Raad van de Europese Unie

1834. Raad - VERVOER Press Release: Brussels (14-03-1995) - Press: 73 - Nr: 5427/95

ZEEVERVOER

VEILIGHEID VAN RO-RO-PASSAGIERSSCHEPEN

De Raad heeft in afwachting van het advies van het Parlement een oriënterend debat gehouden over het voorstel voor een verordening betreffende een veiligheidsbeleid voor ro-ro-passagiersschepen.
Doel van dit voorstel is de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de verplichte toepassing van de ISM-code van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), vanaf 1 juli 1996, op alle ro-ro-veerboten die een geregelde dienst onderhouden op en uit havens in de Europese Gemeenschap.

Het voorstel maakt deel uit van het gemeenschappelijke beleid inzake de veiligheid op zee dat de Raad heeft ingesteld als antwoord op een reeks ongevallen met veerboten, met name dat met de Estonia.

De ISM-code is vastgesteld bij resolutie A.741(18) van de Vergadering van de IMO en zal op 1 juli 1998 in werking treden. De code beveelt de rederijen aan een veiligheidsbeleidssysteem "SMS" in te voeren, in het kader waarvan zij :


- een beleid invoeren voor veilige werkmethodes aan boord van hun schepen en ter bescherming van het milieu ;


- een omschrijving geven van de verantwoordelijkheden van en betrekkingen tussen alle personen die binnen de rederij en aan boord van de schepen verantwoordelijk zijn voor veilige werkmethodes aan boord en voor de vervuilingspreventie ;


- één centrale persoon aanwijzen die verantwoordelijk is voor de veiligheid en de vervuilingspreventie ;


- ervoor zorgen dat het veiligheidspersoneel aan de wal, de kapiteins van de schepen en de bemanning naar behoren gekwalificeerd zijn en in staat zijn met elkaar te communiceren over
veiligheidsaangelegenheden ;


- aan de wal en aan boord toe te passen instructies, procedures en oefeningen uitwerken voor veilige werkmethodes aan boord van de schepen en voor de reactie op noodsituaties ;


- procedures voorbereiden voor het rapporteren en analyseren van inbreuken, ongevallen en gevaarlijke situaties ;

- zorgen voor een goed onderhoud van hun schepen en de uitrusting daarvan ;


- een "Handboek Veiligheidsbeleid" opstellen ;

- het SMS geregeld evalueren ;


- een door de vlaggestaat of het land van exploitatie af te geven "conformiteitsdocument" verkrijgen waarin wordt verklaard dat het SMS van de rederij in overeenstemming is met de ISM-code ;

- een door de vlaggestaat af te geven "veiligheidsbeleidscertificaat" verkrijgen waarin wordt verklaard dat het SMS van het schip in overeenstemming is met de ISM-code.

Bovendien dient de vlaggestaat op gezette tijden de werking van het SMS te verifiëren.

Uit het debat bleek dat er in de Raad een consensus bestaat over de hoofdpunten van het voorstel.

Het Comité van Permanente Vertegenwoordigers is opgedragen de besprekingen in het licht van de verwachte adviezen van het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité voort te zetten, zodat zo spoedig mogelijk een gemeenschappelijk standpunt kan worden aangenomen.

STATISTIEK VAN HET ZEEVERVOER

De Raad heeft nota genomen van de bespreking van het voorstel voor een richtlijn betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen.

Doel van dit voorstel is in wezen, dat de Lid-Staten onderling geharmoniseerde statistieken over het zeevervoer opstellen, die aansluiten op de bestaande statistieken voor het goederenvervoer over de weg, het vervoer per spoor, over de binnenwateren en door de lucht en het gecombineerde vervoer. Het voorstel zou dus moeten bijdragen tot de ontwikkeling, de follow-up, de controle en de evaluatie van de interne markt voor het zeevervoer.

De Raad heeft het Comité van Permanente Vertegenwoordigers opgedragen de besprekingen in het licht van het gevraagde advies van het Parlement voortvarend voort te zetten zodat

deze richtlijn in de volgende zitting, in juni 1995, kan worden aangenomen.

ZEEVERVOERBELEID VAN DE GEMEENSCHAP - CONCLUSIES VAN HET

VOORZITTERSCHAP

Na een gedachtenwisseling van de Raad over het zeevervoerbeleid van de Europese Gemeenschap heeft het Voorzitterschap de volgende conclusies getrokken :

"1. Het Voorzitterschap is bezorgd over de algemene situatie van de koopvaardij in de Gemeenschap en over de achteruitgang die deze in veel gevallen vertoont.

Het Voorzitterschap is ervan overtuigd dat het zeevervoerbeleid van de Gemeenschap moet worden versterkt en dat haar maritieme traditie, die voor de Gemeenschap een essentiële waarde vormt, in stand moet worden gehouden door bevordering van een concurrerende en duurzame maritieme industrie die kan voorzien in de behoeften van de bevrachters ; het Voorzitterschap verbindt zich ertoe om hiervoor te ijveren op basis van de Commissievoorstellen en in nauwe samenwerking met het Parlement.

Het wijst op Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van
22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen, Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer, Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad van
22 december 1986 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee, Verordening (EEG) nr. 4058/86 van de Raad van
22 december 1986 betreffende een gecoördineerd optreden ter vrijwaring van de vrije toegang tot lading in het vervoer over zee alsmede Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de Lid-Staten (cabotage in het zeevervoer). ()
Het Voorzitterschap herinnert tevens aan de beleidslijnen in zijn resolutie van 8 juni 1993 over een gemeenschappelijk beleid inzake de veiligheid op zee (), en aan de bezorgdheid die de Raad van 21 en
22 november 1994 heeft uitgesproken met betrekking tot de gevolgen die de toepassing van de mededingingsregels in de sector zeevervoer heeft.
Het dringt er opnieuw bij de Gemeenschap en haar Lid-Staten op aan om binnen de Gemeenschap en bij de lopende werkzaamheden van de IMO en het Memorandum van Overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole verdere en meer gecoördineerde en vastberaden acties te ondersteunen en te stimuleren.

Het Voorzitterschap steunt het initiatief van de Commissie om een strategiedocument over de toekomst van de maritieme industrie op te stellen.


2. In het licht van het Raadsdebat verzoekt het Voorzitterschap de Lid-Staten en de Commissie om maatregelen te treffen om het zeevervoerbeleid van de Gemeenschap te versterken, met name op de volgende punten :

a) de veiligheid van de scheepvaart in de wateren en langs de kusten van de Gemeenschap versterken en de oneerlijke concurrentie door niet aan de normen beantwoordende schepen uitschakelen, met name door systematisch en op geharmoniseerde wijze gebruik te maken van de controle door de havenstaat ; in dit verband bevestigt het Voorzitterschap zijn doelstelling om de Raad tijdens de zitting in juni 1995 het voorstel voor een richtlijn inzake de controle door de havenstaat aan te laten nemen ;

b) binnen een kader van vrije en eerlijke mededinging het internationale concurrentievermogen van de communautaire vloten verbeteren en de strijd tegen oneerlijke mededinging opvoeren. Het Voorzitterschap onderstreept dat bij de beoordeling van oneerlijke concurrentie niet alleen moet worden gekeken naar de naleving van internationaal erkende technische normen, maar naar alle voorwaarden waaronder vaartuigen worden geëxploiteerd en het redersbedrijf wordt uitgeoefend, met name de sociale en fiscale aspecten van een en ander ;

c) de ondernemers en de sociale partners stimuleren om een gedragscode voor de exploitanten van passagiersschepen op te stellen ten einde de communautaire werkgelegenheid in deze sector te bevorderen ;

d) binnen internationale instanties, met name de IMO, de IAO en de WTO, gemeenschappelijke of, al naargelang het geval, gecoördineerde standpunten doen aanvaarden die het resultaat zijn van overleg tussen de Lid-Staten en de Gemeenschap ;

e) van de handelspartners van de Gemeenschap concrete verbintenissen inzake de daadwerkelijke toegang tot de markt eisen in alle gevallen waarin deze niet bestaat.


3. Het Voorzitterschap verzoekt de Commissie :
a) de Raad zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van :


- het resultaat van de besprekingen die zij met de vakbonds en beroepsorganisaties over het EUROSregister heeft gevoerd ;

- het resultaat van de door haar verrichte studies over overheidssteun in de zeevervoersector en over het verband tussen deze steun en de werkgelegenheid voor zeelieden uit de Gemeenschap ;
b) haar mededeling en de daarin vervatte voorstellen om de verdere uitbouw van het zeevervoer over korte afstand in de Gemeenschap te bevorderen in te dienen ;

c) de wenselijkheid te onderzoeken van voorstellen om op gemeenschapsniveau minimumvoorwaarden te bepalen voor de opneming van schepen in de registers van de Lid-Staten ;

d) een mededeling over de externe betrekkingen op het gebied van het zeevervoer in te dienen om aan de Raad richtsnoeren voor te leggen waarin de algemene beleidslijnen, de prioritaire acties op het gebied van de betrekkingen van de Gemeenschap met derde landen, alsook de binnen de internationale instanties te ondernemen acties worden bepaald ;

e) na te gaan of de Verordeningen nr. 4057/86 en nr. 4058/86 van
22 december 1986 met betrekking tot oneerlijke praktijken en de vrije toegang tot lading in het vervoer over zee verscherpt of beter toegepast moeten worden ;

f) zich te beraden over de middelen die moeten worden aangewend ten aanzien van schepen die in van de LidStaten afhankelijke wateren varen en waarvan de normen inzake de veiligheid op zee niet doeltreffend door hun Staat van registratie worden gecontroleerd ;

g) de gevolgen van de toepassing van de mededingingsregels in het zeevervoer, inclusief de machtiging tot vaststelling van tarieven voor het multimodale vervoer, in het oog te blijven houden ;

h) een verslag voor te leggen over de registers voor vrije registratie waarin deze aan het internationale recht worden getoetst en wordt uiteengezet welke gevolgen deze hebben voor de situatie van schepen die de vlag van een Lid-Staat voeren.".

LUCHTVERVOER

VERPLAATSING VAN ACTIVITEITEN IN HET LUCHTVERVOER - RESOLUTIE VAN DE

RAAD

Na een debat heeft de Raad de volgende resolutie over verplaatsing van activiteiten in het luchtvervoer aangenomen :

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

overwegende dat de Raad er reeds op heeft gewezen dat de rentabiliteit en produktiviteit van de luchtvaartindustrie voldoende hoog moeten zijn om haar economische levensvatbaarheid en concurrentievermogen op wereldvlak te verzekeren ;

overwegende dat de Raad in zijn Resolutie 94/C 309/02 van
24 oktober 1994 van oordeel was dat het risico van uitbreiding van het fenomeen van goedkope vlaggen en het aanwenden van niet-communautaire middelen nader moeten worden bestudeerd ;

overwegende dat de bepalingen van Verordening nr. 2407/92 met betrekking tot het charteren door alle Lid-Staten eenvormig moeten worden toegepast ;

overwegende dat het eventueel aanwenden van niet-communautaire middelen een reden te meer is om te komen tot een volledig pakket gemeenschappelijke technische normen teneinde de veiligheid in de burgerluchtvaart te handhaven ;

overwegende dat de Gemeenschap bij de ontwikkeling van haar sociaal beleid rekening moet houden met de kenmerken die specifiek zijn voor het gebied van het luchtvervoer, met name de gevolgen van uitvlagging ;

overwegende dat aanwending van niet-communautaire middelen voor derde landen een mogelijkheid is om toegang te verkrijgen tot de interne markt, hetgeen in het kader van de betrekkingen met deze landen moet worden geanalyseerd ;

NEEMT ER AKTE VAN dat de Commissie het voornemen heeft om een studie te verrichten naar de ontwikkeling van de sociale situatie in samenhang met de liberalisatie van het luchtvervoer,

VERZOEKT de Commissie hem zo spoedig mogelijk de resultaten voor te leggen van de studie naar de gevolgen van de liberalisatie van het luchtvervoer, en wenst dat daarbij rekening wordt gehouden met de kwestie van het aanwenden van niet-communautaire middelen, waarnaar in Resolutie 94/C 309/02 van de Raad van 24 oktober 1994 wordt verwezen,

Voortbouwend op het verslag van het "Comité des Sages" en op een door de Commissie in 1992 gevraagd verslag van particuliere adviseurs, dient in deze studie met name het volgende te worden geanalyseerd :


- de draagwijdte van het verschijnsel "uitvlagging", en de huidige en mogelijke gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden in het communautaire luchtvervoer ;

- de huidige praktijken van communautaire maatschappijen inzake het aanwenden van niet-communautaire middelen ;


- de nationale regelingen en administratieve procedures met betrekking tot het aanwenden van niet-communautaire middelen,
VERZOEKT de Commissie de toepassing van de bepalingen van Verordening nr. 2407/92 met betrekking tot het charteren buiten de Gemeenschap te bestuderen en zo nodig richtsnoeren op te stellen met het oog op de eenvormige toepassing daarvan, met name ten aanzien van :


- de begrippen "tijdelijke behoeften", "uitzonderlijke omstandigheden", "gelijkwaardige veiligheidsnormen" ;

- de voorwaarden voor het gebruik door een communautaire luchtvaartmaatschappij van vliegtuigen die in de Gemeenschap zijn geregistreerd, doch waarvoor de Staat van registratie zijn verantwoordelijkheden inzake controle op de technische exploitatie aan een derde Staat heeft gedelegeerd.".

BUITENLANDSE BETREKKINGEN OP LUCHTVAARTGEBIED

De Raad heeft het vraagstuk van de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de Verenigde Staten behandeld. De Lid-Staten besloten eenstemmig hun besprekingen voort te zetten om ervoor te zorgen dat hun standpunten waar nodig coherent zijn.

De Raad verzocht de Groep Luchtvaart derhalve te onderzoeken of het nodige moet worden gedaan om de Gemeenschapsbelangen te vrijwaren, en in juni 1995 verslag uit te brengen.

VERVOERSOVEREENKOMSTEN MET ZWITSERLAND

De Raad heeft de Commissie een mandaat gegeven om onderhandelingen te voeren over bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en Zwitserland op het gebied van vervoer over land (wegvervoer, spoorvervoer en gecombineerd vervoer) en door de lucht.
Die onderhandelingsmandaten sluiten aan bij de benadering die de Raad op 8 november 1993 heeft aangegeven voor de ontwikkeling van de samenwerking tussen de Gemeenschap en Zwitserland en in het bijzonder de onderhandelingen over nieuwe sectoriële overeenkomsten na de afwijzing van de Europese Economische Ruimte door Zwitserland.

De Raad heeft op 31 oktober 1994 richtsnoeren aangenomen voor onderhandelingen over bilaterale overeenkomsten met Zwitserland op het gebied van vrij verkeer van personen, onderzoek, landbouw, wederzijdse erkenning bij conformiteitsbeoordeling en toegang tot overheidsopdrachten.

De Gemeenschap heeft hierbij als doel een evenwicht te bereiken tussen de wederzijdse voordelen binnen elke sectoriële overeenkomst en tussen de verschillende overeenkomsten, en ziet er daarnaast voor zover nodig op toe dat er een passend parallellisme bestaat tussen de verschillende sectoriële overeenkomsten.

Wat de onderhandelingen over de overeenkomst over het luchtvervoer betreft, kan parafering pas plaatsvinden na evaluatie van een nog door de Commissie te verrichten studie over de gevolgen van de overeenkomst voor "open" luchtvervoer tussen Zwitserland en de Verenigde Staten door de Raad.

TRANSEUROPEES VERVOERSNET

De Raad heeft in afwachting van het advies van het Parlement in het kader van de medebeslissingsprocedure een oriënterend debat gehouden over het voorstel voor een besluit betreffende de communautaire richtsnoeren voor het ontwikkelen van het transeuropese vervoersnet.
Dit voorstel heeft betrekking op infrastructuur voor het vervoer over land, over zee en door de lucht en is gericht op een intermodale integratie.

De voorgestelde richtsnoeren zouden dus in de plaats moeten komen van de drie "modale" beschikkingen van de Raad van 29 oktober 1993 (wegennet, waterwegennet en gecombineerd vervoersnet) en ook moeten gelden voor spoorwegen, havens, luchthavens en informatie- en beheerssystemen voor het gehele net.

Tot besluit van het debat, waarin op enkele punten van het voorstel vorderingen werden gemaakt, droeg de Raad het Comité van Permanente Vertegenwoordigers op de besprekingen over het voorgestelde besluit in het licht van het Europees Parlement voort te zetten, zodat hij zo spoedig mogelijk een gemeenschappelijk standpunt kan bereiken.

Daarnaast heeft de Raad onder verwijzing naar de conclusies van de Europese Raad van Essen betreffende de transeuropese netwerken onverminderd bovengenoemd besluit :


- benadrukt groot belang te hechten aan een coherente, snelle ontwikkeling van het transeuropese vervoersnet en in het bijzonder de uitvoering van de 14 door de Europese Raad goedgekeurde prioritaire projecten ;


- tevens gewezen op het belang van de vervoersbeheerssystemen, met name in de luchtvaart.

VEILIGHEIDSADVISEUR VOOR HET VERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen overeenstemming bereikt (de Britse en de Zweedse delegatie stemden tegen en de Luxemburgse delegatie onthield zich van stemming) over een gemeenschappelijk standpunt omtrent de richtlijn betreffende de aanwijzing en de vakbekwaamheid van een veiligheidsadviseur voor het vervoer van gevaarlijke goederen.

Deze ontwerp-richtlijn valt in het ruimere bestek van de maatregelen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de bepaling over de veiligheid van het vervoer in artikel 75 van het Verdrag, waaronder met name Richtlijn 94/55/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, die op 21 november 1994 is aangenomen, en de in voorbereiding zijnde richtlijn betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, waarvoor de Raad onlangs een gemeenschappelijk standpunt heeft aangenomen.

Het gemeenschappelijk standpunt heeft, wat het inlandvervoer (over de weg, per spoor en over de binnenwateren) betreft, betrekking op de ondernemingen die gevaarlijke goederen vervoeren en/of laad en loswerkzaamheden verrichten welke met het vervoer van die goederen samenhangen. De Raad zou dat toepassingsgebied eventueel kunnen uitbreiden in het licht van een rapport van de Commissie over de toepassing van de richtlijn.

Volgens het gemeenschappelijk standpunt nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken ondernemingen uiterlijk voor 1 januari 2000 een of meer veiligheidsadviseurs aanwijzen voor het vervoer van gevaarlijke goederen, die tot taak hebben bij te dragen tot de preventie van de aan die activiteiten verbonden risico's voor openbare veiligheid, goederen en milieu.

De rol van de adviseur wordt in de tekst nader omschreven met een lijst van zijn taken naar gelang van de activiteiten van de onderneming, waarbij hij in de eerste plaats middelen moet zoeken en maatregelen moet bevorderen die het de onderneming vergemakkelijken haar activiteiten te verrichten onder inachtneming van de geldende voorschriften en onder optimale veiligheidsomstandigheden.

De adviseur moet volgens het gemeenschappelijk standpunt een vakbekwaamheidscertificaat volgens communautair model bezitten, dat wordt afgegeven door de daartoe door elke Lid-Staat aangewezen autoriteit of instantie.

Wanneer het gemeenschappelijk standpunt na bijwerking van de teksten officieel is aangenomen, zal het in het kader van de samenwerkingsprocedure aan het Parlement worden toegezonden.

ONDERZOEK OP VERVOERGEBIED

De Raad heeft nota genomen van een mondelinge mededeling van Commissaris KINNOCK over de onderzoekproblematiek op vervoergebied en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers opgedragen de besprekingen op dit gebied voort te zetten en voor de Raadszitting in juni aanstaande ontwerp-conclusies op te stellen. Voorts heeft de Raad de Commissie verzocht ertoe bij te dragen dat prioriteit wordt gegeven aan de invoering van het wereldwijde satellietnavigatiesysteem (GNSS1) door de nodige maatregelen te nemen voor de plaatsing van INMARSAT-transponders.

SPOORWEGVERVOER

INTEROPERABILITEIT VAN HET EUROPEES NET VOOR HOGE-SNELHEIDSTREINEN

De Raad heeft akte genomen van de stand van de besprekingen over de voorgestelde richtlijn betreffende de interoperabiliteit van het transeuropese net voor hoge-snelheidstreinen.

Hij heeft het Comité van Permanente Vertegenwoordigers opgedragen de besprekingen voort te zetten zodat de Raad in de komende zitting van juni 1995 een gemeenschappelijk standpunt kan aannemen.

Deze richtlijn steunt op artikel 129 D van het Verdrag, dat is opgenomen in de nieuwe Titel XII betreffende de transeuropese netwerken. Het moet daarom een bijdrage leveren aan het verwezenlijken van twee uitdrukkelijk in die Titel genoemde doelstellingen : de geleidelijke totstandkoming van de interne markt die een ruimte zonder binnengrenzen omvat, en de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap.

ONTWIKKELING VAN HET VERVOER PER SPOOR EN HET GECOMBINEERDE VERVOER -

RESOLUTIE VAN DE RAAD

Na een debat heeft de Raad de volgende resolutie aangenomen over de ontwikkeling van het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer :
"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

overwegende dat het aandeel van de spoorwegen in het vervoer afneemt, terwijl de behoefte aan vervoer van personen en vracht binnen de Unie en van en naar de derde landen en geassocieerde Staten toeneemt, hoewel de financiële bijdragen van de Lid-Staten voor deze vervoerstak groot zijn ;

overwegende dat de spoorwegen tegenwoordig kunnen worden uitgerust met modern en hoogwaardig materieel, dat zij onmiskenbare voordelen bieden, uit een oogpunt van milieubehoud, veiligheid en energiebesparing, dat zij zeer geschikt zijn voor vervoer tussen steden over middellange afstand en voor het vrachtvervoer over middellange en lange afstanden, op de schaal van het grondgebied van de Unie,

KOMT OVEREEN dat het spoorwegbeleid van de Unie niet los kan worden gezien van haar algemene vervoerbeleid, dat dit beleid gericht moet zijn op intermodaal vervoer, waarbij rekening wordt gehouden met de algemene kosten van elke vervoerstak en erop wordt toegezien dat de ontwikkeling van het Europees vervoerssysteem plaatsvindt onder eerlijke concurrentievoorwaarden,

KOMT OVEREEN dat dit gemeenschappelijk vervoerbeleid op vier wezenlijke, elkaar aanvullende pijlers berust :


- de ordening van de markt voor het vervoer per spoor ;

- de infrastructuur van het transeuropees vervoersnet ;

- de interoperabiliteit van het transeuropese spoorwegnet, met name het net voor hoge-snelheidstreinen, door middel van technische harmonisatie, onverminderd de gevallen van niet verbonden netten ;

- de industriemarkt door de opening van de overheidsopdrachten in de vervoerssector,

ACHT HET NOODZAKELIJK dat vooruitgang wordt geboekt in het gemeenschappelijk spoorwegbeleid als omschreven in Richtlijn 91/440, door de concrete resultaten van de tenuitvoerlegging van dit beleid te beoordelen in het licht van de balans van de toepassing van deze richtlijn die de Commissie krachtens artikel 14 moet indienen, en de voorstellen die zij dan zal doen, meer bepaald voor wat betreft de toegang tot de infrastructuur die op een concretere leest zou kunnen worden geschoeid binnen, van en naar de verschillende delen van de Gemeenschap, met inachtneming van de geografische ligging van de Lid-Staten,

BEVESTIGT dat hij vastbesloten is om met eerbiediging van het beginsel van de vrije keuze van de gebruiker :


- het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer doeltreffend en concurrerend te maken ten opzichte van de overige vervoerstakken en dus de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de bedrijven een nieuwe dynamiek krijgen,


- de voorwaarden te scheppen om het aandeel van het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer binnen het vervoerssysteem van de Unie te kunnen vergroten,


- de spoorwegen, samen met de binnenwateren en het vervoer over zee, vooral over korte afstand, zoveel mogelijk te laten deelnemen aan de ontwikkeling van het gecombineerd vervoer, in samenwerking met de partners van het wegvervoer,

KOMT OVEREEN om bij de ontwikkeling van het vervoer per spoor de nadruk te leggen op de leemte die door deze vorm van vervoer kan worden aangevuld :


- het goederenvervoer over middellange en lange afstanden,

- het vervoer binnen grote bevolkingscentra alsmede de inter- en intraregionale verplaatsingen,


- het vervoer tussen steden,


- de hoge-snelheidstreinen voor het verkeer tussen de grote Europese agglomeraties,

VERZOEKT de Lid-Staten :


- het overleg tussen de verschillende partijen bij het gecombineerd vervoer te bevorderen om rechten en plichten voor alle betrokkenen vast te stellen, studie, normalisatie en vernieuwing te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat vooraf overleg wordt gepleegd over de programmering van de overeenkomstige investeringen in de Lid-Staten,

VERZOEKT de Lid-Staten en de Commissie :


- in het kader van de interoperabiliteit van het transeuropese spoorwegnet door de geleidelijke invoering van de technische harmonisatie met name de voorwaarden te bevorderen voor een snelle proefneming met het Europees schakel- en controlesysteem,
VERZOEKT de Commissie om, met name in het kader van haar verslag krachtens artikel 14 van Richtlijn 91/440, voorstellen te bestuderen en eventueel in te dienen met betrekking tot :


- de toepassing van gemeenschappelijke beginselen inzake tarifering van de spoorweginfrastructuur, als bedoeld in Richtlijn 91/440 en in de spoedig aan te nemen richtlijn betreffende de verdeling van de capaciteit van de spoorweginfrastructuur en het innen van heffingen, zodat de ondernemers meer zicht krijgen op de keuzemogelijkheden en eventuele concurrentieverstoringen kunnen voorkomen,

- de ontwikkeling, met name ten opzichte van de Verdragsbepalingen met betrekking tot de mededinging en de regels voor de toegang tot het net als bedoeld in Richtlijn 91/440, en in de onderhavige richtlijn met betrekking tot de verdeling van de capaciteit van de spoorweginfrastructuur en het innen van heffingen, van voorafgaande overeenkomsten met ondernemingen die de financiering van de belangrijkste schakels van het transeuropese netwerk waarmee hoge investeringen gemoeid zijn, moeten vergemakkelijken,

- de oprichting, onder naleving van de bepalingen van het Verdrag inzake mededinging en van de huidige toepassingsverordening (1017/68), van internationale samenwerkingsverbanden als bedoeld in Richtlijn
91/440, ter bevordering van de integratie van het transeuropese spoorwegnet.".

SOCIALE HARMONISATIE IN HET GOEDERENVERKEER OVER DE WEG - RESOLUTIE

VAN DE RAAD

Na een debat heeft de Raad de volgende resolutie aangenomen over de sociale harmonisatie in het goederenvervoer over de weg :
"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

gelet op zijn Resolutie nr. 94/C 309/03 van 24 oktober 1994 betreffende het vrachtvervoer over de weg in de Europese interne markt,

gezien de perspectieven inzake de liberalisatie van de interne markt en de intensivering van de betrekkingen met de landen van Midden- en Oost-Europa, die het noodzakelijk maken te zorgen voor een betere harmonisatie van de concurrentievoorwaarden,

gezien de noodzaak de verkeersveiligheid te versterken en de sociale voorwaarden te verbeteren die mede zorgen voor stabiliteit en doelmatigheid in de wegvervoersondernemingen,


1. CONSTATEERT dat bij de lopende besprekingen in het Paritair Comité voor het Wegvervoer de vraagstukken met betrekking tot de werktijden en de beroepsopleiding in het wegvervoer in aanmerking worden genomen ;


2. CONSTATEERT dat het Paritair Comité voor het Wegvervoer zijn besprekingen over deze vraagstukken actief voortzet, uitgaande van de enquêtes in de komende maanden over :


- het in aanmerking nemen in de wetgevingen van de Lid-Staten, van de tijd die bestuurders van zware vrachtwagens aan andere activiteiten besteden dan aan rijden en rusten ;


- de bepalingen in de Lid-Staten betreffende de basisberoepsopleiding en de, al dan niet verplichte, voortgezette beroepsopleiding van die bestuurders ;


3. VERZOEKT de Commissie haar samenwerking met het Paritair Comité voor het Wegvervoer voort te zetten opdat deze enquêtes daadwerkelijk worden uitgevoerd en het Paritair Comité voor het Wegvervoer aan de hand van de resultaten hiervan tussen de vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers en van werknemers werkelijke besprekingen op gang kan brengen over de aan te nemen bepalingen, daarbij rekening houdend met de praktische gevolgen en van de controle erop ;

4. WENST dat de besprekingen van het Paritair Comité voor het Wegvervoer zo snel mogelijk tot concrete en gemeenschappelijke conclusies leiden ;


5. HERINNERT ERAAN dat hij de Commissie in zijn Resolutie nr. 94/C 309/03 van 24 oktober 1994 heeft verzocht in het bijzonder een verslag op te stellen over de vigerende bepalingen in de LidStaten betreffende de opleiding van bestuurders van zware vrachtwagens, waaronder ook bestuurders van vrachtwagens geladen met gevaarlijke stoffen, en, in voorkomend geval, voorstellen in te dienen inzake een verplichte basisopleiding en een passende voortgezette opleiding ;

6. NEEMT AKTE van het voornemen van de Commissie om, na de conclusies van het Paritair Comité voor het Wegvervoer in overweging te hebben genomen, zo spoedig mogelijk gevolg te geven aan haar mededeling van
20 maart 1992 betreffende de invoering van het begrip "werktijd" in de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 inzake de voor wegvervoer geldende rij en rusttijden.

BINNENVAART

De Raad heeft overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk standpunt omtrent het voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenschepen voor goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap.

De formele aanneming van dat gemeenschappelijk standpunt heeft plaats in een komende zitting, waarna de tekst in het kader van de samenwerkingsprocedure aan het Parlement wordt toegezonden.

Dit initiatief past in het kader van Richtlijn 91/672/EEG van
16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren. Het gemeenschappelijk standpunt voorziet in een nationaal vaarbewijs voor het besturen van vaartuigen, dat wordt afgegeven op basis van geharmoniseerde voorwaarden, volgens een model dat op communautair niveau wordt vastgesteld en onderling door de Lid-Staten wordt erkend.

DIVERSE BESLUITEN

(Aangenomen zonder debat. Wanneer het wetgevingsbesluiten betreft zijn de tegenstemmen en onthoudingen vermeld.)

Gewijzigde en aanvullende begroting nr. 1/95 (uitbreiding)

De Raad heeft het ontwerp van gewijzigde en aanvullende begroting nr. 1 voor het begrotingsjaar 1995 opgesteld met het oog op toezending aan het Europees Parlement.

In de op 15 december 1994 vastgestelde begroting voor 1995 waren in elke afdeling reserves opgenomen met het oog op de uitbreiding, met dien verstande dat de overdracht van die kredieten naar de begrotingslijnen zou geschieden in een gewijzigde en aanvullende begroting. De Commissie heeft haar voorontwerp op 21 februari 1995 aan de Raad toegezonden.

Wat het onderdeel "uitgaven" betreft, heeft de Raad in hoofdzaak de door de Commissie voorgestelde verdeling van de reserves voor de uitbreiding over de passende begrotingslijnen gevolgd. Ook heeft hij de Commissie gevolgd in haar voorstel de benodigde middelen voor de landbouwuitgaven te verminderen met een bedrag in de orde van 2.000 miljoen ecu, dat


- voor twee derde gemotiveerd wordt door de gunstige conjunctuur, vooral in de sectoren granen, rundvlees, suiker en wijn, en

- voor een derde door de verrekening van 650 miljoen ecu aan extra ontvangsten ten gevolge van de regeling die in oktober jongstleden voor de melkquota is getroffen.

Wat de "ontvangsten" betreft, heeft de Raad met name ingestemd met


- de opneming van het beschikbare overschot van het vorige begrotingsjaar voor het door de Commissie voorgestelde bedrag (de Commissie heeft het geraamde bedrag van het overschot van 1994 op
2 maart 1995 bijgesteld op 6.589 miljoen ecu) ;

- de te verwachten terugbetaling aan de Lid-Staten uit hoofde van de derde en de vierde bron van eigen middelen ten gevolge van de te hoge raming van BTW en BNP 1994 voor het door de Commissie gevraagde bedrag (volgens de Commissie gaat het bij deze terugbetaling om een totaal van 1.923 miljoen ecu) ;


- de opneming van drie lijnen respectievelijk R-8291 (Oekraïne), R-8292 (Wit Rusland) en R834 (Zuid-Afrika) uit hoofde van "garanties", om de betalingen uit het garantiefonds te kunnen verrekenen.
Overeenkomst met Oostenrijk (Artikel XXVIII van de GATT)

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en tegenstemmen van Griekenland en Italië het besluit tot sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oostenrijk overeenkomstig artikel XXVIII van de GATT aangenomen.

De overeenkomst houdt in :


- intrekking uit hoofde van de GATT van een tariefcontingent met een recht van 6 % van 20.000 niet voor de slacht bestemde koeien en vaarzen van de rassen grijsvee, bruinvee, geelvee, vlekvee, Simmentalervee en Pinzgauvee ;


- de vervanging van deze concessie door een tariefcontingent van 5.000 stuks met het zelfde recht, dat op 1 juli 1995 ingaat.
Controle op schepen in gemeenschapshavens

Na in de zitting van 21-22 november 1994 een akkoord te hebben bereikt (zie mededeling aan de Pers 11054/94 Presse 239), heeft de Raad nu het gemeenschappelijk standpunt omtrent het voorstel voor een richtlijn betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van Lid-Staten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) aangenomen.

Deel: ' Verslag Europese Raad - Vervoer 14-03-1995 '




Lees ook