, waarbij verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door met een personenauto merk: Lancia de voorpui en het rolluik van bovengenoemde winkel te rammen;


- ten aanzien van het onder 4. primair tenlastegelegde -

zij op 18 december 1995 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand van BCC filiaal Bankrashof 2 heeft weggenomen videocamera's en 1 videospeler merk: Sony en 1 videorecorder merk: Sony en 1 computer merk: Compaq, toebehorende aan BCC, waarbij verdachte en haar mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door met een bestelauto merk: Mitsubishi de pui goedereningang van die winkel te rammen en daarna twee vitrinekasten te forceren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:


- ten aanzien van feit 1. primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen;


- ten aanzien van feit 2. primair en feit 4. primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;


- ten aanzien van feit 3. primair -

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een relatief korte periode met anderen schuldig gemaakt aan het met regelmaat plegen van in totaal naar eigen zeggen tenminste een zevental zogenaamde ramkraken, waarbij met gestolen auto's de winkelpui werd geramd om zo goederen te kunnen wegnemen. Ramkraken zijn zeer ergerlijke feiten, die naast aanzienlijke materiële schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. Daarbij heeft verdachte welbewust gedeeld in de opbrengst van deze misdrijven. Haar rol bij deze misdrijven was weliswaar niet die van initiatiefneemster, maar wel een cruciale: zij was met communicatieapparatuur ter plaatse aanwezig om de mededaders te waarschuwen in geval van onraad, zodat zij met de buit konden ontkomen.

Behalve aan de bewezen feiten heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging door middel van braak op 11 januari 1996 te Amstelveen, Gemeente Amstelveen en een poging tot diefstal in vereniging door middel van braak op 26 januari 1996 te Huizen, Gemeente Huizen. Deze strafbare feiten zijn door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep erkend en door een korte vermelding op de dagvaarding ter kennis gebracht van de verdachte met de mededeling, dat zij onder de aandacht van de rechter zullen worden gebracht en zij worden bevestigd door de inhoud van de processen-verbaal van regiopolitie Amsterdam/Amstelland in de dossiers met de parketnummers 126009-96 respectievelijk 126009-96.

Het openbaar ministerie heeft deze dossiers ter behandeling bij de zaak gevoegd en daarmee te kennen gegeven dat de vermelde feiten niet afzonderlijk (verder) zullen worden vervolgd.

Bij deze stand van zaken moet in beginsel worden gereageerd met oplegging van een gevangenistraf van aanzienlijke duur, in de orde van grootte als door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd.

Blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte van 4 juni 1998 is verdachte niet eerder veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Zoals hierboven bij de bespreking van een gevoerd verweer onder 3.12. is overwogen, bestaan er matigende omstandigheden met betrekking tot de op te leggen straf die verband houden met het optreden van de CID. Voorts neemt het hof als matigende factor in aanmerking dat de behandeling van deze zaak in hoger beroep geruime tijd heeft geduurd.

En tenslotte houdt het hof ten gunste van de verdachte rekening met het feit dat haar beide mededaders, die terzake van ook aan verdachte tenlastegelegde ramkraken ruim achttien maanden in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht, niet onherroepelijk voor die feiten zijn veroordeeld, omdat het openbaar ministerie in hun strafzaken door het gerechtshof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn strafvervolging.

Alles afwegende zal het hof -mede gelet op de eis van de procureur-generaal- een gevangenisstraf opleggen van na te noemen duur.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een aanbod tot dienstverlening gedaan. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is er geen grond voor aanvaarding daarvan.

De inbeslaggenomen voorwerpen

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: 1 STK Scanner, REALISTIC pro
50, hand- zonder batterij B-06-20; 1 STK papier, lijstje met politiefrequenties in

plas. zak B-01-07; 1 STK Scanner, REALISTIC, hand- plus adapter B-01-30; 1 STK Semafoon, SEMADIGIT 550, B-02-02; 1 STK oplaadapparaat, plus adapter voor video in doos B-06-08; 1 STK Tas, inh. 2 zwarte pruiken, 1 neusmasker B-06-16, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze gezamenlijkheid van voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:


- 0 STK Verpakkingsmateriaal van Sharp organizer, in plastic zak, B-01-17;


- 0 STK telefoontoestel, twee delige draadloze kop, B-01-28;


- 1 STK Videocamera, SONY, handycam met oplader, B-04-01;


- 1 STK Autotelefoon, DA VINCI, pocketline, B-06-11;


- 1 STK Telefoontoestel, draagbaar in etui, B-06-12,

zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van deze voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 57,
310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. primair tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. primair meer of anders is tenlastegelegd en

spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (TIEN) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd:


- 1 STK Scanner, REALISTIC pro 50, hand- zonder batterij B-06-20;


- 1 STK papier, lijstje met politiefrequenties in plas. zak B-01-07;


- 1 STK Scanner, REALISTIC, hand- plus adapter B-01-30;


- 1 STK Semafoon, SEMADIGIT 550, B-02-02; 1 STK oplaadapparaat plus adapter voor video in doos B-06-08;


- 1 STK Tas, inh. 2 zwarte pruiken, 1 neusmasker B-06-16,

Gelast de teruggave van:


- 7 FLS Parfumerie, DIV. MERKEN, tester, B-06-19;


- 1 STK Aftershave, TABAC, tester, B-05-01,

aan drogisterij Portegies.

Gelast de teruggave van 1 STK Niet te definiëren goederen, HOLLIDAY CREATI, kerstmanpop met lampjes, B-0801, aan Blokker B.V..

Gelast de teruggave van 1 STK Zonnehemel, PHILIPS, B-06-06, aan Megapool.

Gelast de teruggave van:


- 1 STK Telefoontoestel, ALCATEL, GSM, B-01-11;


- 4 PAJ Tabak, ARBO, in plastic zak B-01-21;


- 1 STK Niet te definiëren goederen, bos kunstrozen, B-01-25;


- 1 STK Bloem, bos kunstbloemen;


- 1 STK Tas, zwarte tas, semafoon organ. diktafoon, adresb., B-06-02;


- 1 STK Keyboard, CASIO, CTK 530, in doos, B-06-05;


- 1 STK Niet te definiëren goederen, krantenknipsel van AH-ramkraak in plas. zak, B-06-09;


- 1 STK Tas, D. v.d. Broek met krantenknipsel in plas. zak, B-06-10;


- 1 STK Verrekijker, VIXEN, op statief, B-06-18,

aan verdachte.

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:


- 0 STK Verpakkingsmateriaal van Sharp organizer, in plastic zak, B-01-17;


- 0 STK telefoontoestel, twee delige draadloze kop, B-01-28;


- 1 STK Videocamera, SONY, handycam met oplader, B-04-01;


- 1 STK Autotelefoon, DA VINCI, pocketline, B-06-11;


- 1 STK Telefoontoestel, draagbaar in etui, B-06-12,

ten behoeve van de rechthebbende.

Heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te

Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Schendel, Van Manen en Swart, in tegenwoordigheid van mr. Lunsingh Tonckens als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 1999.

Deel: ' Verkort arrest Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep Irma M. '




Lees ook