Tweede Kamer der Staten Generaal

21501002.325 vao geannoteerde agenda 24-25 jan. algemene raad Gemaakt: 4-2-2000 tijd: 9:23

1

21501-02 Algemene Raad

nr. 325 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 februari 2000

De algemene commissie voor Europese Zaken<1> en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken<2> hebben op 20 januari 2000 overleg gevoerd met minister Van Aartsen en staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken over de geannoteerde agenda van de Algemene Raad van 24 en 25 januari 2000.

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Koenders (PvdA) sprak er allereerst zijn waardering over uit dat de minister, ondanks zijn zeer recente en ongetwijfeld vermoeiende bezoek aan Indonesië, bij dit algemeen overleg aanwezig was.

Hij sprak zijn zorgen uit over de escalatie van de conflicten in Indonesië en gaf aan vooral te willen ingaan op de Nederlandse positie terzake tijdens de Algemene Raad van 24 en 25 januari 2000. Er dient sprake te zijn van een duidelijke strategie, zowel qua inhoud als qua informatievoorziening. Dat is in het bijzonder van belang met het oog op de complexe ontwikkelingen in Indonesië. Het moest hem van het hart dat de verschillende signalen van het kabinet over het Europese Indonesiëbeleid en het wapenembargo die in de afgelopen weken zijn uitgegaan, de helderheid niet ten goede komen. Het beleid op dat punt is sinds begin januari regelmatig gewijzigd en dat doet geen recht aan de complexiteit van de situatie. Het oude wapenembargo liep op 17 januari 2000 af. In de antwoorden op Kamervragen die op 14 januari 2000 bij de Kamer zijn binnengekomen, werd gesteld dat de regering zou pleiten voor een nieuw Europees embargo op de levering van militaire goederen en repressiemiddelen aan Indonesië. De heer Koenders steunde in dat licht de oproep aan HSA om terughoudendheid te betrachten ten aanzien van de levering van radarapparatuur. Nog geen drie dagen later berichtten de media echter dat de minister -- na een gesprek met de Indonesische president Wahid -- tot de overtuiging was gekomen dat een wapenembargo niet zou bijdragen aan de democratisering van het leger.

De heer Koenders benadrukte dat de mening van de nieuw gekozen president van Indonesië een heel belangrijke factor is, maar dat de vraag blijft wat de regering nu feitelijk voorstelt en hoe het Europese beleid op dit punt eruit zal zien. Hij ging ervan uit dat het beleid conform de beantwoording van de Kamervragen zal worden vormgegeven, dus dat de regering zich zal inzetten voor een embargo op de levering van repressiemiddelen. Wat wordt overigens verstaan onder repressiemiddelen? Er wordt gesproken over een nieuw wapenembargo. Dat kan ook niet anders, gezien de enorme veranderingen die zich sinds de instelling van het vorige wapenembargo in Indonesië hebben voorgedaan. Wat is de inhoud van het positieve pakket aan maatregelen dat de minister voorstaat en welk tijdpad heeft hij daarbij voor ogen? De heer Koenders vond het onwenselijk om de situatie per dag te analyseren en pleitte derhalve voor het ontwikkelen van een bredere strategie. Hij vroeg ten slotte met welke landen bilateraal overleg heeft plaatsgevonden over continuering dan wel intrekking van het wapenembargo.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vroeg allereerst wat de minister ertoe beweegt om zijn beleid inzake Indonesië zo vaak te wijzigen. De houding die de minister het afgelopen halfjaar ten aanzien van Indonesië heeft tentoongesteld, had haar eigenlijk verbijsterd. Het beleid maakte volgens mevrouw Karimi een klungelige en slordige indruk. Zij wist dan ook niet meer waar zij aan toe was en vroeg zich af of een dergelijke handelwijze de Nederlandse geloofwaardigheid wel ten goede komt. Hoe reageert de Indonesische regering overigens op het Nederlandse jojobeleid?

Mevrouw Karimi achtte de verlenging van het wapenembargo noodzakelijk en vroeg naar de Nederlandse inzet op dat punt tijdens de Algemene Raad. Zij had uit de geannoteerde agenda de indruk gekregen dat de besluitvorming ten aanzien van Indonesië eigenlijk al op 14 en 15 januari op ambtelijk niveau is afgerond. Hoe kan zo'n belangrijk punt op ambtelijk niveau worden afgedaan? Is daarover dan niet gesproken tijdens de Algemene Raad van december?

Ten slotte vroeg mevrouw Karimi om het standpunt van de regering ten aanzien van de uitbreiding van het "energie voor democratieprogramma". Naar haar mening waren de ervaringen met dat programma tot nu toe niet erg positief. Waarom zou dat project worden verlengd als een verlichting van de sancties een beter middel zou zijn om de politiek in Servië enigszins in beweging te krijgen?

De heer Van Baalen (VVD) benadrukte dat voorkomen moet worden dat de chaos in Indonesië nog groter wordt en dat het land uit elkaar valt. Het is derhalve een goede zaak dat zowel minister Van Aartsen als minister Herfkens zich snel hebben verstaan met president Wahid en vice-president Megawati Soekarnoputri. Hij vroeg welke argumenten ten grondslag liggen aan de gewijzigde opstelling ten aanzien van het wapenembargo. De heer Van Baalen gaf aan dat de Nederlandse regering bij haar standpuntbepaling ten aanzien van het wapenembargo de mening van de regering Wahid zal moeten meenemen. Voorts deelde hij desgevraagd mee dat zijn fractie van mening is dat er op dit moment niet voldoende redenen zijn om een Europees wapenembargo te continueren.

De heer Van Baalen sprak naar aanleiding van het programma van het Portugese voorzitterschap de vrees uit dat die agenda wel eens te vol en te ambitieus zou kunnen zijn. Naast aandacht voor de voortgang van het uitbreidingsproces en de IGC over institutionele hervormingen, zal ook veel aandacht worden besteed aan werkgelegenheid en zal een innovatietop worden gehouden. Naar zijn mening zou de regering bij het voorzitterschap op een beperking moeten aandringen.

De heer Van Baalen was verheugd over de uitslag van de parlementsverkiezingen in Kroatië en sprak de hoop uit dat ook een democratische president zal worden gekozen. Kan nader worden ingegaan op de positieve signalen die richting Kroatië zullen uitgaan? Welke handreiking zal de Europese Unie doen?

Hij was voorts van mening dat de situatie in Afrika nog kritisch onder de loep zal moeten worden genomen. Generaal Roos, de Nederlandse permanente militaire vertegenwoordiger bij de Veiligheidsraad, heeft uitgesproken dat Afrika in "the spotlight" van de VN staat en dat er mogelijk grote vredesoperaties gepland moeten worden. De heer Van Baalen zag op dit punt geen directe rol voor de Europese Unie. Welk standpunt neemt de regering hierover in?

Het verheugde de heer Eurlings (CDA) dat het wapenembargo tegen Indonesië niet zal worden verlengd. Hij bracht in herinnering dat zijn fractie nooit iets heeft gezien in een wapenembargo, omdat de nieuwe Indonesische regering ondersteuning verdient. Een verlenging van het wapenembargo zou alleen maar contraproductief werken en extreme krachten in Indonesië in de kaart spelen. Ook hij sprak zijn verbazing uit over de zich steeds wijzigende positie van de minister in de afgelopen week. Er komt een nogal wispelturig beeld uit naar voren. De heer Eurlings wees in dit verband ook op de tamelijk uitbundige uitlatingen van minister Herfkens tijdens haar bezoek aan Indonesië en op het besluit om de bilaterale hulprelatie te herstellen. Hij was van mening dat een dergelijk jojobeleid zich niet goed verdraagt met de noodzakelijke consistentie in het buitenlandse beleid. Het zal bovendien niet gunstig uitpakken voor het herstel van de relatie met Indonesië. Had de minister zich niet eerder kunnen realiseren dat een wapenembargo niet bijdraagt aan de democratisering? Kan hij nu een helder en eensluidend standpunt geven over de Nederlandse positie ten aanzien van een mogelijk wapenembargo in de toekomst? Kan hij ingaan op zijn gesprekken met de Indonesische regering over het geweld op de Molukken en elders in Indonesië en op het verzoek van president Wahid om voormalig premier Lubbers te laten bemiddelen op de Molukken? Komt dat verzoek overigens ter sprake tijdens de Algemene Raad?

De heer Eurlings sprak vervolgens zijn zorgen uit over de politieke situatie in Rusland. De situatie is ondoorzichtig en er lijkt nog lang geen einde te komen aan de oorlog in Tsjetsjenië. Tijdens de top van Helsinki heeft de Commissie de opdracht gekregen om een mogelijke herziening van de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland te bekijken. De heer Eurlings was evenals de regering beducht voor de consequenties van een verbreking van de politieke dialoog met Rusland, maar wees op de onacceptabele wijze waarop Rusland oorlog in Tsjetsjenië voert. Hij was derhalve van mening dat de Europese Unie maatregelen zal moeten nemen, zeker nu in toenemende mate geruchten de ronde doen dat de KGB zelf de bomaanslagen zou hebben gepleegd die destijds de aanleiding vormden tot de aanval op Tsjetsjenië. Ook wees de heer Eurlings in dit verband op het risico van proliferatie naar onder meer Georgië. Verder zijn zowel de voorzitter van de OVSE als lord David Russell-Johnston, het hoofd van de parlementaire delegatie van de Raad van Europa, niet toegelaten tot het strijdgebied. Wat is het Nederlandse standpunt ten aanzien van eventuele maatregelen tegen Rusland? Wat wordt overigens bedoeld met "het in beschouwing nemen van de bilaterale relatie met Rusland"? Heeft de minister concrete voornemens op het oog? De heer Eurlings betreurde het dat er voor een statenklacht tegen Rusland weinig steun bestaat bij de andere lidstaten, maar achtte het een goede zaak dat de SG van de Raad van Europa de artikel 52-procedure heeft ingesteld, op grond waarvan Rusland moet rapporteren over de toepassing van het EVRM in Tsjetsjenië.

De heer Van Middelkoop (GPV) merkte naar aanleiding van de voorgestelde "herziening van de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland" op dat die gemeenschappelijke strategie volgens hem nog nooit het papier had verlaten. Hij nam aan dat die strategie nu veel bescheidener zal worden geformuleerd en dat die ook eindelijk zal worden geïmplementeerd. De heer Van Middelkoop was eveneens van mening dat de politieke dialoog met Rusland gehandhaafd dient te blijven en hij vond het van belang dat het verslag van de delegatie van de Raad van Europa die momenteel in Rusland aanwezig is, daarbij aan de orde zal worden gesteld.

De heer Van Middelkoop bracht in herinnering dat zijn fractie altijd van mening is geweest dat juist Nederland er verstandig aan doet zich niet al te geprofileerd uit te laten over Indonesië en vooral te investeren in het herstel van de bilaterale relatie tussen Nederland en Indonesië. Ook hij verzuchtte dat het beleid van minister Van Aartsen ten aanzien van Indonesië niet meer te doorgronden is. De minister heeft vorige week een publieke oproep aan HSA gedaan om geen wapens te leveren aan Indonesië. Waarom heeft hij deze zaak niet eerder bij zijn collega's in de Raad aan de orde gesteld? Hij had toch ruim voor 17 januari 2000 het Finse of Portugese voorzitterschap kunnen bellen en een poging kunnen ondernemen om het wapenembargo te handhaven? De heer Van Middelkoop vond het moment van de publieke oproep, namelijk vlak voor het vertrek van de minister naar Indonesië, in politiek en diplomatiek opzicht zeer ongelukkig gekozen. En het had hem nog meer bevreemd dat de minister tijdens zijn verblijf in Jakarta van standpunt is veranderd. Alhoewel de heer Van Middelkoop zich kon vinden in het nu ingenomen standpunt dat het wapenembargo niet verlengd zal moeten worden, had hij grote vraagtekens bij de argumentatie op grond waarvan de minister zijn standpunt heeft gewijzigd. De minister had immers al veel eerder kunnen bedenken dat een wapenembargo de democratisering van het leger in de weg zou staan. Waarom is de minister pas in Indonesië tot dat gewijzigde inzicht gekomen? Kan hij uitleggen wat de inhoudelijke kwaliteit van dat argument is? Hoe kan de handhaving van het wapenembargo de democratisering van het leger in de weg staan? Heeft de minister soms willen suggereren dat president Wahid onvoldoende greep op het leger zou hebben? Zo ja, heeft de minister dat dan ook tegen president Wahid gezegd?

De heer Van Middelkoop concludeerde al met al dat hij niet gelukkig was met de gebeurtenissen van de laatste paar weken. Voorkomen moet worden dat de relatie tussen minister Van Aartsen en Indonesië vergelijkbaar wordt met die tussen minister Van Mierlo en Suriname

Ook de heer Hoekema (D66) was niet erg te spreken over het wisselende beleid van minister Van Aartsen ten aanzien van het wapenembargo tegen Indonesië. De minister lijkt door zijn zigzagbeleid in een situatie te komen waarin alle partijen ongelukkig zijn met de positiebepaling. Hij komt om de paar dagen met een gewijzigd standpunt naar buiten. Het staat buiten kijf dat een land in moeilijkheden als Indonesië, dat een veelbelovende nieuwe start heeft gemaakt met een goede nieuwe president, zoveel mogelijk ondersteund moet worden in de richting van democratisering, stabiliteit, pluriformiteit en tolerantie. Het oude embargo liep op 17 januari af. Het was derhalve beter geweest als Nederland al in een eerder stadium de discussie met de andere EU-lidstaten over het al dan niet handhaven van een wapenembargo had aangezwengeld. Door deze discussie niet op tijd aan te gaan, is nu het beeld ontstaan van een onhandig opererende Nederlandse regering. Welke positie zal de regering tijdens de Algemene Raad van 24 en 25 januari innemen en welke signalen zullen uitgaan in de richting van HSA? Zijn de bezwaren van een aantal lidstaten tegen een voortzetting van het wapenembargo inderdaad onoverkomelijk? Is er geen enkel land meer, dus ook Nederland niet, dat ervoor voelt om eenzijdig een grote terughoudendheid aan de dag te leggen?

De heer Hoekema was van mening dat er onvoldoende grond is om het wapenembargo op te heffen en derhalve ook (nog) geen grond voor leverantie van radarapparatuur door HSA. Zijn fractie is voorstander van een voortzetting van grote terughoudendheid, omdat de situatie in Timor, die destijds de aanleiding vormde tot het embargo, nog steeds niet geheel is opgelost. Er bestaat nog steeds geen volledige duidelijkheid over de rol van de militairen en een en ander is nog steeds niet juridisch en politiek afgedaan. Ook het optreden van het Indonesische leger op het westelijk deel van Timor kan niet altijd de goedkeuring wegdragen. Er dient overigens wel een onderscheid te worden gemaakt tussen de leverantie van militaire goederen en repressieve middelen en bijvoorbeeld samenwerking met militaire autoriteiten.

In de richting van de staatssecretaris vroeg de heer Hoekema om een oordeel over het programma en de presentatie van het Portugese voorzitterschap. Zijn er mogelijkheden voor andere lidstaten om een brede IGC-agenda te realiseren? De heer Hoekema sprak de zorg uit dat de agenda van het Portugese voorzitterschap niet even ambitieus is als die van Nederland.

Mede in het licht van de recente toenadering tussen de verschillende Servische oppositiepartijen, achtte de heer Hoekema het van groot belang dat de Europese Unie met die Servische oppositie in gesprek blijft. Op welke wijze zullen de gesprekken worden voortgezet?

De heer Hoekema had de indruk dat het in Helsinki genomen besluit inzake maatregelen tegen Rusland, zoals de herziening van een aantal samenwerkingsprogramma's, nog niet is uitgewerkt. Het had hem voorts teleurgesteld dat in de geannoteerde agenda slechts wordt gesproken over een "uitwerking van de maatregelen tegen Rusland" en niet over een uitbreiding daarvan. Gezien het disproportionele geweld waarvan vele onschuldige burgers in Tsjetsjenië het slachtoffer zijn geworden, is er alle grond om tot een uitbreiding van maatregelen tegen Rusland over te gaan. Hoewel de animo voor een statenklacht tegen Rusland binnen Europa nog niet groot is, zal opnieuw geprobeerd moeten worden om die van de grond te krijgen.

Ten slotte sprak de heer Hoekema zijn teleurstelling uit over de verdeeldheid binnen de Europese Unie over de benoeming van de heer Ekeus als hoofd van de nieuwe VN-instantie die toezicht moet houden op de ontmanteling van Iraks massavernietigingswapens. Hij vroeg de minister dit onderwerp op de agenda van de Algemene Raad te zetten.

Het antwoord van de regering

De minister van Buitenlandse Zaken zegde allereerst toe dat de Kamer aan het begin van de volgende week een notitie over de situatie in Indonesië en een verslag van zijn bezoek aan Indonesië zou ontvangen. Een algemene en positieve conclusie die uit het overleg met Jakarta kan worden getrokken, is dat er met Indonesië aan een nieuwe agenda kan worden begonnen. Omdat er inmiddels een algemeen overleg over de situatie in Indonesië was geagendeerd, volstond de minister met de bevestiging dat de escalatie van het conflict op de Molukken in alle gesprekken zeer uitvoerig en indringend aan de orde was gesteld en dat hij de nodige druk had uitgeoefend op de Indonesische regering om noodzakelijke maatregelen te blijven nemen teneinde rust op de Molukken te bewerkstelligen. In de richting van de heer Eurlings meldde de bewindsman dat in eerste instantie met de heer Lubbers zal moeten worden gesproken over de suggestie van president Wahid om de heer Lubbers met een bepaalde taak te belasten. Afgesproken is dat er daarna weer contact zal worden gezocht met de Indonesische regering. Dit punt zal vervolgens aan de orde komen tijdens het bezoek van president Wahid op 2 en 3 februari a.s. aan Nederland. De minister benadrukte dat dit een bilaterale kwestie is die niet tijdens de Algemene Raad van 24 en 25 januari aan de orde zal komen.

De bewindsman was tijdens zijn bezoek aan Jakarta getroffen door de vastberadenheid waarmee president Wahid en zijn zeer gemotiveerde politieke team een democratie in Indonesië tot stand willen brengen. Er ligt een unieke kans voor de Indonesische bevolking om een omslag van een dictatuur naar een ware democratie te maken, die ook van enorme betekenis kan zijn voor de regio. De vestiging van een rechtsstaat is ook voor het economisch herstel van wezenlijk belang. In dit moeilijke proces zal moeten worden afgerekend met diepgewortelde problemen uit het verleden. Daarnaast dienen zich ook nieuwe spanningen aan in verscheidene regio's in Indonesië.

Omdat de opstelling van de Indonesische strijdkrachten van cruciaal belang is voor zowel de regionale als de institutionele problemen, zal de nieuwe regering ervoor moeten zorgdragen dat de Indonesische strijdkrachten onder politieke controle van de gekozen bestuurders komen te staan. President Wahid heeft dan ook gezegd dat dat zijn eerste prioriteit is. Deze uitspraak wordt ook ondersteund door een aantal belangrijke wijzigingen in de top van de Indonesische strijdkrachten en door de vervanging van een aantal regionale commandanten. De minister meende dat er goede voortgang wordt gemaakt met het onder controle brengen van de strijdkrachten en zegde de Kamer een overzicht toe van de belangrijke besluiten die tot nu toe zijn genomen. Hij sprak het vertrouwen uit dat ook in de komende tijd militairen, die zich hebben schuldig gemaakt aan schendingen van mensenrechten of steun aan milities, voor het gerecht zullen worden gebracht en zonodig uit hun functie zullen worden ontheven.

De minister sprak voorts uit dat de mate waarin voortgang wordt gemaakt met het onder politieke controle stellen van de strijdkrachten een belangrijke graadmeter zal zijn voor de relatie en de samenwerking met Indonesië in algemeen-politieke zin, maar ook voor de vraag hoe Nederland zich dient op te stellen ten aanzien van de militaire samenwerking en het leveren van militair materieel. Er hebben zeer indringende gesprekken plaatsgevonden, waarin door de Indonesische gesprekspartners met een bijzonder grote openhartigheid over de huidige situatie werd gesproken. In die gesprekken werd de nadruk gelegd op de moeilijke situatie waarin de president zich bevindt en op de noodzakelijke steun van andere landen bij de democratisering van de Indonesische strijdkrachten door middel van opleiding en trainingen van deze strijdkrachten. Van Nederland werd met name ook een bijdrage verwacht op het punt van het respect voor de rechten van de mens.

De bewindsman concludeerde naar aanleiding van zijn bezoek aan Indonesië dat er een terughoudend beleid zal moeten worden gevoerd ten aanzien van militaire leveranties aan Indonesië, waarbij elke leverantie zorgvuldig zal moeten worden getoetst aan de criteria van het Nederlandse wapenexportbeleid en aan de "code of conduct" die in EU-verband is overeengekomen. Verder zal Nederland een actief beleid moeten voeren om bij te dragen aan de noodzakelijke democratisering van de Indonesische strijdkrachten door het aanbieden van opleidingen en trainingen alsmede door het onderhouden van contacten die gericht zijn op het bevorderen van die doelstelling. Deze houding zal voortdurend moeten worden getoetst aan de ontwikkelingen in Indonesië, en dan met name aan de mate waarin voortgang wordt geboekt met dat proces van democratische onderschikking van de strijdkrachten aan het legitieme, politieke gezag.

De minister benadrukte dat er in Jakarta en bij de Europese partners volstrekt geen onduidelijkheid is ontstaan over de Nederlandse stellingname. Nederland was er voorstander van dat er na het verlopen van het embargo op 17 januari zou worden overgegaan tot een restrictief pakket van "stick and carrotmaatregelen". Er hebben zeer veel gesprekken met andere lidstaten plaatsgevonden teneinde een dergelijk beleid ingang te doen vinden in de Europese Unie. Naar de mening van de bewindsman moesten de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU echter de mogelijkheid hebben om in de Raad te spreken over het verlopen van het wapenembargo. Hij had derhalve eind december een dringend beroep op de voorzitter van de Algemene Raad gedaan om een bespreking van het wapenembargo tijdens de Raad van 24 januari mogelijk te maken. Dat betekende ook dat Nederland ernaar streefde om het wapenembargo niet te laten aflopen op 17 januari, maar het te laten voortbestaan totdat daarover daadwerkelijk een volwaardig politiek debat op 24 januari had plaatsgevonden. Dat debat was mede noodzakelijk, omdat er eind december nog geen volledige duidelijkheid was over de standpunten van een aantal lidstaten. In het comité politique werd vervolgens van Nederlandse zijde een verlenging van het wapenembargo bepleit, maar dat verzoek werd helaas niet gehonoreerd. Tijdens die discussie in het comité politique werd wel gesproken over eventuele alternatieven voor een totaal wapenembargo. De bewindsman erkende overigens dat hij in de beantwoording van de Kamervragen niet de term "embargo" had moeten gebruiken, maar dat hij er beter aan had gedaan om precies te schetsen waar hij mee bezig was. De minister wees er verder op dat hij binnen de Europese Unie de enige minister van Buitenlandse Zaken was die Indonesië in deze periode zou bezoeken. Dat was mede een reden om een uitstel van de besluitvorming tot 24 januari te bepleiten, omdat hij dan rechtstreeks verslag zou kunnen doen van zijn bevindingen in Indonesië.

De bewindsman deelde mee dat vaststaat dat de Algemene Raad volgende week niet zal besluiten tot een nieuw embargo, in welke vorm dan ook, omdat daarover geen unanimiteit bestaat binnen de Europese Unie. Er is geen sprake van een eenduidig oordeel over de situatie in Indonesië en over de stappen die genomen moeten worden. Dit betekent dat de Europese Unie zal terugvallen op het staande beleid ten aanzien van de "code of conduct" en dat de afzonderlijke lidstaten een zelfstandig wapenbeleid zullen voeren. Zoals bekend voert de Nederlandse regering een restrictief beleid op dit punt.

De minister deelde mee dat het "energie voor democratieprogramma" in de richting van de twee gemeenten succesvol is geweest. Hij nam aan dat de Europese Commissie tijdens de Algemene Raad een uitbreiding van dit programma naar een zestal nieuwe gemeenten in Servië zal aankondigen. Het is voorts inderdaad de bedoeling om zeer nauwe contacten met de oppositie te blijven onderhouden. Het overleg in het kader van het zogenaamde Berlijnmechanisme zal worden voortgezet en daarin zal er bij de oppositie op worden aangedrongen om nog meer verenigd te opereren. Het zou het beste zijn als een eventuele verlichting van de sancties tegen de FRJ te zijner tijd zou worden beschouwd als een succes voor de oppositie en niet als een succes voor Milosevic.

Ten aanzien van Kroatië sprak de bewindsman de hoop uit dat er binnenkort een nieuwe regering zal aantreden. Het is in ieder geval de bedoeling om de politieke dialoog met Kroatië te intensiveren. Een en ander zal wel afhankelijk zijn van het programma van de nieuwe regering ten aanzien van democratisering, samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal, de terugkeer van vluchtelingen en de totale uitvoering van het Akkoord van Dayton. Hij achtte het verstandig om een consultatieve taskforce tussen de Europese Unie en Kroatië te vormen. Voorts zal het commissiekantoor in Zagreb moeten worden versterkt.

De minister meende dat er tijdens de Algemene Raad van 24 en 25 januari weinig tijd zal zijn voor een uitvoerig debat over Afrika. Hij zegde toe dat hij zou verzoeken om in de februarivergadering aandacht te schenken aan een aantal conflicten op het Afrikaanse continent. Daarbij zal gebruik moeten worden gemaakt van de bevindingen van de Veiligheidsraad en het overleg dat in januari in dat gremium heeft plaatsgevonden. De minister wees er nog op dat de Veiligheidsraad in september onder voorzitterschap van Nederland ook zeer uitvoerig aandacht aan Afrika heeft geschonken.

De bewindsman deelde mee dat inmiddels een aantal maatregelen tegen Rusland is genomen. Zo is de ondertekening van het wetenschapsakkoord uitgesteld en worden de activiteiten in het kader van de gemeenschappelijke strategie beperkt tot datgene wat slechts in het belang is van de EU zelf. Verder is het TACIS-programma vertraagd en is de ingrijpende ombuiging van het TACIS-programma conform de afspraken tijdens de top van Helsinki in gang gezet. Daarbij gaat het om een ombuiging van 130 mln. euro naar 40 mln. euro.

Ook de bewindsman had geconstateerd dat er binnen de EU verdeeldheid is over de benoeming van de heer Ekeus. Hij kon nog geen nadere informatie geven over de argumenten van de diverse lidstaten en wist ook niet of daarover zou worden gesproken tijdens de Algemene Raad van 24 en 25 januari.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken vond het programma van het Portugese voorzitterschap zwaar, maar niet overdreven zwaar. Hij beschouwde de Innovatietop die eind maart zal worden gehouden over economische groei, innovatie, werkgelegenheid en de kennissamenleving als een heel interessant initiatief, waarvoor de regering veel belangstelling heeft. Hij had ook uit gesprekken met het Portugese voorzitterschap de indruk gekregen dat het een heel redelijk en aantrekkelijk programma is.

De staatssecretaris had ten aanzien van de agenda voor de intergouvernementele conferentie de indruk dat het zeker de goede kant opgaat. De inzet was om een brede discussie te voeren, en die niet te beperken tot de overblijfselen van de top van Amsterdam. Er zullen een aantal "onderhandelingsboxen" komen. De eerste drie zijn de overblijfselen van Amsterdam: de Commissie, de Raad en de meerderheidsbesluitvorming. De vierde box bestaat uit daaraan gerelateerde onderwerpen, zoals het functioneren van het Hof van Justitie en het vraagstuk van flexibiliteit. In de vijfde box komen de nieuwe onderwerpen, met als belangrijkste thema het veiligheids- en defensiebeleid. Op grond van besluitvorming in de Europese Raad van juni zal bezien worden in welke mate en op welke manier die nieuwe onderwerpen aan de agenda toegevoegd zullen worden. De staatssecretaris constateerde dat de regering al met al tevreden is over de inzet van het Portugese voorzitterschap. Zij kan in ieder geval met vol vertrouwen op de agenda insteken.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Boer

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Hommes

1 Samenstelling:

Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Voûte-Droste (VVD), Verhagen (CDA), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), voorzitter, Karimi (GroenLinks), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Albayrak (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Van Baalen (VVD)

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van Bommel (SP), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Wilders (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Zijlstra (PvdA), Mosterd (CDA), Verbugt (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Feenstra (PvdA), Crone (PvdA), Balkenende (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Geluk (VVD), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA)

2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Dijksma (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van den Doel (VVD), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Koenders (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Remak (VVD), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Timmermans (PvdA), Wilders (VVD)

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Belinfante (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Van Bommel (SP), Cherribi (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Gortzak (PvdA), De Haan (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Eurlings (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Albayrak (PvdA), Feenstra (PvdA), Leers (CDA), Patijn (VVD), Van den Akker (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), Van Oven (PvdA), Balemans (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag algemeen overleg over agenda Algemene Raad EU '




Lees ook