Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de voorzitter van de Algemene Kamercommissie voor Europese Zaken en de Voorzitter van de Vaste Kamercommissie voor Europese Zaken van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Directie Integratie Europa

Afdeling Internationale Samenwerking

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 2 juni 1999
Kenmerk 345/99
Blad /1
Bijlage(n) 2 - Verslag OS-Raad; persbericht
Betreft Europese Ontwikkelingssamenwerking; verslag van de Raad Ontwikkelingssamenwerking dd. 21 mei 1999
C.c.

Hierbij treft u het verslag aan van de vergadering van de Raad van Ministers voor Ontwikkelingssamenwerking dd. 21 mei 1999.

Tevens treft u aan de persverklaring waarin alle besluiten van de Raad zijn opgenomen.

Eveline Herfkens

Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

VERSLAG VAN DE RAAD VAN MINISTERS VOOR ONTWIKKELINGS-SAMENWERKING (OS-RAAD) VAN 21 MEI 1999, TE BRUSSEL


1. Conclusies over de resultaten van de evaluatie van de communautaire ontwikkelingsinstrumenten en -programma's

Onder Duits voorzitterschap zijn - overigens in goede samenwerking met de Commissie - kritische conclusies opgesteld over de resultaten en de organisatie van de communautaire hulp. De conclusies bevatten de nodige praktische aanbevelingen voor de Commissie en de lidstaten, aan de hand waarvan in de komende jaren getoetst kan worden of de communautaire hulp in het goede spoor terecht is gekomen.

De Raad was, met uitzondering van Spanje, lovend over de conclusies, als ook over de open opstelling van de Commissie (DG VIII). Opvallend was, dat - met uitzondering van opnieuw Spanje - alle lidstaten aandrongen op een zodanige reorganisatie van de Commissie, dat in de toekomst één Commissaris de verantwoordelijkheid heeft voor het communautaire hulpbeleid en de uitvoering daarvan. Mijn Britse collega Short voegde daar nog aan toe dat de hervorming van de Commissie nìet moet leiden tot integratie van de OS-Raad in de Algemene Raad, omdat dat ertoe zou kunnen leiden dat langere termijn OS-overwegingen naar de achtergrond zullen worden verdreven. In grote lijnen onderschrijf ik deze redenering: de begeleiding van de realisatie van de Raadsconclusies, en daarmee van het proces van kwaliteitsverbetering van de Europese hulp zal de komende jaren voldoende werk bieden aan een zelfstandig opererende OS-Raad in Brussel.

Zelf heb ik tijdens de discussie de volgende punten benadrukt. Ten eerste dient de Commissie op korte termijn een duidelijk 'mission statement' te formuleren, waarbij zij dient aan te sluiten bij ontwikkelingen in VN en DAC. Ten tweede dient in de toekomst het onderwerp 'coherentie' onderdeel te zijn van de Terms of Reference' van de evaluatoren (ik zie op dit terrein vooralsnog een voortrekkersrol voor de OS-Raad weggelegd). Ten derde heb ik aangegeven niet te kunnen instemmen met de aanbevelingen ten aanzien van EU-coòrdinatie. Zoals u weet, ben ik voorstander van bredere coòrdinatie, waarbij alle relevante donoren betrokken zijn, en waarbij zo mogelijk het ontvangende land de leiding heeft. Ten vierde heb ik aangedrongen op een onafhankelijke evaluatiedienst, naar het model van bijvoorbeeld Nederland, of de Wereldbank. Ik zond hierover voorafgaand aan de Raad een brief aan de Commissie en mijn EU-collega's. Tot slot heb ik de wens tot concentratie van de verantwoordelijkheid voor de communautaire hulp ondersteund. Andere belangrijke onderwerpen van gesprek waren het gebrek aan staf voor een succesvolle integratie van 'horizontale thema's', en de noodzaak van een cultuuromslag binnen het Commissie-apparaat.

De Commissie liet bij monde van Commissaris Pinheiro weten de conclusies enaanbevelingen te aanvaarden, en deze voor een belangrijk deel ook al uit te voeren, met name in het kader van de voorbereiding op de nieuwe Lomé conventie. Zij gaf daarnaast aan dat over de komende reorganisatie van de Commissie weliswaar niet in de OS-Raad beslist wordt, maar dat de eigen gedachten ook in de richting van een verdere concentratie en gelijktijdige delegatie naar het veld gingen (de recente oprichting van de 'Service Commun Relex', die onder meer de procedures voor alle OS-Directoraten en -diensten harmoniseert, is in dit verband een eerste stap).

De voorzitter beschouwde vervolgens de conclusies als aanvaard, en legde nog de volgende accenten: de Commissie zal een actieplan opstellen voor de follow-up van de evaluatie/conclusies; de Commissie zal in 2000 specifiek rapporteren over aangebrachte verbeteringen in beheer en management, inclusief decentralisatie naar het veld; de communautaire hulp dient te worden geconcentreerd op minder sectoren (een oud Nederlands initiatief!); de gewenste reorganisatie van de Commissie; en de noodzaak spoedig een 'mission statement' te formuleren.

Ook de Raad werd opgeroepen bij te dragen aan de verbetering van de communautaire hulp.


2. Resolutie over complementariteit tussen het OS-beleid van de Gemeenschap en van de lidstaten

Na de uitvoerige bespreking van de evaluatie kwam deze resolutie ter sprake. Zij had het hoogtepunt van het voorzitterschap moeten worden, maar een aantal lidstaten, waaronder zeker ook Nederland, vond de plannen van de voorzitter te ver gaan zodat zij moesten worden bijgesteld. Oorspronkelijk werd een besluit beoogd dat zou leiden tot een sterke nadruk op interne EU-coòrdinatie van OS-inspanningen, en uiteindelijk tot gezamenlijke beleidsdocumenten en een 'verdeling' van sectoren in ontwikkelingslanden tussen de EU-lidstaten, en de Commissie. Dit oorspronkelijke plan genoot de steun van de zuidelijke lidstaten en - uiteraard - de Commissie zelf.

De uiteindelijke resolutie plaatst de EU-coòrdinatie uitdrukkelijk in een breder kader, waarbij onder meer wordt verwezen naar het DAC, het 'Comprehensive Development Framework' van de Wereldbank en UNDAF. Bovendien wordt de centrale rol van het ontvangende land benadrukt, evenals het belang van lokale coòrdinatie, en worden uitsluitend de lidstaten uitgenodigd mee te praten over de inhoud van communautaire landenbeleidsplannen. Ik beschouw dit als welkome en noodzakelijke aanpassingen, die er toe hebben geleid dat ik met de resolutie kon instemmen.

In mijn interventie heb ik de Nederlandse opstelling toegelicht, met als voornaamste argumenten dat ik in het coòrdinatieproces geen belangrijke donoren wens uit te sluiten omdat zij geen EU-lid zijn, en ook de ontvangende landen niet wens op te zadelen metweer een nieuw gremium. Tevens heb ik gesteld meer waarde te hechten aan aansluiting bij VN, Wereldbank en DAC-activiteiten op dit terrein. Tot slot heb ik verwezen naar een enquête die ik liet uitvoeren onder Nederlandse ambassades in ontwikkelingslanden, die allen grote waarde toekennen aan coòrdinatie, maar tevens grote twijfels hadden bij de toegevoegde waarde van EU-coòrdinatie. Mijn Deense collega steunde mij volledig. Ook Commissaris Pinheiro onderstreepte vervolgens nog eens het belang van een vraaggerichte benadering goede samenwerking met andere internationale fora, waarna de resolutie werd aangenomen.


3. Post Lomé

De Commissie heeft verslag gedaan over de stand van zaken bij de onderhandelingen tussen EU en de ACS-landen, en met name over de ontwikkelingen sinds de ministeriële bijeenkomst in Dakar, in februari
1999. Over de structuur van het nieuwe verdrag bestaat globaal overeenstemming, evenals over de belangrijkste institutionele en politieke aspecten van de toekomstige samenwerking. Met betrekking tot het laatste is vooral gesproken over de 'essentiële elementen' (gronden voor opschorting) en het mechanisme voor opschorting van (delen van) de samenwerking. De Raad blijft van mening dat ontbreken of wegvallen van goed bestuur reden voor opschorting is, en dat de EU in ernstige situaties eenzijdig tot opschorting moet kunnen overgaan. Het woord is nu aan de ACS-landen, die op basis van deze uitgangspunten voorstellen voor modaliteiten kunnen doen.

Ook ten aanzien van het hulpvolet stelden Commissie en voorzitterschap dat grote vooruitgang geboekt is. Hier heb ik enkele aarzelingen. Het is waar dat in principe overeenstemming is bereikt over het uitgangspunt dat hulp niet alleen op basis van behoeften, maar ook op basis van prestaties moet worden toegekend. Ik vind dit een belangrijke stap in de goede richting. Er is echter nog geen overeenstemming over de indicatoren op basis waarvan prestaties moeten kunnen worden gemeten. Ik heb terzake aangedrongen op de grootst mogelijke transparantie richting de ACS-landen.

Ten aanzien van integratie van horizontale thema's (gender, armoedebestrijding, milieu) heb ik nog steeds enige zorgen over het feit dat weliswaar op een hoog abstractieniveau overeenstemming bestaat tussen EU en ACS, maar dat tot op heden van operationalisatie nog geen sprake is. Deze operationalisatie zou in de komende weken aan de orde komen, aldus de Commissie.

Het 'pièce de résistance' bij de onderhandelingen wordt gevormd door de toekomstige handelsrelaties. Op dit cruciale terrein liggen de opvattingen van EU- en ACS-landen, maar ook van de verschillende EU-lidstaten, nog ver uiteen. Ik heb mijn teleurstelling geuit over het feit dat de handelsrelaties tot op heden nog niet of nauwelijks aan de orde zijn geweest tijdens de onderhandelingen met de ACS-landen. De tijd begint te dringen,en inmiddels stapelen de bewijzen zich op dat de voorstellen van de EU voor regionale vrijhandelsakkoorden met groepen ACS-landen niet alleen moeilijk realiseerbaar zullen zijn, maar ook onwenselijk, vanuit de invalshoeken van duurzame ontwikkeling en van liberalisering van de wereldhandel. Ik ben van mening dat op dit gebied door de EU struisvogelpolitiek wordt bedreven, en heb gewezen op het risico dat ook in juli, als ministers uit EU- en ACS-landen opnieuw samenkomen om over de nieuwe conventie te spreken, geen vooruitgang op dit dossier wordt geboekt. De Commissie dient nû te beginnen met het ontwikkelen van alternatieven voor regionale akkoorden. Mijn collega's uit Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, en in mindere mate Portugal, betuigden hun steun. Enkele andere lidstaten wensten vooralsnog géén alternatieven uit te werken. De Commissie schaarde zich aan hun zijde, maar toonde - voor het eerst - enige twijfel over de haalbaarheid van de EU-inzet.

De Raad heeft besloten dat, voorafgaand aan de ministeriële conferentie in juli, een informele trojka met de ACS-landen zal spreken, niet om te onderhandelen, maar om de voornaamste discussiepunten vast te stellen, en de ACS-landen ervan te doordringen dat de tijd begint te dringen.

Behalve op bovenstaande punten heb ik de aandacht van de Raad gevestigd op het belang van opname van een terug- en overnameclausule in de nieuwe conventie. Denemarken betuigde steun op dit punt.


4. Kosovo

De lunch was gewijd aan de situatie in en rond Kosovo en met name op de inspanningen ter leniging van de noden van de betrokken mensen en landen op korte en middellange termijn. Na de lunch werden conclusies aangenomen waarin werd opgeroepen een einde te maken aan de deportatie van en moord op de Albanese bevolking van Kosovo en de omstandigheden te creëren waarin de getroffen bevolkingsgroepen kunnen terugkeren naar hun woongebieden. De conclusies onderstreepten het belang van het Stabiliteitspact voor Zuid-Oost Europa, alsmede de noodzaak van effectieve leniging van humanitaire noden. In dit verband werd, op Deens en Nederlands initiatief, uitvoerig stilgestaan bij de moeizame administratieve samenwerking tussen de Commissie en ECHO enerzijds en het VN-systeem anderzijds, die onder meer had geleid tot onaanvaardbaar lange vertraging bij de overmaking van noodhulpfondsen naar VN-instellingen. Hoewel de Raad de recente ad hoc overeenstemming tussen 'Brussel' en UNHCR, UNICEF en WFP inzake Kosovo verwelkomde, drong zij tevens aan op structurele oplossingen voor problemen in de samenwerking. In dit verband breng ik u graag in herinnering dat Nederland reeds in 1998 de aandacht van de Raad op dit probleem vestigde.


5. Conflictpreventie, -beheersing en -oplossing.

De inhoudelijke discussie over dit onderwerp, dat pas in een zeer laat stadium aan de agenda werd toegevoegd, kwam niet goed van de grond. Vermeldenswaard is ten eerste, dat een resolutie werd aangenomen waarin een verband werd gelegd tussen de diverse EU-initiatieven op het gebied van de strijd tegen de accumulatie en verspreiding van kleine wapens en het OS-instrumentarium. Ik kan mij geheel achter deze resolutie scharen, zolang het gaat om activiteiten die volgens de DAC-uitgangspunten met ODA-fondsen gefinancierd kunnen worden. De resolutie sluit bovendien goed aan bij het voornemen van de regering om tijdens het voorzitterschap van de VN-Veiligheidsraad speciale aandacht aan de problematiek van kleine wapens te besteden.

Ten tweede rapporteerde de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Resolutie inzake de strijd tegen Anti Personeels Landmijnen, waarbij zij onder meer een Mededeling over dit onderwerp aankondigde. Ten derde werd kort gesproken over een Mededeling van de Commissie over de (opschorting van) samenwerking met landen die bij een gewelddadig conflict zijn betrokken. De Commissie werd uitgenodigd de Raad van haar vervolgactiviteiten op dit actuele beleidsterrein op de hoogte te houden.


6. Coherentie.

Ter tafel lag een non-paper van de ontwikkelingsdiensten van de Commissie (DG VIII en DG Ia) en niet, zoals toegezegd, een officiële rapportage van de Commissie als geheel. En hoewel Commissaris Pinheiro een gloedvol betoog hield over het belang van coherentie en de geloofwaardigheid van de EU, was door het ontbreken van een officiele voortgangsrapportage een grondige evaluatie van de gevolgen van de invoering van de 'Coherentie-resolutie' uit 1997 niet mogelijk. Juist bij het onderwerp coherentie is betrokkenheid van andere DG's (landbouw, handel, visserij) immers van essentieel belang. Ik heb tegen deze gang van zaken krachtig geprotesteerd, refererend aan de vertraging van - inmiddels - een jaar en beloftes van zowel de Commissie als voorzitterschap. Tevens heb ik gewezen op het feit dat het non-paper geen aandacht besteedt aan de institutionele dimensie: welke structurele maatregelen heeft de Commissie getroffen om incoherenties te vermijden en hoe succesvol zijn deze? De Commissie reageerde met een (nieuwe) toezegging voor een volledige rapportage die aan de komende OS-Raad zal worden voorgelegd.

In samenhang met het voorgaande heb ik de Commissie gewezen op een recent rapport van het Europese NGO-samenwerkingsverband 'Eurostep', waarin een aantal ernstige incoherenties aan de orde worden gesteld. Ik heb de Commissie verzocht op deze zaken te reageren.


6a. Schuldverlichting.

Onder het agendapunt 'Coherentie' hield mijn Brits collega een krachtig pleidooi voor vergroting van de communautaire bijdrage aan schuldverlichtingsinitiatieven. Immers, OS-beleid kon niet succesvol zijn zolang de schulden van ontvangende landen niet tot beheersbare proporties zijn teruggebracht. De dekking voor deze toename zou moeten komen uit de onderbesteding van EOF-middelen.

Ik heb mij voorstander van dit initiatief betoond, omdat ik van mening ben dat de Commissie, als gevolg van verzet van een aantal lidstaten, tot op heden veel te weinig heeft bijgedragen aan schuldverlichting, terwijl bovendien een stuwmeer van niet bestede EOF-gelden ligt te wachten op een doelmatige aanwending.


6b. Ontbinding

Eveneens onder het agendapunt 'Coherentie' kondigde België aan, met verwijzing naar de vastgelopen besprekingen in het DAC, voornemens te zijn met een aantal gelijkgezinde landen (waaronder Nederland) voort te gaan op de weg van ontbinding van de hulp aan de MOL's. Op verzoek van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland zal de Commissie onderzoeken of de huidige bindingsregels voor de (communautaire) ontwikkelingssamenwerking niet in strijd zijn met het EU-verdrag.


7. Follow-up 'Mitch'

In navolging van de Algemene Raad van 17/18 mei besprak de Raad de gevolgen van de orkaan Mitch en de voorbereiding op de bijeenkomst van de getroffen landen en de voornaamste donoren, onder leiding van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank in Stockholm van 25-25 mei. De voornemens voor een substantiële Europese bijdrage werden bevestigd, waarbij speciale aandacht werd geschonken aan coòrdinatie met ontvangers en andere donoren.


8. Conclusies betreffende de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in het ontwikkelingsbeleid.

Het inkomende Finse voorzitterschap kondigde aan voornemens te zijn om onder meer in de OS-Raad uitvoerig bij dit thema te willen stilstaan en in het bijzonder de aandacht te vestigen op het thema 'klimaat en ontwikkeling'. Procedurele conclusies van deze strekking werden aangenomen, waarin op Nederlands verzoek was opgenomen dat de Commissie in de documenten die zij over dit onderwerp zal opstellen expliciet aandacht zal besteden aan het probleem van het tekort aan uitvoeringscapaciteit op dit terrein, dat ook al tijdens de bespreking van de evaluaties aan de orde was geweest.


9. Diversen.


* Burundi.

Mijn Belgische collega vroeg eveneens aandacht voor de verbeterende situatie in dit land en riep de lidstaten op hun hulpprogramma's te hervatten. Hij kreeg hierbij steun van Oostenrijk.


* Oost Timor.

Portugal vestigde de aandacht op de problemen in dit gebied en de wenselijkheid van communautaire steun tijdens het transitieproces.


* Migratie en ontwikkeling.

Frankrijk rapporteerde over een seminar over dit onderwerp dat eerder in Parijs was georganiseerd en pleitte voor een gecoòrdineerde benadering door Commissie en lidstaten, in onder meer de aanloop naar de Europese Top van Tampere.


----

Deel: ' Verslag Europese Raad Ontwikkelingssamenwerking 21 mei '99 '




Lees ook