Tweede Kamer der Staten Generaal


26922000.003 verslag wijz. begroting szw (XV) 1999
Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 21:55


14


26 922 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de

ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1999 (wijziging

samenhangende met de Najaarsnota)

Nr. 3. VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN

EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 13 december 1999

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1), belast met het voorbereidend onderzoek van het wetsvoorstel, brengt verslag uit in de vorm van een lijst van vragen. De vragen en de daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt. Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Van Dijk

Algemeen

Vraag 1.

Kan de regering in het licht van de exploitatiesaldi fondsen Sociale Zekerheid (totaal f 4,4 mld) en de vermogenssaldi fondsen Sociale Zekerheid (totaal f 4,1 mld) ingaan op de hoogte van de sociale premies zoals die voor
2000 zijn vastgesteld en daarbij het advies van het Lisv over de hoogte van de premies betrekken? Tot welke exploitatie- en vermogenssaldi per ultimo
2000 zullen de hoger dan kostendekkend vastgestelde premies leiden? Waarom is dat volgens de regering wenselijk?

Antwoord 1.

Het Kabinet heeft de sociale premies voor 2000 in augustus vastgesteld op basis van de macro-economische inzichten van de Macro Economische Verkenning
2000. Daarbij is een zodanige mix van maatregelen getroffen dat de doelstellingen van het kabinet op het terrein van de lastenontwikkeling voor werkgevers, de inkomens-ontwikkeling voor werknemers en de ontwikkeling van het tekort in 2000 konden worden gerealiseerd. De daarmee gepaard gaande exploitatie- en vermogensoverschotten van de gezamenlijke

fondsen zijn gemeld in de Sociale Nota (p.135). De Awf-premie voor 2000 is daarin voor ongeveer f 3½ miljard bovenlastendekkend niveau vastgesteld, waarbij een evengroot vermogensoverschot resulteerde.

Daarna heeft het Kabinet naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen besloten nog enkele wijzigingen in het premiebeeld aan te brengen in het kader van het koopkrachtpakket. Dit pakket resulteerde in een verlaging van het vermogensoverschot van de gezamenlijke fondsen in 2000 met f 0,4 miljard, waarbij een begin is gemaakt met een verlaging van de Awf-premie ten opzichte van 1999.

Het Lisv heeft in de oktobernota aangegeven dat de definitief door het kabinet vastgestelde premies leiden tot een overschot van f 4 miljard ultimo
2000 in het Awf aangezien in 1999 verdere volumemeevallers zijn opgetreden. In de Sociale Nota was al aangegeven dat de vermogensoverschotten van de gezamenlijke sociale fondsen bij de begrotingsvoorbereiding voor de jaren na
2000 zullen worden bezien (p.135). Een en ander is mede afhankelijk van de vraag in hoeverre meevallers al dan niet structureel zijn.

Vraag 2.

In welke mate hebben de overschotten in de sector SZA een structureel karakter en wat zijn hiervan de gevolgen voor de ontwikkeling van de vermogenspositie van de fondsen? (blz. 1)

Antwoord 2.

De hogere vermogensoverschotten die in de Najaarsbrief zijn gemeld voor 1999 zullen naar verwachting doorwerken in de vermogens-posities van latere jaren. Vanzelfsprekend is dit slechts een partiële benadering; een integraal beeld zal in de Voorjaarsbrief 2000 worden opgenomen.

Vraag 3.

Wat zijn voor 1999 de verwachtingen van de regering wat betreft nog optredende onderuitputting na de Najaarsnota? Is deze eventuele additionele onderuitputting, net als vorig jaar, al in de cijfers en ramingen verwerkt? Zo ja, hoe, waar en in welke omvang? Zo nee, waarom wordt er nu géén rekening gehouden met extra meevallers en vorig jaar wel?

Antwoord 3.

In de Najaarsbrief Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en de derde suppletore Wetsvoorstel 1999 zijn de meest recente inzichten op dat moment (eind oktober 1999) in de ontwikkeling van de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven voor het jaar 1999 verwerkt.

Of er nog additionele onderuitputting zal optreden, is op dit moment nog niet aan te geven. In de Voorlopige rekeningbrief en de slotwet 1999 zal ik u hierover mededeling doen. Deze methodiek is overigens de afgelopen jaren niet gewijzigd.Vraag 4.

In de begrotingsstaat 1999, Afdeling XI.Ministerie, zijn voor de posten personeel en materieel (U1101), automatisering (U1104), onderzoek en beleidsinformatie (U1105) en voorlichting (U1106) allemaal hogere bedragen geboekt. Zijn deze hogere uitgaven het gevolg van het inhuren van externe deskundigen, commissieleden of bureau's? Kan ongeveer worden aangegeven bij de hierna genoemde posten, welke kosten daarmee gemoeid zijn en welke uur- en dagtarieven zijn betaald? (Bij U1101 gaat het om de mutaties 12, 13,14, en 17, bij U1104 om de mutaties 7 en 8, bij U1105 om de mutaties 8, 9 en10, bij U1106 om de mutaties 7 en 8).

Antwoord 4.

Bij slechts twee (mutatie nummer 14 bij artikel U1101 en mutatie nummer 7 bij artikel U1104) van de genoemde mutaties is sprake van inhuur van externe deskundigen.

Mutatie nummer 14 bij artikel U1101 Personeel en materieel

Dit betreft een overboeking van ruim f 100.000 van het WVG-artikel (U1407) voor de inhuur van een externe deskundige op het terrein van bovenregionaal gehandicapten vervoer voor de beoordeling van de logistieke aanpak bij de uitvoering van het landelijk contract. Het ging om de automatisering, de inrichting en bemensing van het call center, de te gebruiken voertuigen en dekkingsgraad van het vervoer. De kosten die hier mee gemoeid zijn bedragen ruim f 100.000. Het betrof een zogenaamde fixed price contract.

Mutatie nummer 7 bij artikel U1104 Automatisering

Van genoemde overboeking ad f 1,7 miljoen heeft f 1,3 miljoen te maken met de inhuur van externe deskundigen om de geauto-matiseerde systemen van het ministerie europroof te maken.

Het berekende uurtarief schommelt rond de f 250,--

Overige mutaties

Zoals aangegeven bij de toelichtingen op de overige mutaties in de Memorie van Toelichting betreft het in alle gevallen overboekingen van andere departementen dan wel overboekingen van andere artikelen binnen de SZW begroting. De overboekingen van andere departementen hebben betrekking op gezamenlijke financiering van projecten of betreffen bijdragen van andere departementen in door SZW gemaakte kosten.Vraag 5.

Bij veel posten is sprake van onderbesteding vanwege vertraging van projecten. Te noemen zijn de posten: U1206 (nummer 6), U1209 (nummer 9), U1407 (nummers 7, 8), U1506 (nummer 5,6), U1507 (nummer7) en U1510 (nummer
4). Zijn er meer algemene oorzaken te noemen voor deze vertragingen, zoals economische ontwikkelingen, functioneren van het ministerie of gemeenten of uitvoerings-organisaties en trage wetgeving enz?

Antwoord 5.

De aard van de genoemde onderbesteding is verschillend van aard. Voor een deel heeft het te maken met vertraging in de uitvoering van het beleid. SZW is daarbij afhankelijk van derden (15.06, 15.07, 14.07). Voor een ander deel heeft het te maken met ontwikkeling op de arbeidsmarkt (12.06). De overige mutaties hebben een incidenteel karakter.

Vraag 6.

Moet de onderbesteding op de begroting van het ministerie leiden tot een extra storting in het AOW-fonds?

Antwoord 6.

Nee. De omvang van de jaarlijkse stortingen in het Spaarfonds AOW is geregeld in de Wet Financiering Volksverzekeringen.

Artikel U1201 (Rijksbijdrage Arbeidsvoorzieningsorganisatie)

Vraag 7.

Bij deze post is een bedrag van f 350 miljoen opgenomen voor de voorfinanciering van de ESF-subsidies (nummer 3). Deze bedragen moeten toch worden terugbetaald op het moment dat de bedragen uit Brussel binnen zijn? Gaat het hier dan feitelijk niet om een meevaller op deze post?

Antwoord 7.

SZW heeft met Arbeidsvoorziening de afspraak gemaakt dat Arbeidsvoorziening de in 1999 verstrekte voorfinanciering van maximaal f 350 mln in 2000 terugbetaalt zodra de blokkade is opgeheven en Arbeidsvoorziening weer voldoende ESF-gelden uit Brussel ontvangt. SZW heeft deze terugbetaling op de begroting 2000 als ontvangst geboekt op artikel M 12.01. In die zin is er dan ook geen sprake van een meevaller in 2000.

Artikel U1105 (Onderzoek en Beleidsinformatie)

Vraag 8.

Bij welke onderzoeken heeft er overschrijding plaatsgevonden en zijn deze onderzoeken uitgevoerd door externen?Antwoord 8.

In 1999 heeft er geen overschrijding plaatsgevonden bij specifieke onderzoeken. Wel hebben enige nabetalingen plaatsgevonden met betrekking tot onderzoeken uit voorgaande jaren en heeft voorfinanciering plaatsgevonden voor enkele nieuwe projecten.

In het kader van artikel "U1105 Onderzoek en beleidsinformatie" worden overigens alleen onderzoeken en beleidsinformatieprojecten gefinancierd die door externen worden uitgevoerd.

Artikel U1206 (Gemeentelijk Werkfonds)

Vraag 9.

Op welke wijze werkt het lagere aantal dienstbetrekkingen door in het jaar
2000? Kan nog eens aangegeven worden wat de oorzaken zijn van de onderbesteding (f 60 mln. voor minder dienstbetrekkingen in het kader van de WIW en f 20 mln. voor de reïntegratie van arbeids-gehandicapten)? Betekent dit dat de budgetten voor 2000 te hoog zijn geraamd?

Antwoord 9.

Er zijn diverse vragen (10, 13, 14, 15, 17, 21 en 23) gesteld die betrekking hebben op de doorwerking naar 2000 en volgende jaren. In algemene zin kan ik daarop de volgende antwoorden geven.

In de Najaarsbrief SZA wordt een nieuw beeld van de begrotings-uitvoering voor het lopend jaar gegeven, in samenhang met de daar-mee noodzakelijke wijzigingen van de begroting voor het lopende jaar, zonder dat daarbij al de mogelijke doorwerking van de uitvoeringsmutaties naar latere jaren aan de orde is. In welke mate de extra meevallers een doorwerking naar volgende jaren hebben, is op dit moment nog niet aan te geven. Hierover wordt u volgend jaar bij Voorjaarsbrief SZA en bij de begroting 2001 geïnformeerd.

De oorzaak van het overschot van f 60 mln bij de dienstbetrekkingen is toe te schrijven aan de aanhoudend gunstige arbeidsmarkt, waardoor de instroom van jongeren in de dienstbetrekkingen afneemt en de uitstroom (vooral bij de jongeren, maar ook van de oudere langdurig werklozen) naar regulier werk versnelt. Voor de bestrijding van de

jeugdwerkloosheid (waarvoor een sluitende aanpak geldt) zijn dus minder Wiw-dienstbetrekkingen nodig. Daarnaast wordt de resterende kern van de werkloosheid harder, waardoor de inspanningen feitelijk groter worden om langdurig werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt naar gesubsidieerde arbeid te leiden. Doordat de uitvoering van de regelingen moeilijker wordt, is in het verlengde daarvan het beroep op de budgetten lager.De oorzaak van het overschot van f 20 mln voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten komt door aanloopproblemen bij de invoering van de regeling. Het is op dit moment nog niet duidelijk in welke mate dit naar
2000 zal doorwerken.

Artikel U1207 (Regeling schoonmaakdiensten particulieren)

Vraag 10.

Op welke wijze werkt de onderuitputting door in 2000?

Antwoord 10.

Zie het antwoord op vraag 9.

Artikel U1208 (Extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen)

Vraag 11.

Is er sprake van onderuitputting? Zo ja, hoe groot is deze? Is het feit dat slechts 85% van ID banen bezet is verwerkt in deze suppletore begroting?

Antwoord 11.

Ten opzichte van de stand vermoedelijke uitkomsten in de begroting 2000 wordt in het 3e suppletore wetsvoorstel 1999 geen onderuitputting gemeld. Het feit dat over het jaar gezien gemiddeld de facto 85% van de ID-banen is bezet, was reeds in de 1e suppletore begrotingswet 1999 verwerkt.

Vraag 12.

Waarom wordt niet een verlaging bij 3e suppletore begroting voorgesteld in verband met de te verwachten overschrijding van het budget ID-banen op artikel 12.08?

Antwoord 12.
De beschikbare cijfers over de bezetting van de ID-banen hebben geen aanleiding gegeven om in de 3e suppletore wet 1999 een wijziging van het beschikbare budget voor te stellen. Dit komt doordat het budget bij


1e suppletore wet al met f 137,2 mln bestedingsruimte is verlaagd. De ontwikkeling van het aantal bezette ID-banen is in het 1e halfjaar zodanig geweest dat er geen aanleiding was om het volume, dat voor 1999 is geraamd op gemiddeld 27.300 bezette gemeentebanen, verder te verlagen.

Artikel U1209 (Sluitende aanpak)

Vraag 13.

Op welke wijze werkt de onderuitputting door in 2000? Hoe groot is de totale onderuitputting in 1999 van arbeidsmarktmaatregelen?

Waarom zijn de gelden voor loon- en prijsbijstelling niet toegedeeld aan de drie kolommen? Hebben de uitvoerders gevraagd om loon- en prijsbijstelling? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13.

Zie ook het antwoord op vraag 9.

De totale onderuitputting in 1999 (ten opzichte van de ontwerp-begroting
1999) van de arbeidsmarktmaatregelen bedroeg circa f 260 miljoen op een totaal beschikbaar budget van f 8 miljard.

De sluitende aanpak is pas in de loop van 1999 van start gegaan. SZW heeft in het eerste halfjaar van 1999 met de uitvoerders afspraken gemaakt over het aantal trajecten. Daarvoor is f 165 mln beschikbaar gesteld. Er zijn geen afspraken gemaakt over loon-/prijsbijstelling of BTW. Pas in het laatste kwartaal van 1999 is de loon-/prijsbijstelling en de BTW-compensatie beschikbaar gekomen en is besloten deze niet meer toe te delen aan de uitvoerders. Het afgesproken aantal te starten trajecten voor 1999 komt hierdoor niet in gevaar. Deze onvolledige benutting van de sluitende aanpakmiddelen in 1999 heeft geen gevolgen voor 2000.

Artikel U1301 (Algemene Kinderbijslagwet)

Vraag 14.

In hoeverre is de verlaging van de raming van f 48,7 mln. structureel en wat zijn de consequenties voor 2000 en verder?

Antwoord 14.

Zie het antwoord op vraag 9.

Artikel U1302 (Toeslagenwet)

Vraag 15.

In hoeverre is de verhoging van artikel 13.02 structureel dan wel incidenteel?

Antwoord 15.

Zie het antwoord op vraag 9.

Artikel U1304 (Premiebijdragen)

Vraag 16.

Waarop heeft de verhoging van de lasten premiebijdragen betrekking?

Antwoord 16.

De verhoging van de lasten premiebijdragen heeft betrekking op hogere declaraties van uitvoeringsinstellingen in verband met vrijstelling van premies werknemersverzekeringen wegens gemoedsbezwaren. Het Rijk verstrekt aan de fondsen vergoedingen in verband met verleende vrijstellingen. Deze komen overeen met de aan de Belastingdienst betaalde premievervangende inkomsten- of loonbelasting.

Artikel U1309 (Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria)

Vraag 17.

Is de voorgestelde verlaging van het budget incidenteel of structureel?

Antwoord 17.

Zie het antwoord op vraag 9.

Artikel U1310 (Regeling financiële tegemoetkoming aan ouders van thuiswonende gehandicapten)

Vraag 18.

Kan aangegeven worden wat het bereik is van deze regeling?

Antwoord 18.

Over het derde kwartaal 1999 zijn 8.743 uitkeringen toegekend aan ouders met een meervoudig gehandicapt kind. Het aantal tegemoet-komingen voor ouders met een ernstig gehandicapt dan wel chronisch ziek kind bedraagt over het derde kwartaal 1.533.

Voor het vierde kwartaal wordt eenzelfde aantal uitkeringen geraamd.

Artikel U1401 (Algemene Bijstandswet)

Vraag 19.

Is de raming f 948 mln. lager dan in de ontwerpbegroting 1999, voorzover direct samenhangend met het aantal bijstandsgerechtigden?

Antwoord 19.

De daling van de bijstandsuitgaven van f 948 mln ten opzichte van de eerste suppletore begrotingswet wordt voor bijna f 700 mln veroor-zaakt door een lager aantal bijstandsgerechtigden (ca 34.000 uit-keringen). Dit lagere aantal wordt vooral veroorzaakt door de voort-durende gunstige economische ontwikkeling. De resterende meevaller van f 250 mln kan verklaard worden uit een veranderde samenstelling van het Abw-bestand (mogelijk door bijvoorbeeld meer bijstands-gerechtigden met bijverdiensten) die leidt tot een lagere gemiddelde uitkering dan voorzien.Vraag 20.

Welk effect heeft de verlaging van f. 86,2 mln. als gevolg van doorwerking uitvoering 1998 op de begroting voor 2000?

Antwoord 20.

Deze mutatie is bij de eerste suppletore wet 1999 aangemeld. In de begroting
2000 zijn de hiermee corresponderende volume- en prijseffecten meerjarig verwerkt. Het totale effect in de begroting 2000 is f 86,2 miljoen geweest.

Artikel U 1402 (IOAW)

Vraag 21.

Is de stijging van het budget als gevolg van ca. 1100 meer uitkeringen dan geraamd incidenteel of structureel?

Antwoord 21.

Zie het antwoord op vraag 9.

Artikel U1407 (Specifieke uitkeringen Wvg)

Vraag 22.

Wat is de oorzaak van de achterstand bij het College voor Zorgverzekeringen? Welke gevolgen heeft de achterstand voor gemeenten? Zal de achterstand worden ingelopen in 1999?

Hoeveel mensen zijn de dupe van het feit dat als gevolg daarvan slechts een beperkt aantal aanvragen tot betaling heeft geleid?

Antwoord 22.

In dit antwoord wordt tevens vraag 23 meegenomen.

De oorzaken van de achterstanden bij het College voor Zorg-verzekeringen is met name gelegen in interne organisatorische problemen en in een groei van het aantal aanvragen. Deze interne problemen zijn inmiddels grotendeels opgelost. Het College neemt nieuwe aanvragen nu direct in behandeling en is bezig met een inhaalslag om de achterstanden in te lopen. Deze inhaalslag zal niet in 1999 kunnen worden afgerond; er zal overloop optreden naar 2000. De verrichtingen van het College worden overigens sinds kort maandelijks door het Ministerie van SZW gemonitord.

De ontstane achterstanden bij het College hebben geen gevolgen voor de gemeenten. De gemeenten worden - op het moment dat de wets-wijziging Wvg van kracht wordt - verantwoordelijk voor nieuwe aanvragen voor dure woningaanpassingen. Het College blijft verantwoordelijk voor de afhandeling van de bij hen ingediende aanvragen. Bij Voorjaarsnota 2000 zal op grond van de overloop naar 2000 van opgelopen achterstanden in 1999 alsmede de te verwachten aanvragen in 2000 een raming worden gemaakt van het voor 2000 noodzakelijke uitgavenbedrag. Dit zal dan onderdeel uitmaken van de besluitvorming over de aanwending van de eindejaarsmarge.

Gegeven het feit dat iedere aanvraag maatwerk is, kan de behandelingsduur per aanvraag variëren. Niet aangegeven kan daarom worden in welke mate aanvragers gevolgen ondervinden van de opgelopen vertragingen. Deze vertragingen betekenen uiteraard niet

dat gehandicapten verstoken zullen blijven van deze voorzieningen, wel kan worden erkend dat betrokkenen iets langer moeten wachten op de afhandeling van hun subsidieaanvraag.

Vraag 23.

Wat zijn de financiële consequenties voor 2000 van de achterstanden die zijn ontstaan bij de behandeling van aanvragen voor woning-aanpassingen? Hoe verhoudt zich dit tot de doelstelling om deze regeling in 2000 naar gemeenten te decentraliseren? Moet SZW dan nog een nabetaling verrichten, al dan niet via een extra bijdrage aan het Gemeentefonds? (blz. 19)

Antwoord 23.

Zie het antwoord op vraag 22.

Vraag 24.

Er is een bedrag van f 32 miljoen minder opgenomen voor het boven-regionaal vervoer (nummer 8). Deze bijstelling wordt veroorzaakt doordat de bovenregionale vervoersbehoefte achterblijft bij het voor 1999 veronderstelde groeiscenario. Worden deze bedragen mee-genomen naar de jaren
2000 en 2001? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 24.

Deze bedragen worden niet meegenomen naar de jaren 2000 en 2001 omdat niet verwacht wordt dat de uitgaven voor het bovenregionaal vervoer in die jaren het begrotingsbedrag zullen overschrijden.

Artikel U1506 (Samenwerking werk en Inkomen)

Vraag 25.

Hoeveel aanvragen voor de stimuleringsregeling zijn er in 1999 geweest?

Antwoord 25.

Tot op heden zijn er in totaal 159 samenwerkingsverbanden opgericht. Inmiddels zijn 118 aanvragen om een uitkering op grond van de stimuleringsregeling ontvangen. In 79 gevallen is een stimulerings-uitkering reeds toegekend. De termijn waarbinnen een aanvraag om een stimuleringsuitkering kan worden gedaan sluit op 31 december 1999. Voor die datum worden nog 41 aanvragen verwacht. Gelet op de behandeling van de aanvragen en de termijn waarbinnen een beslissing kan worden genomen, zullen de betalingen niet allemaal in 1999 plaatsvinden. De financiële afwikkeling van een deel van de aanvragen zal in het jaar 2000 plaatsvinden.

Vraag 26.

Er is een bedrag van f 15 miljoen minder opgenomen voor de vertraging stimuleringsregeling (nummer 6). Wat zegt deze bijstelling over de stagnatie in de CWI-vorming? Worden deze bedragen meegenomen naar de jaren 2000 en
2001? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 26.

De aanvragen voor de stimuleringsuitkering komen op een later tijdstip binnen dan aanvankelijk verwacht is. Daardoor vindt ook de financiële afwikkeling van de stimuleringsregeling later plaats. Dit leidt tot een onderuitputting van de stimuleringsregeling van 15 mln in 1999. De bedragen die niet in 1999 tot uitbetaling zijn gekomen, zullen in 2000 worden uitgekeerd. Gelet op de verwachting dat alle aanvragen om een stimuleringsuitkering voor 31 december 1999 (sluiting van de aanvraagtermijn) zijn ingediend, zal het bedrag van

f 15 mln onderuitputting in 1999 onderdeel uitmaken van de besluitvorming over de aanwending van de eindejaarsmarge 1999.

Artikel U1507 (Arbeidsomstandigheden)

Vraag 27.

Er is een bedrag van f 11 miljoen minder opgenomen voor de vertraging afsluiten convenanten (nummer 8). Worden deze bedragen meegenomen naar de jaren 2000 en 2001? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 27.

De vertraging in het afsluiten van de convenanten heeft geleid tot een onderuitputting van 11 mln op dit beleidsterrein. Naar verwachting zal die vertraging in het jaar 2000 worden ingelopen. Om die reden zal het bedrag van f 11 mln onderuitputting in 1999 onderdeel uitmaken van de besluitvorming over de aanwending van de eindejaarsmarge 1999.

Artikel U1510 (Handhaving en kwaliteitsverbetering van de uitvoering)

Vraag 28.

Welke projecten zijn vertraagd?

Antwoord 28.

In de brief aan uw Kamer van 30 november jl. naar aanleiding van het begrotingsonderzoek SZW is reeds ingegaan op de (vertraagde) projecten WIT (Westland Interventieteam) en uitbreiding van het aantal RIF's (Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams) van 5 naar 8. Beide projecten komen voort uit de nota Intensivering fraudebestrijding 1998-2002 van april 1998. Het WIT is vanaf dit najaar operationeel. RIF Groningen eveneens. RIF Arnhem/Nijmegen gaat nog in december 1999 van start en RIF Zuid zal naar verwachting begin volgend jaar totstandkomen.

De overige SZW-projecten uit genoemde nota Intensivering fraudebestrijding die enige vertraging hebben opgelopen, zijn:


- Controle vermogen buitenland: hierbij wordt aangesloten bij de expertise die de gemeente Den Bosch heeft opgebouwd bij het onderzoek naar inkomsten/vermogen in Turkije. Het is van groot belang de onderzoeken in het buitenland op een goede manier te regelen. Derhalve wordt op dit moment bezien of onderzoek in het buitenland via de ambassade of middels eigen SZW-kanalen moet verlopen. De planning is er opgericht om 1 mei 2000 van start te gaan.


- Vermogensfraude/informatie banken: aanvankelijk werd er van uit gegaan dat voor deze vorm van gegevensuitwisseling een apart traject, waaronder regelgeving, zou moeten worden opgezet. Inmiddels is gebleken dat kan worden aangesloten bij de reeds bestaande gegevensuitwisseling van rentegegevens tussen de belastingdienst en gemeenten. De aanpak van deze fraude wordt gefaseerd ingevoerd. Voor de gegevensuitwisseling met de belastingdienst worden geen kosten in rekening gebracht waardoor een vrijval van gereserveerde middelen optreedt.


- Power: het project Programma ondersteuning wet- en regelgeving (Power) wordt uitgevoerd door het ministerie van Financiën. In 1999 is geen traject voorzien op het terrein van SZW, zodat dit jaar geen medefinanciering door SZW zal plaatsvinden.


1) Samenstelling:

Leden

Terpstra (VVD), voorzitter

Biesheuvel (CDA)

Schimmel (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Van Zijl (PvdA)

Bijleveld-Schouten (CDA)

Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter

Kamp (VVD)

Essers (VVD)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

De Wit (SP)

Harrewijn (GL)

Van Gent (GL)

Balkenende (CDA)

Smits (PvdA)

Verburg (CDA)

Bussemaker (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Orgü (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Santi (PvdA)

Wilders (VVD)

Plv. leden

E. Meijer (VVD)

Van Ardenne-van der Hoeven (CDA)

Giskes (D66)

Hamer (PvdA)

Van der Hoek (PvdA)

Dankers (CDA)

Kortram (PvdA)

Blok (VVD)

Hofstra (VVD)

Van Middelkoop (GPV)

Van Vliet (D66)

Klein Molekamp (VVD)

Stroeken (CDA)

Marijnissen (SP)

Vendrik (GL)

Rosenmöller (GL)

Mosterd (CDA)

Schoenmakers (PvdA)

Eisses-Timmerman (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Middel (PvdA)

Weekers (VVD)

Van Walsem (D66)

Oudkerk (PvdA)

De Vries (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag debat over wijziging begroting Sociale Zaken '




Lees ook