Tweede Kamer der Staten Generaal


24578000.028 vao vmbo-infrastructuur

Gemaakt: 20-3-2000 tijd: 15:32


24578 MAVO/VBO/VSO

Nr. 28 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 maart 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<1> heeft op 16 februari 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris Adelmund van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:


- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 1 september 1999 inzake VMBO-infrastructuur en het implementatieproces van de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs, met name het PMVO (24578, nr. 20);


- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 30 september 1999 inzake implementatie vernieuwingen voortgezet onderwijs, met name het PMVO (24578, nr. 22);

- de brieven van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 28 september 1999 respectievelijk 6 oktober 1999 ter aanbieding van het Onderwijsraadadvies concepteindexamenbesluit MAVO/VBO en haar reactie op hoofdlijnen hierop (OCW-99-934);

- de brief van de Algemene Rekenkamer van 11 oktober 1999 ter aanbieding van de rapportage "Procesmanagement bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen" (OCW-99-1013);

- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 26 november 1999 inzake regionale verwijzingscommissies (24578, nr. 25);


- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 17 december 1999 inzake voortgang invoering VMBO (OCW-00-5);


- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 31 januari 2000 ter aanbieding van het advies van de Onderwijsraad met betrekking tot de examenprogramma's VMBO maatschappijleer en kunstvakken I (OCW-00-144) en de beleidsreactie van 8 februari 2000 (24578, nr. 26);


- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, d.d. 8 februari 2000 ter aanbieding van haar reactie op het advies van de werkgroep "toelating praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs", inzake zij- en neveninstroom van leerlingen (24578, nr. 27).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Dijksma (PvdA) merkte op dat het VMBO een belangrijke vorm van voortgezet onderwijs is, omdat ongeveer 60% van de scholieren er terechtkomt. Bij de infrastructuur van het nieuwe VMBO is van belang dat er soms te veel kleine afdelingen zijn, waar de kwaliteit van het onderwijs onder kan lijden. De PvdA-fractie is voorstander van een herschikking van het aantal afdelingen in het VBO, maar de scholen zijn weinig toeschietelijk bij het uitruilen van afdelingen. Als alle aanvragen van scholen voor intrasectorale programma's in de beroepsgerichte leerwegen worden gehonoreerd, leidt dat tot een groter aanbod, bij per saldo hetzelfde aantal leerlingen. Deze verdunning zou de VBO-afdelingen verzwakken, terwijl een versterking nodig is. De PvdA-fractie vond het zorgwekkend dat slechts weinig leerlingen van plan zijn een leerweg voor een technisch beroep te kiezen, gezien de tekorten op de arbeidsmarkt en het belang van techniek in het algemeen. Een nieuwe promotiecampagne leek mevrouw Dijksma geen oplossing voor dit probleem. De staatssecretaris zou maatregelen moeten treffen om MAVO-C-leerlingen toe te leiden naar de technische sector.

In de Zwolse variant is gekozen voor samenwerking tussen scholen, waarbij een leerling staat ingeschreven bij de ene school, maar sectorvakken of een beroepsgericht programma volgt op een andere school. In Almere werkt men aan een variant hiervan. De PvdA-fractie wilde de scholen wel ruimte bieden om deze samenwerkingsvormen binnen redelijke grenzen creatief uit te werken, maar er zullen toch afdelingen gesloten moeten worden. De staatssecretaris heeft doelmatigheidscriteria opgesteld die hierbij als leidraad zullen dienen. De herschikking van afdelingen moet binnen enkele maanden afgerond zijn. Het ministerie moet hierbij de regie voeren. Er moet naar het gehele aanbod van onderwijs in de regio worden gekeken, omdat het brede pakket aan leerwegen in principe in iedere regio voorhanden moet zijn.

De Onderwijsraad heeft in zijn advies over het
ontwerpeindexamenbesluit voor de leerwegen MAVO en VBO bezwaar gemaakt tegen het voorstel om bij de basisberoepsgerichte leerweg aan de verhouding tussen schoolexamen en centraal examen een gewicht toe te kennen van 2:1, terwijl dit bij de andere leerwegen 1:1 is. De staatssecretaris houdt vast aan deze uitzonderingspositie, omdat hiervoor steun is in het onderwijsveld. Mevrouw Dijksma vroeg de staatssecretaris welke organisaties deze maatregel ondersteunen. Zij vroeg ook om een goede voorbereiding bij de invoering van een centraal examen bij de BBL. Hebben de pilot en het sleutelnetwerk al gegevens opgeleverd?

De VVO is van oordeel dat de opzet van de kerndoelen onvoldoende ruimte biedt voor de beoordeling van praktische vaardigheden. Bij de vernieuwing in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs door de invoering van de profielen bij HAVO en VWO was de overladenheid een groot probleem. Mevrouw Dijksma benadrukte dat er goed op moet worden gelet of er bij het VMBO ook sprake is van overladenheid. Zij vroeg om hierover eerder dan in 2001 gegevens te krijgen.

De PvdA-fractie stemde in met uitstel van de invoering van het vak kunstvakken I, maar zij betwijfelde of het een goed idee is om bij het vak maatschappijleer met cijfers te werken. Dat betekent voor de leerlingen in de BBL een verzwaring en voor de theoretische leerweg een verlichting. De PvdA-fractie was geen voorstander van een verlaging van het niveau van de theoretische leerweg. Mevrouw Dijksma vroeg om het vak maatschappijleer op dezelfde manier in te voeren als kunstvakken I.

Wat betreft de positie van het VMBO voelde mevrouw Dijksma zich enigszins overvallen door het voorstel van de staatssecretaris dat niet alleen leerlingen van de theoretische leerweg, het vroegere MAVO, maar ook leerlingen die de gemengde leerweg hebben gevolgd, kunnen worden toegelaten tot het HAVO. De gemengde leerweg verschilt van de theoretische leerweg door een enkel beroepsgericht vak. De werkgeversorganisaties hebben gezegd de gemengde leerweg te beschouwen als een overblijfsel uit de periode voordat de intrasectorale programma's werden ingevoerd.

Mevrouw Dijksma wilde geen discussie over de structuur van de leerwegen, maar zij wilde ook niet dat het onderwijs wordt aangepast aan een kleine groep die via het MBO doorstroomt naar het HAVO, terwijl de overgrote meerderheid doorgaat naar het secundair beroepsonderwijs. Alle vormen van doorstroming zijn waardevol, maar het vooruitzicht op toelating tot HAVO kan een vlucht uit de beroepsgerichte leerwegen teweegbrengen. Bij het streven naar integratie van MAVO en VBO moet een ongedeeld VMBO het uitgangspunt zijn, ook al kan dit niet direct wettelijk worden vastgelegd.

De ervaring heeft geleerd dat er veel aandacht moet worden besteed aan de faciliteiten. De Onderwijsraad heeft vraagtekens gezet bij het voorstel om de bezetting van de praktijklokalen te spreiden door sommige toetsen van het praktijkgedeelte van de examens eerder af te nemen. De ene leerling krijgt hierdoor aanmerkelijk meer tijd om zich bepaalde vaardigheden eigen te maken dan de andere.

Er is door verschillende deskundigen gezegd dat het instellen van een innovatiefonds voor het VMBO de implementatie kan bevorderen en de problemen bij het ontwikkelen van leermethodes voor sommige beroepsgerichte vakken kan verminderen. In het regeerakkoord is afgesproken dat er 100 mln. wordt uitgetrokken voor onder andere de invoering van het VMBO. In het hoger onderwijs is ook een innovatiefonds. Dat hoeft niet per se te leiden tot bureaucratische rompslomp, want het kan ook heel dynamisch werken.

Mevrouw Dijksma vroeg welke criteria er worden gehanteerd door regionale verwijzingscommissies (RVC's) voor leerlingen die speciale zorg nodig hebben. De huidige situatie wordt met een jaar verlengd, omdat de voorstellen voor die criteria nog niet zijn afgerond. Er is een amendement van de heer Cornielje over de invoering van het zorgbudget: go, no go of go later. Er is snel helderheid nodig over het zorgbudget na 2002, omdat dit van belang is voor de aansluiting van het speciaal onderwijs op het regulier onderwijs.

Wat betreft het tijdpad vroeg mevrouw Dijksma om een implementatieplan waarin wordt vermeld op welk moment welke actie wordt ondernomen, zodat duidelijk wordt of de beslissingen op tijd worden genomen. Een geleidelijke invoering is wel verantwoord, maar er moet niet al bij voorbaat worden aangekoerst op uitstel.

De heer Cornielje (VVD) merkte in navolging van de Onderwijsraad op dat er een onevenwichtige verhouding is tussen formele en gedelegeerde regelgeving voor het VMBO. De formele wetgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, maar zij is niet betrokken bij AMvB's of ministeriële regelingen. De heer Cornielje vroeg om een implementatieagenda, zodat de Kamer meer zicht heeft op de uitwerking hiervan.

Er is gewaarschuwd dat ongeveer 15% van de leerlingen tussen het praktijkonderwijs en de basisberoepsgerichte leerweg (BBL) dreigt uit te vallen, omdat de exameneisen daarvan te hoog uitvallen. De heer Cornielje stelde voor om een doorlopende leerlijn van de BBL van het VMBO naar niveau 1 van het MBO te maken, zodat deze leerlingen een vakdiploma in het MBO kunnen halen. Hij vroeg of is overwogen om bij een aantal scholen een pilot hiernaar te laten plaatsvinden.

De heer Cornielje betreurde het dat de discussie te veel wordt gericht op leerlingen die van VMBO naar HAVO gaan. Beter was het de discussie te richten op het versterken van de kolom van het beroepsonderwijs. Hij was van mening dat het VMBO de koninklijke route is naar het MBO. Alle leerwegen, ook de theoretische, zijn bedoeld om de leerlingen voor te bereiden op de studie aan het MBO. Een klein deel van de leerlingen die de theoretische leerweg hebben gevolgd, gaat via het HAVO naar het HBO. In eerdere debatten is ervoor gekozen om leerlingen die de gemengde leerweg hebben gevolgd geen toegang tot het HAVO te geven, omdat dit een verkeerd signaal is. Het verdient aanbeveling om de mogelijkheid te verkennen van een verkort traject van VMBO naar MBO, zodat heel goede leerlingen, die vijf vakken op D-niveau en een beroepsgericht vak hebben gevolgd, vrijstellingen kunnen krijgen voor het MBO. Als die mogelijkheid er is, blijven die leerlingen in ieder geval binnen de beroepsgerichte kolom. De heer Cornielje zag met belangstelling uit naar de notitie over samenwerking tussen VMBO en MBO.

De Onderwijsraad heeft gewaarschuwd tegen overladenheid van het VMBO en de aanbeveling gedaan om de programma's nog eens kritisch door te lichten wat betreft de facetten en de educaties. Deze kritische doorlichting moet plaatsvinden voordat de leermiddelen zijn ontwikkeld. Een consequentie hiervan kan zijn dat er enige vertraging ontstaat.

De heer Cornielje deelde mee dat de praktische sectororiëntatie, die onderdeel is van de basisvorming, vanaf het eerste leerjaar mag worden gegeven.

De voortgangsrapportage over de uitruil van afdelingen is buitengewoon summier. Het is vrijwel onmogelijk om hierbij regie te voeren als er geen instrumenten zijn om dit proces op gang te brengen. In Zwolle en Almere zijn al goede vormen van samenwerking tot stand gebracht. Daarvoor kunnen incentives worden ingezet in de vorm van geld of meer ruimte voor het opzetten van intrasectorale programma's. De heer Cornielje was van mening dat het Zwolse model ook toegepast kan worden in combinatie met regionale opleidingencentra (ROC's). Hij vroeg om deze aspecten op te nemen in de uitwerkingsnotitie.

De VVD-fractie was van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan vormgeving en verdeling van het zorgbudget. De staatssecretaris heeft geschreven dat onzekerheid over de vormgeving van het zorgbudget een remmende factor kan zijn in de besluitvorming over het fusieproces van VSO-LOM. Het definitieve besluit hierover moet nog worden genomen door de Kamer, waarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht. Het proces moet echter niet zo worden vertraagd dat het verzandt in afwachten en niets doen. Bij de rondetafelgesprekken is voorgesteld om een orthopedagogisch-didactisch centrum (OPDC) in te stellen en het VSO-LOM aan dit overkoepelend orgaan te koppelen. Er moeten wel stappen worden gezet naar een goede zorgstructuur, maar bij twijfel moet deze niet ingevoerd worden, want missers zijn ontoelaatbaar bij deze groep leerlingen. Welke consequenties heeft dit mogelijke uitstel voor de volumestijging in het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs?

De heer Cornielje vroeg om bij de implementatieagenda te vermelden welke extra middelen al zijn ingezet voor vernieuwingen in het VMBO en welke middelen hiervoor zijn gereserveerd in het regeerakkoord. Er gaan ook extra middelen via de SLO naar de scholen. Er kan nog wel wat bij, maar er is al heel veel voor uitgetrokken.

De heer Mosterd (CDA) herinnerde eraan dat de Kamer er onlangs mee heeft ingestemd dat de beslissing of een leerling onder de zorgstructuur valt, door de school wordt genomen en niet door de RVC. Het gaat om een weerbarstige materie, omdat de normen die hiervoor worden gesteld, steeds weer vreemd uit blijken te pakken. Er is nog een jaar nodig om te kijken of de verschillen tussen de aantallen die door de scholen en door de RVC's worden aangemeld, kleiner worden. Als er meer leerlingen zijn die deze zorg nodig hebben, moet het budget worden aangepast. Zijn er groepen die nu buiten de boot vallen?

In het verslag over de voortgang van de invoering van het VMBO staat dat onzekerheid over de vormgeving van het zorgbudget een remmende factor kan zijn bij de besluitvorming over het fusieproces van VSO-LOM. De heer Mosterd stelde voor om de zaak uit elkaar te halen. Eerst moet een samenwerkingsverband van scholen tot een heldere structuur proberen te komen. Als de knelpunten daarin zijn opgelost, kan men zich wijden aan de implementatie. Deze procedure is voor de Kamerleden ook beter te volgen. Voorkomen moet worden dat er brokken worden gemaakt doordat de ingangsdatum van 2002 te strikt wordt gehanteerd, maar de vaart moet er niet uit worden gehaald. Het is ook niet de bedoeling dat de bestaande expertise van VSO-LOM verdampt.

Deze VMBO-operatie is bedoeld om het VBO te versterken, zodat meer MAVO-C-leerlingen naar de beroepsgerichte leerwegen gaan. De heer Mosterd vroeg of dit lukt. Wat is nodig om een stroom van MAVO naar VMBO te krijgen? Ouders en leerlingen moeten zien dat zij meer kansen krijgen, wanneer zij naar het VMBO gaan. Een methode hiervoor is om het VMBO verticaal te laten aansluiten bij het ROC. Als er op de leerling afgestemde leerwegen worden aangeboden, die gemakkelijker zijn dan de theoretische leerweg, worden zij misschien verleid om die weg op te gaan.

De heer Mosterd vond het heel onlogisch om leerlingen die de gemengde leerweg hebben gevolgd, toegang te bieden tot het HAVO. Uit het feit dat een leerling een praktijkgericht vak erbij heeft genomen, kan worden afgeleid dat hij geïnteresseerd is in de praktijk. De theoretische leerweg kan worden omschreven als MAVO met zes vakken op D-niveau. Deze leerweg wordt zwaarder. De consequentie hiervan kan zijn dat er veel leerlingen zakken en dat er geluiden komen om het niveau wat te laten zakken. Als wordt toegelaten dat dit niveau daalt, terwijl de doorstroming via de beroepsgerichte leerweg gemakkelijker wordt, loopt de versterking van de beroepsgerichte leerweg op niets uit. Bovendien is bekend dat leerlingen die met MAVO-D in het MBO terechtkomen, het heel goed doen. Er is niets wat deze keuze in de weg staat, als zij hierdoor geen vertraging oplopen. De discussie over de doorstroming van de gemengde leerweg naar HAVO is eigenlijk een theoretische, omdat deze niet veel voordelen biedt. De leerlingen die de gemengde leerweg aan kunnen, die erg zwaar is, kunnen ook doorstromen als zij kiezen voor zes vakken plus een praktijkvak.

De heer Mosterd vroeg de staatssecretaris om de leermiddelenontwikkeling bij de basisberoepsgerichte leerweg te stimuleren. HAVO-VWO-leerlingen kunnen zich desnoods redden met stencils, maar voor deze groep moeten er goede boeken zijn.

De heer Mosterd pleitte voor een geleidelijk invoeringsproces, waarbij goed wordt nagegaan welke factoren een risico vormen en welke leiden tot succes. Uit het rapport van de Onderwijsraad blijkt dat er nogal wat aarzelingen zijn. Er moet een goed implementatieplan zijn voor wat er op welk moment gebeurt. In 2001 wordt gestart met de basis. In de examenprogramma's moeten sommige kleine stukjes misschien tussen haakjes worden gezet. Er zijn al tussenmaatregelen genomen voor de landelijke examens. Dat kan ook bij de kunstvakken of de praktijkopdrachten.

Mevrouw Lambrechts (D66) merkte op dat bij de rondetafelgesprekken is gebleken dat er steun is voor de hoofdrichting en de structuur van het VMBO. Er zijn wel knelpunten gesignaleerd: alles lijkt tegelijk te moeten gebeuren, er is weinig zicht op het geheel en er is een zekere mate van stuurloosheid. Veel directeuren zeggen dat zij er klaar voor zijn, maar 50% van hen blijkt de examenprogramma's nog niet gezien te hebben. In de brief van 17 december wordt een te rooskleurig beeld geschetst. Er staat bijvoorbeeld dat scholen de invoering actief voorbereiden, terwijl uit de quick scan blijkt dat veel scholen er nog lang niet zijn.

De zorgstructuur is het grootste zorgenkindje bij de realisering van het VMBO. In het eerste proefjaar is gebleken dat de criteria niet werkbaar zijn. Bij de leerlinggebonden financiering is ook gebleken dat het moeilijk is om goede criteria te ontwikkelen voor gedragsgestoorde kinderen. Het is goed dat de staatssecretaris heeft besloten om een tweede overgangsjaar in te voeren. Daarna kan nog blijken dat deze structuur niet werkbaar is. Het kan raadzaam zijn om in de tussenliggende periode na te denken over een model waarbij de tussenlaag van de RVC's wordt overgeslagen. Het zorgbudget kan dan naar een centrale dienst gaan, zodat er minder bureaucratie is. Mevrouw Lambrechts was van mening dat het niet mogelijk is om dit najaar al een beslissing te nemen over de criteria of over de opheffing van VSO-LOM.

Een heel belangrijk element in de voorstellen is leerwegondersteuning voor alle leerlingen, maar doordat de problematiek toeneemt in aantal en zwaarte, is het budget eigenlijk al te krap voor de leerlingen die er reeds onder vallen. Mevrouw Lambrechts vroeg hoe de staatssecretaris hier zicht op houdt.

Het proces is tot nu toe vooral op managementniveau blijven hangen. De docenten zijn er nauwelijks bij betrokken, terwijl zij het moeten uitvoeren. Het is belangrijk dat de staatssecretaris hier volgend jaar prioriteit aan geeft. Bijscholing kost tijd. Moeten daarvoor vrije dagen worden ingeroosterd of moet er meer tijd voor worden genomen? Wanneer weet de staatssecretaris of de docenten er over anderhalf jaar klaar voor zijn?

De programma's en examens dreigen wederom theoretisch en overladen te worden en dat is zeer bezwaarlijk voor deze doelgroep en daarbinnen vooral voor de basisberoepsgerichte leerweg. Mevrouw Lambrechts merkte op dat de staatssecretaris vorig jaar een ernstige vergissing had gemaakt door de examenprogramma's vervroegd en dus overhaast vast te stellen, terwijl de Onderwijsraad daartegen had gewaarschuwd. De afspraak met de educatieve uitgeverijen om er niets meer aan te veranderen heeft geleid tot een tijdsklem. Het is een goed idee om pilots uit te voeren, maar dan wel naar examenprogramma's die niet bij voorbaat al overladen lijken.

De educatieve uitgeverijen hebben in een brief geklaagd dat zij de methodes onder grote tijdsdruk moeten ontwikkelen. Mevrouw Lambrechts merkte op dat zo'n grote tijdsdruk grote risico's met zich brengt, zoals te laat verschijnen, matige kwaliteit en docenten die niet de tijd hebben om zich goed voor te bereiden. Inmiddels zijn er al beslissingsmomenten gepasseerd, omdat dit jaar al is begonnen met VMBO-leerlingen. Mevrouw Lambrechts vroeg de staatssecretaris wat zij doet als blijkt dat de methodes waarmee de leraren zich kunnen voorbereiden er nog niet over de hele linie zijn.

Door verschillende deskundigen is gezegd dat de ontwikkeling van het VMBO wordt bedreigd door het voortbestaan van het MAVO. Het probleem is dat er moeilijk ingegaan kan worden tegen de keuzevrijheid van ouders en leerlingen die de voorkeur geven aan MAVO of een theoretische leerweg die aansluit op HAVO en VWO. Als het VMBO dan nog niet goed genoeg is en er toch behoefte is aan een andere lijn die aansluit op HAVO-VWO, is er iets mis met de voorstellen. Mevrouw Lambrechts gaf dan de voorkeur aan doorlopende leerwegen volgens het Zwolse model. Als het mogelijk is om via de gemengde leerweg van het VMBO door te stromen naar het HAVO, neemt dat misschien een motief weg om dan maar naar een MAVO te gaan die is aangehaakt bij een HAVO-VWO-scholengemeenschap. Het moet niet alleen op papier, maar ook in de praktijk mogelijk zijn om via de gemengde leerweg toegang te krijgen tot het HAVO, want anders zouden die leerlingen in een fuik zwemmen, maar het is niet de bedoeling om de groep doorstromers groter te maken.

Mevrouw Lambrechts stelde voor om de scholen en de samenwerkingsverbanden bij deze gigantische operatie te helpen bij het opstellen van implementatieplannen. Zij was van mening dat niet alles tegelijkertijd hoeft te gebeuren. Als men er klaar voor is, kan men ermee beginnen en anders krijgt men er iets meer tijd voor, omdat het onverantwoord is om te veel risico's te nemen met deze leerlingen.

De heer Rabbae (GroenLinks) constateerde dat het bij deze delicate operatie veelal gaat om kwetsbare leerlingen. Uit de quick scan blijkt dat de docenten en de ouders zeer slecht zijn geïnformeerd, waarbij extra veel aandacht moet worden besteed aan de allochtone ouders. Het is van groot belang dat de ouders weten hoe in dit opzicht vorm wordt gegeven aan de toekomst van hun kinderen. De heer Rabbae vroeg om een plan van aanpak voor het voorlichten van ouders en kinderen.

Veel scholen hebben gezegd dat zij geen inzicht hebben in de fasegewijze invoering hiervan. De heer Rabbae vroeg om dit te ondervangen door een implementatieplan waarin staat wat op welk moment wordt ingevoerd.

Een punt van grote zorg bij deze onderwijsvernieuwing is dat er wordt geprobeerd om het niveau te verhogen, maar dat er weinig aandacht is voor de restpopulatie die hieronder blijft. Dit is vooral problematisch voor leerlingen die een bepaald niveau of een volgende fase eerst wel hadden kunnen halen, maar nu niet meer, omdat de lat net weer iets hoger is gelegd. Er wordt wel voorgesteld om meer te investeren in het onderwijs en er worden wel mooie modellen ontwikkeld in Zwolle, Almelo en Almere, maar tegelijkertijd wordt er allerlei uitval ingebouwd in het systeem en worden kwetsbare leerlingen afgewezen, bijvoorbeeld door de ROC's. Door de outputfinanciering worden zij gestimuleerd om te zorgen dat de leerlingen hun diploma halen, maar dat kan ertoe leiden dat zij risicovolle leerlingen afwijzen.

Het doel is om te komen tot sterke VMBO-scholen, maar het probleem hierbij is dat MAVO-scholen niet willen opgaan in een ongedeelde VMBO-school, omdat dit leidt tot statusverlies. De heer Rabbae vroeg om integratie te forceren door wetgeving of door de theoretische leerweg bij het MAVO onder te brengen en alle andere leerwegen bij VMBO-scholen.

De zorgintegratie is de sleutel voor het succes of falen van deze constructie. Het verdient aanbeveling om dit proces enigszins te vertragen. De centrale examens moeten dan ook uitgesteld worden totdat duidelijk is of elk kind de zorg krijgt die het verdient.

De heer Van Bommel (SP) merkte op dat in de brief van 17 december wordt aangekondigd dat er geen structuurdiscussie meer kan plaatsvinden. Dat lijkt een redelijk uitgangspunt bij de invoering van een nieuw onderwijssysteem, behalve als uit het veld het geluid komt dat de moeizame invoering mede wordt veroorzaakt door de structuur. De leerlingenstromen worden grotendeels bepaald door de leerwegen. Door de integratie van MAVO en VBO moet de leerlingenstroom zo worden beïnvloed dat het VMBO kans van slagen heeft. Onder MAVO-leerlingen zitten ook praktisch ingestelde leerlingen en de bedoeling is om deze binnen het VMBO te houden.

Een probleem voor het VMBO is dat de betere leerlingen worden weggekaapt door de concurrentie en dat de ouders omwille van de status kiezen voor een MAVO die is aangesloten bij een HAVO-VWO-school. Het MAVO kan niet worden gedwongen om samen te gaan met VBO en de aparte MAVO-leerweg bij een MAVO-HAVO-VWO-instelling kan niet worden afgeschaft. Het alternatief is om de theoretische leerweg van het VMBO af te schaffen, maar dan gaan die leerlingen naar het MAVO en dan komt er ook niets terecht van de integratie.

De heer Van Bommel was van mening dat het voorstel van de staatssecretaris om de gemengde leerweg toegang te laten bieden tot het HAVO het HAVO als hoofdprijs laat gelden. De koninklijke weg is dat het VMBO primair opleidt voor het MBO. Dit is een beroepsopleiding waar mensen terechtkunnen die praktisch ingesteld zijn en die ook theoretische vakken willen doen. De kans is groot dat veel leerlingen van het VMBO voor die uitstroommogelijkheid kiezen, omdat die meer status heeft. Als je het beroepsonderwijs sterker wil maken, moet je juist de weg van MBO naar HBO bevorderen. De weg van HAVO naar HBO is veel moeilijker en leidt veel minder vaak tot succes dan de route van MBO naar HBO. De heer Van Bommel vond het wel aanvaardbaar dat er een doorstroommogelijkheid is van de theoretische leerweg van het VMBO naar het HAVO.

Bij het leerwegondersteunend onderwijs zijn er klachten over de bureaucratie en de ingewikkelde toelatingscriteria, die heel veel werk en vragen opleveren, zodat men met veel ordners op pad moet, terwijl er geen faciliteiten voor in huis zijn. Het aantal negatieve adviezen is afgenomen. Het uitgangspunt moet zijn dat elke leerling recht heeft op passend onderwijs, juist aan de onderkant van het onderwijsgebouw. Die leerlingen moeten extra zorg krijgen, omdat zij niet zonder kunnen. De heer Van Bommel had gehoord dat scholen afzien van investeringen in leerwegondersteunend onderwijs en de toelatingseisen verhogen. Is deze leerweg zo moeilijk in te voeren of zo onaantrekkelijk dat sommige scholen er liever niet aan beginnen?

Er zijn zorgen over de totstandkoming van het zorgbudget. Zolang niet duidelijk is hoe dat budget wordt gevormd, neemt men een afwachtende houding aan. De Algemene onderwijsbond (AOB) heeft voorgesteld om het zorgbudget op het niveau van het samenwerkingsverband te plaatsen om te grote verschillen tussen scholen te voorkomen. De ene school kiest ervoor om die leerlingen wel op te nemen, terwijl de andere de boot af probeert te houden.

De bekostiging van het praktijkonderwijs valt nu onder de Wet op het voortgezet onderwijs, maar dat kan ontoereikend zijn. Voor deze leerlingen zouden eigenlijk de normen van het IVBO moeten gelden, wat betreft huisvesting en inrichting.

De heer Van der Vlies (SGP) merkte op dat de invoering van de vernieuwingen in het VMBO tot nu toe op managementniveau heeft plaatsgevonden, maar nu naar het onderwijsleerproces moet. Het gaat hierbij om kwetsbare leerlingen, zodat er behoefte is aan voldoende tijd en veel zorgvuldigheid. De scholen hebben een duidelijk invoeringstraject nodig. Zolang dat er niet is, nemen zij een afwachtende houding aan. De heer Van der Vlies vroeg de staatssecretaris om deze impasse te doorbreken door een duidelijk, taakstellend invoeringstraject te schetsen in een implementatieplan.

De infrastructuur van de integratie van VBO en MAVO en de daarbij passende doorstroming naar het beroepsonderwijs komen nog moeizaam op gang. Deelplanorganisaties houden zich bezig met de uitruil van afdelingen, waarbij denominatieve factoren worden gehonoreerd. De heer Van der Vlies was van mening dat hier te weinig vaart in zit. Hij had de suggestie gedaan om de scholen voor een aantal jaren een licentie te geven op de afdelingen die zij hebben, omdat zij bang zijn dat zij deze kwijtraken en ze later weer nodig hebben. Heeft de staatssecretaris deze suggestie besproken met gemeenten, provincies en besturenorganisaties?

De leermiddelen moeten op tijd klaar zijn, maar er zijn problemen gesignaleerd bij de intrasectorale programma's. De heer Van der Vlies drong erop aan dat de staatssecretaris hierbij goed de vinger aan de pols houdt.

Aangezien in de gemengde leerweg een beroepsgericht vak is opgenomen, is deze duidelijk gericht op het MBO en is het dus niet juist dat deze toegang kan verschaffen tot het HAVO. Er kan enige soepelheid worden betracht als het gaat om een keuzepatroon dat is gemotiveerd door een prestatiebeeld, waarvoor in een leerlingenvolgsysteem een ijkmoment kan worden ingevoerd tussen de theoretische en gemengde leerweg, maar de heer Van der Vlies had hierover grote reserves.

De invoering van het VMBO vraagt om een andere pedagogisch-didactische aanpak. Dit kan zeer ingrijpend zijn voor docenten. De heer Van der Vlies vroeg om ondersteuning bij het opbouwen van voldoende kennis en vaardigheden.

Uit de quick scan blijkt dat de meeste MLK-scholen zelfstandige praktijkscholen worden. Deze omvorming verloopt redelijk soepel, maar een probleem kan zijn dat er bij de huisvesting nog geen VBO-normen worden gehanteerd. De omvorming van het LOM-onderwijs in leerwegondersteunend onderwijs en de integratie van dit type onderwijs in het reguliere voortgezet onderwijs verlopen nog moeizaam, omdat er onzekerheid is over de uitwerking van het zorgbudget. De heer Van der Vlies vroeg de staatssecretaris wanneer hierover beleidsconclusies verwacht kunnen worden.

De regionale verwijzingscommissies (RVC's) moeten een evenwicht zoeken bij het hanteren van objectieve criteria en onterechte verwijzingen proberen te voorkomen. Om piekbelasting te vermijden moeten de aanleverende scholen worden gemotiveerd om de aanvragen zo vroeg mogelijk te doen in plaats van op de tijdstippen die daarvoor voor de hand liggen.

Het civiel effect van de diploma's en de zwaarte van de examens moeten onaangetast blijven. Er is een discussie gaande over de zwaarte van de examens bij de basisberoepsgerichte leerweg. Hierbij kan ook sprake zijn van een overladen programma door een te groot aantal praktische opdrachten.

Omdat maatschappijleer en kunstvakken zeer identiteitsgevoelige vakken zijn, hechten de christelijke fracties veel waarde aan ruimte voor een schoolspecifieke invulling van de examenprogramma's. De heer Van der Vlies vroeg of de staatssecretaris hierover overleg voert en wat daaruit is gekomen.

Het antwoord van de regering

De staatssecretaris constateerde dat er overeenstemming is in het veld over de besluitvorming in de vorige periode over de doelen en de vormgeving van de leerwegen van het VMBO. Zij was ervan overtuigd dat de beroepsgerichte route naast de AVO-route een grote kans van slagen heeft, onder andere omdat verschillende branches er veel in zien.

De staatssecretaris had voorgesteld om de mogelijkheid om met de gemengde leerweg door te stromen naar het HAVO open te houden. Deze leerweg is vergelijkbaar met de theoretische leerweg, die mogelijk is bij een categoriale MAVO of bij MAVO-HAVO-VWO-scholen. Bij deze scholen is de route via de gemengde leerweg niet mogelijk, omdat daar geen beroepsgerichte vakken worden gegeven. De inspectie moet erop toezien dat dit niet gebeurt. Er is feitelijk geen verschil in zwaarte tussen de gemengde en de theoretische leerweg, zodat een leerling niet minder heeft gedaan als hij die route heeft gevolgd. Bij AOC's is er ook een mogelijkheid om door te stromen naar het HAVO voor leerlingen met vijf theoretische vakken en een beroepsgericht vak, als deze doorstroomrelevant zijn.

Het is te beschouwen als een vorm van oneigenlijke selectie als degenen die het vak tekenen hebben gevolgd, wel door kunnen stromen naar HAVO, maar met het vak electrotechniek niet. Dan wordt er vooral rekening gehouden met de belangen van de instellingen, die onder druk staan door de grote vernieuwingen of bang zijn dat de leerlingenstroom zich verplaatst naar MAVO-HAVO-VWO-instellingen. Als deze mogelijkheid voorbehouden blijft aan VMBO-instellingen en categoriale MAVO's die samenwerken met VBO-instellingen, wordt de positie van deze instellingen juist versterkt, omdat de ouders die bij de schoolkeuze vooral kijken naar de cultuur en de mogelijkheden die de instellingen bieden, zien dat leerlingen met de gemengde leerweg ook door kunnen stromen naar het HAVO.

De discussie over het ongedeelde VMBO moet niet worden uitgevochten over de hoofden van de leerlingen die de gemengde leerweg hebben gevolgd, maar het zou wel pijnlijk zijn, als door dit voorstel het beeld wordt bevestigd dat leerlingen alleen met onderwijs bezig zijn als zij in de route naar het AVO komen. Het VMBO is de koninklijke route naar het MBO, maar bij twaalf- tot vijftienjarige leerlingen komt het wel eens voor dat zij verkeerd zijn voorgesorteerd. Het kan hierbij gaan om leerlingen die wat later rijp worden of om verborgen talent. Bij allochtone jongeren kan het voorkomen dat de ouders de verkeerde keuze hebben gemaakt of de school in de verkeerde buurt staat. Voor deze leerlingen is het goed om de mogelijkheid om naar HAVO door te stromen open te houden. De verwachting is dat het hierbij gaat om 25 tot 50 leerlingen per jaar.

De staatssecretaris was van mening dat het onderwijs niet georganiseerd moet zijn op basis van "scheermesroutes", maar dat er flexibiliteit moet zijn tussen de leerroutes. Een van de gevolgen van de bezuinigingen van de afgelopen twintig jaar is dat het stapelen is bemoeilijkt. Het beleid is erop gericht de scheermessen tussen de verschillende leerroutes weg te nemen.

De reacties op het voorstel over de gemengde leerweg zijn gemengd. In het VVO-blad wordt er stelling tegen genomen en veel instellingen voor beroepsonderwijs vinden dat dit niet moet gebeuren. Als in de discussie de vraag centraal staat of de sterke leerlingen hierdoor naar de MAVO-HAVO-VWO-route gaan, is het voorstel te vroeg gekomen. De staatssecretaris zegde toe eerst zorgvuldig overleg te voeren met de instellingen en de Kamer daarover op de hoogte te houden.

Het VMBO is geen eindonderwijs, maar er moet voor iedere leerling een vervolgroute zijn. Er komt een voorstel van verschillende adviesorganen voor een doorstroomregeling voor het secundair beroepsonderwijs. Dat advies wordt gebruikt voor een ministeriële regeling die aan het eind van het jaar verschijnt. Er mag niet oneigenlijk worden geselecteerd door een ROC. Als de doorstroming niet lukt omdat de deelcertificaten er geen toegang toe bieden, moet worden bekeken hoe er meer flexibiliteit tot stand gebracht kan worden. Op de nadere vraag van de heer Rabbae of er een middentraject kan komen voor een betere aansluiting op de ROC's voor sommige leerlingen, antwoordde de staatssecretaris dat nog onduidelijk is of er een afstand is tussen ROC en IVBO-A. Er moet ook worden bekeken op welke wijze neveninstromers zoals asielzoekers, die niet beschikken over de vereiste deelcertificaten, aan kunnen sluiten bij een doorstroomprogramma van een ROC. Voor hen moet binnen afzienbare tijd een aanbod worden georganiseerd dat is gesitueerd tussen VMBO-scholen en ROC's.

Uit de quick scan blijkt dat alle scholen bezig zijn met de invoering van het VMBO, maar 30% van de scholen zegt dat hun plan nog in ontwikkeling is. Dat betekent meestal dat zij nog niet klaar zijn. Het belangrijkste deel van de voorbereiding komt pas in het schooljaar
2000-2001. De leerlingen die dan in het schooljaar 2001-2002 de nieuwe leerwegen van het derde leerjaar van het VMBO instromen, zitten nu in het eerste leerjaar. De scholen bereiden zich nu voor op de invoering van die nieuwe leerwegen.

Voor de inrichting van de leerwegen hebben scholen veel informatie gekregen over de adviesurentabellen en de examenprogramma's. De eerste ronde van aanvragen voor de toekenning van intrasectorale programma's is achter de rug. De tweede is al op gang gekomen, maar de omvang ervan is afgenomen. Naarmate de invoering van de leerwegen vordert, neemt de besluitvorming eromheen toe. De bevoegdheden zijn geregeld en het nascholingsaanbod wordt op heel korte termijn beschikbaar gesteld. Er is een consortium van SLO, CITO, LPC en de nascholingsinstellingen gevormd voor dit project. De start is in april voor alle VMBO-scholen.

De pilot voor de centrale examens VMBO verloopt volgens de planning. In 2000-2001 vinden de eerste proefexamens nieuwe stijl plaats, waarbij vooral van belang is of de BBL goed loopt en of het niveau van de leerwegen goed is bepaald. Er komt een tweede proefexamen in het schooljaar 2001-2002. Het examenbesluit VMBO, met de uitslagregeling voor de leerwegen, is gereed voor de zomervakantie. Dan verschijnen ook de examengidsen op internet, waarin op den duur informatie op school- en docentniveau wordt gebundeld.

De staatssecretaris hechtte veel waarde aan het doorgaan van de fusiebesprekingen VSO-LOM en aan de inhoudelijke ontwikkeling van de zorgstructuur, omdat het hierbij gaat om de meest kwetsbare leerlingen. De staatssecretaris zegde toe dat zij nog voor het zomerreces met een rapportage komt over het zorgbudget, zodat de Kamer kan overzien wat de voors en tegens zijn en welke besluiten er moeten worden genomen. Na het reces kan daarover een besluit worden genomen. De koppeling van de invoering van het VMBO aan het zorgbudget maakt dit proces extra ingewikkeld. Hierover heeft een discussie plaatsgevonden binnen het kabinet, omdat de wens bestaat om een bepaald beleid te voeren ten aanzien van het speciaal onderwijs. Het kan noodzakelijk zijn om de discussie in tweeën te knippen en wat meer tijd te nemen voor de invoering van een zorgbudget. Omdat hierover al afspraken zijn gemaakt, moet er zorgvuldig overleg over worden gevoerd.

Wat betreft de infrastructuur was de staatssecretaris een voorstander van de Zwolse variant. In het voorjaar komt er een notitie over de samenwerking tussen voortgezet onderwijs en ROC's, waarin aandacht wordt besteed aan deze variant en aan het stimuleren van regionale samenwerking met het ROC. In de afgelopen twintig jaar is de nadruk gelegd op een brede voorbereiding van de leerlingen, maar een duidelijke aansluiting van het VMBO op het ROC kan ook leiden tot een upgrading van het VMBO. Door een betere samenwerking staat het ROC dichter bij de leerlingen en is bekend wat voor voorzieningen daar zijn.

Op de nadere vraag van de heer Cornielje of er een incentive wordt gegeven om te komen tot het Zwolse model of voor uitruil van afdelingen, antwoordde de staatssecretaris dat hierover voortdurend overleg plaatsvindt met de provincies en de besturenorganisaties. De staatssecretaris zegde toe overleg te voeren over een regeling voor regio's waar nog geen onderlinge samenwerking en afstemming is en de Kamer daarover te informeren.

In Rotterdam zijn samenwerkingsprojecten gestart om praktijkdocenten te werven bij het MKB, omdat de gemiddelde leeftijd van deze VMBO-docenten hoog is. Het MKB onderzoekt mogelijkheden voor samenwerking tussen bedrijfstakken, zodat mensen naast hun gewone werk parttime leraar kunnen worden. De staatssecretaris wachtte de voorstellen van het MKB over een innovatiefonds af, maar dat moet niet in de plaats komen van de middelen die hiervoor zijn gereserveerd in het regeerakkoord. Zij juichte het zeer toe dat het MKB op deze manier bijdraagt aan deze onderwijsvernieuwing.

De Onderwijsraad heeft gewaarschuwd voor overladenheid bij de BBL. Het probleem van de overladenheid heeft onder andere te maken met het feit dat het onderwijs niet op alle punten in een goede conditie is, terwijl het grote veranderingen doormaakt. Er is een verschuiving in het tijdsbegrip, omdat er niet alleen onderwijs wordt gegeven als de docent voor de klas staat. Naast het geven van lessen moet er ruimte zijn voor overleg, zodat de docenten zich kunnen voorbereiden op de vernieuwingen die vakoverstijgend zijn. De inspectie heeft bij de invoering van de basisvorming aanbevolen om in het onderwijs naar werkweken van 30 uur te gaan in plaats van 32 uur, zodat er twee uur per week is voor overleg.

Er is gevraagd of er voor de daadwerkelijke invoering van de vernieuwingen in het VMBO een extra check kan plaatsvinden op de onderwijsvernieuwing als geheel en niet zozeer van de afzonderlijke vakken. Er wordt een pilot voor centrale examens uitgevoerd waarin aandacht wordt besteed aan overladenheid. Daarna kan er altijd nog worden besloten om in te grijpen. De problemen die zich bij het invoeringsprogramma voordoen, zullen per probleem worden opgelost. Het is niet mogelijk om alles over de hele linie nog eens door te nemen.

De staatssecretaris noemde een aantal verschillen tussen de onderwijsvernieuwing van het VMBO en de invoering van de tweede fase bij HAVO-VWO: het aantal vakken wordt niet uitgebreid; voor het sectorwerkstuk is geen minimumaantal vakken vastgesteld, maar het criterium is de relevantie van het thema voor de sector; er is geen vast percentage voor het gewicht van praktische opdrachten voor het eindcijfer van het schoolexamen, maar zij moeten representatief zijn voor de eindtermen; er is geen minimumaantal praktische opdrachten per vak, maar een minimum van twee grotere opdrachten van meer dan tien uur per leerling.

Het algemene beeld is dat uitstel niet over de hele breedte nodig is, maar wellicht bij onderdelen, zoals het centrale examen BBL. De fasering bij de examinering kan plaatsvinden door wel centrale opgaven vast te stellen, maar een bindende normering achterwege te laten of door een tweede correctie pas later in te voeren. De staatssecretaris wilde hierover pas besluiten als de pilot voor de examinering is afgerond.

Er is een regiegroep van OCW, LNV, CEVO, CITO, PMVO, inspectie en IBG die de ontwikkeling van de examens, de netwerken en het sectorwerkstuk goed volgt en de invoeringsprocessen stuurt. Dit wordt allemaal uitgezet op een tijdbalk, zodat ook voor het onderwijsveld duidelijk is wanneer welke schroeven worden aangedraaid. Er is al een agenda vastgesteld, maar daar wordt een invoeringsplan aan toegevoegd. De regie en de coördinatie zijn teruggebracht bij het departement.

Er is een convenant tussen uitgevers en de VVO over de levering van leermiddelen aan het voortgezet onderwijs. Op 24 februari presenteren de uitgeverijen de leermiddelen bij de conferentie "Leerwegen in uitvoering". De uitgevers verwachten niet dat zich hierbij vertragingen voordoen. De suggestie van de heer Van Bommel om te komen tot een joint venture van de overheid en de uitgeverijen, zodat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van de leermiddelen, leek de staatssecretaris niet uitvoerbaar omdat er veel uitgeverijen op deze markt opereren. Zij wilde wel nagaan in hoeverre marktpartijen gebonden kunnen worden aan de toezeggingen die zij hebben gedaan. Het gaat om heel veel afnemers en het is heel belangrijk dat de boeken er op tijd zijn. Bij de tweede fase was er vertraging opgetreden, omdat de uitgeverijen reageerden op de gefaseerde invoering, waardoor slechts een deel van de scholen ermee begon, maar de invoering bij het VMBO vindt over de hele linie plaats. De marktpartijen kunnen alleen worden gestimuleerd door het convenant met afspraken iedere twee maanden na te lopen. Er wordt wel in de gaten gehouden of er niet veel lesmateriaal is voor vakken die door grote groepen worden gevolgd en minder voor de kleinere groepen.

De staatssecretaris wilde nog afwachten of veel leerlingen in de moeilijkheden komen door de variant MAVO-D met zes vakken plus. Bij de voorlichting en nascholing bij de VMBO-scholen wordt er wel steeds op gewezen dat er een verzwaring kan plaatsvinden, maar het niveau blijft gehandhaafd, ook om te zorgen dat er nog doorstroming kan plaatsvinden. Het kan zijn dat overladenheid bij de methodenontwikkeling leidt tot oneigenlijke selectie. De staatssecretaris zegde toe dat er wordt gelet op mogelijke knelpunten hierbij.

Als de praktische examens worden gespreid in verband met de beschikbaarheid van lokalen, hebben de leerlingen allemaal evenveel tijd om zich de vaardigheden eigen te maken. De staatssecretaris verwachtte hierbij geen problemen. Het gaat hooguit om een of twee weken verschil aan het eind van een tweejarig curriculum.

Bij de weging van het centraal examen en het schoolexamen speelt dat het laatste beter voorspelbaar is dan het eerste. Bij de basisberoepsgerichte leerweg is de verhouding 1:2. Bij de voorlichtingsbijeenkomsten en regionale conferenties die in de afgelopen maanden hebben plaatsgevonden, bleek dat de organisaties hiervoor een voorkeur hebben, maar er was ook twijfel over. Over drie jaar wordt opnieuw bezien of dit een goede manier is om hiermee om te gaan.

Het programma van de basisberoepsgerichte leerweg lijkt wellicht weinig praktisch, maar het wordt wel degelijk praktisch uitgewerkt in lesmethodes en lespraktijk. Het theoretische deel wordt aangeleerd en getoetst met praktische opdrachten, ook bij het centraal examen. Het praktische deel weegt twee keer zo zwaar als het schriftelijk deel, zodat het praktische werk goed tot zijn recht komt.

Er is 61 mln. beschikbaar om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan de aansluiting van het praktijkonderwijs, de basisberoepsgerichte leerweg en het VMBO. De inrichting van de BBL hangt samen met het debat over de basisvorming, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de vaardigheden van leerlingen. De scholen worden aangespoord om de leerlingen niet te snel naar een ROC te laten gaan, maar voor leerlingen die grote moeite hebben met de BBL, maar die met een jaar extra wel aansluiting op het ROC kunnen krijgen, kan de volledige verblijfsduur worden gebruikt. Op langere termijn gaat het om integratie van de algemene en beroepsvoorbereidende vakken en een AVMB-achtige werkwijze bij de intrasectorale programma's. Dit wordt uitgewerkt in twee pilots.

Als het niveau van de basisberoepsgerichte leerweg te hoog is, kan een groep leerlingen er tussenuit vallen die te goed is voor het praktijkonderwijs. De staatssecretaris wilde bij de pilot voor de examinering de mogelijkheid verkennen om deze groep op te vangen door ze rechtstreeks naar het ROC te geleiden. Bij de wetsbehandeling is voorgesteld om het getuigschrift VMBO in te voeren voor ongediplomeerde schoolverlaters van de basisberoepsgerichte leerweg. De staatssecretaris vond het wenselijk om te komen tot een officieel document dat op herkenbare wijze de overgang markeert van het voortgezet onderwijs naar het vervolgonderwijs. Op de suggestie om uitval te voorkomen door een verticale leerweg tussen VMBO en ROC, zodat er geen breukvlak ontstaat, antwoordde de staatssecretaris dat zij graag een doorlopende leerlijn wil tussen VMBO en ROC, maar dat er niet nog een nieuwe leerweg moet komen.

Er zijn grote verschillen tussen scholen bij het beoordelen van de vraag welke leerlingen in aanmerking komen voor extra zorg. Er is sprake van een ongelijke ontwikkeling in de grote steden, bij de G25 en bij plattelandsgebieden. In het onderwijsverslag van de inspectie dat eind april verschijnt is een concentratie te zien in Limburg van leerlingen met een bekostingsfactor 1,25, met twee laagopgeleide autochtone ouders. In Friesland zijn de minste doorverwijzingen en is er van oudsher geen structuur van speciaal onderwijs. De leerlingenaantallen nemen af, maar het aantal leerlingen dat doorverwezen wordt neemt toe. Er worden criteria ontwikkeld om inzicht te krijgen in de vraag of de leerlingenpopulatie verandert, bijvoorbeeld door zij-instromers of door betere medische zorg.

Op de nadere vraag of er bij grotere aantallen ook een groter budget is antwoordde de staatssecretaris dat er vooral bij het primair onderwijs sprake is van wachtlijsten of leerlingen die thuis moeten blijven. De AOB heeft hierover gezegd dat er niet direct meer geld nodig is, maar dat de samenwerking tussen de organisaties moet worden verbeterd. Op de vraag van de heer Rabbae of het budget wordt bewaakt, doordat de RVC's hardere criteria stellen voor zorgleerlingen antwoordde de staatssecretaris dat er ook ruimte is voor leerlingen die niet geheel aan de criteria voldoen. Zij wilde wel met de Kamer bespreken wat er gebeurt in de aanlooproutes van PO en VO.

Er is gezegd dat de structuur van de RVC's bureaucratisch is en heel veel geld kost, maar in Friesland zijn de procedurele kosten van de RVC's f.20.000 op een zorgbudget van een miljoen. De vergoeding voor het samenstellen van dossiers is opgenomen in de bekostiging van de scholen. Ook in de periode van bezuinigingen is gezegd dat er bij leerlingen die zorg behoeven, niet wordt gekeken of er geld voor is. De criteria zijn niet bedoeld om meer leerlingen in het gewone onderwijs te houden, maar om objectief vast te kunnen stellen welke leerlingen zorg behoeven.

In drie van de tien gevallen is er verschil van mening tussen de RVC's en de scholen over wat er moet gebeuren. Er is een tweede overgangsjaar nodig om dit goed te analyseren. In het afgelopen jaar bleek dat het bij veel negatieve adviezen ging om onvolledige dossiers, grensgevallen of een te strikte toepassing van de criteria. Na het onderzoek van het Kohnstamminstituut heeft er een aanpassing plaatsgevonden, maar dit moet goed gevolgd worden.

Het kan functioneel zijn om te komen tot een snellere invoering van OPDC's, als onderdeel van een fusie of van het omvormingsproces VSO-LOM, of om bij elk samenwerkingsverband een bovenschoolse voorziening voor personeel op te zetten. De staatssecretaris wees de suggestie om dit proces om te draaien niet op voorhand af. Bij de vormgeving kan ook worden bekeken of het onderwijsinhoudelijke proces kan worden versneld.

Er is zeer lang gesproken over kleine afdelingen bij de invoering van het VMBO. Het aantal te kleine afdelingen moet geleidelijk worden verminderd door opheffing of door intrasectorale programma's, zodat het doel op langere termijn wordt bereikt. Hierbij moeten strategische beslissingen worden genomen die consequenties kunnen hebben voor leerkrachten. Hierover zijn voorstellen gedaan door de provincies en de besturenorganisaties. Er is unaniem besloten tot een geleidelijke weg van het overtuigen van scholen zonder wettelijke minimumnorm.

Door het hanteren van doelmatigheidscriteria worden circa 250 afdelingen op vestigingsniveau verplicht om te gaan slapen. Dit leidt slechts in zeer beperkte mate tot verdunning. Scholen kunnen ook vrijwillig besluiten om een afdeling te laten slapen. De staatssecretaris deelde mee dat zij pas in oktober 2001 kan overzien in welke mate dit gebeurt. Uit de cijfers tot nu toe blijkt dat er effectief beleid is ingezet.

Bij het geven van cijfers voor het examen maatschappijleer speelt een rol dat er meer waarde aan een vak wordt gehecht als er cijfers worden gegeven. Er zijn geen bezwaren tegen het geven van cijfers bij maatschappijleer, omdat wel getoetst kan worden of de leerling de leerstof heeft gevolgd. Bij kunstvakken en lichamelijke opvoeding kan moeilijk een objectieve norm worden gesteld die losstaat van de capaciteiten van de individuele leerling, zodat alleen kan worden beoordeeld of zij het voldoende of goed doen. Bij maatschappijleer gaat het om een schoolexamen, zodat de school veel invloed heeft op wat er wordt geëxamineerd.

De staatssecretaris achtte het niet verstandig om weer met een structuurdiscussie te beginnen, omdat dan al gauw het beeld ontstaat dat alles weer anders wordt.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van der Vlies (SGP) was verheugd over de toezegging van de staatssecretaris dat er een taakstellend implementatieplan komt. Hij stemde in met het voorstel over het zorgbudget. Als na het reces blijkt dat dit niet kan worden ingevoerd, moet dat onderdeel van de plannen worden uitgesteld. De heer Van der Vlies steunde de lijn dat er bij de infrastructuur niet wordt gestreefd naar gedwongen fusies, maar hij handhaafde zijn suggestie om te komen tot een licentie op afdelingen.

Mevrouw Dijksma (PvdA) vond het heel verstandig dat er wat meer tijd wordt genomen voor de invoering van deze onderwijsvernieuwing zonder dat de onderwijsinstellingen worden uitgenodigd om maar achterover te leunen.

Over de route van de gemengde leerweg naar het HAVO merkte mevrouw Dijksma op dat zij beducht is voor een vorm van oneigenlijke selectie waarbij een deel van de jongeren terechtkomt in wat vroeger VBO heette en dat er een nieuwe vorm aan het AVO wordt geplakt. Zij deelde de opvatting dat het voorstel misschien te vroeg is gekomen en dat de staatssecretaris hierover overleg moet voeren met het veld, omdat er bij de hoorzitting duidelijk verzet was tegen dit voorstel. Zij onderschreef de doelstelling om oneigenlijke selectie van verborgen talent tegen te gaan.

Bij het VMBO-proces is wat prik in de limonade essentieel. Mevrouw Dijksma dacht hierbij aan een fonds dat extra geld of faciliteiten kan bieden aan organisaties of afdelingen die samenwerken in het VMBO.

De heer Cornielje (VVD) dankte de staatssecretaris voor de volgende toezeggingen: het invoeringsplan met de tijdbalk, het ontwikkelen van een pilot voor een doorlopende leerlijn van de basisberoepsgerichte leerweg naar het MBO en kritisch kijken naar de overladenheid van het VMBO-programma, zoals gesignaleerd door de Onderwijsraad. Hij vroeg voor het zomerreces een rapportage over dit laatste punt.

De heer Cornielje was zeer tevreden met de faciliteitenregeling voor samenwerking bij het uitruilen van afdelingen (ook met de ROC's), waarbij niet alleen wordt gekeken naar de modellen die hiervoor in Zwolle en Almere zijn ontwikkeld. Hij vroeg de staatssecretaris meer bekendheid te geven aan deze regeling.

De heer Cornielje stemde in met het tijdpad voor de zorgstructuur, waarbij pas na de zomer de go-or-no-gobeslissing wordt genomen. Voor de VVD-fractie staat voorop dat deze bij twijfel niet moet worden ingevoerd in 2002.

Het belangrijkste punt in de discussie lijkt te zijn dat circa 50 leerlingen die de gemengde leerweg hebben gevolgd toegang kunnen krijgen tot het HAVO, maar het belangrijkste punt moet zijn dat er goede leerwegen van VMBO naar MBO worden opgezet. Iemand die de gemengde leerweg heeft gedaan van vijf vakken op niveau D plus één beroepsgericht vak, kan heel goed via een verkort traject naar het MBO.

De heer Cornielje had er bij de vorige staatssecretaris vier jaar lang op aangedrongen dat er meer beroepsgerichte vakken moeten zijn voor zwakke leerlingen. Hij was verheugd daar bij deze staatssecretaris gehoor voor te vinden.

De heer Mosterd (CDA) stemde in met de toezegging dat er een invoeringsplan komt, zodat de Kamer de gefaseerde invoering goed kan volgen. Hierbij moet heel zorgvuldig worden nagegaan of er sprake is van overladenheid. De zorgstructuur en het zorgbudget worden ontrafeld. Er wordt wel mee doorgegaan, maar er wordt goed gekeken naar de moeilijkheden die zich hierbij kunnen voordoen. De heer Mosterd stemde in met het voornemen van de staatssecretaris om over de gemengde leerweg overleg te voeren met het onderwijsveld. Er zijn al verkorte trajecten van het MBO naar het HBO die heel goed werken. Het verdient aanbeveling om de mogelijkheden hiervoor tussen VMBO en MBO te verkennen en eventueel te verbeteren.

Mevrouw Lambrechts (D66) merkte op dat er een jaar extra is genomen voor de invoering van de indicatiestelling, maar dat er ook meer tijd nodig is voor invoering van het zorgbudget en de zorgstructuur. Er is al voldoende informatie over de indicatiecommissie, de RVC's en de integratie van VSO-LOM om te kunnen zeggen dat de beslissing over "go or no go" niet in het najaar, maar pas over een jaar kan worden genomen. Mevrouw Lambrechts had wel vertrouwen in het integratieproces, maar daar is meer tijd voor nodig. De invoering van "Weer samen naar school" heeft ook ongeveer tien jaar geduurd.

Mevrouw Lambrechts benadrukte dat een ijkpunt bij de invoering van het VMBO is of de docenten over een jaar voldoende geschoold zijn om verder te gaan met de implementatie. Als de onderwijsprogramma's in februari niet kant en klaar voorliggen, moet op dat moment worden gezegd dat het niet door kan gaan.

Mevrouw Lambrechts was van mening dat de staatssecretaris goede argumenten heeft voor het voorstel over de gemengde leerweg en dat zij daaraan vast moet houden. Zij was verheugd over de koerswijziging bij het stapelen, omdat zij het rapport "Leerwegen gewogen" ook graag in de onderste la zag verdwijnen. Over de maximale verblijfsduur van vijf jaar in het MAVO had mevrouw Lambrechts indertijd een motie ingediend die door deze staatssecretaris kennelijk geheel wordt overgenomen.

De heer Rabbae (GroenLinks) concludeerde dat de Kamer meer greep krijgt op dit invoeringsproces, als het stap voor stap en in overleg met het veld wordt ingevoerd. Er moet zorgvuldig worden bekeken of de implementatie een steun vormt voor risicoleerlingen of leidt tot problemen. Hij was zeer verheugd dat de staatssecretaris een opening heeft gemaakt van de gemengde leerweg naar het HAVO, omdat deze voor een aantal leerlingen heel belangrijk kan zijn. Hierover moet nog overleg worden gevoerd, maar hij vertrouwde op de overtuigingskracht van de staatssecretaris. Het is een principiële kwestie om kansen te geven aan kinderen die deze anders niet krijgen. Hij vroeg of de staatssecretaris voorlichting aan ouders en leerlingen wil opnemen in het plan van aanpak. Als de theoretische leerweg wordt ondergebracht bij het MAVO, is het mogelijk om tot sterke VMBO-scholen te komen.

De heer Van Bommel (SP) drong erop aan om de structuurdiscussie niet helemaal af te kappen, omdat een ongedeeld VMBO meer kansen kan bieden voor alle leerlingen. Bij de keuze van ouders en leerlingen voor de theoretische leerweg bij een MAVO die in een scholengemeenschap is opgenomen, kunnen factoren een rol spelen die niets te maken hebben met het onderwijs, zoals het image bij de partners op de tennisbaan. Hij was verheugd dat de staatssecretaris een pas op de plaats maakt naar aanleiding van de discussie over de gemengde leerweg.

In het verleden is gebleken dat de educatieve uitgeverijen niet zoveel maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel hebben als de staatssecretaris denkt. Dat blijkt ook uit de boekenprijzen. Daarom was de heer Van Bommel met het idee van een joint venture gekomen. Hij vroeg de staatssecretaris nog naar de bekostiging van het praktijkonderwijs.

De staatssecretaris zegde toe dat in het invoeringsplan wordt ingegaan op het voorlichtingsmateriaal over het VMBO. Het voorstel over de gemengde leerweg kan men beschouwen als een aankleding van het VMBO, waardoor de individuele keuzevrijheid van leerlingen wordt vergroot. Het zou een vorm van ongelijke behandeling zijn als deze leerlingen geen toegang krijgen tot het HAVO. Op de nadere vraag van de heer Cornielje of de kaderberoepsgerichte leerweg, met vier algemene vakken en twee beroepsgerichte vakken, ook toegang geeft tot het HAVO, antwoordde de staatssecretaris dat het bij de gemengde leerweg gaat om vijf vakken op D-niveau. De staatssecretaris verwachtte dat de wens om deze mogelijkheid te realiseren over enige tijd vanzelf opkomt bij het veld. Dan is er nog alle tijd om deze mogelijkheid uit te werken. Zij zegde toe om in overleg met het onderwijsveld tot een voorstel hierover te komen.

De staatssecretaris verwachtte dat tegen de zomer een rapportage over een zorgbudget aan de Tweede Kamer wordt gezonden. De onderwijsinhoudelijke vernieuwing bij VSO-LOM en VSO-MLK vindt wel doorgang. Het zorgbudget moet ook in het kabinet worden besproken, omdat het financiële consequenties heeft. Op de nadere vraag van mevrouw Lambrechts of het hierbij gaat om de middelen voor I-leerlingen, antwoordde de staatssecretaris dat na het zomerreces over de invoering van een zorgbudget zal worden gesproken.

In het invoeringsplan is een monitor opgenomen om tijdig maatregelen te kunnen nemen als er onvoldoende voortgang wordt geboekt bij de voorbereiding van docenten en lesmethoden. Er is een groot projectplan opgezet, waarover de Kamer nog wordt geïnformeerd.

Bij de bekostiging van het praktijkonderwijs worden de normen voor de inrichting van lokalen anders dan die van het IVBO, maar deze zijn nog niet aangepast. Het huisvestingsbesluit wordt op termijn wel aangepast, omdat er veel meer ruimte nodig is bij de praktijkscholen.

De mogelijkheden van een innovatiefonds worden later nog besproken. Er is nog geen faciliteitenregeling voor samenwerkingsvormen zoals de Zwolse variant, maar er is steeds in overleg ruimte voor gecreëerd. De staatssecretaris wilde onderzoeken of regionale samenwerking tussen VMBO en ROC moet worden gestimuleerd met positieve financiële faciliteiten en prikkels.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen


1 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schutte (GPV), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, De Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Wijn (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Örgü (VVD), Nicolaï (VVD), Kortram (PvdA), Halsema (GroenLinks), Eurlings (CDA), Belinfante (PvdA), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Hamer (PvdA)

Plv. leden: Schimmel (D66), Stellingwerf (RPF), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Van Baalen (VVD), De Cloe (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Valk (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Verhagen (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Rijpstra (VVD), Brood (VVD), Middel (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Gortzak (PvdA), Poppe (SP), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg commissie OCW over VMBO-infrastructuur '




Lees ook