2160. Raad - ECOFIN

Press Release: Brussels (08-02-1999) - Nr. 5464/99 (Presse 30)


Voorzitter: de heer Oskar LAFONTAINE , minister van Financiën van de Bondsrepubliek Duitsland

AGENDA 2000 - CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

De Raad ECOFIN heeft het toekomstige financiële kader en de financiering van de EU besproken. Voor de verdere werkzaamheden baseert het voorzitterschap zich op de volgende conclusies:
1. Volgens een meerderheid van de Raad moeten voor het financiële kader voor Agenda 2000 van de beginselen van stabilisatie en consolidatie uitgegaan worden. De uitgaven van de EU met 15 mogen derhalve niet sneller stijgen dan de overheidsuitgaven van de lidstaten. Dat is nodig om enerzijds het beleid van de EU met succes te hervormen en anderzijds de uitbreiding van de Gemeenschap goed te doen verlopen.

2. Wat de hoogte van de landbouwuitgaven betreft, kan een voor een passende en billijke hervorming van het GLB noodzakelijke uitgavenstabilisatie bereikt worden door voor rubriek 1 een maximumbedrag onder het landbouwrichtsnoer vast te stellen dat beter overeenkomt met de huidige uitgaven en in de bewuste periode onder het streefcijfer van 40,5 miljard euro in 2006 blijft. Het voorstel van de Commissie om maatregelen voor plattelandsontwikkeling van rubriek 2 naar rubriek 1 over te brengen wordt door de meerderheid positief ontvangen, mits zulks met het maximumbedrag in overeenstemming te brengen valt.
3. In de Raad was er steun voor de doelstelling dat de financiële middelen, de criteria en de overgangsregeling voor de structuurfondsen en het cohesiefonds moeten sporen met de stabilisatie en de consolidatie van de totale uitgaven moeten ondersteunen.
Verscheidene lidstaten stelden voor om de structuuruitgaven af te stemmen op het uitgavenniveau van de vorige periode. Deels werd geëist dat de bijstand voor voormalige regio's van doelstelling 1 geleidelijk beëindigd wordt over een periode van vier jaar en de bijstand voor voormalige regio's van doelstelling 2 en 5 bis over een periode van drie jaar. Enkele andere delegaties willen uitgaan van het uitgavenniveau van 1999 en steunen ook op de specifieke punten het Commissievoorstel.
4. De noodzaak van een billijkere financiering van de EU is voor enkele lidstaten onverbrekelijk verbonden met de financiële middelen voor Agenda 2000. Een ruime meerderheid van de lidstaten erkent, dat een evenwichtiger verdeling van de lasten nodig is. Om de onevenwichtigheden weg te werken moet zowel aan de uitgavenkant als aan de inkomstenkant een aantal maatregelen worden genomen.
Ten aanzien van de uitgaven zijn veel lidstaten voorstander van:


- handhaving van het plafond van de eigen middelen op 1,27% van het BNP;

- stabilisatie van de totale uitgaven van de EU met 15;
- een billijker grondslag voor de financiering van de landbouwuitgaven, waarbij voor een aantal lidstaten ook medefinanciering en/of gelijkwaardige maatregelen in aanmerking komen.

Wat de inkomstenkant betreft steunen de meeste lidstaten de vervanging van BTW als bron van eigen middelen door een aan het BNP gerelateerde middelenbron.

Een meerderheid van de delegaties bepleitte een wijziging van het correctiemechanisme voor het Verenigd Koninkrijk. Er wordt nog gestudeerd op de details. Een algemeen correctiemechanisme als vangnet kon rekenen op steun van enkele delegaties en bekeken wordt of dit een alternatief kan zijn voor een nieuwe aparte regeling voor het Verenigd Koninkrijk. In dit verband werd gewezen op het verslag van de Commissie, volgens welk de last voor de lidstaten in overeenstemming moet zijn met hun financiële draagkracht. Daarbij apprecieerde het Verenigd Koninkrijk de opmerking in de mededeling van de Commissie dat het ook na toepassing van het correctiemechanisme een hoger nettosaldo betaalt dan lidstaten met een grotere financiële draagkracht. Enkele delegaties vinden het concept van de nettosaldi nog steeds niet de aangewezen oplossing.

UITVOERING VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT

- STABILITEITSPROGRAMMA VAN ITALIË (1999-2001) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 8 februari 1999 heeft de Raad het stabiliteitsprogramma van Italië voor de periode 1999-2001 besproken. De Raad stelt vast dat de doelstellingen van het Italiaanse stabiliteitsprogramma een stap zijn in de goede richting om aan de eisen van het stabiliteits- en groeipact te voldoen. De Raad neemt er nota van dat het programma, dat de basis vormde voor het begrotingsbesluit voor 1999 waarover de Italiaanse regering overeenstemming heeft bereikt en dat door het Italiaanse Parlement is goedgekeurd, gebaseerd is op macro-economische vooruitzichten van meer dan vijf maanden geleden. De Italiaanse overheid zal deze vooruitzichten herzien in het licht van de jongste ontwikkelingen, zulks ter gelegenheid van de opstelling van het nieuwe driejarenbegrotingsplan (2000-2002), dat in mei zal worden gepresenteerd. Bij deze herziening zal naar alle waarschijnlijkheid blijken dat de economische groei trager verloopt dan eerder werd verwacht, tenminste wat 1999 betreft, en dat de rentevoeten lager liggen.

De Raad stelt met voldoening vast dat de Italiaanse regering ondanks deze herzieningen voornemens is om de vooruitgang die zij de afgelopen jaren heeft geboekt met betrekking tot de overheidsfinanciën nog te versterken. De verdeling inkomsten/uitgaven van het tekort is wellicht verschoven, maar de Italiaanse regering blijft streven naar de algemene doelstelling, met name het terugdringen van het totale overheidstekort, met ongeveer een half procentpunt van het BBP per jaar, tot 1% van het BBP in 2001. Het streven is dat de schuldquote van de overheid gestaag blijft dalen, teneinde in 2001 te komen tot 107% van het BBP. Deze doelstellingen stroken met de aanbevelingen van de Raad van 6 juli 1998 inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap. De Raad merkt evenwel op dat het stabiliteitsprogramma op hetzelfde macro-economische scenario is gebaseerd als het document voor economische en financiële planning 1999-2001 (DPEF) dat in mei 1998 is ingediend. Dit scenario blijkt nu duidelijk te optimistisch te zijn ten aanzien van de groei in de eerste jaren van dit programma.

De Raad is van oordeel dat de in het programma vervatte strategie voor begrotingsconsolidatie, die gebaseerd is op stabilisering van het primaire overschot op een hoog niveau (5,5% van het BBP) en op terugdringing van de lopende uitgaven in verhouding tot het BBP, gekoppeld aan een zekere verlichting van de belastingdruk en een uitbreiding van de vaste kapitaalsuitgaven, een goede strategie is, vooral omdat de groei en de werkgelegenheid in Italië moeten worden gestimuleerd. Die strategie is voorts in overeenstemming met het voornemen van de Italiaanse regering van april 1998 om het overheidstekort terug te dringen tot 1% van het BBP in 2001, het primaire overschot tot 2001 boven de 5,5% van het BBP te houden en de schuldenlast terug te dringen tot minder dan 100% van het BBP in 2003. De Raad moedigt de Italiaanse regering aan om in deze strategie te volharden.

De maatregelen die in de begroting voor 1999 zijn vervat, lijken in grote lijnen te stroken met de algemene begrotingsstrategie. De Raad merkt evenwel op dat het gevaar bestaat dat het streeftekort van 2% van het BBP voor 1999 niet wordt gehaald, met name als gevolg van een tegenvallende groei, die het uiteindelijke tekort voor 1998 eveneens negatief beïnvloedde. In dit geval zou het resultaat over 1999 een nadelige uitwerking hebben op de daaropvolgende twee jaar. Om de doelstelling van 1% van het BBP in 2001 te halen, zullen daarom misschien op grotere schaal aanvullende corrigerende maatregelen moeten worden genomen dan in het programma is voorzien. De Raad stelt het op prijs dat de Italiaanse regering zich ertoe verbindt zonodig dergelijke aanvullende maatregelen te nemen.

De Raad herinnert eraan dat Italië niet alleen een hoog primair overschot dient te handhaven, maar ook elke gelegenheid dient aan te grijpen om een snellere daling van de schuldquote te bewerkstelligen. De Raad is van mening dat daarom alle extra begrotingsbesparingen die het gevolg zijn van het feit dat de rentebetalingen lager uitvallen dan in het programma is voorzien, moeten worden aangewend om de aangekondigde begrotingsdoelstellingen te bevestigen en zo mogelijk aan te scherpen, zelfs in geval van een geringere economische groei. Aangezien de dynamiek van de schuldenlast evenwel zeer gevoelig reageert op positieve of negatieve groei, dienen met name de negatieve gevolgen van een geringere groei zoveel mogelijk te worden ingedamd, met name door een hogere bijdrage uit de privatiseringsopbrengsten. De Raad verzoekt derhalve de Italiaanse regering om haar privatiseringsplannen te versnellen.

De Raad neemt nota van het streven van de Italiaanse regering om de pensioenuitgaven, uitgedrukt als percentage van het BBP, te stabiliseren voor de jaren waarop het programma betrekking heeft. Hij is bijzonder verheugd over de toezegging om corrigerende maatregelen te nemen indien er onverwachte afwijkingen van de prognoses worden vastgesteld, aangezien de huidige ontwikkelingen bij de pensioenuitgaven enige aanleiding tot bezorgdheid geven. De Raad wijst er voorts op dat de verwachte stijging van de pensioenuitgaven ten opzichte van het BBP na 2003 de financiële positie van de regering op de middellange termijn zal verzwakken. De Raad moedigt derhalve de Italiaanse autoriteiten aan om de hervorming van het pensioenstelsel opnieuw te bezien.

De Raad merkt op dat het op middellange termijn beoogde tekort van 1% van het BBP in 2001 het Italië mogelijk moet maken om de automatische stabilisatoren in een normale conjuncturele recessie te laten functioneren zonder een groot risico te lopen de BBP-referentiewaarde van 3% te overschrijden. In deze zin is het tekort verenigbaar met de eisen van het stabiliteits- en groeipact. Een lager tekort is evenwel aanbevelenswaardig, met name met het oog op een snellere verlaging van de schuldquote. De Raad neemt er eveneens nota van dat Italië voornemens is om tegen het jaar 2002 volledig aan voornoemde eisen te voldoen.

- STABILITEITSPROGRAMMA VAN PORTUGAL (1999-2002) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 8 februari 1999 heeft de Raad het Portugese stabiliteitsprogramma besproken dat betrekking heeft op de periode 1999-2002. Het programma stelt zich ten doel het begrotingstekort van de totale overheid te verlagen tot 0,8% van het BBP in 2002, terwijl een daling van de bruto-overheidsschuld wordt voorzien tot 53,2% van het BBP. De Raad stelt met voldoening vast dat het programma voortbouwt op de begrotingsconsolidatie die in de aanloopfase naar de EMU is verwezenlijkt en looft het feit dat de begrotingsresultaten dikwijls beter zijn dan de streefcijfers. De Raad stelt evenwel vast dat in 1998, ondanks het gunstige groeiklimaat en de sterke daling van de rentebetalingen, slechts een geringe reductie van het begrotingstekort tot stand werd gebracht.

Volgens het centrale macro-economische scenario waarop het programma gebaseerd is, zal de economische groei van het huidige hoge niveau dalen tot een niveau dat in het laatste gedeelte van de programmaperiode dichtbij de trendmatige ontwikkeling zal liggen. De Raad meent dat dit scenario plausibel lijkt maar merkt op dat er niettemin risico's aan verbonden zijn. Enerzijds houdt de huidige internationale economische toestand duidelijke risico's in op de korte termijn. Anderzijds zal de wijziging van de omstandigheden als gevolg van de monetaire unie een sterk stimulerende invloed blijven uitoefenen, hetgeen waarschijnlijk zal leiden tot een stijging van de binnenlandse vraag waardoor Portugal zijn achterstand sneller zou kunnen inlopen. Om een dergelijke ontwikkeling te verzekeren moet het economisch beleid, en de begrotingspolitiek en verdere loonmatiging in het bijzonder, krachtdadig worden ingezet tegen inflatoire krachten, welke sterker zouden kunnen blijken te zijn dan verwacht.

De Raad merkt op dat Portugal met het op middellange termijn nagestreefde tekort van 0,8% van het BBP bij normale conjunctuurverzwakkingen de automatische stabilisatoren kan laten werken zonder het risico te lopen dat de referentiewaarde van 3% wordt overschreden. In die zin is het tekort dus verenigbaar met de vereisten van het stabiliteits- en groeipact. Het zou echter raadzaam kunnen zijn een bredere veiligheidsmarge aan te houden om het hoofd te kunnen bieden aan onvoorziene schokken in de economische activiteit of in de overheidsfinanciën. De Raad is verheugd dat de Portugese overheid heeft toegezegd indien nodig passende correcties te zullen uitvoeren. De Raad noteert daarenboven dat, gezien het huidige hoge niveau van economische activiteit in Portugal, een snellere daling van het tekort zou overeenstemmen met de verklaring van de Raad van 1 mei 1998. Deze optie zou eveneens de voorkeur hebben verdiend met het oog op een evenwichtige macro-economische beleidsmix. De Raad steunt evenwel het belang dat de Portugese regering, bij haar algehele streven naar reële convergentie, hecht aan investeringen, vooral in infrastructuurprojecten, en hij stelt met instemming vast dat de overheidsinvesteringen gedurende de programmaperiode op een hoog niveau blijven en zelfs nog verder zullen stijgen. De Raad erkent de noodzaak voor een land als Portugal dat zijn achterstand tracht in te lopen, om de uitgaven op gebieden die van wezenlijk belang zijn voor zijn ontwikkeling, zoals de kwalitatieve verbetering van het menselijk potentieel, te verhogen. Om de noodzaak van extra uitgaven op deze gebieden in overeenstemming te brengen met de vereisten van gezonde overheidsfinanciën, verzoekt de Raad de Portugese regering om deze uitgaven te financieren door op andere gebieden te besparen.

Een belangrijk element van de overheidsstrategie is dat de beoogde budgetconsolidatie vooral het gevolg is van een stijging van de lopende ontvangsten terwijl de bijdrage van de uitgaven betrekkelijk gering is. De ontvangstenstijging zal hoofdzakelijk het resultaat zijn van de voortdurende inspanningen om de belastingadministratie te verbeteren. De Raad acht het passend dat de Portugese regering de nog beschikbare ruimte voor verbetering van de efficiëntie van de belastingadministratie tracht te benutten en daarbij discretionaire belastingverhogingen blijft vermijden. De Raad stelt niettemin vast dat begrotingsconsolidatie, gebaseerd op een bij de prioriteiten van de Portugese regering aansluitende beperking van de primaire uitgaven, meer in overeenstemming zou zijn geweest met zijn aanbevelingen betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten voor 1998.

De Raad juicht de voorgenomen budgettaire en structurele hervormingsmaatregelen die in het programma worden geschetst, toe. De voorgenomen hervormingsmaatregelen lijken passend en conform de aanbevelingen betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. De Raad moedigt de Portugese regering aan om de hervormingen snel en effectief ten uitvoer te leggen omdat dit van het grootste belang is voor het bereiken van de doelstellingen van het stabiliteitsprogramma.

- CONVERGENTIEPROGRAMMA VAN ZWEDEN (1998-2001) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 8 februari 1999 heeft de Raad het convergentieprogramma van Zweden voor de periode 1998-2001 onderzocht. Het programma gaat uit van een overschot van de overheid gedurende deze gehele periode aangezien de overheid dichter bij het middellangetermijnstreefcijfer voor het begrotingsoverschot van 2% van het BBP in de programmaperiode, komt. De Raad kan met dit streefcijfer instemmen, vooral gelet op de verwachte vergrijzing van de bevolking, en verwelkomt ook de nadruk die in het programma wordt gelegd op macro-economische stabiliteit. Tevens is de Raad van oordeel dat het programma in overeenstemming is met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten zoals overeengekomen op de Europese Raad van Cardiff.

In het macro-economische kader van het programma wordt de groei van het BBP geraamd op 2,4% per jaar. De Raad is van oordeel dat, hoewel het groeiprofiel in het convergentieprogramma enige stijging van de potentiële groei van de Zweedse economie impliceert, dit toch realistisch schijnt en bereikbaar in het licht van de economische resultaten van de laatste jaren.

Met betrekking tot de inflatie voldoet Zweden momenteel ruimschoots aan het convergentiecriterium en de inflatievooruitzichten stroken al verscheidene jaren met de prijsstabiliteit. Gezien het patroon dat de loonvorming in Zweden van oudsher vertoont, beveelt de Raad waakzaamheid aan met betrekking tot de loonontwikkeling. De Raad moedigt Zweden ook aan onverminderd vast te houden aan zijn inflatiestreefcijfer om in overeenstemming te blijven met de doelstelling van de ECB inzake prijsstabiliteit.

Zweden voldoet ook al enige tijd aan het convergentiecriterium inzake de langetermijnrente. Dit wijst op de toenemende stabiliteit van de Zweedse economie en de erkenning van de op stabiliteit gerichte macro-economische politiek, alsook op het recente succes van de begrotingsconsolidatie. De toegenomen geloofwaardigheid van de economisch-politieke achtergrond is echter nog niet volledig tot uiting gekomen in wisselkoersstabiliteit. Bovendien merkt de Raad op dat Zweden voor toetreding tot de EMU zal moeten kunnen aantonen dat het lang genoeg een passende pariteit tussen de kroon en de euro kan aanhouden zonder ernstige spanningen. De Raad verwacht dat Zweden daarom te zijner tijd zal besluiten tot het WKM2 toe te treden.

De Raad neemt met genoegen kennis van de in het convergentieprogramma vermelde bedoeling de begrotingsconsolidatie voort te zetten door steeds grotere overschotten van de overheid te creëren. De budgettaire streefcijfers van het programma bevatten een veiligheidsmarge opdat de begroting van de algemene overheid de referentiewaarde van 3% van het BBP in normale omstandigheden niet zou overschrijden. Daarom is de Raad van oordeel dat Zweden voldoet aan de eisen van het stabiliteits- en groeipact. De Raad is verheugd over de maatregelen die zijn genomen om de controle over de overheidsbestedingen te verbeteren, zoals aanbevolen in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Ook neemt hij met genoegen kennis van de recente daling van de overheidsschuldquote en merkt hij op dat de bruto schuldquote in 2001 naar verwachting tot onder 60% van het BBP zal dalen.

De Raad is van oordeel dat de doelstelling van het programma om de werkgelegenheidsgraad te verhogen zeer gelegen komt, vooral omdat dit kan bijdragen tot verbreding van het fiscale draagvlak en dus tot uitbreiding van de mogelijkheden tot verlaging van de belastingdruk. Om dit doel te bereiken dringt hij er bij de Zweedse overheid op aan zich te concentreren op het creëren van werkgelegenheid in de particuliere sector. De Raad merkt op dat de recente inspanningen op het gebied van structurele hervormingen niet uitvoerig zijn vermeld in het programma; dit bevat evenmin bijzonderheden over de toekomstige koers van de structurele hervormingen en bovendien worden weinig gegevens verstrekt over de prioriteiten en de strategie van de overheidsinvesteringen. De Raad beveelt Zweden aan verder te bouwen op de structurele hervormingen van de laatste jaren en is vooral verheugd over de voorgestelde hervorming van het pensioenstelsel, welke gezien de verwachte vergrijzing van de bevolking van belang is voor de stabiliteit van de overheidsfinanciën op lange termijn.
- CONVERGENTIEPROGRAMMA VAN HET VERENIGD KONINKRIJK (1997/98-2003/04) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 8 februari 1999 heeft de Raad zich gebogen over het convergentieprogramma van het Verenigd Koninkrijk, dat betrekking heeft op de periode 1997/1998 tot 2003/2004. Het programma is erop gericht in 1998/1999 een overschot van de overheid van 0,8% van het BBP te bereiken en de overheidsfinanciën gedurende de resterende looptijd van het programma nagenoeg in evenwicht te houden. De Raad acht het juist dat het programma de nadruk legt op het bewerkstelligen van macro-economische stabiliteit door middel van begrotingsconsolidatie en verdere structurele hervormingen. Tevens is hij van oordeel dat het programma geheel in overeenstemming is met de Globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

Het programma is gebaseerd op een macro-economische voorspelling welke duidt op een vertraging van de krachtige groei van de afgelopen jaren onder invloed van de binnenlandse vraag, waardoor de reële groei van het BBP in 1999 zal uitkomen op 1 à 1 1/2% maar zich vervolgens in 2001 zal herstellen tot 2 3/4 à 3 1/4% om zich daarna te stabiliseren op het trendmatige niveau. Dit groeiscenario komt de Raad realistisch voor en hij heeft er nota van genomen dat de bovengrens van de voorspelde cijfers gebaseerd is op, inter alia, het welslagen van het arbeidsmarktbeleid van de regering en het bereiken van een vermindering van het structurele-werkloosheidscijfer. De voorspellingen van het programma met betrekking tot de overheidsfinanciën zijn voorts voorzichtigheidshalve gebaseerd op de ondergrens van de voorspelde groeicijfers. De Raad heeft nota genomen van het streven van de regering een kader tot stand te brengen waarbinnen het monetaire beleid stipt wordt uitgevoerd, ondersteund door het begrotingsbeleid, teneinde een minder grillig groeipatroon te bewerkstelligen.

Met betrekking tot de inflatie blijft het Verenigd Koninkrijk ruimschoots voldoen aan het convergentiecriterium. De Raad heeft er nota van genomen dat het monetaire kader voor de inflatiebewaking, waarbij de operationele verantwoordelijkheid voor renteveranderingen bij de Bank of England is gelegd, een belangrijke voorwaarde is geweest voor de lage inflatieverwachting. De verwachting luidt dat de inflatie laag zal blijven waarbij de door binnenlandse factoren gegenereerde inflatie op de korte termijn onder neerwaartse druk zal komen te staan. De Raad dringt er bij het Verenigd Koninkrijk op aan het streefcijfer voor de inflatie in de loop van het programma te verwezenlijken; het stemt de Raad tot voldoening dat een dergelijk resultaat waarschijnlijk zal stroken met de definitie van prijsstabiliteit van de ECB.

Het Verenigd Koninkrijk voldoet sinds geruime tijd aan het convergentiecriterium inzake de langetermijnrente. Dit benadrukt de geloofwaardigheid die door de markten wordt gehecht aan het op stabiliteit gerichte kader voor het macro-economisch beleid van het Verenigd Koninkrijk. Het is echter prematuur om te concluderen dat dit beleidskader reeds heeft geleid tot stabielere wisselkoersen. Derhalve beveelt de Raad het Verenigd Koninkrijk aan dit beleid voort te zetten teneinde te komen tot wisselkoersstabiliteit, hetgeen op zijn beurt zou moeten bijdragen tot de versterking van een stabiel economisch klimaat.

De Raad heeft nota genomen van de begrotingsdoelstellingen van het programma en de verwachting dat deze tijdens het programma (tot 2003/2004) zullen worden gerealiseerd. Hij constateert met tevredenheid dat de overheidsfinanciën naar verwachting tijdens het programma in onderliggende termen nagenoeg in evenwicht zullen zijn, hetgeen betekent dat voldaan wordt aan de middellange-termijnvereisten van het Stabiliteits- en groeipact. Deze begrotingsdoelstelling moet worden gerealiseerd door aangekondigde belastingmaatregelen die de inkomsten als aandeel van het BBP gedurende de looptijd van het programma enigszins zullen verhogen, zonder dat deze quote boven het EU-gemiddelde uitkomt, mede dankzij een strikte discipline met betrekking tot de middellange-termijnuitgaven. De Raad begroeit met instemming de verhoging van de overheidsinvesteringen als aandeel van het BBP ten opzichte van de totale uitgaven. Tevens heeft hij er nota van genomen dat het ingevoerde systeem van driejaarlijkse toewijzingen van middelen aan de ministeries ertoe zal bijdragen dat de begrotingsdiscipline gedurende de conjunctuurcyclus gehandhaafd blijft.

De Raad heeft er nota van genomen dat de bruto schuldquote van de overheid in het Verenigd Koninkrijk niet meer dan 60% van het BBP bedraagt en naar verwachting in 1998/1999 zal afnemen tot minder dan 50%. De Raad heeft met instemming kennis genomen van de verwachte verdere daling van de bruto schuldquote tot circa 40% van het BBP in 2003/2004.

De Raad heeft met tevredenheid kennis genomen van de structurele hervormingen die zijn opgenomen in het programma. Hij is ingenomen met de nadruk die het programma legt op deze hervormingen, alsmede op de macro-economische hervormingen en de sanering van de overheidsfinanciën. In het bijzonder de arbeidsmarkthervormingen zouden moeten voortbouwen op eerdere hervormingen die ervoor hebben gezorgd dat het werkloosheidscijfer in het Verenigd Koninkrijk tot ver onder het EU-gemiddelde is gedaald.

ECONOMISCHE SITUATIE EN ECONOMISCH BELEID VAN DE GEMEENSCHAP EN DE LIDSTATEN

De Raad hield een eerste oriënterend debat over de beleidskwesties die moeten worden behandeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, het belangrijkste economisch beleidsdocument van de Gemeenschap dat nog meer gewicht heeft gekregen nu dat de derde fase van de EMU van start is gegaan.

De bedoeling van de gedachtewisseling was de Commissie een leidraad te geven voor de voorbereiding van haar ontwerp-aanbeveling inzake de begin mei voor te leggen richtsnoeren. Derhalve verzocht de Raad de Commissie rekening te houden met de meningen die de ministers heden hebben geuit.

In dit verband nam de Raad ook nota van een toelichting door Commissielid Monti op het eerste verslag van de Commissie over de werking van de product- en kapitaalmarkten op (Cardiff I), dat reeds bij het Comité voor economische politiek in behandeling is. De voorzitter verzocht het comité om zijn besprekingen over het verslag voort te zetten, het aspect coördinatie van het belastingbeleid, alsmede het aspect werkgelegenheidspact in aanmerking te nemen en in maart verslag uit te brengen aan de Raad.

Dit verslag was ingediend door de Commissie overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Cardiff waarin de Commissie en de lidstaten werd verzocht jaarlijks verslagen over de economische hervormingen in te dienen, zodat bij de jaarlijkse bijstelling van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid rekening kan worden gehouden met de micro-economische en structurele aspecten.

De Raad zal in zijn zitting van maart op deze kwestie terugkomen, wanneer hij van het Comité voor economische politiek een evaluatie van de nationale verslagen zal hebben ontvangen, en van de Commissie een tweede verslag over structurele aangelegenheden en beleidsterreinen (Cardiff II).

Tijdens de lunch lichtte de voorzitter de Raad in over de bijeenkomst van Euro-11 die 's ochtends had plaatsgevonden. Die zitting was gewijd aan de coördinatie van het economisch beleid, de economische situatie en vooruitzichten van de EU en de juiste beleidsmix voor de afzonderlijke lidstaten; ter voorbereiding van het G7-Beraad van de ministers van Financiën van 20 februari in Bonn hebben de ministers tevens de nieuwe structuur van het internationale financiële stelsel en de uitvoering van het standpunt van de EU betreffende de vertegenwoordiging van de eurozone in de G7 besproken.

Financiële diensten

De Raad heeft nota genomen van een brief van Commissaris Monti waarin hij aandringt op een spoedig akkoord over een aantal belangrijke voorstellen in de sector van de financiële dienstverlening. De Raad was het ermee eens dat een spoedig akkoord belangrijk is voor de voltooiing van de interne markt in de financiële sector en hij zal zich inspannen om de teksten snel aan te nemen. In dit verband wezen sommige lidstaten op de problemen die uit verscheidene van deze voorstellen voortvloeien.

OVERIGE BESLUITEN

(Aangenomen zonder debat. In het geval van wetgevingsbesluiten zijn de tegenstemmen en onthoudingen vermeld. Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.)

EXTERNE BETREKKINGEN

EER - Participatie in de Europese vrijwilligersdienst, ALTENER, Karolus-programma

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan drie ontwerp-besluiten die ter aanneming worden voorgelegd aan het gemengd comité van de Europese Economische Ruimte, tot wijziging van Protocol 31 betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, bij de EER-overeenkomst.

De ontwerp-besluiten hebben betrekking op een wijziging van Protocol 31 met als doel de samenwerking te actualiseren op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdwerk (Europese vrijwilligersdienst), de energieprogramma's, de met het milieu verband houdende activiteiten (Altener II-programma) en de uitwisseling van nationale ambtenaren tussen ambtelijke diensten (Karolus-programma).

Doel is de volledige participatie van de EER/EVA-staten in de bovenvermelde communautaire programma's en activiteiten op deze gebieden.

Turkije - comités in het kader van de douane-unie dit actieplan gebaseerd op de volgende beginselen:
- medeverantwoordelijkheid;

- een geïntegreerde, evenwichtige en op participatie gebaseerde aanpak;

- duurzame ontwikkeling (inclusief de noodzaak om criteria inzake milieubehoud na te leven);

- naleving van het internationaal recht, waarbij met name de soevereiniteit en de territoriale onschendbaarheid van de staten, het beginsel van niet-inmenging in interne aangelegen- heden, en alle mensenrechten en fundamentele vrijheden volledig worden geëerbiedigd.

Het actieplan bevat, naast algemene doelstellingen zoals de bevordering van nationale coördinatie van beleidsontwikkeling op het gebied van de terugdringing van vraag en aanbod, alsmede samenwerking met de betrokken EU-instellingen, ook specifieke aanbevelingen voor maatregelen op het gebied van de terugdringing van vraag en aanbod, wetshandhaving, controle op legale drugs, synthetische drugs, gecontroleerde afleveringen, met drugs verband houdende wapenhandel, organisatie van de rechterlijke macht en de wetgeving inzake drugs alsmede het witwassen van geld.

Voorts bevat het plan aanbevelingen voor maatregelen om de interregionale samenwerking tussen Latijns-Amerika en het Caribisch gebied te bevorderen. In een bijlage bij het plan worden de activiteiten van de EU in Latijns-Amerika ter bestrijding van drugs opgesomd.

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Antidumping - gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een verordening houdende een verdere wijziging van Verordeningen nr. 1890/97 en nr. 1891/97 tot instelling van respectievelijk een definitief antidumpingrecht en een definitief compenserend recht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen.

Deze amendementen hebben betrekking op wijzigingen van de bijlagen bij deze verordeningen, teneinde rekening te houden met het feit dat vier exporteurs hun verbintenissen hebben ingetrokken en dat acht Noorse ondernemingen hun verbintenissen hebben geschonden. Deze ondernemingen zijn gehouden het bij deze twee verordeningen vastgestelde definitieve compenserende recht te betalen.

CULTUUR

Boekenprijs - Resolutie van de Raad

Op initiatief van het voorzitterschap en na de bespreking tijdens de Raad Cultuur van 17 november 1998 heeft de Raad de volgende resolutie betreffende vaste boekenprijzen in homogene grensoverschrijdende taalgebieden aangenomen:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

GELET OP het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Het tweeledige karakter van het boek als drager van culturele waarden en als economisch verhandelbaar goed ERKENNENDE; met kracht het belang onderstrepend van een deugdelijke afweging van de culturele en economische aspecten van het boek,

GEZIEN de grote betekenis die een aantal lidstaten toekent aan de bestaande stelsels van vaste boekenprijzen, met name in homogene grensoverschrijdende taalgebieden;

OVERWEGENDE de verklaring van de Commissie dat zij in het kader van de mededingingsregels alleen afspraken tussen economische actoren zal onderzoeken die de handel binnen de Gemeenschap kunnen belemmeren;

OVERWEGENDE dat de Commissie ter gelegenheid van de Raadszitting van 17 november 1998 heeft verklaard dat zij welwillend zal onderzoeken of contractuele regelingen in homogene taalgebieden culturele doeleinden dienen en bepalingen van culturele aard inhouden die beperking van de mededinging kunnen rechtvaardigen;

OVERWEGENDE dat de Commissie zich momenteel buigt over de vraag of grensoverschrijdende overeenkomsten die vaste boekenprijzen omvatten verenigbaar zijn met de regels van het communautair recht en een ontheffing kunnen krijgen krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag,

HERINNEREND aan de meest recente resolutie van het Europees Parlement, van 20 november 1998, waarin het de Commissie vraagt haar Europese beleidsvoering tegenover de internationale vaststelling van boekenprijzen aan te passen aan culturele vereisten en het voortbestaan van de bestaande regelingen voor vaste boekenprijzen mogelijk te maken;

OVERWEGENDE dat alle lidstaten wensen te bevorderen dat een ruim aanbod van publicaties beschikbaar is, met name literaire en wetenschappelijke werken, alsook werken bestemd voor een beperkt en specifiek publiek, en zij tevens de culturele ontwikkeling en diversiteit in Europa wensen te bevorderen en willen dat deze stelsels de consument cultureel voordeel opleveren;

ERKENNENDE dat naar, het oordeel van een aantal lidstaten, grensoverschrijdende stelsels voor de vaststelling van boekenprijzen in een gemeenschappelijk taalgebied, hetzij op wettelijke basis hetzij op grond van overeenkomsten, een doeltreffend middel vormen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

ERKENNENDE dat stelsels voor vaste boekenprijzen volledig in overeenstemming dienen te zijn met de communautaire wetgeving en herinnerend aan het besluit van de Raad van 22 september 1997 betreffende grensoverschrijdende vaste boekenprijzen in Europese taalgebieden () en aan de prerogatieven van de Commissie,

VERZOEKT DE COMMISSIE:

- met toepassing van de Europese mededingingsregels op de in grensoverschrijdende taalgebieden geldende afspraken rekening te houden met de bepalingen en de consequenties van artikel 128, lid 4, van het Verdrag, met de specifieke waarde van het boek als cultuurobject, met de bijzondere betekenis van de boekenmarkt voor de cultuur in het algemeen en met het relevante nationale cultuurbeleid;

- dienovereenkomstig de voor de verwezenlijking van deze doelstellingen nu en in de toekomst meest geschikte oplossingen te onderzoeken."

Verlenging van de programma's Ariane en Kaleidoscope in 1999 *

Nadat het Europees Parlement de gemeenschappelijke standpunten van de Raad had goedgekeurd op zijn plenaire vergadering van 17 december 1998, heeft de Raad de besluiten tot verlenging van de programma's Ariane en Kaleidoscope in 1999 definitief aangenomen. Hiervoor wordt in totaal 14,3 miljoen euro uitgetrokken, waarvan 10,2 miljoen euro naar Kaleidoscope gaat en 4,1 miljoen euro naar Ariane.

De verlenging van deze programma's met een jaar overbrugt het gat tussen de huidige einddatum (31.12.1998) en de geplande start van het nieuwe cultuurkaderprogramma (1.1.2000).

Pro memorie: Ariane is een programma voor steun op het gebied van het boek en het lezen, met inbegrip van vertalingen, en Kaleidoscope een programma voor steun aan artistieke en culturele activiteiten met een Europese dimensie.

Culturele hoofdstad van Europa (2005 tot 2019)

De Raad heeft via de schriftelijke procedure op 30 januari 1999 besloten het Bemiddelingscomité bijeen te roepen, teneinde het gemeenschappelijk standpunt dat hij op 24 juli 1998 heeft vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele hoofdstad van Europa", voor het tijdvak 2005 tot 2019, nader toe te lichten aan het Europees Parlement.

Er zij aan herinnerd dat het Europees Parlement, tijdens diens vergaderperiode van 11 tot en met 15 januari, zijn voornemen had meegedeeld om bovengenoemd gemeenschappelijk standpunt te verwerpen en de Raad had verzocht het Bemiddelingscomité bijeen te roepen, overeenkomstig artikel 189 B, lid 2, onder c), van het EG-Verdrag. De Raad heeft dus positief gereageerd op het verzoek van het Parlement.

De bovenvermelde bepaling van het Verdrag heeft betrekking op een weinig gebruikte variant van de medebeslissingsprocedure, de zogenaamde "kleine bemiddeling" (die zal verdwijnen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam). Deze heeft tot doel de Raad in staat te stellen - mocht hij zulks, zoals in dit geval, nuttig achten - zijn in eerste lezing ingenomen standpunt ("gemeenschappelijk standpunt") nader toe te lichten. Vervolgens bekrachtigt het Europees Parlement de verwerping van het gemeenschappelijk standpunt of stelt het amendementen voor (in beide gevallen is een volstrekte meerderheid van de leden van het Europees Parlement vereist).

De bedoeling van het voorgestelde besluit is dat de Culturele hoofdstad van Europa niet langer via een intergouvernementeel akkoord wordt aangewezen, maar in het kader van de Gemeenschap op basis van het artikel inzake cultuur in het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt van de Raad kan iedere lidstaat, wanneer hij aan de beurt is, in een overeengekomen volgorde (die in 2005 begint en in 2019 eindigt) een stad als Culturele hoofdstad van Europa aanwijzen.

ARBEID EN SOCIALE ZAKEN

Uitbreiding van de toepassing van de Verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72 tot studenten *

Als follow-up van het politieke akkoord dat in zijn zitting van 2 december 1998 is bereikt, heeft de Raad formeel de verordening aangenomen waarbij de toepassing van de bestaande verordeningen inzake de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen wordt uitgebreid tot studenten die zich tussen de lidstaten verplaatsen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat studenten zonder uitzonderingen gedekt zijn met betrekking tot de belangrijkste sectoren van de sociale zekerheid, met name tegen ziektekosten, en voorts dat zij beschermd worden door de fundamentele algemene beginselen van de verordening, zoals bijvoorbeeld gelijke behandeling.

Verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft betrekking op de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; Verordening (EEG) nr. 574/72 behelst de uitvoeringsbepalingen.

INTERNE MARKT

Kenmerken van bepaalde gevaarlijke stoffen

Ingevolge het politieke akkoord dat bereikt is tijdens zijn zitting van 21 december 1998 (Milieu) heeft de Raad formeel zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld betreffende een voorgestelde wijziging van Richtlijn 67/548/EEG wat betreft het kenmerken van bepaalde gevaarlijke stoffen in Oostenrijk en Zweden. De wijziging voorziet in hoofdzaak in een verlenging met twee jaar van de overgangsperiode voor de voltooiing van de herziening van de communautaire wetgeving met betrekking tot de bepalingen betreffende gevaarlijke stoffen van de Akte van toetreding van Oostenrijk en Zweden.

Het gemeenschappelijk standpunt zal nu worden toegezonden aan het Europees Parlement (dat in eerste lezing het Commissievoorstel zonder amendementen had goedgekeurd).

Technische harmonisatie van motorvoertuigen - ontwerp-reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de VN

De Raad is het eens geworden over een gemeenschappelijke beleidslijn met het oog op de aanneming van twee besluiten die de Commissie in staat zullen stellen namens de Gemeenschap te stemmen over de reglementen die momenteel worden opgesteld in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de VN (VN/ECE) betreffende:
- eenvormige voorschriften voor de goedkeuring van tankwagens van de categorieën N en O wat de kantelstabiliteit betreft; en
- de goedkeuring van specifieke onderdelen van motorvoertuigen voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG) als brandstof, alsmede van voertuigen voorzien van specifieke onderdelen van een goedgekeurd type voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG) als brandstof, wat de installatie daarvan betreft.

De Raad heeft ook besloten zijn gemeenschappelijke beleidslijn ter zake aan het Europees Parlement ter goedkeuring voor te leggen.

De bedoeling van deze reglementen is de opheffing van de technische belemmeringen voor de handel in motorvoertuigen tussen de partijen bij de herziene overeenkomst van 1958 van de VN/ECE, terwijl tevens een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming wordt gewaarborgd. Het is ook de bedoeling dat beide reglementen worden geïntegreerd in het typegoedkeuringssysteem voor motorvoertuigen en zodoende de vigerende wetgeving van de Gemeenschap zullen aanvullen.

Er zij aan herinnerd dat telkens wanneer een ontwerp-reglement van de VN/ECE ter stemming wordt voorgelegd aan de bevoegde instanties van de VN/ECE, dat ontwerp eerst door de Raad moet worden goedgekeurd, met instemming van het Europees Parlement, voordat de Gemeenschap voor de vaststelling van een dergelijk ontwerp-reglement kan stemmen.

CONSUMENTENZAKEN

Garanties voor consumptiegoederen

Aangezien de Raad niet alle amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt inzake de ontwerp-richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen heeft kunnen aanvaarden, wordt het Bemiddelingscomité EP/Raad bijeengeroepen, overeenkomstig de medebeslissingsprocedure van het Verdrag (artikel 189 B).

VISSERIJ

Technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen

De Raad heeft een verordening aangenomen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen.

De bedoeling van de verordening is enkele fouten in Verordening 850/98 te corrigeren. Er worden bepalingen voor het gebruik van maaswijdtecombinaties vastgelegd en, met het oog op een doeltreffende controle en uitvoering van deze bepalingen wordt het verplichte gebruik van het logboek uitgebreid tot vaartuigen die tot dusver van deze verplichting waren vrijgesteld. Ook wordt de kwestie behandeld van grensoverschrijdende visserij door de uitbreiding van het verplichte gebruik van het logboek tot vissersvaartuigen die visserijactiviteiten verrichten die, gedurende één enkele tocht, plaatsvinden in meer dan één zone of geografisch gebied binnen de wateren van de Gemeenschap.

Frans departement Guyana

De Raad heeft een verordening aangenomen houdende maatregelen voor 1999 voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden die, ten aanzien van vaartuigen die de vlag van bepaalde derde landen voeren, in de 200-mijlszone voor de kust van het Franse departement Guyana van toepassing zijn.

LUCHTVERVOER

Geautomatiseerde boekingssystemen

De Raad heeft een verordening aangenomen tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen (CRS).

Met deze verordening wordt beoogd het toepassingsgebied van Verordening (EEG) nr. 2299/89 te verruimen en de bepalingen te verduidelijken, onder andere teneinde:

- integratie van spoorwegdiensten in het systeem van geautomatiseerde boekingssystemen van luchtvaartdiensten mogelijk te maken en te waarborgen dat spoorwegondernemingen die diensten door middel van deze geïntegreerde geautomatiseerde boekingssystemen aanbieden dezelfde voorwaarden dienen te respecteren als luchtvaartmaatschappijen;

- ervoor te zorgen dat systemen waarmee langs elektronische weg rechtstreeks informatie aan de consument wordt verschaft, binnen de werkingssfeer van de gedragsregels worden gebracht;
- de berekeningsgrondslag te verduidelijken voor de bedragen die aan moederlucht- vaartmaatschappijen in rekening worden gebracht voor boekingen die zij moeten accepteren van concurrerende geautomatiseerde boekingssystemen;

- de berekeningsgrondslag te verduidelijken van de bedragen die geautomatiseerde boekingssystemen in rekening brengen voor de aan deelnemende luchtvaartmaatschappijen en abonnees verstrekte diensten;

- ervoor te zorgen dat derden die namens een geautomatiseerd boekingssysteem diensten verlenen aan dezelfde verplichtingen zijn onderworpen als die welke ingevolge de gedragsregels op dat geautomatiseerde boekingssysteem van toepassing zijn.

JONGEREN

Resolutie betreffende participatie van jongeren

De Raad en de ministers van Jeugdzaken, in het kader van de Raad bijeen, hebben de resolutie betreffende participatie van jongeren aangenomen, waaraan de Raad en de ministers van Jeugdzaken, in het kader van de Raad bijeen, tijdens hun zitting van 26 november 1998 hun goedkeuring hadden gehecht. De tekst van de resolutie is bekendgemaakt in de mededeling aan de Pers nr. 13307/98 (Presse 414) van 26 november 1998.


/newsroom/press/c/ACFCF.htm

Deel: ' Verslag ECOFIN Raad 02-8-1999 '




Lees ook