Verslag Europese Raad - ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Press Release: Brussels (11-11-1999) - Press: 340 - Nr: 12638/99

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2215e zitting van de Raad


- ONTWIKKELING -

Brussel, 11 november 1999

Voorzitter :

mevrouw Satu HASSI

Minister van Milieu en Ontwikkelingssamenwerking van de Republiek Finland

DOELSTELLINGEN EN PRIORITEITEN VOOR DE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING VAN DE EG

De Raad nam kennis van een uiteenzetting door het nieuwe Commissielid, de heer Poul NIELSON, waarin deze zijn eerste ideeën formuleerde over de richting die in de toekomst het communautaire ontwikkelingsbeleid zou moeten inslaan. Daarbij wees hij met name op de volgende vijf prioriteiten:


1. de EU-bijstand meer richten op de armste landen en volkeren;


2. de bijstand in zijn geheel doelmatiger maken;


3. een grotere complementariteit bereiken door samenwerking met andere donoren en een grotere samenhang bewerkstelligen door een doelmatiger interne coördinatie;

4. een allesomvattende strategie invoeren met het oog op de samenhang tussen noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling;
5. zorgen voor voldoende publiek draagvlak in Europa voor communautaire bijstand.

MILIEUPROBLEMATIEK EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING


-
KLIMAATVERANDERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN - CONCLUSIES VAN DE RAAD OVER HULP AAN DE PARTNERONTWIKKELINGSLANDEN OM DE UITDAGINGEN VAN DE KLIMAATVERANDERING HET HOOFD TE BIEDEN

"1. INLEIDING


1.1. De Raad erkent dat de schadelijke invloed van klimaatverandering in de wereld bijzonder groot kan zijn in ontwikkelingslanden die zich veel inspanningen moeten getroosten om voor hun onderdanen sociale en economische ontwikkeling te bewerkstelligen. De minst ontwikkelde landen, de kleine insulaire ontwikkelingslanden en laaggelegen kuststreken zijn bijzonder kwetsbaar voor klimaatverandering. Veranderende klimaatpatronen zoals regenval en een toegenomen frequentie van natuurrampen zoals orkanen en tyfonen, evenals een stijging van het zeeniveau, kunnen van invloed zijn op landbouw, voedselzekerheid, gezondheid en de infrastructuur voor het waterbeheer.

1.2. De Raad neemt met voldoening kennis van het door de Commissie opgestelde werkdocument Economische en Ontwikkelingssamenwerking van de EG: reageren op de nieuwe uitdagingen van klimaatverandering. De Raad is van mening dat dit document belangwekkende aanbevelingen bevat voor de
ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap, evenals aanzetten voor toekomstige werkzaamheden binnen de Gemeenschap.
1.3. De Raad bevestigt nogmaals de algemene doelstelling van de EU om duurzame ontwikkeling en milieuaspecten te integreren in alle beleidsterreinen van de Gemeenschap, met inbegrip van de ontwikkelingssamenwerking. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan het aanpakken van het probleem van wereldwijde klimaatverandering.

1.4. De Raad memoreert de conclusies van de Raad Milieu (oktober 1998), het debat tijdens de zitting van de Raad Ontwikkeling (november 1998) en de conclusies van de Europese Raad in Cardiff (juni 1998), Wenen (november 1998) en Keulen (juni 1999).


2. DOELSTELLINGEN


2.1. De Raad is van mening dat klimaatverandering integraal onderdeel moet zijn van de EU-agenda voor ontwikkelingssamenwerking. Doel is om middels een dialoog met de ontwikkelingspartners van de EU na te gaan hoe de EU de partners kan helpen bij hun pogingen om het probleem van klimaatverandering aan te pakken; daarbij wordt tevens gestreefd naar duurzame ontwikkeling, verlichting van de armoede en voorrang voor sociale en economische ontwikkeling. Derhalve spoort de EU haar ontwikkelingspartners aan klimaatverandering hoog op hun nationale agenda's te plaatsen.


2.2. Voorts erkent de Raad dat de wereldwijde dimensie van klimaatverandering een wereldwijde reactie vergt. Op de langere termijn moet een manier worden gevonden om het eigen aandeel van alle landen daarin te vergroten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gemeenschappelijke maar onderling verschillende verantwoordelijkheden van de verschillende groepen landen en met de hoge prioriteit die de verwezenlijking van duurzame economische en sociale ontwikkeling in de ontwikkelingslanden moet krijgen.
2.3. De Raad tekent aan dat antwoorden op de klimaatverandering moeten worden gezocht op de korte, middellange en lange termijn en terdege rekening moeten houden met de specifieke prioriteiten en behoeften van de afzonderlijke ontwikkelingslanden. De oplossingen op langere termijn vereisen dat de huidige consumptie- en productiepatronen opnieuw worden doordacht, in het bijzonder met betrekking tot de relatie tussen energiebehoeften en economische groei. Deze punten vormen een belangrijk element voor de dialoog tussen de EG en de ontwikkelingspartners, zowel op bilateraal niveau als in het kader van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CDO).

2.4. Voorts tekent de Raad aan dat het van belang is acties op bepaalde specifieke gebieden te steunen, zoals bestrijding van woestijnvorming en bodemdegradatie en bescherming, behoud en duurzaam beheer van bossen; deze acties dragen namelijk bij aan beleid gericht op het verlichten van de armoede en zijn tegelijkertijd manieren om de klimaatverandering aan te pakken.


3. AANBEVELINGEN

3.1. De Raad erkent dat de ontwikkelingshulp van de EG een aantal comparatieve voordelen biedt die kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van initiatieven inzake klimaatverandering. De Raad verzoekt de Commissie overwegingen aangaande klimaatverandering
- als een van de prioritaire gebieden van het algemene proces van de milieu-integratie - op basis van de eerder genoemde doelstellingen en de in het werkdocument van de Commissie aangegeven uitdagingen en opties te blijven integreren in de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG.
3.2. Voorts erkent de Raad dat de rol van de officiële ontwikkelingshulp in middeninkomenslanden weliswaar beperkt zal blijven, maar dat deze hulp, mits nadrukkelijk gericht op en geïntegreerd in bredere samenwerkingsinspanningen, een katalyserend effect kan hebben. In sommige lage-inkomenslanden, in het bijzonder de minst ontwikkelde landen, kan de officiële ontwikkelingshulp echter van aanzienlijk belang zijn in de context van klimaatverandering. De Raad tekent aan dat de rol van de overheidssector met betrekking tot investeringen allereerst gericht moet zijn op het scheppen van een gunstig klimaat voor particuliere investeringen die bijdragen aan de realisering van de doelstellingen van het Klimaatverdrag.
De Raad erkent dat de officiële ontwikkelingshulp van de EG een rol heeft te vervullen in het ondersteunen van de doelstellingen van het Klimaatverdrag en verzoekt de Commissie verder na te denken over onderstaande punten en daarbij rekening te houden met de comparatieve voordelen van die hulp.


3.2.1. intensivering van de dialoog over klimaatverandering als onderdeel van de regelmatige dialoog met
partnerontwikkelingslanden teneinde klimaatverandering zwaarder te laten meewegen op de politieke agenda en teneinde in te spelen op de geconstateerde specifieke behoeften van een land; uitvoering van EU-initiatieven ter ondersteuning van de voorbereiding van de nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling (NSDO) in de partnerlanden waar de EG reeds een belangrijke rol vervult, zoals in de kleine insulaire ontwikkelingslanden, en deze landen aansporen om activiteiten in verband met klimaatverandering onderdeel te maken van deze strategieën.

3.2.2. op gang brengen van een diepgravend debat binnen de Commissie en met de EIB en de EBRD teneinde op expliciete en systematische wijze aandacht te schenken aan klimaatverandering en teneinde sectoriële maatregelen en mogelijkheden voor het integreren van het klimaatveranderingsaspect, mee te nemen in hun huidige activiteiten. Tot dergelijke maatregelen en mogelijkheden behoren de bevordering van een duurzame toename van hernieuwbare energiebronnen, het verhogen van de energie-efficiëntie, het bevorderen van onderzoek, ontwikkeling en demonstratie en de introductie op de markt van nieuwe en geavanceerde milieuvriendelijke technologie en technieken;
3.2.3. bestuderen en verspreiden van informatie over de vele soorten steun die de Gemeenschap en de lidstaten aan de partnerlanden geven, teneinde de coördinatie tussen projecten en programma's die bijdragen tot de uitvoering van het Raamverdrag en het Protocol van Kyoto te verbeteren.


3.3. De Raad vindt dat de Gemeenschap en de lidstaten in de context van duurzame ontwikkeling bij voorrang moeten inspelen op de behoeften die zich in verband met klimaatverandering aandienen. Dit houdt in dat de Gemeenschap en de lidstaten zich in overleg en op gecoördineerde wijze moeten inspannen om op landenniveau de capaciteit te vergroten.


3.4. De Raad is ingenomen met de actieve rol die de mondiale milieufaciliteit (GEF) vervult als financieel mechanisme van het verdrag. Capaciteitsvergroting en overdracht van milieuvriendelijke technologieën zijn, bij wijze van reactie op de steeds veranderende behoeften als gevolg van de uitvoering van het verdrag, belangrijke zaken die verder moeten worden besproken in de dialoog tussen de conferentie van de partijen (COP) en de GEF.


3.5. De Raad ziet het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) dat bij het Protocol van Kyoto is ingesteld, als een mogelijkheid om extra financiële middelen voor investeringen - door met name de privésector - in duurzame ontwikkeling door te sluizen naar ontwikkelingslanden. In verband hiermee zou de dialoog met de privésector moeten worden geïntensiveerd.

De Gemeenschap en de lidstaten moeten actief zoeken naar wegen en middelen om van het CDM een succesvol mechanisme te maken dat bijdraagt aan de verwezenlijking van de einddoelstelling van het verdrag - bijvoorbeeld middels capaciteitsvergroting in de context van de Kyoto-mechanismen - en aan de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden. Officiële ontwikkelingshulp mag niet worden gebruikt ter financiering van de verwerving van eenheden van gecertificeerde emissiereducties.


3.6. De Raad memoreert de resolutie van mei 1999 over de complementariteit van de ontwikkelingssamenwerking van de EG en die van de lidstaten en benadrukt hoe belangrijk het is om de coördinatie en de complementariteit van de klimaatgerichte
ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap, de lidstaten, andere ontwikkelingsorganisaties en lokale actoren te optimaliseren, en daarbij rekening te houden met het principe van comparatieve voordelen. Voorts benadrukt de Raad dat de samenhang tussen de sectoriële beleidsterreinen van de Gemeenschap moeten worden gewaarborgd.


4. FOLLOW-UP


4.1. De Commissie wordt verzocht de Raad verslag uit te brengen over de vooruitgang bij het integreren van klimaatveranderingsaspecten in het EG-beleid inzake economische en ontwikkelingssamenwerking, en dan in het bijzonder over de hierboven genoemde prioriteiten en vereisten. Dit verslag dient een actieprogramma te bevatten met doelstellingen, tijdschema's en indicatoren en dient ook de resultaten van de in 3.2.3 vermelde studie te omvatten. De Raad verzoekt de Commissie haar verslag zo spoedig mogelijk na de zesde conferentie van de partijen bij het klimaatverdrag in te dienen."


-

HET BETREKKEN VAN MILIEUOVERWEGINGEN BIJ HET
ONTWIKKELINGSSAMENWERKINGSBELEID VAN DE GEMEENSCHAP - VERSLAG VOOR DE EUROPESE RAAD VAN HELSINKI

De Raad nam het "Verslag met elementen van een alomvattende strategie inzake de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in de economische en de ontwikkelingssamenwerking van de EG" aan. Dit verslag zal worden voorgelegd aan de Europese Raad van Helsinki, als bijdrage tot de algehele beoordeling van de vorderingen die zijn gemaakt met de integratie van milieuoverwegingen in het beleid van de Gemeenschap, waarom de Europese Raad van Wenen had gevraagd.

Dit verslag behandelt met name de prioritaire maatregelen (met betrekking tot beleid, programmering en institutionele aspecten) die nodig zijn om het beleid op het gebied van milieu en duurzame ontwikkeling doelmatiger in actie om te zetten en de inspanningen van de partnerlanden te ondersteunen. In het verslag wordt een overzicht gegeven van de vooruitgang die geboekt is bij het integreren van het milieu op beleidsniveau, op operationeel gebied en in de programmering. Concluderend wordt de Commissie opgeroepen om vóór de volgende zitting van de Raad in overleg met de lidstaten een specifieke strategie voor de uitvoering van de in het verslag aanbevolen strategische, operationele en organisatorische maatregelen voor te bereiden (zie Bijlage, blz. 15).

ACS-EU-ONDERHANDELINGEN

De Raad hield een uitvoerige bespreking over de stand van de post-Lomé-onderhandelingen, die hun laatste fase zijn ingegaan.

Hij stelde vast dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat de ministeriële bijeenkomst in juli de verwachtingen niet heeft ingelost en dat er nog een grote inspanning moet worden geleverd om de standpunten op een aantal onderdelen nader tot elkaar te brengen. Hij benadrukte dat het belangrijk is de tijdslimiet van eind februari 2000 (afloopdatum van de huidige Lomé-overeenkomst) te halen, teneinde de continuïteit van de ACS-EU-betrekkingen te waarborgen. In dit verband wees hij tevens op het grote belang van de volgende ministeriële EU-ACS-bijeenkomst op 7 en 8 december 1999.

De Raad richtte zijn aandacht op twee kernpunten die bepalend lijken te zijn voor het welslagen van de onderhandelingen - de opneming van goed bestuur als een essentieel element van de nieuwe overeenkomst en de invulling van de nieuwe handelsregeling - en besprak mogelijke elementen voor een compromis met de ACS-landen over deze onderdelen.

EVALUATIE VAN DE ONTWIKKELINGSINSTRUMENTEN EN -PROGRAMMA'S VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP


-
TOEKOMST VAN DE HUMANITAIRE ACTIVTIEITEN VAN DE EG - CONCLUSIES "1. De Raad herinnert aan de algemene evaluatie van de ontwikkelingsinstrumenten en

-programma's van de Europese Gemeenschap en aan de conclusies van de Raad van mei 1999 over maatregelen ter verbetering van de efficiency, de doelmatigheid en het effect van de communautaire ontwikkelingshulp, met inbegrip van de noodzaak om de humanitaire hulp nader te onderzoeken.

2. De Raad neemt nota van de Commissiemededeling betreffende de beoordeling en toekomst van de humanitaire activiteiten van de Gemeenschap, die is ingediend in antwoord op de aanbevelingen van de recente evaluaties over de humanitaire hulp van de Gemeenschap, in het bijzonder de evaluatie krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1257/96.

3. De Raad spreekt zijn voldoening uit over het voornemen van de Commissie - als verwoord in haar mededeling - om het humanitaire hulpbeleid van de Gemeenschap verder te ontwikkelen en onmiddellijke prioriteiten vast te stellen ter verbetering van het beheer van haar humanitaire acties.

4. De Raad zal zich samen met de Commissie uitvoerig over de evaluaties en mededeling beraden, teneinde aanbevelingen voor de latere humanitaire activiteiten van de Gemeenschap op te stellen.
5. De Raad bevestigt in dit verband dat hij de toepassing van de in de conclusies van de Raad van mei 1999 voorgestelde maatregelen zal volgen. Hij herhaalt ook zijn bereidheid om samen met de Commissie te werken aan eventuele wijzigingen in de humanitaire hulp van de Gemeenschap en aanverwante aspecten van de ontwikkelingssamenwerkingsstrategieën die uit de discussie van de aan de orde gestelde thema's zouden voortvloeien."
-
FOLLOW-UP VAN DE CONCLUSIES VAN DE RAAD BETREFFENDE DE EVALUATIE

De Raad besprak de follow-up van de conclusies van 21 mei 1999 over de evaluatie van de ontwikkelingshulp van de EG.

Hij nam in het bijzonder kennis van een voortgangsverslag van de Commissie over de tot dusverre genomen maatregelen om uitvoering te geven aan de in de conclusies vervatte aanbevelingen met betrekking tot:


- het opstellen en uitvoeren van een algemene beleidsverklaring over ontwikkelingshulp;


- het versterken van de coördinatie en de complementariteit;


- het harmoniseren en vereenvoudigen van het organisatorische kader van de ontwikkelingssamenwerking;


- het efficiënter maken van het beheer en de procedures met betrekking tot de hulp;


- het versterken van de bewaking, de evaluatie en de transparantie.

Bij de bespreking werd aan het tijdschema voor deze maatregelen gerefereerd en werd benadrukt dat de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel voor een actieplan moet voorleggen om de algehele follow-up ervan te waarborgen.

Verscheidene ministers benadrukten het grote belang van de algemene beleidsverklaring, die tot doel zal hebben de gerichtheid en de coherentie van de EG-ontwikkelingssamenwerking te vergroten. Er werd vastgesteld dat de Commissie dienaangaande een voorstel zal voorleggen voor de volgende zitting van de Raad Ontwikkeling.

COORDINATIE, COMPLEMENTARITEIT EN SAMENHANG


-
RICHTSNOEREN VOOR DE OPERATIONELE COORDINATIE

De Raad nam kennis van een mondelinge rapportage door de Commissie over de stand van de uitvoering van de "richtsnoeren van maart 1998 voor de versterking van de operationele coördinatie tussen de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van
ontwikkelingssamenwerking".

Het in de richtsnoeren bedoelde gezamenlijk verslag wordt thans opgesteld op basis van een vragenlijst aan de delegaties van de Commissie en aan de vertegenwoordigingen van de lidstaten in ontwikkelingslanden; dit verslag zal in de volgende zitting van de Raad worden besproken.


-
COORDINATIE VAN DE NGO-FINANCIERING

Op verzoek van de Luxemburgse delegatie wisselde de Raad van gedachten over hoe het probleem van de coördinatie van NGO-medefinanciering het beste kan worden aangepakt, in het bijzonder ter vermijding van het risico dat eenzelfde project dubbel wordt gefinancierd.


-
VERSLAG INZAKE SAMENHANG

De Raad wisselde van gedachten over de noodzaak om een bespreking te wijden aan de samenhang van de EG-ontwikkelingssamenwerking met de andere communautaire beleidsonderdelen.

OOST-TIMOR - CONCLUSIES

"De ministers werden door de heer José RAMOS HORTA, vice-voorzitter van de CNRT, informeel ingelicht over de situatie op Oost-Timor alsmede over de behoeften van Oost-Timor en zijn bevolking gedurende de overgangsperiode.

De Raad verzocht de Commissie adequaat en tijdig te reageren op de geconsolideerde oproep namens diverse VN-organisaties voor de crisis op Oost-Timor.

Voorts verzocht de Raad de Commissie zo spoedig mogelijk een gedetailleerd hulpprogramma voor te leggen om het proces van wederopbouw op Oost-Timor te ondersteunen, daarbij rekening houdend met de bevindingen van de door de Wereldbank geleide gemeenschappelijke beoordelingsmissie en de behoefte aan coördinatie met anderen."

BIJLAGE

verslag van de Raad Ontwikkeling
met elementen vAN een alomvattende strategie inzake de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in de economische en de ontwikkelingssamenwerking van de EG
1. INLEIDING


1.1. Met dit verslag in het kader van het Verdrag van Amsterdam, en met name de artikelen 2, 3 en 6, wordt gevolg gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van Wenen aan de Raad Ontwikkeling om een verslag voor te leggen over de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Europese Gemeenschap. Het verslag ligt in het verlengde van het integratieproces dat op gang is gebracht door de Europese Raad van Luxemburg en Cardiff en bevestigd door de Europese Raad van Keulen.

1.2. Dit verslag is gebaseerd op de conclusies van de Raad van mei 1999, de informatieve nota van de Commissie van mei 1999 over de vorderingen bij de integratie van duurzame ontwikkeling in de ontwikkelings- en economische samenwerking van de EG, met bijzondere aandacht voor het milieu, en de mededeling van de Commissie van oktober 1999 over de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in de economische en
ontwikkelingssamenwerking.

1.3. Aangezien de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG gebaseerd is op een permanente dialoog met een eigen inbreng van de partnerlanden, moeten de elementen van de in dit verslag uiteengezette strategie worden aangevuld met meer gedetailleerde, samen met de partnerlanden te bepalen oplossingen.


2. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

2.1. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die economisch efficiënt, politiek democratisch en pluralistisch, sociaal rechtvaardig en milieuhygiënisch verantwoord is.
2.2. Volgens het EG-Verdrag (artikelen 2, 3 en 6) moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, waaronder de economische en ontwikkelingssamenwerking, met name met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling. Uit hoofde van artikel 178 houdt de Gemeenschap bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling.
2.3. Het EG-Verdrag (artikel 177) bepaalt ook dat de Gemeenschap en de lidstaten zich houden aan de verbintenissen en de doelstellingen die zij in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties hebben onderschreven. De UNGASS, de vervolgbijeenkomst van Rio na vijf jaar, heeft alle landen opgeroepen om voor het jaar 2002 hun nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling (NSDO's) vast te stellen. Overeenkomstig de strategie "Shaping the 21st Century" van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO is besloten ernaar te streven dat vóór 2005 in alle landen NSDO's worden uitgevoerd, om ervoor te zorgen dat de negatieve trends op milieugebied tegen 2015 daadwerkelijk omgebogen zijn.
2.4. Bij het nastreven van deze doeleinden moet rekening worden gehouden met de overeengekomen beginselen van complementariteit, coherentie en coördinatie binnen de Gemeenschap en met andere donoren, en met de beginselen van eigen inbreng van de partnerlanden, participatie, ook van de civiele samenleving, een open dialoog en differentiatie op basis van de specifieke behoeften en omstandigheden van landen en gebieden.


3. GEBOEKTE VOORUITGANG


3.1. EVALUATIE VAN DE MILIEUPRESTATIE (1997)


3.1.1. Uit de onafhankelijke evaluatie van de milieuprestatie van de EG-programma's in ontwikkelingslanden (1997) blijkt dat er sedert 1990 veel verbeterd is in het milieubeleidskader en de milieuprestaties, maar dat het milieu nog niet voldoende in de landenprogramma's geïntegreerd is.
De richtsnoeren en procedures voor milieu-effectbeoordeling (MEB) hebben gelegenheid geboden om de integratie van milieufactoren in projectontwerpen te verbeteren, maar worden te zelden toegepast en hadden niet voldoende betrekking op participatie van de belanghebbenden, beoordeling van ontwikkelingsalternatieven en uitvoering van plannen voor milieubeheer en milieuschadebeperking.
3.1.2. Volgens de evaluatie zijn de voornaamste factoren die de integratie van het milieu in de samenwerking in de weg staan, onder andere het beperkte bewustzijn en vermogen op milieugebied, waardoor er bij de voornaamste vertegenwoordigers van de partnerregeringen weinig vraag is naar samenwerking op milieugebied. De personele middelen die door de Commissiediensten worden ingezet voor de bevordering van de uitvoering van de milieubeleidslijnen en -richtsnoeren worden ontoereikend geacht. Het kleine team milieupersoneel heeft ook beperkte mogelijkheden om de programmering van de landen te beïnvloeden en de projectkwaliteit te waarborgen. Voorts zullen de door de lidstaten aan de orde gestelde milieu-overwegingen waarschijnlijk niet leiden tot betere projectontwerpen.

3.1.3. In het evaluatieverslag worden een aantal maatregelen aanbevolen om de integratie van het milieu in de interne procedures, de organisatorische ontwikkeling, de praktische begeleiding en de opleiding van het personeel te verbeteren en te institutionaliseren. Ook werd aanbevolen meer technische bijstand te verlenen om de beheerscapaciteit en de organisatorische capaciteit van milieu-instellingen te versterken en om de samenwerking en het overleg met niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke gemeenschappen van de partnerlanden te verbeteren.
3.1.4. De volgende alomvattende milieu-evaluatie zal van start gaan in 2000 en voltooid worden in 2001. Bij die evaluatie zullen de vorderingen met de uitvoering van de aanbevelingen van de vorige evaluatie van 1997 en de milieuprestatie van de hulp van de EG in de periode 1995-2000 worden beoordeeld, met speciale aandacht voor de coherentie van het EG-beleid en de dialoog van de EG met de betrokken landen.


3.2. VORDERINGEN OP BELEIDSNIVEAU


3.2.1. Voor de landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan wordt in de herziene vierde Overeenkomst van Lomé de nadruk gelegd op ontwikkeling gebaseerd op duurzaam milieubeheer en zijn prioriteiten voor milieusamenwerking bepaald. Met de Nieuwe Partnerschapsovereenkomst zal worden beoogd duurzaamheid vanuit milieu-oogpunt in alle aspecten van de ontwikkelingssamenwerking te integreren en specifieke milieumaatregelen te ondersteunen.


3.2.2. Voor de Middellandse-Zeelanden is in de Verklaring van Barcelona van 1995 de nadruk gelegd op het belang dat de partijen hechten aan duurzame ontwikkeling en aan het verzoenen van economische ontwikkeling met bescherming van het milieu. In 1997 is voor de regio een Prioritair milieu-actieprogramma op korte en middellange termijn (SMAP) aangenomen.


3.2.3. Voor Azië en Latijns-Amerika zijn elementen van duurzame ontwikkeling opgenomen in samenwerkingsovereenkomsten en in de verordening betreffende de samenwerking met deze regio. In de verordening voor Azië en Latijns-Amerika is bepaald dat 10% van de financiële en technische bijstand naar milieuprojecten gaat. Een mededeling van de Commissie over de strategie voor de samenwerking tussen Europa en Azië op milieugebied vormt het richtsnoer voor specifiek op bepaalde landen en regio's afgestemde maatregelen.


3.2.4. Binnen de Gemeenschap vindt regelmatig coördinatie plaats over milieuvraagstukken die verband houden met ontwikkelingssamenwerking, op het niveau van de Raad en door informele vergaderingen van ontwikkelings- en milieudeskundigen. De Gemeenschap neemt ook deel aan de verdere ontwikkeling van het concept duurzame ontwikkeling in de internationale fora, met name in het kader van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO.


3.2.5. De Europese Raad van Keulen heeft de Raad verzocht bij de uitwerking van zijn integratiestrategieën voor de bijeenkomst in Helsinki, bijzondere aandacht te schenken aan het probleem van de klimaatsverandering. De Raad Ontwikkeling heeft tijdens zijn zitting van 11 november 1999 conclusies aangenomen inzake bijstand voor de ontwikkelingslanden om de uitdagingen van klimaatverandering aan te pakken. De Commissie heeft tot die conclusies bijgedragen door een werkdocument ter zake te verstrekken.


3.2.6. Milieu en duurzame ontwikkeling zijn ook geïntegreerd in de Resolutie van de Raad inzake bossen en ontwikkeling, waar de Commissie met een mededeling toe heeft bijgedragen.


3.3. VORDERINGEN OP OPERATIONEEL GEBIED


3.3.1. De communautaire begrotingslijn "Milieubeheer in ontwikkelingslanden" heeft geholpen bij de ondersteuning van de ontwikkeling van beleidsmaatregelen, strategieën en instrumenten voor de integratie van het milieu en het testen van innoverende technologieën door proefacties op milieugebied. De herziene EG-verordening betreffende maatregelen ter bevordering van de volledige integratie van het milieuaspect in het ontwikkelingsproces in de ontwikkelingslanden, heeft ten doel meer strategische acties te ondersteunen, zoals de ontwikkeling van nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling.
3.3.2. Er bestaan sedert 1992 MEB-procedures en het gebruik daarvan is in 1996 verplicht gesteld. De procedures en richtsnoeren worden momenteel herzien, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de integratie van het milieu op het niveau van beleid, strategie en programmering.

3.3.3. Recente ontwikkelingen in de interne procedures, richtsnoeren, opleiding en informatiesystemen van de Commissie hebben bijgedragen tot de integratie van het milieu in het ontwikkelingsbeleid van de EG.


4. ELEMENTEN VAN EEN ALOMVATTENDE STRATEGIE
4.1. In haar pogingen om armoede te bestrijden en duurzame ontwikkeling te ondersteunen, wordt de ontwikkelings- en economische samenwerking van de EG geconfronteerd met talrijke uitdagingen, die samenhangen met bijvoorbeeld mondiale milieuproblemen, de mondialisering van de economie, waaronder de handel en particuliere kapitaalstromen, en het waarborgen van de eigen inbreng van de partnerlanden. Er hebben zich ook belangrijke veranderingen voltrokken in het operationele aspect van de economische en ontwikkelingssamenwerking, zoals de nadruk op sectorale en macro-economische bijstand, en de toegenomen gerichtheid op economische samenwerking naast de traditionele ontwikkelingssamenwerking.

4.2. De volgende prioritaire maatregelen zijn nodig voor een doeltreffender omzetting van het beleid inzake milieu en duurzame ontwikkeling in maatregelen en voor de ondersteuning van de eigen inspanningen van de partnerlanden om in te spelen op de prioritaire lokale, regionale en mondiale milieuproblemen: BELEIDSVRAAGSTUKKEN


4.2.1. De beleidsdialoog met de partnerlanden over milieuvraagstukken en met name over de gecompliceerde en contextgebonden samenhang tussen armoede en milieu moet worden versterkt, en daarbij moeten zowel regeringsinstanties als de civiele samenleving, met inbegrip van vrouwen en autochtone bevolkingsgroepen, worden betrokken.
4.2.2. Er moet intensief naar worden gestreefd om het bewustzijn en de capaciteit van de partnerlanden voor integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in hun algemene en sectorale ontwikkelingsbeleid en -strategieën op te voeren, door bijvoorbeeld meer steun te verlenen aan hun nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling (NSDO's), die met medewerking van alle belanghebbenden moeten worden voorbereid en uitgevoerd.
4.2.3. Het is van essentieel belang te zorgen voor coherentie bij de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in de economische en ontwikkelingssamenwerking en in andere beleidssectoren van de Gemeenschap en de lidstaten die gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden. De Raad heeft in dit verband een bijzondere verantwoordelijkheid. De Raad verzoekt de Commissie in haar komende verslag over de samenhang van het beleid ook de milieuaspecten op te nemen.

PROGRAMMERINGSVRAAGSTUKKEN


4.2.4. Milieuoverwegingen moeten systematisch worden meegenomen bij de voorbereiding van alle strategische plannen en programma's inzake de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG, zoals strategieën en indicatieve programma's voor regio's en landen, structurele aanpassingsprogramma's en sectorale hervormings- en steunprogramma's. Daartoe moeten diepgaande beleidsanalyses en strategische milieubeoordelingen ontwikkeld worden.
4.2.5. De strategieën en programma's van de EG op het gebied van de economische en ontwikkelingssamenwerking moeten rekening houden met de eventueel bestaande eigen NSDO's en actieplannen van de partnerlanden. Het eigen integratiestreven van de partnerlanden moet krachtiger worden gesteund door het milieubewustzijn en de milieubeheerscapaciteit van de regeringen en de civiele samenleving, inclusief de particuliere sector, de NGO's en de plaatselijke gemeenschappen, via NSDO's en andere middelen te versterken. Er moet speciale aandacht worden besteed aan de versterking van de capaciteit van de instellingen van het partnerland om deel te nemen aan multilaterale fora voor het milieu en om de voornaamste internationale milieu-overeenkomsten uit te voeren.
INSTITUTIONELE VRAAGSTUKKEN

4.2.6. Het milieubeheersysteem van de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG moet worden ontwikkeld volgens de beginselen van internationaal erkende normen ( 1). Er moeten gegevens en ervaringen tussen de Commissie en de lidstaten worden uitgewisseld over de toepassing van milieubeheersystemen in ontwikkelingssamenwerking.

4.2.7. De milieuprocedures van de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG moeten effectiever gestroomlijnd en geïnstitutionaliseerd worden. Het herziene milieuhandboek van de EG zal daarbij een belangrijk instrument zijn, en moet verenigbaar zijn met de andere samenwerkingsrichtsnoeren van de EG. De formele rol en verantwoordelijkheden van het milieu- en ontwikkelingspersoneel moeten worden verduidelijkt en versterkt. Bovendien moeten er procedures worden ontwikkeld voor daadwerkelijke participatie van belanghebbenden en moet milieu-informatie gemakkelijker toegankelijk worden voor het publiek.".

4.2.8. De capaciteit van de Commissiediensten die nodig is voor een effectieve integratie van het milieu moet zowel op het hoofdkantoor als bij de delegaties worden gewaarborgd, door toewijzing van voldoende personele middelen, opleiding, het delen van kennis, passende stimuleringsmaatregelen en verantwoordingssystemen.

4.2.9. Er moeten doeltreffender mechanismen voor de deelneming van de lidstaten aan de kwaliteitswaarborging voor de gehele cyclus van de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG worden ontwikkeld.


5. INDICATOREN EN MONITORING


5.1. De door de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO uitgewerkte indicatoren voor duurzame ontwikkeling moeten worden gebruikt om het effect van de samenwerkingprogramma's en het samenwerkingsbeleid van de EG te bewaken. Er moeten ook aanvullende reeksen specifieke indicatoren en gegevensbronnen worden ontwikkeld om een nauwkeuriger beeld van de ontwikkelingstrends te krijgen. Er is meer bijstand nodig om de capaciteit voor milieumonitoring en milieustatistieken in de ontwikkelingslanden op te bouwen.

5.2. De Commissie moet de reeks specifieke doelstellingen, streefcijfers en interne prestatie-indicatoren blijven ontwikkelen en die blijven gebruiken in de periodieke overzichten van de milieuprestatie van de economische en ontwikkelingssamenwerking van de EG.

5.3. Een uniformer systeem voor de verantwoording van milieu-uitgaven moet zowel door de Commissie als door de lidstaten worden ontwikkeld in het kader van de Groep Statistieken van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand. Een stap in die richting zou de invoering zijn van een markersysteem voor de verantwoording van bijdragen aan internationale milieuovereenkomsten. Informatie over de milieuprestatie moet gemakkelijk toegankelijk worden gemaakt voor het publiek dat daar belang in stelt.


6. CONCLUSIES EN FOLLOW-UP


6.1. Om armoede te bestrijden en duurzame ontwikkeling te bevorderen, zijn er intensievere inspanningen nodig om de capaciteit van de partnerlanden te versterken om een eigen inbreng te leveren voor, en prioriteit te geven aan, de integratie van milieuvraagstukken in hun ontwikkelingsbeleid en -praktijken. De voorbereiding en uitvoering van nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling, met deelneming van alle belanghebbenden, moet in toenemende mate door de Gemeenschap worden gesteund.


6.2. De Commissie moet, met de lidstaten, actief de mogelijkheden bezien om tot meer coherentie van het beleid te komen bij de integratie van milieu en duurzame ontwikkeling in de economische en ontwikkelingssamenwerking en andere beleidssectoren van de EU die gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden.


6.3. De Commissie moet zich meer moeite geven om in alle strategieën, programma's en projecten van de Gemeenschap op het gebied van economische en ontwikkelingssamenwerking, daadwerkelijk milieubeoordelingsprocedures toe te passen.


6.4. De Commissie moet ramen welke middelen nodig zijn om haar integratiestrategie effectief uit te voeren, en moet de nodige maatregelen nemen om voor voldoende personeel en opleiding te zorgen, zowel op het hoofdkantoor als bij de delegaties.


6.5. De in dit verslag genoemde elementen van een strategie moeten in aanmerking worden genomen in bijvoorbeeld de toekomstige mededelingen, werkprogramma's, verslagen en beleidsmaatregelen van de Commissie die gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden.


6.6. De Raad zal een sleutelrol blijven spelen bij de verbetering van de milieuprestatie van de EG door de gemaakte vorderingen geregeld te bezien en waar nodig verdere richtsnoeren voor het proces te verstrekken. De Raad doet een beroep op de Commissie om vóór de volgende zitting van de Raad in overleg met de lidstaten een specifieke strategie, met tijdschema, voor de uitvoering van de in dit verslag aanbevolen strategische, operationele en organisatorische maatregelen voor te bereiden.


________________________

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

ONTWIKKELING

Resolutie van de Raad inzake bossen en ontwikkeling

"De Raad van de Europese Unie,

bevestigt opnieuw dat beleidsmaatregelen ter bevordering van duurzaam beheer van de bossen aanzienlijk kunnen bijdragen tot de meer algemene doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkeling, met inbegrip van de strijd tegen de armoede. Hierin wordt rekening gehouden met de multifunctionele rol van de bossen en de gelijktijdige bevordering van efficiënt gebruik, verwerking van en handel in hout en niet-houtige bosproducten. Duurzaam beheer, behoud en bescherming van bosrijkdommen dragen bij tot het behoud van de biologische diversiteit en van kwetsbare ecosystemen. De bossen en in het bijzonder de tropische bossen spelen een belangrijke rol bij de vermindering van de klimaatverandering;

herinnert aan de conclusies van de Europese Raden van Cardiff en Wenen inzake milieu en duurzame ontwikkeling en herhaalt het verzoek om milieuoverwegingen te integreren in alle communautaire beleidslijnen, waarvan het duurzame gebruik van de bossen een concreet voorbeeld vormt;

herinnert aan de voornaamste internationale verbintenissen in verband met de bossen, met name de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling (UNCED), het Raamverdrag inzake klimaatverandering (FCCC), het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) en het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming (CCD), alsook het werk van het Intergouvernementele Panel voor bossen (IPF) en zijn opvolger het Intergouvernementele Forum voor bossen (IFF);

is ingenomen met de Mededeling van de Commissie inzake Bossen en Ontwikkeling: de aanpak van de EG. Deze bekrachtigt de verbintenis van de Gemeenschap en de lidstaten tot duurzame ontwikkeling in de bosbouwsector die uitdrukkelijk is geformuleerd in de Resolutie van de Raad inzake tropische bossen (1990);

merkt op dat de Mededeling een basis biedt voor de actualisering van de aanpak van de EG van ontwikkelingssamenwerking inzake de bossen en benadrukt dat strategisch optreden nodig is om het duurzame bosbeheer in ontwikkelingslanden te ondersteunen in de context van mogelijke regelingen en mechanismen die thans in het IFF-proces besproken worden.

I. BEGINSELEN


1. De Raad erkent de elementaire rol van de partnerlanden bij de planning en de uitvoering van ontwikkelingsbeleid en -maatregelen voor de bossen.

2. De Raad benadrukt het belang van nationale bosprogramma's als centraal coördinerend instrument voor alle belanghebbenden die bij het proces betrokken zijn.

3. Bij het duurzame bosbeheer spelen het behoud van bossen, met bijzondere nadruk op oerbossen, en de bescherming van de biologische diversiteit een belangrijke rol.


4. De onderlinge koppelingen tussen de bosbouw en andere sectoren van de economie zijn van belang en er moet van samenhang sprake zijn tussen de in alle relevante sectoren en krachtens de verschillende instrumenten van de Gemeenschap gefinancierde activiteiten. In dit verband hecht de Raad bijzonder belang aan het ontwikkelingsbeleid van de EG met betrekking tot milieu, armoede, particuliere sector en gender.

5. Duurzaam gebruik van boshulpbronnen vergt de ontwikkeling van handelsbeleidslijnen en marktoriënterende instrumenten die gebaseerd zijn op duurzaam bosbeheer. De Commissie wordt verzocht een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van deze beleidslijnen en instrumenten.

6. De rol van de lokale gemeenschappen, met inbegrip van vrouwen en inheemse bevolkingsgroepen, is bij het bosbeheer van fundamenteel belang. Zij moeten, samen met andere belanghebbenden, worden betrokken bij alle besluitvormingsprocessen betreffende het duurzaam gebruik van bosrijkdommen.

7. De Raad bevestigt opnieuw dat het beginsel van goed bestuur een essentieel element vormt van nationale beleidskaders.
8. De Raad beklemtoont de noodzaak van coördinatie, samenhang en complementariteit van met de bossen verband houdende activiteiten van de internationale gemeenschap in het algemeen en bij de formulering en uitvoering van nationale programma's in het bijzonder. In dit verband herinnert de Raad aan de conclusies betreffende de resultaten van de evaluatie van de ontwikkelingsinstrumenten en programma's van de Europese Gemeenschap alsook aan de resolutie over de complementariteit van de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap en de lidstaten die in 1999 zijn aangenomen.
II. PRIORITEITEN VOOR ACTIE

De Raad beveelt de Gemeenschap en de lidstaten aan om:


9. Bij te dragen tot het partnerschap voor actie tussen de Gemeenschap, haar lidstaten, partnerlanden, internationale organisaties en de civiele samenleving voor de efficiënte uitvoering van wereldwijde met de bossen verband houdende prioriteiten. Hiertoe behoren:


- vermindering van de ontbossing en de achteruitgang van bossen,


- vergroting van de gebieden die onder duurzaam bosbeheer vallen,


- bevordering van de billijke spreiding van op bosbouw berustende winsten,


- instandhouding van genetische hulpbronnen en biologische diversiteit,


- steun voor de ontwikkeling van institutionele mechanismen in de partnerlanden die in staat zijn om het hoofd te bieden aan tegenstrijdige eisen aan de bossen, waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn,

- steun voor de overdracht van technologie, bosbouwonderzoek en versterking van de onderzoekscapaciteiten in de partnerlanden,
- verkenning van nieuwe en innoverende financieringsmechanismen waarmee de door de bossen geboden milieuvoordelen worden betaald,
- bevordering van transparantie en verenigbaarheid bij de boscertificering en andere marktoriënterende instrumenten teneinde het verband tussen duurzaam bosbeheer, handel en milieu te verduidelijken.

10. Steun te verlenen aan de formulering of actualisering en de uitvoering van nationale bosprogramma's in ontwikkelingslanden door middel van institutionele versterking en opbouw van de capaciteiten, bosbouwpartnerschapsregelingen, het aanbieden van sectoriële programmaondersteuning en andere bijstand, rekening houdend met de nationale ontwikkelingsprioriteiten.

11. De capaciteit van de partnerlanden, zowel in de overheids- als in de particuliere sector, te versterken om hen in staat te stellen de uitvoering van de nationale bosprogramma's op zich te nemen.

III. FOLLOW-UP

12. De Raad roept de Commissie op om met de lidstaten samen te werken teneinde binnen de EU de noodzakelijke deskundigheid te mobiliseren. In dit verband verzoekt de Raad de Commissie om samen met de lidstaten hun relatieve voordelen in de bosbouwsector te identificeren en een voorstel voor te leggen over de wijze waarop de verantwoordelijkheden en de werkprogramma's het best kunnen worden verdeeld. Daarnaast dient de coördinatie met andere internationale partners te worden versterkt.

13. Op basis van haar mededeling wordt de Commissie verzocht een voorstel voor te leggen voor een strategie inzake ontwikkelingssamenwerking betreffende de bossen, waarin rekening wordt gehouden met geografische en regionale kenmerken. Er moeten bijzondere inspanningen worden geleverd om milieuoverwegingen in de programma's voor Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, alsook voor Azië, Latijns-Amerika en het Middellandse-Zeegebied te integreren. Bij de formulering van strategieën moet de leidende rol van de partnerlanden volledig worden erkend en rekening worden gehouden met de noodzaak van integratie van milieu- en sociale overwegingen in alle beleidslijnen en activiteiten van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

14. Voorts wordt de Commissie verzocht om haar beleidslijnen en activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te bezien in het licht van de conclusies van de vergadering van de CDO-8 in het jaar 2000, met name in verband met de resultaten van het IFF-proces.

15. De Raad dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om in coördinatie met de nationale regeringen en andere bij de bosbouwsector betrokken donoren op de uitvoering van de resolutie toe te zien.

16. De Raad dringt er bij de Commissie op aan om de activiteiten op gezette tijden door te lichten, de resultaten te evalueren en jaarlijks verslag uit te brengen over de gemaakte vorderingen."

INTERNE MARKT

Richtlijn betreffende zitplaatsen voor meerijders op trekkers

De Raad nam met eenparigheid van stemmen een richtlijn houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 76/763/EEG betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen aan.

Doel van deze richtlijn is de bestaande vormgeving van zitplaatsen voor meerijders te verbeteren; verdere bepalingen inzake zitplaatsen voor meerijders zullen in een later stadium worden opgenomen, teneinde de veiligheid voor meerijders verder te verbeteren.

MILIEU

Communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren

Op basis van een politiek akkoord dat op 24/25 juni 1999 in de Raad Milieu werd bereikt, stelde de Raad formeel zijn gemeenschappelijk standpunt vast met het oog op de aanneming van een verordening over de herziening van een communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren, dat voor het eerst werd ingesteld in 1992 (Verordening nr. 880/92).

Het gemeenschappelijk standpunt zal in het kader van de medebeslissingsprocedure ter tweede lezing aan het Europees Parlement worden toegezonden.

Het gaat om een facultatieve regeling, die kan worden toegepast op producten die behoren tot productgroepen waarvoor de Commissie, overeenkomstig de verordening, ecologische criteria heeft vastgesteld.

Rekening houdend met het advies van het Europees Parlement en met de opmerkingen van de lidstaten, voorziet het gemeenschappelijk standpunt met name in het volgende:


- de Commissie richt een Bureau voor de milieukeur voor de Europese Unie (BMEU) op, dat bestaat uit de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties en het raadplegingsforum van de betrokken partijen;

- het recht de milieukeur aan te vragen wordt uitgebreid, niet alleen tot de detailhandel, maar ook tot diensten, dienstverleners en handelaars;

- de consument moet uitvoeriger geïnformeerd worden over de criteria en de belangrijkste eigenschappen van het product (er zal slechts een milieukeur van één zwaarte worden afgegeven);
- de Commissie zal in de toekomst via de comitologieprocedure maxima vaststellen voor de jaarlijkse kosten; deze kosten dienen voor KMO's en fabrikanten in ontwikkelingslanden te worden verminderd;

- naast de communautaire regeling zullen de bestaande nationale eco-keurregelingen worden gecontinueerd; er zal coördinatie tussen deze twee regelingen plaatsvinden, met name voor de selectie van productgroepen en de ontwikkeling en herziening van de criteria;
- elke drie jaar zal een werkprogramma voor de communautaire milieukeur worden opgesteld, dat een strategie voor verdere ontwikkeling van de regeling behelst, alsmede een lijst van productgroepen waarvoor prioritair criteria worden ontwikkeld, plannen voor coördinatie tussen EU- en nationale regelingen, en plannen ter financiering van de regeling.


_______________

Footnotes:

( 1)
De belangrijkste daarvan zijn ISO-norm 14001 (1996) en het communautair milieubeheer- en milieu-auditsysteem van de Europese Gemeenschap (Verordening (EEG) nr 1836/93 van de Raad).
_________________________________________________________________

nl/dev/12638.NL9.html

Deel: ' Verslag Europese Raad over Ontwikkelingssamenwerking '




Lees ook