2188. Raad - VOLKSGEZONDHEID

Press Release: Luxembourg (08-06-1999) - Nr. 8876/99 (Presse 185)


Voorzitter: mevrouw Andrea FISCHER minister van Volksgezondheid van Duitsland

BEPERKING VAN BLOOTSTELLING VAN DE BEVOLKING AAN ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN 0 Hz-300 GHz

De Raad bereikte met gekwalificeerde meerderheid van stemmen - de Italiaanse delegatie deelde mee dat zij zal tegenstemmen - een politiek akkoord over een aanbeveling betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden 0 Hz-300 GHz.

De aanbeveling zal tijdens een komende zitting van de Raad worden aangenomen, nadat de tekst is bijgewerkt in de officiële talen van de Gemeenschap.

Deze ontwerp-aanbeveling strekt ertoe te voorzien in een gemeenschappelijk overeengekomen kader met het oog op een hoog niveau van bescherming tegen acute effecten van elektromagnetische velden in het frequentiegebied van 0 Hz-300 GHz. Zij is gebaseerd op een reeks basisrestricties en referentieniveaus die zijn uitgewerkt door de "International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP)" (Internationale Commissie voor de bescherming tegen niet-ioniserende straling) in de "Guidelines for Limiting Exposure to Time-Varying Electric, Magnetic and Electro-magnetic Fields" (richtsnoeren voor het beperken van blootstelling aan tijdsafhankelijke elektrische, magnetische en elektromagnetische velden), die in april 1998 zijn gepubliceerd.

Met betrekking tot elektromagnetische velden is bezorgdheid geuit over mogelijke effecten voor de volksgezondheid, met name kanker, van de blootstelling aan velden van kunstmatige oorsprong. Er is echter geen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat EMV's kanker veroorzaken. Er zijn echter wel degelijk gezondheidseffecten vastgesteld; door middel van verschillende nationale regelingen en internationale richtlijnen heeft men dan ook blootstelling aan EMV's willen vermijden of beperken. Tot de bronnen van EMV's behoren:

- bronnen van statische elektrische en magnetische velden,
- hoogspanningsleidingen en elektrische apparaten,
- geëlektrificeerde spoorwegnetten,

- radiozenders,

- cellulairemobiele telefonie,

- basisstations voor mobiele telefonie,
- radar.

TOEKOMSTIGE ACTIE VAN DE GEMEENSCHAP OP HET GEBIED VAN DE VOLKSGEZONDHEID

De Raad wisselde van gedachten over de toekomstige actie van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid.

De ministers gaven hun visie op de prioriteiten binnen het nieuwe kaderprogramma op het gebied van de volksgezondheid, en indicaties omtrent het noodzakelijke financiële kader voor volksgezondheidsmaatregelen op communautair niveau.

Uit de bespreking bleek dat een groot aantal delegaties achter de drie hoofdelementen staat, namelijk:

- betere informatie ten behoeve van de ontwikkeling van de volksgezondheid, door de ontwikkeling van een gestructureerd en alomvattend communautair systeem voor het verzamelen, analyseren en verspreiden van informatie;

- snelle reactie op gevaren voor de volksgezondheid, door de totstandbrenging van communautaire surveillance en een voorziening voor vroegtijdige opsporing en snelle reactie;
- aanpak van factoren die bepalend zijn voor de volksgezondheid door middel van gezondheidsbevordering en ziektepreventie, zowel dankzij breed opgezette gezondheidsbevorderingsactiviteiten als door specifieke ziektepreventiemaatregelen, onderbouwd door een intersectoraal optreden, en benutting van de instrumenten die het Verdrag biedt, niet alleen op het gebied van de volksgezondheid, maar ook in andere sectoren.

De volksgezondheidsprogramma's moeten echter beter gestructureerd worden, bijvoorbeeld door alle programma's onder te brengen in één overkoepelend programma. Ook werd voor het toekomstige volksgezondheidsprogramma een meer horizontale aanpak bepleit, waarin ook volksgezondheidsaspecten van andere communautaire beleidsterreinen, zoals de interne markt, het milieu en sociale zaken, aan bod komen.

Aan het eind van de bespreking nam de Raad de volgende resolutie aan:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. HERINNEREND aan de mededeling van de Commissie van 15 april 1998 betreffende de ontwikkeling van beleid op volksgezondheidsgebied in de Europese Gemeenschap , waarmee werd beoogd een brede discussie op het niveau van de Gemeenschap en op nationaal niveau op gang te brengen;

2. HERINNEREND aan zijn conclusies van 26 november 1998 betreffende het toekomstig actiekader van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid , waarin algemene beginselen zijn vastgesteld;

3. NOTA NEMEND van de resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 1999 over de mededeling van de Commissie betreffende de ontwikkeling van beleid op volksgezondheidsgebied in de Europese Gemeenschap;

4. NOTA NEMEND van het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 9 september 1998 en het advies van het Comité van de Regio's van 19 november 1998, over de mededeling van de Commissie betreffende de ontwikkeling van beleid op volksgezondheidsgebied in de Europese Gemeenschap;

5. NOTA NEMEND van de resultaten van de van 27 tot en met 29 januari 1999 te Potsdam gehouden conferentie over het nieuwe volksgezondheidsbeleid van de Europese Unie, die een positieve bijdrage vormen aan het debat over de ontwikkeling van de toekomstige actie van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid;

6. BENADRUKT dat de toekomstige actie van de Gemeenschap - gericht op de verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid - op een gecoördineerde en samenhangende wijze oog moet hebben voor de bezorgdheid van de burgers van de Gemeenschap omtrent de risico's voor hun gezondheid en voor hun verwachtingen ten aanzien van een hoog niveau van gezondheid;

7. ACHT HET NOODZAKELIJK dat alle activiteiten in de Gemeenschap die verband houden met de gezondheid in hoge mate zichtbaar en transparant zijn, ten einde de bekendheid ervan te vergroten en zo een grotere betrokkenheid van de burgers mogelijk te maken;
8. BENADRUKT dat een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid steeds belangrijker wordt, gezien de uitdagingen op volksgezondheidsgebied waarmee de lidstaten en de Europese Unie in het komende millennium te maken zullen krijgen;
9. IS VAN MENING dat de volgende aspecten tot de belangrijkste uitdagingen behoren: de nieuwe bedreigingen voor de gezondheid, de oude bedreigingen die opnieuw de kop opsteken, de belangrijke volksziekten, de genetische, gedraggebonden en milieudeterminanten van de gezondheid, de toenemende ongelijkheden op gezondheidsgebied, kwaliteitsbewaking, demografische veranderingen en de gevolgen van de vergrijzing, sociale, economische en politieke factoren, de vorderingen in het onderzoek en de toepassing en verbreiding van nieuwe technologieën, in het bijzonder de biotechnologie;
10. BENADRUKT dat de Gemeenschap goed moet zijn uitgerust om deze uitdagingen aan te kunnen; daartoe is het nodig om enerzijds, meer in het bijzonder binnen de drie elementen die in de conclusies van de Raad van 26 november 1998 worden genoemd, passende acties en maatregelen met toegevoegde communautaire waarde, en anderzijds passende wetenschappelijke en administratieve structuren op te zetten;
11. BENADRUKT dat het van belang is dat het nieuwe programma de samenwerking tussen de lidstaten aanmoedigt, en zo nodig ondersteunt, inzake passende aangelegenheden met betrekking tot de belangrijkste uitdagingen en op andere terreinen waarop zij willen samenwerken, voorzover de Verdragsdoelstellingen inzake volksgezondheid daartoe ruimte bieden;
12. IS VAN MENING dat op lange termijn de doeltreffendheid van de actie van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid in zeer grote mate zal afhangen van de beschikbaarheid van voor de gestelde prioriteiten passende communautaire middelen en de aanhoudende inzet van de betrokken autoriteiten in de lidstaten; 13. BENADRUKT dat bestaande netwerken van de Gemeenschap beoordeeld moeten worden op het feit of zij geschikt zijn om de belangrijkste uitdagingen aan te kunnen;
14. HERHAALT dat bij de ontwikkeling van maatregelen ten aanzien van al de drie in de conclusies van de Raad van 26 november 1998 vermelde elementen, rekening moet worden gehouden met de behoeften die voortvloeien uit de toekomstige uitbreiding van de Europese Unie en de werkzaamheden van de internationale organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de volksgezondheid; 15. BENADRUKT dat het, om de wetenschappelijke basis te versterken, noodzakelijk is dat het onderzoek een essentiële rol speelt ter ondersteuning van de toekomstige actie van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid. Om relevant te zijn voor de volksgezondheid in de Gemeenschap moet aan de volksgezondheid gerelateerd onderzoek op communautair niveau beantwoorden aan de specifieke onderzoeksbehoeften en -onderwerpen die worden aangeduid door de sector van de volksgezondheid, die gemakkelijker toegang moet krijgen tot de onderzoekprogramma's; 16. BENADRUKT dat er procedures moeten worden ingesteld waarmee de Gemeenschap en de lidstaten toezicht kunnen houden op de gevolgen van communautaire beleidsmaatregelen en activiteiten, in het bijzonder in verband met de interne markt, voor de volksgezondheid en de gezondheidszorg om het gemakkelijker te maken tot een passend evenwicht te komen tussen de gevolgen van de interne markt en de onveranderde verantwoordelijkheden van de lidstaten wat betreft de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging;
17. ACHT HET PASSEND dat na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 de interne organisatie, de samenwerking en de werkmethoden op communautair niveau opnieuw worden bezien teneinde te komen tot een betere coördinatie van de aangelegenheden die verband houden met de volksgezondheid, en zodoende te zorgen voor een hoog niveau van volksgezondheidsbescherming bij de vaststelling en uitvoering van alle communautaire beleidsmaatregelen en activiteiten; 18. VERZOEKT de Commissie, met spoed en ter wille van de continuïteit gezien het verstrijken van de bestaande programma's, tijdig voor de volgende zitting van de Raad over gezondheidsvraagstukken een voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake een actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid in te dienen."

ANTIBIOTICARESISTENTIE - EEN STRATEGIE TEGEN DE MICROBIOLOGISCHE DREIGING - RESOLUTIE VAN DE RAAD

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. OVERWEGENDE dat resistentie tegen antibiotica een belangrijk Europees en wereldwijd gezondheidsprobleem is;
2. ERAAN HERINNEREND dat bij de bepaling van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid moet worden verzekerd;
3. OVERWEGENDE dat er, om te voorkomen dat bij micro-organismen resistentie ontstaat tegen antibiotica die worden gebruikt in de menselijke en de diergeneeskunde en in diervoeding, en om ervoor te zorgen dat antibiotica doeltreffend blijven bij de behandeling van infecties, naast nationale initiatieven, een gemeenschappelijke strategie en gecoördineerde actie op communautair en internationaal niveau vereist zijn;
4. ERAAN HERINNEREND dat het toenemende bewustzijn van dit probleem op nationaal, communautair en internationaal niveau tot diverse initiatieven en acties op uiteenlopende gebieden heeft geleid;

5. HERINNEREND AAN de WHO-conferentie die in oktober 1997 in Berlijn is gehouden en aan het na die conferentie uitgebrachte rapport over de medische gevolgen van het gebruik van antimicrobiële agentia bij voor de voedselproductie bestemde dieren, alsmede aan de WHO-conferentie van Verona van december 1997;

6. HERINNEREND AAN de resolutie van het Europees Parlement van 15 mei 1998 over het gebruik van antibiotica in diervoeding ;
7. HERINNEREND AAN de EU-conferentie over de microbiële dreiging die op 9-10 september 1998 in Kopenhagen is gehouden, en aan de aanbevelingen van die conferentie, waarin mogelijke initiatieven en acties op communautair niveau worden aangegeven;
8. ZICH VERHEUGEND OVER het initiatiefadvies van het Economisch en Sociaal Comité van 9 september 1998 over "Antibioticaresistentie, een gevaar voor de volksgezondheid";

9. HERINNEREND AAN Verordening (EG) nr. 2821/98 van de Raad van 17 december 1998 tot wijziging, wat betreft de intrekking van de toelating van bepaalde antibiotica, van Richtlijn 70/524/EEG betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding ; 10. ERAAN HERINNEREND dat de Raad bij de aanneming van genoemde verordening de Commissie heeft verzocht om vóór 30 juni 1999 met een verslag te komen over alle volksgezondheids-, economische en juridische implicaties voor de externe dimensie van het antibioticaresistentiedossier;
11. HERINNEREND AAN Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap dat een kader vormt voor het toezicht op overdraagbare ziekten; 12. ERAAN HERINNEREND dat bedrijven die antibiotica vervaardigen voor gebruik als toevoegingsmiddel in diervoeding, krachtens Richtlijn 95/69/EG een gegevensbestand moeten bijhouden met het oog op de traceerbaarheid van de hoeveelheden gebruikte antibiotica, en dat in dat bestand onder meer de aard en de hoeveelheid van het toevoegingsmiddel opgenomen moeten zijn; 13. NOTA NEMEND van het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 28 mei 1999;
14. ZICH VERHEUGEND OVER de op Europees niveau aangevatte en door de Commissie gesteunde projecten en over de maatregelen van het EBG (Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling) op het gebied van de controle op het gebruik van antibiotica; 15. BENADRUKT dat resistentie tegen antibiotica de morbiditeit en de mortaliteit ten gevolge van overdraagbare ziekten doet toenemen;
16. ONDERSTREEPT dat dit niet alleen tot een vermindering van de levenskwaliteit leidt, maar ook tot extra kosten voor de gezondheidszorg en voor medische zorg;
17. BEKLEMTOONT dat antibiotica onmisbaar zijn bij de bestrijding van infectieziekten; dat het daarom van het grootste belang is dat de doeltreffendheid van de geneesmiddelen die nog effect sorteren, behouden blijft;
18. IS VAN OORDEEL dat resistentie tegen antibiotica en de diverse oorzaken daarvan multidisciplinair, op horizontale wijze benaderd moeten worden;
19. ACHT het noodzakelijk dat, omdat dit probleem voor de gehele wereld geldt, de lidstaten en de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de doelstellingen van deze resolutie actief bevorderen in internationale organisaties, met name de WHO, de FAO en het OIE;
20. HERHAALT zijn verbintenis om een alomvattende strategie uit te werken ter voorkoming van de ontwikkeling van resistentie tegen antibiotica;
21. IS VAN OORDEEL dat deze alomvattende strategie gebaseerd moet zijn op risicoanalyse die gebruik maakt van bekende wetenschappelijke conclusies, waarbij het voorzorgsaspect nooit uit het oog wordt verloren, en gecoördineerde actie voor controle en preventie alsmede onderzoek moet omvatten, met name op de volgende gebieden:


- controle en preventie met betrekking tot

= bewaking van resistentie tegen antibiotica bij mens en dier en in levensmiddelen en van de gevolgen daarvan;
= bewaking van en controle op het gebruik van antibiotica (in de menselijke en de diergeneeskunde, in diervoeding, tuinbouw en andere vormen van landbouwproductie, en levensmiddelen); = bewaking van infectieziekten in de gezondheidszorg, zowel in ziekenhuizen als daarbuiten;
= bewaking van infectieziekten bij de dierlijke productie; = ontwikkeling van nieuwe therapeutische en preventieve geneesmiddelen;
= bevordering van een terughoudend gebruik van antibiotica en vorming inzake farmacotherapie;


- onderzoek naar
= het effect van preventieve maatregelen;
= de ontwikkeling van nieuwe antibiotica en alternatieven; = het beste gebruik van antibiotica;
= factoren die het gevaar van het ontstaan van resistentie tegen antibiotica doen toenemen;
= mechanismen voor de verspreiding en ontwikkeling van resistentie tegen antibiotica;
= beste landbouwmethoden om de gezondheid van dieren te bevorderen;

22. VERZOEKT DE LIDSTATEN OM

- een multidisciplinair, horizontaal beleid uit te werken om de verspreiding van resistentie tegen antibiotica beter te kunnen bestrijden;

- samen te werken met het oog op een doeltreffende, vergelijkbare bewaking van de levering en het gebruik van antibiotica, alsmede van de resistentie tegen antibiotica;

- het beginsel te handhaven dat als geneesmiddel voor mens of dier toegelaten antibiotica alleen op voorschrift mogen worden verstrekt en toe te zien op de toepassing van dat beginsel;
- onderschrijving van de beginselen inzake beheersing van infectieziekten, zowel in ziekenhuizen als daarbuiten alsmede bij de dierlijke productie, te bevorderen;

- het zo verantwoord mogelijk voorschrijven en gebruiken van antibiotica te bevorderen (door middel van bijscholing, richtsnoeren enz.) en onnodig en onjuist gebruik in de geneeskunde voor mens en dier te voorkomen;

- acties te bevorderen waardoor gezondheidswerkers, landbouwers en de bevolking meer inzicht krijgen in het probleem van resistentie tegen antibiotica;

- op gezondheid gerichte dierproductiesystemen te bevorderen, waardoor de behoefte aan antibiotica vermindert;
- onderzoek op dit gebied te bevorderen;
- nauw samen te werken met de Commissie, met name op de bovengenoemde terreinen;

23. VERZOEKT DE COMMISSIE OM:

- bewaking van resistentie tegen antibiotica in de menselijke geneeskunde en op het gebied van zoönosebeheersing tot een prioriteit te maken, en via het communautaire netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten, complementariteit van die bewaking te bevorderen;
- op basis van vergelijkbare, door de lidstaten verstrekte gegevens, verslag uit te brengen, en conclusies op te stellen over de levering en het gebruik van antibiotica, met name in de menselijke en de diergeneeskunde, in diervoeding, in de tuinbouw en andere vormen van landbouwproductie en in levensmiddelen;
- door passende communautaire acties uitwisseling van ervaring met en informatie over het rationele gebruik van antibiotica te ondersteunen;

- bij de uitvoering van het vijfde kaderprogramma onderzoek te bevorderen naar

= de ontwikkeling van resistentie tegen antibiotica in populaties bacteriën, en het begrip voor de overdraagbaarheid van resistente bacteriën bij mensen, dieren en via de omgeving, = de mogelijke overdracht van resistentie tegen antibiotica die te maken kan hebben met het gebruik van antibioticaresistentiemarkers in transgene levensmiddelen of transgeen diervoeder; = de ontwikkeling van nieuwe, snelle systemen voor diagnostische en gevoeligheidstesten met het oog op gerichte behandeling, = doeltreffende alternatieven voor antibiotische agentia ter bestrijding en beheersing van overdraagbare ziekten;


- de wenselijkheid te overwegen om een voorstel voor een aanbeveling overeenkomstig het Verdrag op te stellen;


- te onderzoeken of het nodig is de huidige communautaire wetgeving op het gebied van geneesmiddelen, diergeneesmiddelen, inclusief diervoeder met medicinale werking, diervoeding, tuinbouw en andere vormen van landbouwproductie en levensmiddelen, inclusief het communautaire stelsel van de toelating van geneesmiddelen, te herzien om deze resolutie te verwezenlijken;


- bij specifieke acties op het gebied van gezondheid voor kandidaat-lidstaten, met name in het kader van het PHARE 2000-programma, bijzondere aandacht te besteden aan het probleem van resistentie tegen antibiotische agentia;


- op dit gebied samen te werken met de betrokken internationale organisaties, in nauwe coördinatie met de lidstaten."

INTEGRATIE VAN DE EISEN VOOR DE BESCHERMING VAN DE VOLKSGEZONDHEID IN DE COMMUNAUTAIRE BELEIDSMAATREGELEN - CONCLUSIES VAN DE RAAD

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

BEVESTIGT OPNIEUW zijn resoluties van 20 december 1995 en 12 november 1996 alsmede zijn conclusies van 30 april 1998 betreffende de integratie van de eisen voor de bescherming van de volksgezondheid in de communautaire beleidsmaatregelen en neemt er nota van dat de Commissie, in aansluiting op deze resoluties en conclusies, doende is passende methoden en criteria te ontwikkelen voor de integratie van gezondheidseisen in andere communautaire beleidssectoren en voor de evaluatie van de gevolgen van communautaire beleidsmaatregelen voor de menselijke gezondheid;

VERZOEKT de Commissie OPNIEUW om in haar jaarverslagen over de uitvoering van het algemeen werkprogramma van het voorgaande jaar afdelingen op te nemen over de gevolgen voor de volksgezondheid en in haar jaarlijks werkprogramma alle voorstellen aan te geven die gevolgen voor de bescherming van de volksgezondheid kunnen hebben;

BETREURT het dat het vierde jaarverslag over de integratie van de eisen voor de bescherming van de volksgezondheid in de communautaire beleidsmaatregelen (1997) nog niet is toegezonden;

DRINGT er bij de Commissie op AAN haar vierde verslag met spoed in te dienen;

WIJST EROP dat de verplichting om de volksgezondheid te integreren in andere communautaire beleidsmaatregelen is aangescherpt;

IS VAN MENING dat toekomstige verslagen een probleemgerichte aanpak moeten volgen en toegespitst moeten zijn op vraagstukken van direct belang, met inachtneming van de prioriteiten van het nieuwe programma inzake de volksgezondheid."

OVERDRAAGBARE ZIEKTEN

De Raad nam nota van de door Commissielid FLYNN gepresenteerde informatie over twee vraagstukken:


- TASK FORCE EU-VS VOOR OVERDRAAGBARE ZIEKTEN

Commissielid FLYNN bracht de Raad verslag uit van de vierde vergadering van de Task Force EU-VS die op 10 t/m 12 mei in Washington is gehouden.

Gememoreerd werd dat deze Task Force is opgericht in het kader van de uitvoering van de nieuwe trans-Atlantische agenda en het gezamenlijk actieplan EU-VS dat de voorzitter van de Raad, de voorzitter van de Commissie en president Clinton in december 1997 hebben ondertekend. De Task Force is belast met de uitbreiding van de bestaande mechanismen voor internationale samenwerking, op het gebied van surveillance, preventie en beheersing van overdraagbare ziekten.

Drie werkgroepen verrichten de technische werkzaamheden (surveillance and response, research and research training, and capacity review and strengthening).


- INFORMATIE OVER DE ONTWIKKELINGEN IN EUROPA

Commissielid FLYNN bracht tevens verslag uit over de ontwikkelingen in Europa.

De beschikking tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap, wordt momenteel uitgevoerd en het netwerk heeft al informatie verwerkt over twee belangrijke uitbraken van besmettelijke ziekten. Met betrekking tot de situatie in Zuidoost-Europa beklemtoonde Commissielid FLYNN dat snel iets moet worden gedaan aan de slechte omstandigheden waaronder de ontheemden uit Kosovo leven, zodat kan worden ingespeeld op het gevaar van het uitbreken van epidemieën in de kampen.

Gememoreerd zij dat de Raad op 24 september jongstleden de beschikking heeft aangenomen tot oprichting van een netwerk van epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap, die de kern en de belangrijkste referentie is voor de werkzaamheden van de Task Force EU-VS. In januari jl. werd een aanvang gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden in dezen.

VERSLAG OVER DE GEZONDHEIDSTOESTAND IN DE EUROPESE GEMEENSCHAP (MIGRANTEN)

De Raad nam nota van de informatie die Commissielid FLYNN gaf over een derde verslag betreffende de gezondheidstoestand in de Europese Gemeenschap.

Deze verslagen worden op gezette tijden aan de Raad voorgelegd; in 1995 werd een eerste verslag voorgelegd met een algemeen overzicht van de gezondheidstoestand in de Gemeenschap; in 1997 volgde een verslag over de gezondheidstoestand van vrouwen in de Gemeenschap. Een derde verslag zal worden gewijd aan de gezondheidstoestand van migranten in de Gemeenschap. Aangezien de Commissie het noodzakelijk vindt dat in dit verslag rekening wordt gehouden met de specifieke gezondheidssituatie van vluchtelingen uit Kosovo die de lidstaten binnenkomen, is de toezending van dit verslag uitgesteld.

OVERDRAAGBARE SPONGIFORME ENCEFALOPATHIEËN (TSE)

De Raad wisselde van gedachten over overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE). Deze bespreking vond aan de hand van een verslag van de Commissie met de laatste cijfers over TSE plaats in het licht van de jongste ontwikkelingen omtrent de incidentie van een nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jacob (CJD).

Het TSE-vraagstuk, met name het mogelijk verband tussen bovine spongiforme encefalopathieën (BSE) en de ziekte van Creutzfeldt-Jacob staat sinds de zitting in mei 1996 op de agenda van de Raad Volksgezondheid.

DIVERSEN

"ANTI-TABAKSCAMPAGNE" VAN DE WHO

De Raad nam nota van een presentatie van de Nederlandse delegatie over de "ANTI-TABAKS-CAMPAGNE" van de WHO.

De Nederlandse delegatie maakt zich zorgen over de gezondheidsriciso's in verband met roken, en vestigde de aandacht van de Raad op een internationale overeenkomst (Framework Convention on Tobacco Control) die wordt opgesteld als onderdeel van het "Tobacco Free Initiative", een "anti-tabakscampagne" die de WHO (World Health Organisation) onder auspiciën van haar directeur-generaal, mevrouw Brundtland, lanceert. Doel van de campagne is greep te krijgen op de tabaks-reclame en de productie en verspreiding van tabakswaren.

DOOR DIOXINE BESMETTE LEVENSMIDDELEN

De Raad nam nota van de informatie die de Belgische minister verstrekte over maatregelen die al zijn of nog zullen worden genomen om het gevaar van dioxinebesmetting in bepaalde voedsel-producten te elimineren.

° ° °

INFORMELE BIJEENKOMST MET DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID VAN DE LMOE EN CYPRUS

De Raad hield een informele bijeenkomst met de ministers van volksgezondheid van de 11 kandidaat-lidstaten. Deze bijeenkomst maakte deel uit van de door de Europese Raad van Luxemburg (12/13 december 1997) vastgestelde pretoetredingsstrategie.

Doel van deze bijeenkomst was van gedachten te wisselen over gezondheidsvraagstukken van wederzijds belang, en de mogelijkheden van samenwerking tussen de Gemeenschap en de kandidaat-lidstaten op het gebied van volksgezondheid te onderzoeken.

De ministers van de kandidaat-lidstaten kregen het verzoek te reageren op drie vragen van het voorzitterschap over:

- de voornaamste gezondheidsproblemen in de kandidaat-lidstaten,
- de moeilijkheden die rijzen tijdens de hervorming van het gezondheidssysteem, en

- de eventuele bijdrage die samenwerking met de Europese Unie in het kader van de volksgezondheidsprogramma's en de pretoetredingsstrategie (programma PHARE) kan leveren tot de oplossing van de gezondheidsproblemen in de kandidaat-lidstaten.

Het voorzitterschap vatte deze gedachtewisseling als volgt samen:
- alle delegaties waren het erover eens dat het gezondheidsbeleid voor het welzijn van de burgers en de sociale stabiliteit in Europa van groot belang is,

- de verklaringen die tijdens de bijeenkomst werden afgelegd vormen een goed uitgangspunt voor voortzetting van de dialoog die tijdens deze zitting van start is gegaan,

- allerlei vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid vergen een grondige aanpak,

- de hervorming van de gezondheidssystemen is een uitdaging voor zowel de kandidaat-lidstaten als voor de lidstaten van Europese Unie,

- het PHARE-programma is in het kader van de samenwerking op het gebied van de volksgezondheid op Europees niveau het belangrijkste instrument, en

- het document van de Commissiediensten over volksgezondheid en uitbreiding vormt een goed uitgangspunt voor verdere besprekingen in deze context.

Het voorzitterschap verzocht het komende Finse voorzitterschap de werkzaamheden op dit gebied voort te zetten aan de hand van de bespreking en van het Commissiedocument.

_______________


/newsroom/press/c/ACF81.htm

Deel: ' Verslag Europese Raad Volksgezondheid 08-06-1999 '




Lees ook