Tweede Kamer der Staten Generaal

26800VII.035 vao inzake burgemeestersbenoemingen Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 12:33

26800 VII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2000

nr. 35 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 februari 2000

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties<1> heeft op 26 januari 2000 overleg gevoerd met minister Peper van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de vertrouwelijke brieven d.d. 13 oktober 1999 (BZK-99-1052), 1 november 1999 (BZK-99-1088), 23 november 1999 (BZK-99-1200) en 17 januari 2000 (BZK-00-78) inzake burgemeestersbenoemingen.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer De Cloe (PvdA) complimenteerde de minister ermee dat hij in vergelijking met zijn voorganger aanmerkelijk minder afwijkt van het resultaat van de in het algemeen zorgvuldige procedures in gemeenten bij burgemeestersbenoemingen. In de periode 1983-1989 werd in circa 65% van de gevallen de voordracht van de vertrouwenscommissie gevolgd. Daarna, onder minister Dales, steeg dit percentage plotseling tot zo'n 84, om vervolgens tijdens het bewind van minister Dijkstal weer naar beneden te duikelen, met als laagste cijfer 73% in 1998. Minister Peper komt aan 88%, terwijl hij in het afgelopen jaar bij negentien voordrachten in slechts één geval van het advies van de vertrouwenscommissie afweek. Er is minister Dijkstal steeds verweten dat hij het advies van de vertrouwenscommissie zwaarder zou moeten laten wegen, omdat die zorgvuldig te werk gaat en omdat de commissaris van de koningin ook nog aanbeveelt welke mensen zij zou moeten horen. De heer De Cloe vond de lijn van minister Peper aanmerkelijk beter, maar in het algemeen staat de fractie van de PvdA op het standpunt dat de minister of de commissaris van de koningin alleen van de voordracht zou mogen afwijken als er integriteitskwesties in het geding zijn of als er iets misgegaan is in de procedure en dat de politieke partijen zelf maar actie moeten ondernemen om een goede spreiding naar politieke kleur te bewerkstelligen. Hij stelde dat respecteren van de lokale besluitvorming van kwaliteit getuigt, omdat daar het zwaartepunt behoort te liggen.

Verder vroeg de heer De Cloe de minister om een toelichting op het hanteren van het begrip politieke spreiding bij burgemeestersbenoemingen. Is de uitslag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer daarbij bepalend? Welke criteria gebruikt de minister als argument om af te wijken van een voordracht? Ook de commissaris van de koningin wijkt soms af van de voordracht van de vertrouwenscommissie, terwijl deze van tevoren de namen van kandidaten met die commissie doorneemt, zodat zij toch allen benoembaar moeten worden geacht. Hoe reageert de minister in zo'n geval? En wie bepaalt de koers bij het opstellen van de tekst van de advertentie bij een burgemeestersvacature?

De heer De Cloe had vernomen dat sommige commissarissen van de koningin de namen van sollicitanten zo snel de revue laten passeren dat ze maar nauwelijks tot de vertrouwenscommissie doordringen. Is dit niet te voorkomen door er een procedure voor af te spreken? En zou er niet bepaald kunnen worden dat de commissaris van de koningin de voordracht van de vertrouwenscommissie binnen twee weken aan de minister moet doorsturen, om verwevenheid met andere burgemeestersvacatures te voorkomen? De heer De Cloe riep ook de minister op de procedure zo mogelijk binnen twee tot vier weken af te ronden, om de betrokken gemeente zo kort mogelijk in onzekerheid te laten. Hij was het in dit verband geheel met mevrouw Van der Hoeven eens dat er geen "mandjes" met benoemingen gemaakt zouden mogen worden.

Ten slotte vroeg de heer De Cloe zich af of het wel eens voorkomt dat er ruim na het verlopen van de gestelde termijnen nog kandidaten voor de post van burgemeester of commissaris van de koningin aan de procedure meedoen en zo ja, of dit wel wenselijk is.

De heer Te Veldhuis (VVD) toonde zich een voorstander van behoud van benoeming van burgemeesters door de Kroon, waarbij de Kroon volledig bevoegd en verantwoordelijk is. Ook hij had geconstateerd dat minister Peper in 12% van de in totaal 33 gevallen het advies van de vertrouwenscommissie niet gevolgd heeft, waarbij hij in twee gevallen zowel daarvan als van de voordracht van de commissaris van de koningin afweek. In twee gevallen was er volgens de minister een duidelijk verschil in kwaliteit tussen de uiteindelijk benoemde burgemeester en de voorgedragen kandidaten. Welke criteria hebben hem in de andere gevallen ertoe gebracht van de voordracht af te wijken? De heer Te Veldhuis had overigens in het geheel geen moeite met de handelwijze van minister Peper, noch met die van zijn voorgangers, omdat niet de gemeenteraad of de commissaris van de koningin, maar de minister van BZK de verantwoordelijkheid voor de benoeming draagt.

De minister is verder eveneens in twee gevallen van de voordracht voor een burgemeestersbenoeming afgeweken in verband met het belang van politieke spreiding. De heer Te Veldhuis kon hiermee instemmen, omdat de VVD het volstrekt redelijk vindt om in een landelijk benoemingsbeleid evenredigheid met de uitslag van de Kamerverkiezingen een rol te laten spelen om een evenwichtige spreiding te bewerkstelligen. Hij noemde de huidige situatie onevenwichtig en onrechtvaardig. Het CDA heeft nog 41% van de burgemeestersposten, die zich uitstrekken over 32% van het aantal inwoners, terwijl deze partij bij de laatste Kamerverkiezingen 18,4% van de stemmen behaalde. De PvdA zou op basis hiervan "recht hebben" op 29% van het aantal posten, terwijl dit nu 30% is, maar wel 38% van het aantal inwoners bestrijkend. De VVD behaalde 24,7% van het aantal stemmen; 23% van de bevolking heeft een VVD-burgemeester, maar het aandeel van de VVD-burgemeestersposten is slechts 20%. De heer Te Veldhuis trok hieruit de conclusie dat het CDA zwaar oververtegenwoordigd is, dat de PvdA met name in de grotere steden stevig oververtegenwoordigd is en dat de VVD 20% te weinig posten bezet. Hij erkende dat verkiezingsuitslagen in verband met de geldende benoemingstermijnen slechts geleidelijk tot veranderingen kunnen leiden, maar hij vond dat de veranderingen toch te lang duren, aangezien de huidige situatie, ook gelet op de uitslag van de voorlaatste Kamerverkiezingen, onevenwichtig is. Het overschot van CDA-burgemeesters blijft bestaan, evenals dat van PvdA-burgemeesters in grotere gemeenten, terwijl de structurele achterstand van de VVD niet wordt ingelopen. Er wordt in verband met wachtgeldverplichtingen soms ook voorrang gegeven aan een CDA-kandidaat omdat er veel CDA-burgemeesters zijn overgeschoten bij gemeentelijke herindelingen, waardoor de huidige situatie nog langer in stand blijft.

Om dit mechanisme te doorbreken pleitte de heer Te Veldhuis ervoor CDA-burgemeesters versneld te laten uitstromen naar een andere baan en hen niet meer automatisch te herbenoemen of hen te laten herintreden als zij wachtgeld hebben. Verder deed hij een beroep op de PvdA, bij de grote en middelgrote gemeenten op grond van solidariteit wat ruimte te maken voor partijen die op dat vlak wat te kort komen. En ten slotte riep hij de minister op overleg te voeren met commissarissen van de koningin over mogelijkheden om de onevenwichtigheid sneller weg te werken, met name in de provincies waar die groot is, zoals Limburg en Overijssel.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) legde er de nadruk op dat voor haar partij de gekozen burgemeester voorop staat. Zij was blij dat de commissie-Elzinga daar in ieder geval voor de vier grote steden enig uitzicht op geboden heeft. Dit algemeen overleg had wat D66 betreft ook wel uitgesteld kunnen worden tot de Kamer een oordeel over de voorstellen van deze commissie zou hebben gegeven. Zij constateerde ook met genoegen dat de opmerkingen van de vorige sprekers bij een gekozen burgemeester overbodig zouden zijn geweest.

Hoe de Kroon de voordracht bij een burgemeestersbenoeming toetst en vervolgens tot een benoeming komt, onttrekt zich enigszins aan de waarneming van de Kamer. De minister heeft aangegeven dat hij tot nu toe met 36 burgemeestersbenoemingen te maken heeft gehad, waarbij hij in vier gevallen van de voordracht afgeweken is, onder andere op basis van het kwaliteitscriterium, en er in drie gevallen geen vertrouwenscommissie is geweest. Hoe kan de minister de kwaliteit van de kandidaten beter beoordelen dan de commissaris van de koningin bij de voorbereiding van het werk van de vertrouwenscommissie en beter dan de vertrouwenscommissie, die doorgaans gesprekken met de kandidaten voert en hun achtergrond beoordeelt? Uit eigen ervaring kon mevrouw Augusteijn zeggen dat de gemeenteraad zich altijd beijvert in een profielschets aan te geven wat hij bij een burgemeestersbenoeming belangrijk vindt. De geschiktheid staat doorgaans voorop, er wordt meestal niet gesproken over politieke kleur, maar men wil wel rekening houden met een voorkeursbeleid voor vrouwen. In de praktijk blijkt dat de geschiktheid altijd goed wordt beoordeeld, dat de politieke kleur wel degelijk een rol speelt en dat zo nu en dan het voorkeursbeleid voor vrouwen wordt gevolgd.

In verband met de opmerkingen van de heer Te Veldhuis over de spreiding naar politieke kleur wees mevrouw Augusteijn op de bijzonderheid dat een burgemeester voor zes jaar wordt benoemd, terwijl een gemeenteraad voor vier jaar benoemd wordt, even lang als een normale kabinetsperiode. Een moderne burgemeester vraagt tegenwoordig aan de raad zijn functioneren te beoordelen als hij voor herbenoeming in aanmerking komt. De politieke situatie kan dus op vrij korte termijn sterk veranderen, zodat spreiding naar politieke kleur niet zoveel zegt.

Mevrouw Augusteijn constateerde dat in de praktijk de invloed van de gemeenteraad vrij aanzienlijk is en dat er bijna niet wordt afgeweken van de adviezen van dit democratisch gekozen orgaan, dat overigens ook een politieke toetsing verricht. De algemene voorkeur van D66 voor een gekozen burgemeester buiten beschouwing latend zag zij dan ook geen reden om af te wijken van de huidige praktijk vóór de bespreking van de voorstellen van de commissie-Elzinga.

Ook mevrouw Van der Hoeven (CDA) was een voorstander van behoud van de Kroonbenoeming, ook in een eventueel nieuw systeem. Van afwijkingen van de voordracht, om welke reden dan ook, hebben alle partijen wel eens geprofiteerd. Van de criteria die hierbij gehanteerd worden, vond zij kwaliteit en politieke spreiding het belangrijkste. Zij sloot zich aan bij de vraag van mevrouw Augusteijn over het beoordelen van de kwaliteit door de minister en zij vond dat het criterium politieke spreiding enigszins op gespannen voet staat met de afweging van de commissaris van de koningin en van de vertrouwenscommissie. En waarom zou bij het bewerkstelligen van politieke spreiding de uitslag van de Kamerverkiezingen en niet die van de gemeenteraadsverkiezingen als uitgangspunt moeten worden genomen? Mevrouw Van der Hoeven vond dat de heer Te Veldhuis voorbijging aan het grotere gewicht dat de afweging door de vertrouwenscommissie heeft gekregen en zij stelde dat de VVD er gelet op haar voorkeur voor concurrentie en marktwerking beter voor zou kunnen zorgen dat haar kandidaten op grond van hun kwaliteit benoemd worden. Zij ging ervan uit dat de benoeming van CDA-kandidaten in de afgelopen anderhalf jaar te maken had met hun kwaliteit en met de keuze van de vertrouwenscommissie. Zij was er geen voorstander van dat er in verband met politieke spreiding in allerlaatste instantie nog gestuurd wordt of dat politieke partijen hierover van tevoren al afspraken maken, omdat dit de positie van de vertrouwenscommissie onrecht zou aandoen.

Mevrouw Van der Hoeven was het met de heer De Cloe eens dat de vertrouwenscommissie bij het maken van haar keuze gegevens als de namen en de achtergrond van alle kandidaten op papier zou moeten hebben en dat de commissaris van de koningin niet zou moeten volstaan met het in sneltreinvaart de revue laten passeren van een aantal namen, zoals blijkbaar soms gebeurt.

Het project "Burgemeesters in beweging" voorzag in een beoordeling van het functioneren van een burgemeester bij een naderende herbenoeming, waarmee in- en uitstroom en doorstroming bevorderd zou kunnen worden. Mevrouw Van der Hoeven vond het jammer dat zij niets meer over dit project gehoord had, omdat hiermee voorkomen kan worden dat een burgemeester drie of vier periodes in een gemeente blijft.

Ten slotte herinnerde mevrouw Van der Hoeven eraan dat zij schriftelijke vragen had gesteld over de arbeidsvoorwaarden waarmee burgemeesters te maken hebben. De ambtswoning en de onkostenvergoeding kunnen hierbij een probleem vormen. Zoals het er nu naar uitziet, zal de onkostenvergoeding voor burgemeesters belast worden, zelfs met terugwerkende kracht over 1999. Zij had ingestemd met het onderzoek naar de mate van toereikendheid van deze vergoeding, maar zij vond dat daaraan geen terugwerkende kracht mag worden gegeven.

Antwoord van de regering

Het was de minister opgevallen dat uit de dossiers blijkt dat er bij burgemeestersbenoemingen in het algemeen zorgvuldigheid wordt betracht. Hij waarschuwde voor het gevaar dat bij een statistisch overzicht de nuance wat in het gedrang komt en het leek hem daarom goed te proberen om hieraan in het vertrouwelijke deel van het overleg meer recht te doen. In het algemeen wees hij er ook nog op dat het burgemeestersambt veelal nog steeds gezien wordt als een ambt dat langdurig bekleed wordt, zodat de doorstroming betrekkelijk gering is. De rechtspositie van burgemeesters versterkt dit effect. Toepassing van welk criterium dan ook heeft hierdoor pas na langere tijd effect. Er zijn ook weinig mogelijkheden om een burgemeester van zijn functie te ontheffen en dit komt ook maar zelden voor.

Ook de minister wilde uitgaan van de huidige situatie, waarin de Kroonbenoeming geldt. Dit systeem brengt enigerlei rol van de minister van BZK met zich mee. Naar aanleiding van een opmerking van de heer De Cloe over het verschil in handelwijze tussen de minister en zijn voorganger wees hij erop dat de heer Dijkstal als minister veel meer met herindelingen te maken heeft gehad. En aangezien overeengekomen was dat bijzondere aandacht voor de gevolgen hiervan een uitgangspunt zou zijn, konden er situaties ontstaan waarin niet altijd de voorkeur van de vertrouwenscommissie werd gevolgd. De minister wees in dit verband op de uitgangspunten voor een zeker voorrangsbeleid.

Verder relativeerde de minister de opmerkingen over de rol van de vertrouwenscommissies door aan te geven dat hun adviezen soms zeer verdeeld zijn. Bij een unaniem advies zag hij niet zoveel mogelijkheden om ervan af te wijken, behalve bij onvoldoende kwaliteit van de voorgedragen kandidaat. Het komt ook voor dat een vertrouwenscommissie twee of meer kandidaten ex aequo laat eindigen in kwalitatieve zin.

Aanknopingspunten voor het oordeel van de minister is behalve het voorkeursbeleid primair bestudering van de dossiers om na te gaan of de voorgedragen kandidaat past bij de gemeente waarom het gaat. Dit laat zich niet mathematisch vastleggen. De minister zei dat de dossiers hem een enkele keer zelfs aanleiding hebben gegeven, zelf een gesprek met twee kandidaten te voeren. Hij voegde daaraan toe dat hij bij afwijking van het advies van de vertrouwenscommissie door de commissaris van de koningin in de meeste gevallen geen actie onderneemt, omdat diens aanbeveling daarvoor voldoende argumenten bevat. Soms gaat het dan niet om de kwaliteit, maar om de vraag of de kandidaat wel bij de cultuur in de betrokken gemeente past. Dit luistert heel nauw en hierover wordt ook wel overleg gevoerd met de commissaris van de koningin.

De tekst van de advertentie wordt opgesteld na de vergadering van de raad met de commissaris van de koningin over de profielschets. Als de raad specifieke wensen heeft, kan hij die honoreren. De minister had er geen bezwaar tegen dat de raad op deze manier vrij veel te zeggen heeft over de kansen van kandidaten, omdat die dan ook beter weten waar zij aan toe zijn.

In de praktijk blijkt dat er meer sollicitanten zijn naarmate de gemeente waarom het gaat, kleiner is. De minister vond het dan ook een goede werkwijze om de commissaris van de koningin op dit punt een oordeel te laten geven, wat in de meeste gevallen in goed overleg met de vertrouwenscommissie geschiedt. Er wordt doorgaans een lijst opgesteld, maar als de vertrouwenscommissie daar nog namen aan wil toevoegen, wordt deze wens in de meeste gevallen wel gehonoreerd. De minister had geen enkele aanleiding om aan te nemen dat er zich hierbij grote problemen zouden voordoen.

De minister was bereid om na te gaan of het mogelijk zou zijn, de hele procedure wat te versnellen. Zorgvuldigheid brengt met zich mee dat de snelheid soms wat laag lijkt, maar in het algemeen wordt er binnen een paar weken nadat de uiteindelijke aanbeveling het departement bereikt, een oordeel over gevormd.

De minister heeft één keer contact gelegd met personen die door een vertrouwenscommissie waren genoemd als mogelijke kandidaten voor benoeming als commissaris van de koningin. Dit was op de valreep van de sluitingstermijn voor sollicitaties. Bij burgemeestersbenoemingen zou het een rol van de commissaris van de koningin zijn, maar dat er na het verstrijken van de termijnen wel eens namen aan een selectie worden toegevoegd omdat men vindt dat er te weinig kandidaten van een bepaalde politieke kleur op voorkomen, was de minister niet gebleken. Hij ging ervan uit dat de procedures goed gevolgd worden.

Bij de criteria staat kwaliteit voorop. Andere criteria worden alleen belangrijk als het kwaliteitsverschil niet groot is. Mede afhankelijk van de adviezen is er dan een mogelijkheid rekening te houden met het aandeel van vrouwen in het hele burgemeesterskorps, met doorstroming, met de gevolgen van gemeentelijke herindelingen en met politieke spreiding. De minister was het er in dit verband mee eens dat het effect van de veranderde positie van het CDA op het aandeel van deze partij in de burgemeestersposten sterk naijlt. Hij legde er de nadruk op dat de minister bij een unaniem advies van de vertrouwenscommissie wel heel bijzondere redenen moet kunnen aanvoeren om ervan af te wijken en dat hij daarbij niet op de politieke kleur let. Als een politieke stroming sterker is geworden en kandidaten kan leveren die in ieder geval op de vertrouwenscommissie en de commissaris van de koningin een goede indruk maken, is er een zekere kans op verandering van de verhoudingen, maar voordat er sprake is van proportionaliteit, is er alweer een flink aantal jaren verstreken.

De minister zegde mevrouw Van der Hoeven toe nog schriftelijk informatie te verstrekken over het verloop van het project "Burgemeesters in beweging". Het komt al wat vaker voor dat een burgemeester besluit eens iets anders te gaan doen; dit wordt ook bevorderd. Voor ouderen zijn er op dit punt al goede mogelijkheden. Naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Augusteijn over het gesprek van de burgemeester met de gemeenteraad bij het aflopen van de ambtstermijn wees de minister erop dat er ook halverwege al een gesprek kan plaatsvinden. In het algemeen heeft men echter geen behoefte aan een gesprek of verloopt het gesprek zo goed dat niets een herbenoeming in de weg staat. Het komt ook wel voor dat er wat wrijfpunten zijn, maar dat men daar echt iets aan wil gaan doen. En ten slotte zijn er de gevallen waarin de situatie wat ingewikkelder is. In de meeste gevallen honoreert de minister dus het advies tot herbenoeming. Dit levert een lage doorloopsnelheid en trage wijzigingen op.

Het ministerie buigt zich nog over de onkostenvergoeding, onder andere in verband met de fiscaliteit. Hierover wordt overleg gevoerd met staatssecretaris Vermeend en de minister zegde toe de Kamer, wanneer daar meer over bekend is, nadere informatie over deze ingewikkelde kwestie te zullen verstrekken.

De ambtswoning vond de minister eigenlijk geen slechte uitvinding, omdat men in sommige gemeenten zo langzamerhand vermogend moet zijn om burgemeester te kunnen worden. Dit zou terug naar het begin van de vorige eeuw betekenen, toen het burgemeestersambt een erebaan was voor iemand die geld had. De minister was bereid om dit probleem nog eens met het Nederlands genootschap van burgemeesters te bespreken, maar hij wees erop dat de ambtswoning vanwege de druk op de gemeentebegroting niet populair is bij gemeenten, ondanks dat een gemeente met een ambtswoning kandidaten met kwaliteit kan aantrekken en ook doorstroming mogelijk kan maken.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Coenen

1 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Noorman-Den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Dankers (CDA), Cornielje (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Luchtenveld (VVD), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Wagenaar (PvdA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), De Boer (PvdA)

Plv. leden: Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Van Wijmen (CDA), Ravestein (D66), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Cherribi (VVD), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Wijn (CDA), Nicolaï (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Brood (VVD), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Van Gent (GroenLinks ), Poppe (SP), Belinfante (PvdA), Essers (VVD), Kuijper (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag algemeen overleg over burgemeestersbenoemingen '




Lees ook