2156. Raad - ECOFIN

Press Release: Brussels (18-01-1999) - Nr. 5344/99 (Presse 11)
_________________________________________________________________

Voorzitter: de heer Oskar LAFONTAINE , minister van Financiën van de Bondsrepubliek Duitsland

WERKPROGRAMMA VAN HET DUITSE VOORZITTERSCHAP EN VAN DE COMMISSIE OPENBAAR DEBAT

De Raad heeft het gebruikelijke, via de televisie uitgezonden, openbare debat gehouden over het werkprogramma van het voorzitterschap voor de eerste helft van 1999 en het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie voor 1999 op Ecofin-gebied.

In zijn inleiding ging minister LAFONTAINE, als voorzitter van de Raad, in op de vier primaire doelstellingen van het Duitse voorzitterschap:

- bevordering van groei en werkgelegenheid en bestrijding van werkloosheid;

- verlening van een nieuwe dimensie aan de Europese integratie via de invoering van de gemeenschappelijke Europese munt;
- werkelijke vooruitgang in de samenwerking tussen de lidstaten ten aanzien van het belastingbeleid;

- tegen het voorjaar een politiek akkoord bereiken over het hele Agenda 2000-pakket voor de hervorming en ontwikkeling van de communautaire beleidssectoren en financiën.

Daarnaast onderstreepte de voorzitter van de Raad het belang van een niet aflatende financiële discipline ten aanzien van de EU-begroting alsmede de noodzaak om de fraudebestrijding te intensiveren. Wat betreft de interne markt beklemtoonde hij met name het belang van verbetering van de markt voor financiële diensten.

Namens de Commissie wees voorzitter SANTER erop dat de prioriteiten van zijn instelling grotendeels samenvallen met de doelstellingen van het voorzitterschap. Hij noemde de specifieke sectoren waarvoor de Commissie voornemens is de komende maanden voorstellen of mededelingen in te dienen.

In hun reacties stemden de ministers ruimschoots in met de hoofdlijnen van het werkprogramma van het voorzitterschap en zegden zij hun volledige steun toe aan het streven van het voorzitterschap om ten aanzien van bovengenoemde prioriteiten resultaten te boeken en met name het Agenda 2000-pakket tijdens de speciale Europese Raad op
24/25 maart 1999 tot een goed einde te brengen. Naast bovengenoemde primaire prioriteiten beklemtoonden de ministers ook aan welke onderdelen zij bijzonder belang hechten.

AGENDA 2000

De Raad nam nota van de plannen van het voorzitterschap in verband met de organisatie van de werkzaamheden van de Raad ECOFIN in de slotfase van de onderhandelingen over het Agenda 2000-pakket. De Raad hield een kort debat over dit onderwerp.

Nu alle opties op tafel liggen, deed het voorzitterschap een beroep op alle lidstaten zich soepel op te stellen zodat tijdens de Europese Raad op 24/25 maart 1999 een algeheel akkoord kan worden bereikt. Het voorzitterschap heeft daartoe al een werkdocument over de presentatie van de financiële vooruitzichten voorgelegd en zal binnenkort nog met documenten komen over het niveau van de verschillende uitgavencategorieën, het stelsel van eigen middelen en onevenwichtigheden in de begroting. Op basis daarvan zal het door het voorzitterschap begin dit jaar voorgelegde onderhandelingspakket geleidelijk gevuld worden met oplossingen en alternatieven.

De Raad kwam overeen tijdens zijn volgende zitting op 8 februari 1999 de financiële aspecten van Agenda 2000 uitvoerig te bespreken en met name de wijze waarop de begrotingsdiscipline moet worden toegepast op de twee voornaamste uitgavencategorieën, het GLB en de structuurfondsen.

De Raad nam tevens nota van het voornemen van het voorzitterschap om met het Europees Parlement verder te onderhandelen over een nieuw interinstitutioneel akkoord inzake begrotingsdiscipline en verbetering van de begrotingsprocedure.

UITVOERING VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT

- STABILITEITSPROGRAMMA VAN IERLAND (1999-2001) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 18 januari heeft de Raad het stabiliteitsprogramma van Ierland voor de periode 1999-2001 besproken. De Raad neemt er met voldoening nota van dat de begroting van de Ierse regering in 1997 een overschot is gaan vertonen en dat naar verwachting gedurende de gehele programmaperiode zal blijven doen, terwijl de schuldquote van de overheid, die tegen het einde van 1998 waarschijnlijk minder dan 60% van het BBP zal bedragen, zal blijven dalen.

In het macro-economische scenario dat in het programma wordt geschetst, wordt ervan uitgegaan dat de economische groei niet meer zo groot zal zijn als de laatste tijd terwijl ook de inflatie haar piek van 1998 niet zal evenaren. Niettemin blijft de groei in vergelijking met andere lidstaten op een zeer hoog niveau tengevolge van de uitstekende prestaties aan de aanbodzijde van de economie en de aanhoudende toename van de beroepsbevolking. De Raad acht de macro-economische vooruitzichten van het programma haalbaar. Voorts is het duidelijk dat Ierland door het goede begrotingsresultaat van 1998 reeds voldoet aan de in het Stabiliteits- en groeipact gestipuleerde doelstelling van een vrijwel evenwichtige begrotingssituatie of een begrotingsoverschot. Voorts zal Ierland volgens het scenario voor de overheidsfinanciën tijdens de periode 1999-2001 aan de begrotingseisen van het Stabiliteits- en groeipact blijven voldoen.

Het is duidelijk dat het programma spoort met het Stabiliteits- en groeipact. Toch dient er in het ruimere kader van de macro-economische stabiliteit op verscheidene punten te worden gewezen. In het bijzonder merkt de Raad op dat de economische toestand niet zonder risico's is; het grootste risico is oververhitting van de economie, met stijgende lonen en prijzen. In dit verband wijst de Raad erop dat het begrotingsbeleid weliswaar enigszins is aangescherpt, maar dat het voorzichtiger ware geweest om hierin nog verder te gaan. In de aanbeveling van de Raad voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten werd Ierland voor 1998 een strak begrotingsbeleid aanbevolen.

Gezien de sterke groei van de economie acht de Raad het aangewezen dat, zoals gepland, gedurende het gehele programma een begrotingsoverschot wordt aangehouden. Indien aan de eisen van het Stabiliteits- en groeipact wordt voldaan, moet dit een voldoende veiligheidsmarge bieden om in het geval van conjuncturele recessie buitensporige tekorten te voorkomen.

De Raad juicht het toe dat er in het programma de nadruk wordt gelegd op een toename van de overheidsinvesteringen om tegemoet te komen aan de infrastructuurbehoeften van een sterk groeiende economie en ter compensatie van de verwachte vermindering van de structuurfondsen van de Gemeenschap in Ierland. Een uitvoeriger kapitaalinvesteringsplan zou een nuttige aanvulling op het stabiliteitsprogramma zijn; zo'n plan zou kunnen bijdragen tot het voorkomen van problemen aan de aanbodzijde met mogelijke gevolgen voor de vooruitrichten qua groei en inflatie in Ierland.

STABILITEITSPROGRAMMA VAN OOSTENRIJK (1998-2002) - ADVIES VAN DE RAAD

Op 18 januari heeft de Raad het stabiliteitsprogramma van Oostenrijk voor de periode 1998-2002 besproken. De Raad neemt er met voldoening nota van dat het programma gedetailleerde informatie bevat over de na afloop van het programma te verwachten macro-economische en budgettaire aggregaten. De begrotingsdoelen voor 1998 en 1999 zijn gebaseerd op de begrotingsplannen voor die jaren. Voor de jaren na
1999 verschaft het programma over het algemeen geen kwantitatieve gegevens over begrotingsmaatregelen.

Het programma voorziet tegen 2002 in een daling van het algemene tekort op de overheids-begroting tot 1,4% van het BBP, terwijl de brutoschuldquote naar verwachting zal dalen tot 60% van het BBP. De Raad constateert dat het programma voortbouwt op de ingrijpende budgettaire consolidering van de jaren 1995-1997. De Raad is verheugd dat er aanzienlijk betere begrotingsresultaten zijn behaald dan gepland was. De Raad betreurt het echter dat het overheidstekort in
1998, ondanks een voor de groei gunstig klimaat, niet verder gedaald is.

Het programma is gebaseerd op macro-economische vooruitzichten die een vertraging van de economische groei te zien geven, en wel van het huidige hoge groeicijfer naar een groei die tegen het eind van de bestreken periode licht onder de trend blijft. De Raad lijkt dat een realistisch scenario, maar wijst erop dat, als de huidige internationale financiële en economische crisis aanhoudt, de zaken slechter kunnen evolueren.

Het programma gaat ervan uit dat de inflatiedruk dankzij aanhoudende loonmatiging en dalende importprijzen gering zal blijven. De Raad wijst erop dat er verdere structurele verbeteringen op de productie- en de arbeidsmarkt nodig zijn om de verwachte combinatie van groeiende werkgelegenheid, dalende werkloosheid en een blijvend lage inflatie te verwezenlijken. Bovendien moet de ontwikkeling van de indicatoren voor het concurrentievermogen nauwlettend in de gaten gehouden worden, en moeten de structurele hervormingen die de concurrentiepositie van Oostenrijk waarborgen, worden voortgezet.

De Raad acht het raadzaam dat de in het programma beoogde budgettaire consolidering

bereikt wordt door de daling van de inkomsten te compenseren met een verlaging van de uitgaven. De Raad constateert evenwel dat de algemene doelstelling van een verlaging, tussen 1998 en 2002, van het totale overheidstekort met 0,8% van het BBP en van de brutoschuldquote met
4,4% van het BBP, zeer bescheiden is.

De Raad erkent dat het beoogde tekort van 1,4% van het BBP voor de middellange termijn dankzij de vrij stabiele economische groei van Oostenrijk, voldoende is om de automatische stabilisatoren in een normale conjuncturele recessie te laten functioneren zonder dat men het risico loopt de BBP-referentiewaarde van 3% te overschrijden. De Raad concludeert dat het programma op dat punt in overeenstemming is met het Stabiliteits- en groeipact.

De Raad wijst er echter op dat de door de Oostenrijkse regering gekozen begrotingsstrategie riskant lijkt, omdat er geen extra veiligheidsmarge is ingebouwd. Een ambitieuzere doelstelling voor het tekort zou een goed middel geweest zijn om onvoorziene ontwikkelingen in de economische activiteit en de overheidsfinanciën op te vangen, om speelruimte te creëren voor het mogelijk gebruik van een doelbewust anti-conjunctureel begrotingsbeleid en voor de uitvoering van actieve beleidsmaatregelen voor het scheppen van werkgelegenheid en van andere structurele maatregelen in overeenstemming met de werkgelegenheidsrichtsnoeren, alsook om de schuldquote sneller te verkleinen met het oog op de financiële lasten op langere termijn ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking.

De Raad moedigt de Oostenrijkse regering derhalve aan om het begrotingsplan voor 1999 zo rigoureus mogelijk uit te voeren en ervoor te zorgen dat de schuldquote sterk blijft dalen. Voor de periode na
1999 verzoekt de Raad de Oostenrijkse regering haar uiterste best te doen om, net als in het verleden, de begrotingsdoelen van het stabiliteitsprogramma te overtreffen, en zo de veiligheidsmarge te verbreden en het risico dat de BBP-referentiewaarde van 3% overschreden wordt, tot het uiterste te beperken.

De Raad is ingenomen met de geplande structurele hervormingsmaatregelen van het programma. De algemene stimulans die van de hervormingsmaatregelen uitgaat lijkt voldoende en in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad van 6 juli 1998 betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap. De Raad dringt er bij de Oostenrijkse regering op aan om extra overheidsuitgaven ten gevolge van de hervormingsmaatregelen te financieren door besparingen op andere gebieden. De Raad moedigt de Oostenrijkse regering aan om de hervormingen snel en krachtdadig uit te voeren, omdat daar de sleutel ligt voor het welslagen van het stabiliteitsprogramma.

IMPLEMENTATION OF STAGE 3 OF EMU - STATISTICAL REQUIREMENTS

The Council endorsed the following report of the Economic and Financial Committee on statistical requirements in Stage 3 of EMU:

The transition to the third stage of Economic and Monetary Union (EMU) on 1 January 1999 constitutes a major shift in the economic institutional framework with important consequences for economic and monetary policy making. For the proper functioning of EMU and the Single Market, effective surveillance and co-ordination of economic policies will be of major importance. This requires a comprehensive information system providing policy makers with the necessary data on which to base their decisions. While it will be important to have such information available for the European Union as a whole, it will be even more important for the Member States participating in the euro-area. They have a tighter relationship and shared responsibility for the success of EMU. Such information is also very important for Member States participating in the new exchange-rate mechanism (ERM 2).

Over the last few years, several important initiatives, some of which are specifically related to Stage Three of EMU, have been taken to improve statistics. A number of these are already producing results or will shortly do so. However, several important gaps remain to which the French finance minister drew attention in his intervention at the Euro-11 Group on 4 June this year. In response to this initiative, the Monetary Committee discussed the issue at its meeting in Helsinki on
26 June 1998. It set up a working group having the necessary expertise to examine

- information requirements for the co-ordination of economic policy in the third stage of EMU

- the action necessary to ensure its availability.

The main findings of the working group are presented below.

Data requirements and production

For the purposes of economic and monetary policy making it is important to have a methodologically sound and consistent information system that produces relevant information in a timely fashion. The system must also facilitate the interpretation of that data as well as the assessment of the significance of any new information that becomes available. To avoid confusion and to help make policies mutually consistent, it is preferable that the different actors involved use the same data. Sound and comprehensive statistical information would reduce uncertainties and thereby the risk of confusion and of disturbance and instability in the markets.

The need to improve data production to remedy shortcomings applies both to the initial participants in the euro-area as to those that do not participate from the start. This is because improvements in data production normally have long lead times.

There are two main groups of data producers. On the one hand there are the national central banks which are mainly in charge of statistics on monetary aggregates, financial transactions and balance sheets, and balance-of-payments including the international investment position(). On the other hand, there are the national statistical offices, which deal with most other statistics. At European level, their respective counterparts are the European Central Bank (ECB) and the Statistical Office of the European Communities (Eurostat). They have established a close working relationship over recent years, which is supported by the Committee on Monetary, Financial and Balance of Payments statistics (CMFB).

Requirements put on statistical data, notably as to detail, frequency, and timeliness, vary with the users, depending on their specific purposes. There is an obvious trade-off in data production between speed and level of detail and accuracy.

To compile totals for the euro-area or EU-15, the normal practice would be to have harmonised data at national level and to aggregate them. But this requires a long preparation process, notably at national level, that has not yet been put in place for all relevant EU statistics. As far as the gaps are concerned, there is a need to investigate to what extent suitable national information (perhaps not fully harmonised) is already available, or can be made available at fairly short notice. When the main purpose is a quick estimate of trends rather than levels, harmonised national data may not always be necessary to calculate aggregated indices. Such highly aggregated data do not obviate the need for detailed statistics of longer periodicity providing a benchmark against which they can be assessed. It might be explored on a case-by-case basis whether data could usefully be collected directly at euro-area or EU-15 level in order to make such aggregate information more quickly available. Results could be gathered more rapidly and at a cost less than that of setting up a full survey in all Member States. However, such data might not be representative at Member State level, in particular for smaller ones.

Finally, data production is costly both to providers of basic data (the response burden) and to statistical institutions, and it is therefore important that in responding to different demands clear priorities are set.

Data for policy purposes

Policy makers (at both national and European level) need timely access to the latest information in order to be in a position to react if need be. They therefore generally have to rely on rather aggregate data. While in specific cases quarterly or even annual data will suffice, a wide range of statistics will have to be available with a monthly or even higher periodicity.

There is a need for information at all levels. In some areas, there will obviously be a need for statistical information on developments restricted to the euro-area, but in others information for the EU-15 as a whole will also be required. Comprehensive data may be necessary at national level to analyse developments in more detail and to assess the need for corrective action at national level.

The operation of the single monetary policy requires extensive information on developments in money growth, banking, financial market statistics, financial accounts, and balance-of-payments statistics, including the international investment position. In addition, price statistics, in particular the Harmonised Indices on Consumer Prices (HICP) and cost statistics are vital to the operation of that policy. Furthermore, a range of other data are also of major importance to the ECB when assessing economic developments and the appropriate monetary policy stance to be adopted in response. These comprise some general economic statistics (in addition to that covered in ESA-95), in particular short-term indicators but also statistics on government finances, including on government financial assets and liabilities. The ECB's main interest will naturally be on developments in the euro-area as a whole, with a view to the operation of the single monetary policy. However, detailed complementary information on developments at Member-State level will be valuable if developments in the euro-area and the effects of the single monetary policy are to be adequately assessed. The ECB also needs to monitor developments in non-participating Member States.

Member States retain responsibility for economic policy including budgetary policy. However, for the proper functioning of EMU, it is important that their policies be mutually consistent and appropriate in the light of the single monetary policy. The Treaty and the subsequent agreements reached on the Stability and Growth Pact give operational content to the surveillance of budgetary positions and the surveillance and co-ordination of economic policies. In this context, beside the Member States, the other important users of data are the Commission (the Directorate-General for Economic and Financial Affairs), the Economic and Financial Committee and ministers meeting in the Euro-11 Group and in the Council. Their information requirements will naturally include timely aggregate information on developments in the euro-area and the EU as a whole, but the main focus will remain on developments in individual Member States since it is at this level that concrete policy action may have to be taken. Their information requirements are bound to overlap considerably with those of the ECB since they all need information relevant to assessing the state of the economy and to considering what policy stance would be most appropriate.

Work under way

The introduction of new statistics and improvements in already existing statistics often takes several years. Regarding the statistical preparations for monetary policy, in the third stage of EMU, the European Monetary Institute published statistical requirements for Stage 3 in July 1996.()

In a broader economic policy context, Eurostat and national statistical offices recognised the need to improve the coverage, the quality and the timeliness of statistics and adjusted their work programmes accordingly. Some major steps in recent years have been:
- The Council decision of June 1996 to replace the present European System of integrated economic Accounts (ESA) dating from 1979 by a new, more comprehensive, system (ESA-95).() The ESA-95 introduces major methodological improvements and extended coverage. It obliges Member States to report national accounts data from April
1999 onwards within a well-defined time schedule on both an annual and, for some main aggregates, a quarterly basis.
- The Council and Commission regulations on the Harmonised Indices on Consumer Prices (HICP) which have produced high quality indices since 1997.()

- The Council's adoption in May 1998 of a regulation on short-term economic statistics which should improve their coverage, quality and timeliness.()

- The Commission's decision and ensuing work programme to improve the quality of constant prices GDP estimates for the Stability and Growth Pact.

While statistics will improve as a result, the considerable number of derogations agreed in the course of the adoption of these acts, limit the number and quality of the statistics that can be expected in the short to medium term. A positive note is that, irrespective of derogations, all Member States will produce quarterly national accounts on the main aggregates defined in ESA-95 from September 1999 onwards. The derogations were partly agreed in response to resource constraints in the national statistical offices.

Priorities for future work

For the purposes of economic policy, quarterly national accounts are the core statistical information system and should therefore be further developed. More specifically, rapid progress, where appropriate within the quarterly national accounts framework, is particularly urgent on information on developments in public finances, labour markets and labour costs, as well as on short-term business indicators. In balance-of-payments and trade statistics, there could usefully be some re-balancing of priorities between detail, periodicity and quality.

Public finance

The achievement and maintenance of sound public finances is of central importance in all Member States and to the success of EMU. In accordance with the Treaty provisions and the Stability and Growth Pact, for which statistical requirements and procedures have been agreed, budgetary positions will be closely surveyed. Markets are also likely to follow budgetary developments in EU Member States closely. Comprehensive information on public finance developments would permit a better understanding and be crucial to effective monitoring and the decisions that might have to be taken in response.

It would be most appropriate to produce quarterly national account data for the general government sector. The move to quarterly accounts for government finances will require considerable efforts by government and statistical offices and depends on the resources devoted to it. This process will not produce comprehensive results in the early years of EMU and therefore has to start soon.

In this context, efforts need to be made to produce soon, in an appropriate format, all the relevant information on public finance developments in Member States that is already available or can quickly be made available. Based upon a step-by-step approach it should be possible to produce sufficiently comparable and timely information on budgetary indicators such as tax revenue, social security contributions and the borrowing requirement. Even though such information will in many cases cover only parts of general government finances, it would provide useful indications for the monitoring of budget developments. In particular, early information on tax revenue and social security contributions could provide useful information on cyclical developments in the economy and give early information of possible risks to budgets.

A task force convened by Eurostat, composed of representatives from Member States, the Commission and the ECB, will examine the availability of short-term public finance indicators. It aims to submit concrete proposals to the appropriate bodies, including the CMFB by the end of June 1999, and to list characteristics of commonly adjusted indicators in order to bring them into line with ESA-95 definitions. The objective would be to get indicators available over a long time span by the beginning of 2000 as an intermediate step towards full quarterly national accounts for the general government sector. Since Member States are not at present required to produce the latter under the terms of the Council Regulation on ESA-95, an obligation to do so would have to be introduced into European legislation. This would ensure that the necessary efforts are undertaken at Member State level, including the prompt provision of quarterly data by local authorities and the social security institutions to statistical offices. The task force could also usefully examine possible further statistical developments and the regulatory changes that would be necessary to ensure that quarterly accounts on government finances are produced as soon as possible. The Statistical Programme Committee (SPC) and the CMFB will keep this issue under close review by retaining it on its agenda for the near future.

Labour market

Cross-country comparisons of the labour market and of labour costs will demand more attention in EMU. The link between labour cost developments and employment is now stronger since there is no longer any possibility of regaining competitiveness between Member States through the adjustment of exchange rates. Furthermore, wage inflation is an important element in overall inflation, and the ECB will monitor it closely as a leading indicator. Ideally, information on labour market developments and labour costs should be consistent with, or even integrated in, the national accounts.

The Council Regulation() on the organisation of a labour force sample survey in the Community, and the harmonisation work done by Eurostat and national statistical offices, should allow a better view of labour market developments on a quarterly basis. However, the flexibility introduced in this regulation (to take account of difficulties in adapting national systems) means that while Member States should implement it as soon as possible, they are not tied to a specific deadline. It is important to accelerate the implementation of the Labour Force Survey providing quarterly results on employment and unemployment at the latest by the year 2000.

On short-term labour cost developments, further progress should be made towards quarterly statistics on compensation of employees and costs per unit of labour or per unit of production. At present there are major problems concerning coverage of service activities and smaller enterprises. These market segments represent more than 60% of private sector employment and their potential importance for wage inflation needs to be taken into account. Coverage of part-time employees and certain components of pay, such as overtime or special bonuses, are also uneven and should not be neglected. Efforts are necessary to make sure that information is available on a quarterly basis and that information on the volume of labour, which is needed to calculate unit costs, is reliable. Eurostat, together with the national statistical offices, is currently trying to compile various types of existing labour cost information in order to deliver at the very beginning of 1999 reliable European and national Labour Cost Indices that would offer extended coverage.

It should be noted, however, that changes in average costs are shaped by many different forces like shifts in the work force to lower paid contracts (e.g. more part timers), shifts in industrial structure towards higher paid activities (e.g. medium and high technologies), shifts towards more overtime and so on. These changes should be identified in order to be able to estimate as narrowly as possible changes in the price of labour in order to have a good leading indicator of inflationary pressures. In the past it was assumed that structural changes could be neglected in the short term but, with increasing labour market flexibility in the Union, this might become a less reliable assumption in the future. For this purpose, it should be investigated to what extent useful data are already available at the national statistical offices and can be produced in a suitable format at relatively short notice.

If this is not feasible, another, more ambitious but more costly, approach would be to develop a European Labour Price Index following the model used for 20 years in the USA. This tool would provide at the same time total labour costs and indices measuring the effects of structural changes. Eurostat is preparing the compilation of such an index. But, at present, several questions remain open, such as the necessary level of detail and whether to carry out a European level survey or to develop more costly national surveys. In any case, this would also require considerable investment and results could not be expected before the year 2001.

Short-term business indicators

Short-term business indicators are essential for assessing developments in the economy, notably its position in the cycle. They are of particular importance for the surveillance tasks of the Commission (DG II) and for the ECB in assessing economic developments and in deciding on the monetary policy stance to be taken in response.

The Council Regulation concerning short-term statistics() constitutes a major step in improving the quality and speeding up the production of short-term quantitative indicators. The priority now is to implement this regulation effectively, providing timely aggregated indicators which are more important than detailed breakdowns. A major stumbling block in this respect is the derogations that Member States have negotiated which reduce the regulation's impact in the short to medium term. For some Member States the data for manufacturing, construction and retail trade will only be available from 2003. However, these derogations should be reviewed with a view to accelerating the improvement of data collection so that data will be produced at the latest by the beginning of the year 2001.

For other services than retail trade only pilot studies are prepared and, on the basis of current plans, results will not be available in the near future. However, in those areas of services which are sensitive to cyclical variation and which account for a considerable share in gross domestic product (GDP), faster progress is required.

Qualitative short-term indicators
(business and consumer tendency confidence indicators()) complement the quantitative indicators. These opinion surveys are partly forward-looking and are of great use for interpreting and forecasting economic developments. When developing these indicators, priority should be given to extending their coverage of the service sector. Concrete results should be achieved by the year 2000.

Balance-of-payments and trade

The introduction of the single currency is going to change the policy needs at the European level for balance-of-payments statistics for the Member States participating in the euro-area.

- On a monthly basis and for the euro-area, only aggregate statistics on balance-of-payments are needed.

- On a quarterly basis, more detailed national balance-of-payments data are needed to compile national accounts in accordance with ESA-95, to satisfy the International Monetary Fund's requirements, as well as more detailed information on the balance-of-payments of the euro-area as a whole.

- On an annual basis, more detailed data are needed for the analysis of market shares, shifts in trade patterns, and other structural changes.

All Member States compile detailed balance-of-payments statistics and produce trade data on a monthly basis, covering more than 10,000 commodity groupings for extra- and intra-EU trade, the latter in accordance with the Intrastat Regulation.

The quality of intra-EU data has deteriorated(), notably following the creation of the Single Market and accompanying changes in declaration systems but also reflecting the growing level and complexity of financial market activity. Moreover, the creation of EMU will add considerably to the difficulty of measuring trade and financial flows within the euro-area. A salient example of the quality deterioration is the intra-trade statistics where huge statistical discrepancies have emerged between dispatches and arrivals. Indeed, statistics for all international transactions have become increasingly difficult to produce with regard to coverage and regional allocation.

The present intra-EU trade data contain far more detail than necessary for co-ordination of economic policy. For this purpose, it would be sufficient to collect only quarterly information, and moreover for a smaller number of product categories (about 600); for annual figures this should be expanded (about 2000).

Therefore, the present intrastat system should be simplified and other methods should be explored to arrive at a suitable output, while reducing costs. If the intrastat data collection system is modified along these lines, it would require amendment to Council Regulation (EC) No 3330/91.

The CMFB is embarking on a broad review of balance-of-payments statistics in the new circumstances of EMU, taking account also of the wider economic and financial background and the need to improve quality. This exercise is welcome, and the CMFB, in its further work, should also incorporate the issues raised in this report and conclude its review by mid-1999. This review should contain concrete proposals for regulatory reform and the time frame for implementation.

Dissemination and presentation of data

Communication of statistical information to the public is an important aspect of policy, promoting understanding of official actions and gaining support for them. A correct reading of the economic situation by financial markets is particularly important. Publication of statistical data should be timely and at pre-determined release dates at all levels (national and European). The main suppliers should guarantee easy electronic access and distribution to all users.() In line with the initiative of the SPC, Member States should ensure that national data are transmitted so that almost simultaneous publication is possible at national and European level. Agreement on standard procedures to be followed in electronic transmission of data would greatly help.

Eurostat publishes up-to-date aggregate information on the euro-area and EU-15 on its website.() This presentation will be further improved over time. When necessary, this will be complemented by other information and presented to the EFC, the Euro-11 Group, and the Ecofin Council. The ECB also intends to present euro area aggregates on its website(), as well as providing data on wire services/press releases and in a monthly bulletin.

Conclusions and recommendations

The proper co-ordination of economic policy in the third stage of EMU requires a solid information system capable of yielding the necessary statistics in a timely fashion. Much work is already under way and it is to be expected that the quality and the timeliness of data will improve over time as a result.

In particular, the effective implementation of the new ESA-95 and the Council Regulation on short-term statistics is important. The derogations limit the practical effects of these regulations in the near future and we therefore recommend that they be re-examined. In doing so, particular attention should be paid to the need to produce more comprehensive quarterly national accounts; they are already based on harmonised concepts and are very useful in that they provide both, mutually consistent aggregate indicators and a detailed statistical information system.

In developing statistics, it is important to keep the burden on respondents to a minimum. While the development of labour market and cost statistics might increase the response burden on enterprises, the move to more aggregate trade and balance-of-payments statistics with a lower frequency would reduce the burden. On balance, the response burden on enterprises would, depending on what extent trade statistics are developed, over time probably decrease. The development of quarterly government finance statistics will increase the burden on all levels of government, including local authorities and social security funds.

Finally, while the statistical work programmes seem generally adequate and faithfully reflect the relevant decisions, it is important that progress be made more quickly than at present envisaged in a number of priority areas, as indicated in the recommendations below.

Recommendations

1. Quick progress is needed on establishing quarterly national accounts, as well as quarterly statistics covering public finance and the labour market. If possible, these statistics should be integrated into the quarterly national accounts framework. The same applies to balance-of-payments and international trade statistics, where, in addition, there could usefully be some re-establishing of priorities between detail, periodicity and quality. Moreover, quick progress is needed on short-term business indicators, some of which are on a monthly basis.
2. A high priority should be given to statistics on the public finances. The objective is the production of quarterly national and financial account data for general government. This requires substantial changes and results will only be available in 2001 at the earliest. Such a move should be supported by a number of regulatory changes, among others to ensure that the necessary quarterly information is collected from all levels of government, including social security institutions, and that it is promptly transmitted to the national statistical offices. To bridge the gap, efforts must be made to produce quickly, on a quarterly basis and in an appropriate format, information on a selected set of key public finance variables that is already - or can quickly be made - available at national level. First results should be available early in 2000.

3. To permit a better view of labour market developments, Member States should accelerate the implementation of a continuous Labour Force Survey providing quarterly results on employment and unemployment at the latest by the year 2000. Furthermore, the compilation of a European level labour cost index for both EU-11 and EU-15 using existing data should be speeded up as a temporary solution for early 1999. But further efforts should be directed towards the development of more comprehensive and comparable indicators and accounts for labour at both national and European level by the year 2000. A specific work programme should be defined in 1999, for implementation starting in 2001.
4. The Council Regulation of 19 May 1998 concerning short-term statistics should be quickly and fully implemented by the year
2001 for manufacturing, construction, and retail trade. To this end, relevant derogations should be reviewed. Also, for the cyclically sensitive service industries faster progress than currently envisaged is required. Qualitative surveys on business and consumer confidence should be further developed to give better coverage of services that are particularly sensitive to variations in economic activity. Concrete results should be obtained by the year 2000.

5. Concerning the balance-of-payments and trade, the provision of data on cross-border flows within the euro area should be considered in the light of the new circumstances of Monetary Union. For this purpose, the present intrastat system should be simplified and other methods should be explored to arrive at a suitable output, while reducing costs. If the intrastat data collection system is modified along these lines, it would require amendment to Council Regulation (EC)No 3330/91. The CMFB is embarking on a broad review of balance-of-payments statistics in the new circumstances of EMU, taking account also of the wider economic and financial background and the need to improve quality. This exercise is welcome, and the CMFB, in its further work, should also incorporate the issues raised in this report and conclude its review by mid-1999. This review should contain concrete proposals for regulatory reform and the time frame for implementation.

6. Publication of statistical data should be timely at pre-determined release dates at all levels (national and European), and the main suppliers should guarantee electronic access and distribution to all users.

7. To respond to these priorities, adequate resources should be available to those involved in the collection, production, and dissemination of data. In addition, it must be ensured that national statistical offices have adequate legal means to collect the necessary information, in line with the possibilities that national central banks already have in this regard.
8. Following up on this initiative, progress should be reviewed in the autumn of 1999.


*


* *

TIJDENS DE LUNCH BESPROKEN PUNTEN

- Zitting Euro 11

De voorzitter lichtte de Raad in over de besprekingen die 's ochtends in de Euro 11-zitting hadden plaatsgevonden. Die zitting was voornamelijk gewijd aan de economische vooruitzichten in het licht van de recente internationale ontwikkelingen op financieel gebied en de juiste beleidsmix met de nadruk op het monetaire, het begrotings- en het loonbeleid.

- In omloop brengen van de euromuntstukken en -biljetten

Naar aanleiding van de suggestie van de Belgische minister van Financiën om de eurobiljetten en -muntstukken al vóór 1 januari 2002 in omloop te brengen, oordeelde de Raad dat de overgangsperiode om technische redenen waarschijnlijk niet kan worden ingekort. De Commissie werd echter verzocht dit aspect een laatste keer te bezien; over eventuele wijzigingen in de invoeringsdatum zou de Raad met eenparigheid van stemmen moeten beslissen.

- Belastingvrije verkopen aan reizigers binnen de Gemeenschap

Naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van Wenen met betrekking tot de "tax-free"-kwestie nam de Raad nota van het voornemen van de Commissie om in februari een mededeling voor te leggen waarin met name zal worden ingegaan op de werkgelegenheidsaspecten in de betrokken sectoren.

ANDERE BESLUITEN

(Zonder debat aangenomen punten. In het geval van wetgevingsbesluiten zijn de tegenstemmen en onthoudingen vermeld. Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de persdienst).

ECOFIN

Accijnzen - vrijstelling voor Denemarken

De Raad heeft een beschikking aangenomen waarbij Denemarken wordt gemachtigd om van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 op basis van het zwavelgehalte gedifferentieerde accijnstarieven toe te passen op dieselbrandstof, overeenkomstig de procedure van van Richtlijn
92/81/EEG betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën.

De beschikking vindt haar rechtvaardiging in het milieubeleid en zal niet leiden tot concurrentievervalsing of verstoring van de interne markt.

Afwijkingen van de zesde BTW-richtlijn

De Raad heeft vier beschikkingen aangenomen waarbij respectievelijk Spanje, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd worden maatregelen toe te passen in afwijking van de zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting.

Deze maatregelen zijn bedoeld om de belastinginning te vereenvoudigen en bepaalde vormen van fraude en belastingontwijking tegen te gaan.

Spanje
wordt gemachtigd van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 een speciale maatregel voor de belasting op gebruikte materialen en afvalstoffen toe te passen. De maatregel heeft een drieledig doel:
- vrijstelling voor leveringen en intracommunautaire verwervingen van gebruikte materialen en afvalstoffen bestaande uit papier, karton en glas, indien de belastingplichtige in het voorgaande jaar een omzet van minder dan 50 miljoen pesetas heeft gerealiseerd met de verkoop van deze goederen;
- vrijstelling voor leveringen en intracommunautaire verwervingen van gebruikte materialen en afvalstoffen bestaande uit ferrometalen, indien de belastingplichtige in het voorgaande jaar een omzet van minder dan 200 miljoen pesetas heeft gerealiseerd met de verkoop van deze goederen;

- vrijstelling voor leveringen en intracommunautaire verwervingen van niet-ferrometalen ongeacht welke omzet met de verkoop van deze goederen wordt gerealiseerd.

Italië
wordt voor dezelfde periode gemachtigd tot vrijstelling van de verkoop van gebruikte materialen en afvalstoffen die met name bestaan uit oud papier, karton, lompen en glas, door ondernemingen die een vaste bedrijfszetel hebben en in het voorafgaande jaar een omzet behaalden van minder dan 2 miljard ITL, of niet over een vaste bedrijfszetel beschikken. Italië wordt ook gemachtigd een regeling voor opschorting van BTW vast te stellen voor de verkoop van non-ferroschroot.

Portugal
wordt voor dezelfde periode gemachtigd een speciale maatregel toe te passen voor de belasting op verkoop aan huis. De maatregel heeft betrekking op ondernemingen waarvan de hele omzet bestaat uit de verkoop aan huis door wederverkopers die in eigen naam en voor eigen rekening optreden mits alle door de onderneming verkochte producten voorkomen op een vooraf opgestelde lijst van prijzen bij verkoop aan de eindverbruiker en de onderneming haar producten rechtstreeks aan de detailhandelaar verkoopt en deze ze op zijn beurt rechtstreeks aan de eindverbruiker wederverkoopt.

Het Verenigd Koninkrijk
wordt gemachtigd een eerder in 1995 en in 1998 toegekende afwijking te blijven toepassen. De afwijking heeft ten doel enerzijds 50% van de BTW op het huren of leasen van een personenauto uit te sluiten van het recht op aftrek van de huurder of de lessee wanneer de auto voor privédoeleinden wordt gebruikt en anderzijds geen BTW te heffen op het gebruik van de betrokken auto voor privédoeleinden. Deze machtiging wordt toegekend voor de periode van 1 januari 1999 tot de inwerkingtreding van de communautaire regeling voor de bepaling van de uitgaven welke geen recht geven op de aftrek van de BTW, maar uiterlijk op 31 december 2000.

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Financieel reglement van toepassing op de begroting van Europol

De Raad heeft het financieel reglement van toepassing op de begroting van Europol formeel aangenomen.

EXTERNE BETREKKINGEN

Controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik

De Raad heeft een besluit tot wijziging van de in 1994 vastgestelde regeling voor de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik aangenomen.

Het nieuwe besluit wijzigt de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik waarvoor de lidstaten afzonderlijke vergunningen mogen eisen in geval van zendingen van de ene lidstaat naar de andere, rekening houdend met de onlangs aangebrachte wijzigingen in de rubrieknummers, alsmede met het besluit van Frankrijk om grafiet vrij te stellen van controle in het intracommunautaire verkeer.

VERVOER

Landvervoer - Eurovignet

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt met het oog op de aanneming van de richtlijn betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (Eurovignet) met eenparigheid van stemmen aangenomen. Dit gemeenschappelijk standpunt zal voor tweede lezing aan het Europees Parlement worden toegezonden overeenkomstig de samenwerkingsprocedure van het Verdrag.

Voor bijzonderheden van het gemeenschappelijk standpunt, zie Mededeling aan de Pers van 1 december 1998, document 13460/98 (Presse 420 - G).

TRANSPARANTIE

Openbare debatten tijdens het Duitse voorzitterschap

De Raad heeft de lijst van onderwerpen vastgesteld waarover tijdens zittingen van de Raad onder het Duitse voorzitterschap openbare debatten zullen worden gehouden.

Datum

Samenstelling Raad

Punten op de agenda


18 januari

ECOFIN

Programma van het Duitse voorzitterschap en werkprogramma van de Commissie


25 januari

Algemene Zaken

Presentatie van het programma van het Duitse voorzitterschap


25 februari

Interne Markt

- Follow-up van het actieplan voor de interne markt (mits de mededeling van de Commissie tijdig wordt ingediend)
- SLIM (eenvoudiger regelgeving voor de interne markt)


29 april

Industrie

- Integratie van milieu-eisen en duurzame ontwikkeling in het industriebeleid

- Concurrentievermogen


20 mei

Onderzoek

Toekomstige oriëntatie van de Europese bevordering vatn het onderzoek


27/28 mei

Justitie en Binnenlandse Zaken

Nog te bepalen onderwerp


21 juni

Interne Markt

- Gemeenschappelijk werkprogramma van de drie voorzitterschappen
- SLIM

°

° °

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN PUNT

Antidumping - invoer van zakken uit India

De Raad heeft een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1950/97 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van zakken van polyethyleen of van polypropyleen van oorsprong uit onder meer India aangenomen.

Bij de nieuwe verordening worden vier producenten toegevoegd aan de lijst van producenten die zijn vrijgesteld van het recht van 36%.

Met deze wijziging wordt gehoor gegeven aan het verzoek van vier Indiase ondernemingen om behandeld te worden als "nieuwe exporteurs"; nader onderzoek van de Commissie heeft uitgewezen dat die ondernemingen het betrokken product tijdens de oorspronkelijke onderzoeksperiode niet hadden uitgevoerd en dat zij geen banden hebben met de producenten waarop de vigerende maatregelen van toepassing zijn. Uit het onderzoek van de Commissie bleek voorts dat er ten aanzien van de uitvoer van twee van de ondernemingen (Hyderabad Polymers Pvt. en Pithampur Poly Prod. Ltd) geen dumping bestond en voor de twee andere (Sangam Cirfab Pvt. Ltd en Synthetic Fibres (Mysore) Pvt. Ltd) een de minimis dumpingmarge van 1,7%.


_________________________________________________________________

/newsroom/press/c/ACF16B.htm

Deel: ' Verslag ECOFIN-raad 18-01-1999 '




Lees ook