Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xvi.067 vao arbeidsmarkt welzijn en jeugdhulpverlening
Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 13:24


26800 XVI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2000 nr. 67
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 6 januari 2000

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<1> heeft op 9 december 1999 overleg gevoerd met minister Borst-Eilers en staatssecretaris Vliegenthart van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:
- brief van de staatssecretaris van VWS van 24 september 1999 ten geleide van het meerjarig beleidskader 2000-2004 arbeidsmarkt welzijn en jeugdhulpverlening (VWS-99-1473);
- brief van de minister van VWS van 27 september 1999 houdende het kabinetsstandpunt op het RMO/RVZ-advies "Zorgarbeid in de toekomst" (26800, XVI, nr. 5);
- brief van de minister van VWS van 22 oktober 1999 ten geleide van het convenant over de nieuwe aanpak voor de bepaling van de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (de OVA) voor het VWS-veld;
- brief van de minister van 25 oktober 1999 inzake de rapportage arbeidsmarkt zorg en welzijn 1999, het integrerend OSA-rapport 1999 ("Arbeid in de zorgsector" en het meerjarig beleidskader 2000-2004 (VWS-99-1629);
- jaarplan 2000 zorg en jaarplan 2000 voor de sector welzijn en jeugdhulpverlening. Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Oudkerk (PvdA) verwees naar de sector onderwijs, waar dezelfde problemen aan de orde zijn als in de zorgsector. De debatten over arbeidsmarktbeleid en ziekteverzuim kunnen het beste met alle betrokken sectoren, waaronder de sector politie, gezamenlijk worden gevoerd, zodat de problemen in samenhang worden aangepakt. Sociale Zaken zou enthousiasmerend en coördinerend kunnen optreden. Kan het kabinet de handen op dit punt ineenslaan, gezien de problemen die zich met name in de collectieve sector voordoen? Bij de begrotingsbehandeling was voor elke fractie terecht een speerpunt het arbeidsmarktbeleid. Bij motie is verzocht, een aantal knelpunten weg te nemen. De minister heeft toegezegd bij de voorjaarsnota te zullen berichten op welke wijze dit gebeurt. Omdat zorgverlening een schaars goed dreigt te worden, moeten er meerjarige beleidskaders worden vastgesteld. In de jaarplannen voor zorg, welzijn en jeugdhulpverlening zijn vele goede voornemens opgenomen. De begeleidende brief van de minister over de activiteiten van de sectorfondsen en de gekozen speerpunten bevat vele elementen waar in eerdere debatten om is gevraagd. Prioriteit wordt gegeven aan de aanpak van het ziekteverzuim, herintreding en een actieve werving onder allochtone werknemers. Door de vereniging van verplegers en verzorgers wordt de beroepsinhoudelijke aanpak al jaren gestimuleerd, met als gevolg meer zeggenschap en een beter loopbaanperspectief. Waarom is in de meerjarige beleidskaders en in het jaarplan 2000 niets over de vormgeving van de beroepsinhoudelijke aanpak terug te vinden? Kan de minister een toelichting geven op de terugkeer van praktijkbegeleiders in instellingen? Heeft dit voldoende prioriteit in de jaarplannen? Hetzelfde geldt voor de investering in kwantiteit en kwaliteit van stageplaatsen, waardoor betrokkenen enthousiast worden over het werk in de sector. Nu '91 heeft als bezwaar tegen de zojuist gestarte imagocampagne dat weinig wordt ingegaan op het beroep zelf. Op welke wijze worden de vele beroepsverenigingen direct betrokken bij de meerjarenafspraken? De aanpak van het ziekteverzuim is urgent. De taakgroep expertise ziekteverzuim is een goed initiatief. Kan dit worden verbreed? Aan ziekteverzuim ligt soms arbeidsverzuim vanwege onvrede over het werk of een arbeidsconflict ten grondslag. De expertise van genoemde taakgroep dient dan ook verruimd te worden met knowhow over arbeidsconflicten. Een vaak gehoorde klacht in de zorgverlening is dat het allemaal wat koeler is geworden. Tijdens de begrotingsbehandeling is bij motie gevraagd om per 1 maart 2000 de Arbo-convenanten in de zorg af te ronden. Daarbij is een bonusregeling voor werkgevers gesuggereerd. De motie is op verzoek van de minister met het oog op dit overleg aangehouden. Uit de brief van de minister valt op te maken dat de traagheid regeert: op 1 juli 2000 zullen er intentieverklaringen zijn en een jaar later worden de convenanten gesloten. Kan dit niet eerder? Staatssecretaris Hoogervorst heeft 160 mln. uitgetrokken voor het sluiten van Arbo-convenanten in alle sectoren. Daarbij komt nog eens 160 mln. van de werkgevers. Gezien deze hoeveelheid geld moet een snellere aanpak mogelijk zijn. Met een bonusregeling voor werkgevers die het arbeidsverzuim daadwerkelijk terugdringen, mag niet worden gewacht tot een Arbo-convenant is gesloten. De minister schrijft dat in het jaarplan 2000 afspraken gemaakt moeten worden "om te komen tot minimumeisen voor goede contracten met Arbo-diensten". Het betreft echter een wettelijke plicht waaraan uitvoering gegeven moet worden. De indruk bestaat dat demotivatie van het personeel ook te maken heeft met de toegenomen omvang van de organisaties: als nummer heb je minder plezier in het werk dan als mens en als je betrokken en verantwoordelijk bent, heb je meer lol in je werk dan wanneer je registreert voor het management. Management bij speech is op dat punt een goed instrument. Een goed voorbeeld is Limburg, waar in het eigen dorp of de eigen regio met grote inzet en weinig ziekteverzuim wordt gewerkt. In de zorg zijn mannen voornamelijk de zorgnemers en vrouwen voornamelijk de zorggevers. De werknemers zijn voornamelijk vrouwen en de werkgevers voornamelijk mannen; dus het omgekeerde. Kan er een actief wervingsbeleid worden gevoerd voor vrouwen voor managementfuncties? De heer Oudkerk was ervan overtuigd dat daardoor de zorg op een andere manier zal worden ingericht, omdat er dan meer begrip is voor de problemen waar men op lagere niveaus tegen aanloopt. Er is geen evenwicht tussen rechten en plichten in de zorg. Uit onderzoek van het NIZW blijkt dat men tot het dertigste jaar geen zorgplichten heeft; er is dus sprake van een disharmonie in leeftijd waarop gezorgd wordt. De heer Oudkerk pleitte overigens niet voor een sociale zorgplicht voor jeugd en adolescenten. Als een scholier overweegt om in de zorg te gaan werken, zou het mogelijk moeten zijn om studiepunten te verdienen, om het werken in de zorg aantrekkelijker te maken. Dit is ook voor het onderwijs voorgesteld. Professionele zorgverleners kunnen niet vervangen worden door scholieren uit hogere klassen of studenten, maar er gaat een enthousiasmerende werking uit van het lopen van stage. Een ander voorbeeld is te vinden bij de politie, waar door de werkgever zorgcertificaten worden verstrekt als mannelijke werknemers zorg verlenen, waardoor de kansen om hogerop te komen mogelijk worden vergroot.

De heer Buijs (CDA) noemde het oplossen van de knelpunten op de arbeidsmarkt in de zorg een van de grootste uitdagingen voor de komende jaren. Gelet op de achterstand is dat geen gemakkelijke opgave. De intenties van de minister en de staatssecretaris zijn duidelijk en verdienen alle lof. Het meerjarig beleidskader, convenanten en jaarplannen, voorzien van speerpunten van beleid, moeten vormgeven aan deze intenties. Het meerjarig beleidskader 2000-2004 is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De CDA-fractie gaat daarmee akkoord, omdat niemand tot het onmogelijke is gehouden. Enige stimulering kan echter geen kwaad. Naast een bonusregeling voor Arbo-diensten die goed presteren, kan wellicht ook gedacht worden aan het regionaal instellen van een bonusprijs voor de best presterende sector of instelling alsmede het bekendmaken van degenen die er niets van gebakken hebben. Het is goed dat er in de welzijnssector en de jeugdhulpverlening een convenant tot stand is gekomen tussen de staatssecretaris en de sociale partners. Het oplossen van de arbeidsmarktproblematiek is niet gemakkelijk, zeker omdat er op verschillende terreinen nogal wat beleidsintensiveringen zijn, zoals de jeugdhulpverlening. Ieder jaar zal een jaarplan voor het daaropvolgende jaar worden vastgesteld, voorzien van financiële kaders. De CDA-fractie gaat ervan uit dat dit jaarplan vast onderdeel is van de begrotingscyclus en -behandeling. In dat kader dient zodanig geëvalueerd te worden dat beoordeeld kan worden of doel en taakstellingen zijn gehaald. Kan dit worden toegezegd? In het meerjarig beleidskader wordt vermeld dat het niet eenvoudig is, eenduidige cijfers te verstrekken over de werkgelegenheid in de verschillende sectoren. Een van de speerpunten is verbetering van de informatievoorziening. Volgens het OSA-rapport zijn er 72.000 werkenden in de sector en volgens het meerjarig beleidskader 87.000, terwijl beide cijfers gebaseerd zijn op VOG 1998. Kan dit worden toegelicht? Het maakt duidelijk dat een verbetering van de informatievoorziening noodzakelijk is. Er moeten 1000 extra formatieplaatsen -- 25% -- bijkomen in het algemeen maatschappelijk werk. Is dat inclusief of exclusief de gewenste versterking van de eerstelijns-GGZ? Is het bedrag van 15 mln. extra, toegezegd tijdens de algemene politieke beschouwingen, voldoende om deze gewenste uitbreiding te realiseren? Het verloop in de jeugdhulpverlening was in 1998 veel groter dan in 1997. Heeft dit te maken met de behoorlijke salarisachterstand in deze sector, die macro 60 tot 70 mln. bedraagt ten opzichte van de andere zorgsectoren? Het aantal kinderopvangplaatsen moet op basis van het regeerakkoord worden verdubbeld. Dit moet topprioriteit behouden, want goede kinderopvang is een preventief middel voor de bestrijding van het ziekteverzuim. Meer dan 50% van de vrouwen met kinderen heeft problemen met de combinatie van werk en zorg. Als oorzaak van het hoge ziekteverzuim en de hoge instroom in de WAO geeft 20% van de werknemers aan dat, naast werkdruk en arbeidsomstandigheden, er sprake is van onenigheid met de leiding of met collega's. De heer Buijs steunde het voorstel van de heer Oudkerk om niet alleen intensiveringen aan te brengen op het punt van ziekteverzuim in engere zin, maar ook te bezien op welke wijze onenigheid op de werkvloer voorkomen kan worden. De CDA-fractie kan zich volledig vinden in het speerpuntenbeleid. In het jaarplan 2000 wordt een helder overzicht gegeven van de speerpunten alsmede van de verdeling van de 42 mln. die daarvoor is uitgetrokken. De plannen voor het arbeidsmarktbeleid in de zorgsector zijn ambitieus. Het voorspelde tekort aan verplegenden en verzorgenden zal bij ongewijzigd beleid van 11% -- ruim 34.000 personen -- in 2003, in vier jaar worden teruggebracht naar 4%. In een artikel in De Telegraaf van 22 september jongstleden heeft de minister op de vraag of zij in 2002 de geschiedenis in zal gaan als de meest succesvolle minister van gezondheid, geantwoord: "Ik hoop dat men mij zich herinnert als een minister die echt iets heeft bereikt, om te beginnen met de wachtlijsten -- patiënten hoeven in 2002 niet langer te wachten dan medisch verantwoord is -- en als de minister die wat heeft gedaan aan de personeelsschaarste." Mag zij aan deze duidelijke uitspraak worden gehouden? Er is gekozen voor een integrale aanpak. Op welke wijze kan worden voorkomen dat er competitiestrijd ontstaat tussen bepaalde sectoren, zoals verpleeghuis/ziekenhuis, verzorgingshuis/thuiszorg bij het werven van personeel? De verpleeghuis- en verzorgingshuissector en de thuiszorg hebben een relatieve achterstand ten opzichte van bijvoorbeeld de ziekenhuissector. Wat is in dat kader de betekenis van een integrale aanpak? In het OSA-rapport is sprake van een integrale benadering van de arbeidsmarkt, waarbij ook de medische en paramedische beroepen betrokken zijn. In het convenant is dit achterwege gebleven. Het CDA is van mening dat de problematiek in deze sector zeer binnenkort onderwerp van gesprek moet zijn met de minister. Kan afzonderlijk over de arbeidsmarkt voor artsen en paramedische beroepen worden gesproken? Hoe gaat de minister om met specifiek regionale knelpunten, bijvoorbeeld in Amsterdam, delen van Noord-Holland, Arnhem, Rijnstreek en Haaglanden? Heeft zij een specifiek regiobeleid voor ogen? Zo ja, op welke wijze vindt vormgeving en inpassing in het integrale beleid plaats? Heeft de minister rekening gehouden met de invloed van meer vraaggestuurde zorg op de arbeidsmarkt? Welke invloed hebben ontwikkelingen in de particuliere sector op de arbeidsmarkt? Worden deze zaken betrokken bij de integrale benadering? De grote uitdaging is om het onbenutte arbeidspotentieel in de verpleging en verzorging weer in te zetten. Tweederde van degenen die VBO-verzorging hebben gevolgd, is niet (meer) actief; een onrustbarend hoog getal dat waarschijnlijk ook te maken heeft met de mogelijkheid van kinderopvang. Kan de minister een toelichting geven op de brief van de Nederlandse vereniging van ziekenhuizen aan minister Hermans over de opleiding tot HBO-V? Gemeld wordt dat het profiel en de te kiezen vakken niet passen bij het toekomstperspectief van een HBO-verpleegkundige. Is de minister bereid, hierover te overleggen met minister Hermans om te bezien of die hindernis kan worden genomen? In het jaarplan 2000 is voor 240 mln. aan kosten opgenomen. Voor 85 mln. ontbreekt nog een dekking. Is deze reeds gevonden? Zo nee, wanneer kan daar duidelijkheid over worden gegeven? Wordt dit punt in het kader van het voorjaarsoverleg opgelost? Het conflict in 1997 heeft niet direct het vertrouwen van de sector in de overheid verstevigd. Het aangepaste convenant voor de GG-sector sluit meer aan bij de arbeidsvoorwaarden in de marktsector. Het is goed dat er sprake is van een onafhankelijke rekencommissie die een zwaarwegend advies uitbrengt aan de overheid. Het is jammer dat de NVZ, de GGZ-sector en LFAZ nog niet getekend hebben. Wanneer is daar zicht op? Een goed arbeidsmarktbeleid in de zorgsector kan ertoe bijdragen dat werkdruk en wachtlijsten verminderen en dat het imago van de zorgsector verbetert, maar dat kan alleen onder de voorwaarde dat de overheid dat beleid voldoende mogelijk maakt.

De heer Weekers (VVD) onderschreef de opmerking van de heer Buijs dat de aanpak van de knelpunten op de arbeidsmarkt voor de zorgsector een van de grootste uitdagingen voor de komende jaren is. De sector kampt met krapte op de arbeidsmarkt, een relatief hoog ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en imago- en andere problemen. Een van de moeilijkheden is de gelaagde verantwoordelijkheid. De eerste verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt ligt op instellingsniveau en bij de sociale partners. De Kamer kan de bewindslieden wel aanspreken op de randvoorwaarden, de knelpunten en op management by speech. De jaarplannen 2000 voor het arbeidsmarktbeleid zien er op hoofdlijnen veelbelovend uit. Het is nu tijd voor de uitvoering. Kunnen de bewindslieden ingaan op de stand van zaken van de activiteitenplannen? Loopt alles volgens schema, zeker ook nu de dekking van de jaarplannen nog niet geheel rond is? Kan het niet bestede bedrag van ruim 17 mln., bestemd voor Melkertbanen in het jaar 1999, bijvoorbeeld worden ingezet voor het arbeidsmarktbeleid? De VVD kan zich vinden in de speerpunten en heeft er waardering voor dat is getracht, een aantal concrete doelstellingen te ontwikkelen. Kunnen jaarlijks in een evaluatie de resultaten en effecten van het gevoerde beleid worden gemeten? Het is onbegrijpelijk dat in het meerjarig beleidskader wordt aangegeven dat er pas over zo'n twee jaar een adequaat systeem beschikbaar is dat inzicht geeft in de resultaten en de effecten van het beleid en dat het bovendien twee jaar moet duren voordat de resultaten kwantitatief en kwalitatief inzichtelijk worden. Op welke wijze kan tussentijds worden beoordeeld of de goede weg is ingeslagen? Het proces zal voortdurend bijgestuurd moeten worden op grond van good en bad practises. Sommige doelstellingen hadden ambitieuzer gemogen, zoals het terugdringen van het ziekteverzuim en de vermindering van de WAO-instroom. Waarom wordt geaccepteerd dat er in de zorg- en welzijnssector over vier jaar nog steeds een substantieel hoger ziekteverzuim en een hogere WAO-instroom zijn? Waarom is niet ten doel gesteld dat het ziekteverzuim wordt teruggebracht tot het gemiddelde niveau in het bedrijfsleven of het landelijk gemiddelde? De zorgsector heeft met de nu gekozen benadering wellicht een fors probleem als de PEMBA-prikkels tot volle wasdom komen. De VVD-fractie stelt het op prijs dat de oorzaken van het ziekteverzuim nader worden geanalyseerd. Uit de stukken komt naar voren dat alleen wordt gekeken naar de arbeidsgerelateerde aandoeningen, terwijl uit de rapportage van het LISV blijkt dat 75% van het ziekteverzuim niet arbeidsgerelateerd is. Kunnen de niet-arbeidsgerelateerde oorzaken nader worden geanalyseerd? Verschillende oorzaken vragen om een verschillende benadering. Niet-arbeidsgerelateerde oorzaken worden immers niet opgelost met tilapparatuur en andere Arbo--investeringen. Arbeidsverzuim heeft vaak te maken met de persoonlijke betrokkenheid bij het werk, zowel van degene die verzuimt als van de leidinggevende. In kleinere organisaties leert men elkaar kennen door verantwoordelijkheid te nemen, zo is bevestigd door de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling. Kleinschalig werken, dat ook in een grote organisatie mogelijk is, kan de cultuur van afzijdigheid doorbreken. Zorginstellingen met een relatief laag ziekteverzuim geven aan dat ziekmeldingen bij de direct leidinggevende, die zich vervolgens ook betrokken toont en blijft tonen, leidt tot minder langdurig ziekteverzuim. Door een eigen patiëntenkring, bijvoorbeeld in de thuiszorg in midden-Limburg, is men meer betrokken bij het werk en de patiënten en dat leidt tot minder verzuim. Wellicht dat naast de financiële prikkels, management by speech ook iets kan betekenen. Er moet oog zijn voor de menselijke maat en voor het gevaar van een cultuur van afzijdigheid als er sprake dreigt van een logge, anonieme organisatie. Een beleid van positieve en negatieve prikkels in de arbeidsvoorwaardensfeer is van belang. In de jaarplannen wordt aangegeven dat de ziekenhuizen het gedrag van hun werknemers daardoor willen beïnvloeden. Er ligt een taak voor het kabinet om delen van CAO's die positieve en negatieve prikkels onmogelijk maken, niet langer algemeen verbindend te verklaren. Wil de minister de CAO's hierop screenen? Uiteindelijk dient de instelling zelf, in overleg met de eigen werknemers, uit te maken of er een verantwoord beleid wordt gevoerd. Sinds kort is er een eind gekomen aan de collectieve verzekering van het Ziektewet-risico, zodat er een financiële prikkel is voor een goed antiverzuimbeleid. Elke instelling draagt eigen verantwoordelijkheid, waardoor goed beleid wordt beloond en slecht beleid gestraft. Kan de minister aangeven wat de effecten zijn van het loslaten van de collectieve verzekering en van de ontwikkelingen die hierdoor op gang worden gebracht? Hebben bijvoorbeeld kleine organisaties wel de mogelijkheid, zich te verzekeren? Vindt premiedifferentiatie plaats? De tijdens de begrotingsbehandeling ingediende motie-Oudkerk/Van Vliet inzake een bonusregeling voor zorginstellingen die een goed antiverzuimbeleid voeren, kan rekenen op de sympathie van de VVD-fractie. De minister heeft toegezegd tijdens dit overleg het standpunt van staatssecretaris Hoogervorst kenbaar te maken. Gezien de relatie tussen arbeidsverzuim en gebrek aan kinderopvang moet het kabinet werk maken van de uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen. In de zorgsector werkt men vaak onregelmatig. Wellicht is het om die reden goed, kinderopvang in de zorginstelling te realiseren. Deze kan via de stimuleringsmaatregel dagindeling van de grond komen. De sector welzijn en jeugdhulpverlening wil de integratie van arbeidsgehandicapten binnen twee jaar gelijk hebben aan de WAO-instroom. De WAO-instroom zal echter bij een goede uitvoering van de plannen worden gereduceerd. Dat mag zeker niet gelden voor het aantal te reïntegreren arbeidsgehandicapten. Kan de minister reageren op de opmerking van de denktank NZF, dat imagocampagnes niet werken? Ook de beroepsorganisatie van verpleegkundigen Nu '91 is daar teleurgesteld over. Zij zegt dat er niet naar haar is geluisterd, dat niet wordt aangegeven hoe interessant het werk is, wat het inhoudt, welke opleidingsmogelijkheden er zijn en welke perspectieven geboden worden. Waarom zijn de adviezen van degenen die in de sector werken niet gevolgd? Het is verontrustend dat het beroep van verpleegkundige zelfs bij kinderen niet meer tot de verbeelding spreekt, want het blijkt niet meer in de top tien voor te komen. De heer Weekers sloot zich aan bij de vraag van de heer Buijs over de klacht van de NVZ over de profielindeling in het VO. Hij onderschreef het pleidooi van de NVZ voor verruiming van de externe stagemogelijkheden, waardoor leerlingen meer praktijkervaring opdoen, meer mensen in de zorg willen werken en het aantal handen aan het bed toeneemt. Overwogen kan worden om gemotiveerde studenten nog voor het afstuderen een contract aan te bieden in een zorginstelling, waarmee voorkomen wordt dat andere sectoren de voor de zorg opgeleide mensen in een vroegtijdig stadium wegkapen. Er is wat het salarisniveau betreft, een convenant gesloten inzake de nieuwe aanpak van de OVA, waaronder ook de CAO jeugdhulpverlening valt. In hoeverre is de VOG daarbij betrokken geweest, mede met het oog op het achterblijven van de salarisontwikkelingen in de jeugdhulpverlening met 8 tot 10%? De tijdens de begrotingsbehandeling geuite vrees dat de gelden voor het wegwerken van de wachtlijsten worden ingezet om de salarisachterstand weg te werken, lijkt bewaarheid te worden. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Mevrouw Van Vliet (D66) steunde in grote lijnen de voorstellen inzake convenanten, speerpunten, doelstellingen, onderzoek en monitoring en complimenteerde de bewindspersonen daarmee. Wat zijn de concrete acties om de doelstellingen in het jaarplan 2000 tijdig te halen? Tot hoe ver loopt een en ander? Wie draagt zorg voor de uitvoering? Mevrouw Van Vliet sprak de wens uit dat bij evaluaties of een nieuw jaarplan wordt aangegeven of het doel (deels) is bereikt. D66 steunt de acht speerpunten. De zinsnede over de kinderopvang in het jaarplan 2000 wekt verbazing. Waarom wordt gesteld dat er nog onderzoek moet komen naar het ontwikkelen van een stimuleringsmaatregel? Naast de reguliere kinderopvang moet ook worden gedacht aan vormen van 24-uurskinderopvang, extra plaatsen voor oproepkrachten en dergelijke. Het blijkt dat vrouwen nogal eens als oproepkracht afhaken omdat zij hun kinderen niet kunnen onderbrengen. Het is moeilijk te beoordelen of de juiste campagne ter verbetering van het imago wordt gevoerd. Op welke wijze is de ondersteuning geregeld van de op basis van het werkdocument welzijn en jeugdhulpverlening gemaakte keuze van werkzaamheden in de regio? Kennelijk dringen zaken die op landelijk niveau worden besproken niet door tot het regionaal niveau, waardoor bijvoorbeeld HBO-V-leerlingen op het verkeerde been worden gezet. Mevrouw Van Vliet onderschreef de reeds eerder gemaakte opmerkingen over arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim. Uit onderzoek blijkt dat de nieuwe instroom in de WAO veel jonge vrouwen tot 35 jaar betreft met een psychische problematiek. Kunnen deze gegevens worden vertaald naar de zorgsector, waarin sprake is van een bovengemiddeld ziekteverzuim? Kan in het jaarplan explicieter aandacht worden besteed aan het betrekken van verplegenden en verzorgenden bij het meedenken in de verschillende niveaus van de organisatie? De NVZ heeft de vooropleiding HBO-V en de profielen in het VO aangekaart bij Onderwijs, maar zij krijgt min of meer nul op het rekest. Het profiel natuur en gezondheid stoot sommigen af. Het alternatief is cultuur en maatschappij of economie en maatschappij, maar daarbij is biologie een vrijekeuzevak. In de praktijk blijkt dat moeilijk te liggen. Om praktische redenen haakt men dan al af in de vooropleiding. Wil deze minister dit punt aankaarten? Verder heeft de NVZ erop gewezen dat er duale opleidingen zijn in het HBO waarvoor sinds kort studiefinanciering wordt geboden, maar niet voor het HBO-V. De Kamer heeft een motie aangenomen waarin wordt bepleit, meer rekening te houden met regionale verschillen in de arbeidsmarkt. Op basis van het beleidskader 2000/2004 worden de sectorfondsen nog op de oude wijze verdeeld. Wat betekent dit voor het jaar 2001?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) benadrukte dat er gelukkig nog steeds veel mensen met veel plezier in de zorgsector werken, maar dat het steeds moeilijker wordt dat plezier te behouden. Een integrale aanpak is van belang. Naast de ministeries die al eerder zijn genoemd, is het belangrijk dat ook het ministerie van Financiën hierbij wordt betrokken. In de imagocampagne dient een realistisch beeld te worden gegeven van het werk. Er moet dan ook verbetering worden aangebracht op het punt van tijd voor intermenselijk contact, omdat blijkt dat het ontbreken daarvan als bijzonder zwaar wordt ervaren. Het werven van personeel is, afhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt, niet altijd even moeilijk, maar het vasthouden en perspectieven bieden des temeer. Dat meer vrouwen instromen in de WAO is vaak arbeidsgerelateerd, terwijl de sector dat nogal eens afschuift op betrokkenen zelf. Mevrouw Van Gent was het eens met degenen die ervoor hebben gepleit, nieuwe groepen te werven, zoals allochtonen en herintredende vrouwen. De markt moet, gezien de krapte, haar werking kunnen hebben, ook al zijn er vele publieke middelen bij deze sector betrokken. Terwijl er sprake is van een hoge waardering, is het teleurstellend dat aan zaken zoals loopbaanperspectief en arbeidsvoorwaarden nog het nodige mankeert. Het gaat daarbij om de vraag wat de samenleving of de politiek ervoor over heeft. Er zullen dan ook keuzes gemaakt moeten worden. Bij de speerpunten is onder "scholing, employability en loopbaanbeleid" geen budget opgenomen voor 2000, terwijl met name carrièremogelijkheden en scholing knelpunten zijn in deze sector. Bij ongewijzigd beleid zullen er op middellange termijn ernstige tekorten ontstaan in de personeelsvoorziening. Dat is dubbelop, omdat er ook wachtlijsten zijn. Voor een beleid gericht op verbetering van het imago van de sector zullen uiteindelijk ook middelen beschikbaar moeten komen. Een goed salaris en goede arbeidsomstandigheden dragen bij aan de arbeidsvreugde. Door de krapte zal er een groter beroep worden gedaan op de informele zorg, terwijl dat steeds moeilijker wordt omdat ook vrouwen gaan werken. Langdurig mantelzorgverlof wordt niet vergoed. Kan worden nagegaan of in de sfeer van het persoonsgebonden budget langdurig mantelzorgverlof op een of andere wijze gecompenseerd kan worden? Het is niet geheel duidelijk of bestaande verlofregelingen voor alle inkomensgroepen in gelijke mate bereikbaar zijn. Vaak is een en ander voor de lagere en middeninkomens ingewikkelder en moet men bijvoorbeeld veel langer verlof sparen voordat men het kan opnemen. Mevrouw Van Gent sloot zich aan bij de vragen van andere sprekers over arbeidsvoorwaarden, beloningsverschillen en jeugdzorg. Het is uitermate belangrijk om kinderopvang beschikbaar te stellen voor werkenden in de zorgsector. Er mogen echter niet voor allerlei groepen uitzonderingsregelingen getroffen worden, waarvan anderen weer de dupe worden. De basisvoorziening dient adequaat geregeld te worden. De 24-uursopvang is voor de zorgsector uiteraard van groot belang. Uit de najaarsnota blijkt dat er sprake is van een onderuitputting van 17,1 mln. voor de I&D-banen. Kan in samenwerking met bijvoorbeeld minister De Vries een opgepept plan van aanpak worden opgesteld? Ook voor de zorgsector is een leeftijdbewust personeelsbeleid nodig, zodat men ook op oudere leeftijd hierin werkzaam kan zijn. Resumerend kan gesteld worden dat er veel werk aan de winkel is en dat er geld bij moet. Mevrouw Van Gent hoopte dat de coalitie in het kader van de voorjaarsnota bereid is, daaraan een bijdrage te leveren.

Mevrouw Kant (SP) merkte op dat het kabinet, gezien het aantal adviezen, rapporten en brieven, het dreigend personeelstekort in de zorg heel serieus neemt, maar al dat papier stelde haar toch niet gerust. De Raad voor volksgezondheid en zorg en de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling stellen dat, als de overheid niet snel ingrijpende maatregelen neemt om de knelpunten op te lossen, dit automatisch zal leiden tot een tweedeling in de zorg. Als de zorgsector er niet in slaagt, voldoende in te spelen op de komende maatschappelijke en demografische ontwikkelingen, ontstaat het risico dat arme mensen in de toekomst niet meer kunnen rekenen op bepaalde vormen van zorg, terwijl de rijken die zorg wel kunnen inkopen. Er is flink wat in gang gezet, maar het is de vraag of dat genoeg is om de voorspelling van de raden toch niet uit te doen komen. Voor de personeels- en arbeidsmarktproblematiek zijn aparte financiële injecties nodig om de vicieuze cirkel te doorbreken. Op alle fronten zal de aanval versterkt moeten worden. Veel maatregelen zijn gericht op verhoging van de instroom, maar er moet vooral voor worden gezorgd dat mensen in de zorg blijven werken en dat men na de opleiding ook in de zorgsector gaat werken. Wat vindt de minister van de terugkeer van praktijkbegeleiders en een aparte geldstroom voor begeleiding vanuit de instelling? Moeten er, bijvoorbeeld voor specialisaties en de opleiding voor verpleegkundigen, geen aparte geldstromen komen om dit te stimuleren? De minister heeft eerder aangegeven, dat een interessante gedachte te vinden. Er zijn wel mogelijkheden voor verdere scholing van verplegenden en verzorgenden, maar er is een aantal praktische knelpunten, zoals het moeten opnemen van vrije dagen om overdag naar school te kunnen gaan. Wat kan daaraan worden gedaan? In de praktijk worden veel goedkope arbeidscontracten gesloten. In het jaarplan worden minimumeisen aangekondigd voor goede contracten met Arbo-diensten. Het streven is dat eind 2000 ten minste de helft van de instellingen zo'n contract heeft gesloten. Dienen niet alle instellingen op de kortst mogelijke termijn zo'n contract te hebben? Ook is de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van belang. De minister ziet na een vergelijking geen aanleiding, daaruit te concluderen dat de arbeidsvoorwaarden in de zorg slechter zijn dan in de markt. De SP-fractie en anderen zijn het daar niet mee eens. "Je kunt beter in de informatietechnologiesector gaan werken, je bent een sukkel als je billen wast in het verpleeghuis", was de samenvatting van de heer Bottelier van het imagoprobleem in de zorg toen hij namens de dertien brancheorganisaties het rapport "Gezondheidszorg in tel" in ontvangst nam. "De werkgevers moeten beter betalen", zo stelde hij; opmerkelijke taal van een werkgever. Er blijkt dat veel is aan te merken op de vaak gepresenteerde cijfers. De zogenaamde inhaalslag met de markt is ook toe te schrijven aan bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijdstijging van het zorgpersoneel. In de zorgsector is het tempo van de vergrijzing tweemaal zo hoog als op de landelijke arbeidsmarkt. Het is dan nogal logisch en terecht dat de lonen stijgen. Bovendien ligt het opleidingsniveau hoger dan het landelijk gemiddelde. Uit het rapport "Tussen overschot en tekort" blijkt dat het beeld verandert op het punt van de functieniveaus. Zowel voor lagere, middelbare en hogere functies betaalt de zorgsector slechter dan de markt. Uit hetzelfde rapport blijkt ontevredenheid over de hoogte van het loon. Uit een peiling van OSA uit 1998 bleek ook dat het merendeel van de ondervraagden vindt, dat het uurloon te laag is ten opzichte van de verantwoordelijkheden die men heeft. Leest de minister andere rapporten of worden de rapporten anders gelezen? De salariëring in de zorg is, gezien de zwaarte van het vak, achtergebleven, ook al is er een relatieve groei geweest. Dat zal ook blijken uit een vergelijkend waardenonderzoek. Waarom verdient een verpleegkundige niet gewoon evenveel als een onderwijzer, die overigens ook te weinig verdient? Bij de begroting heeft de SP-fractie de achterstand van de lonen in de jeugdzorg aan de orde gesteld. De VOG stelt dat er onmogelijk meerjarenafspraken gemaakt kunnen worden over de aanpak van de wachtlijsten zonder enig perspectief op een gelijkwaardig salarisniveau in de jeugdhulpverlening ten opzichte van de andere zorgsectoren. Erkent de minister de achterstand en het specifieke arbeidsmarktprobleem binnen de jeugdzorg? Is zij bereid een oplossing te zoeken? Het gaat om meer dan alleen centen. Uit eerdergenoemde OSA-peiling bleek dat het belangrijkste aangegeven knelpunt is dat men hoger gekwalificeerd is dan voor het werk vereist is. Ook RMO en RVZ wijzen erop dat een deel van de verpleegkundigen en verzorgenden over meer kennis en vaardigheden beschikt dan nodig is. De kwaliteiten worden dus onvoldoende benut. Het gevaar dreigt daardoor dat men uitgekeken raakt op het werk. Uit het rapport "Tussen overschot en tekort" blijkt grote ontevredenheid over de zelfstandigheid. Onder andere Nu '91 wijst er bij voortduring op dat de verpleging een meer beleidsmatige rol en spilfunctie dient te vervullen. Hoe denkt de minister over meer zeggenschap voor verplegenden en verzorgenden over hun eigen professionele handelen, een betere benutting van hun specifieke deskundigheid en meer zeggenschap over het beleid in de meerjarenafspraken en de imagocampagnes? De minister heeft toegezegd, na te zullen gaan of de beroepsgroep Nu '91 wel voldoende is betrokken bij de imagocampagne. Weet zij inmiddels of dat zo is? Wat is haar mening op dat punt? Nu '91 is teleurgesteld over de campagne. De minister heeft tijdens de begrotingsbehandeling van het voorbeeld uit de campagne "mijn vriend hoopt dat hij zijn target haalt, ik hoop dat mijnheer Bos de ochtend haalt" gezegd, dat zij dat een wonderlijke quote vond. Inmiddels wordt deze wel gebruikt. Verpleegkundigen moeten zich herkennen in een campagne. Er zijn gelukkig ook voldoende positieve dingen te melden over de inhoud van het werk, maar Nu '91 vindt dat deze te weinig tot uitdrukking zijn gekomen. Er moet meer worden geïnvesteerd in de werkenden in de zorg, ook door hen een stem te geven. Een column in HP/De Tijd over de imagocampagne en de arbeidsvoorwaarden in de zorg eindigt met de zin "Het is dus geen campagne voor het imago van de zorg, maar voor het imago van het zorgbeleid". Een imagocampagne is goed, maar het is een gevolg van het Paars I-beleid dat er te weinig geld is voor de zorg. Het slechte imago vanwege de toenemende werkdruk en andere problemen in de zorg, kan niet met een campagne worden weggepoetst. Er is nog onvoldoende sprake van verandering van beleid. De SP-fractie heeft er bij de behandeling van de zorgnota al op gewezen dat er hier en daar ook nog wel wat weggehaald kan worden, zoals bij de goudgerande regelingen voor managers waarbij jaarlijks zo'n 100 mln. wegvloeit. De minister wacht nog op een rapport. Kan zij dit rapport aan de Kamer toesturen? Is zij van plan, dit aan te pakken en, zo ja, op welke wijze?

Het antwoord van de regering

De minister onderschreef het belang van een goed arbeidsvoorwaardenbeleid als speerpunt van beleid. VWS monitort al jaren de arbeidsmarkt om knelpunten tijdig te kunnen signaleren. Oplossingen kosten vervolgens geld. In het regeerakkoord zijn extra middelen uitgetrokken. Ook al wordt er van overheidswege veel tijd, geld en energie in gestoken, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sociale partners. De overheid kan faciliëren, stimuleren -- onder andere via management by speech -- fiscale maatregelen treffen en een goed kinderopvangbeleid voeren, maar goede ideeën verspreiden zich soms zeer traag over het land. Er wordt hernieuwde aandacht aan het onderwerp besteed via een convenant, een meerjarig beleidskader en jaarplannen. De minister zegde toe aan de begroting jaarlijks de evaluatie van de plannen toe te voegen. De jaarplannen bevatten ook afspraken uit CAO's en afspraken uit de meerjarenplannen, waardoor een totaalbeeld ontstaat. De sectorfondsen, die in 2000 fuseren, moeten de jaarplannen vertalen in concrete activiteiten. De fusie zal leiden tot het meer gericht inzetten van de gelden. In het jaarplan staat wat er in 2000 zal gebeuren. Voorbeeld zijn de taakgroep Ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en reïntegratie van arbeidsgehandicapten -- ZARA -- de subsidieregeling voor regionale aanpak, intensivering van een zorgsectorbreed arbeidsmarktbeleid -- RAIZA -- en de stimulering in instellingen van scholing. De convenantpartijen zijn druk bezig, de plannen in concreet beleid om te zetten. De speerpunten van beleid zijn:

- houd het zittend personeel gezond (Arbo, ziekteverzuim, WAO-instroom en reïntegratie);
- houd het zittend personeel tevreden (met een eerste verantwoordelijkheid van het management; belangstelling, loopbaanmogelijkheden, persoonlijke omstandigheden);
- bevorder de instroom van het personeel (nieuwe mensen en herintredersbeleid en beleid gericht op doelgroepen, zoals allochtonen);
- verbeter de beeldvorming;

- versterk de regionale structuur;

- arbeidsmarktonderzoek.
De minister bevestigde dat de problemen overeenkomen met die in het onderwijs. Ten aanzien van de beroepsinhoudelijke aanpak, zeggenschap en loopbaanperspectief wordt gewerkt op basis van management by speech. Er wordt gebruikgemaakt van het verzamelen van informatie over de instellingen met een laag ziekteverzuim en een goede personeelswerving, om de goede voorbeelden uit te kunnen dragen. Bijvoorbeeld in de regio Gorinchem zijn er weinig personeelsproblemen door goede samenwerking en aansturing van aanbod en vraag. In de regio Noord-Limburg is er een goed personeelswervingsbeleid met een jaarlijkse imagocampagne. De primaire verantwoordelijkheid voor genoemd beleid ligt echter bij het veld. Het is met name de taak van de sectorfondsen om goede voorbeelden uit te dragen. In 1999 is 70 mln. beschikbaar gesteld voor de kosten van de opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg. Men kan daarvoor praktijkbegeleiders faciliëren. Ter stimulering is er een fiscale faciliteit van zo'n f.5000 per jaar per BBL'er. In 2000 komen er in de zorgsector nog schoolzorgcoördinatoren bij, die ervoor moeten zorgen dat het traject tussen school en praktijk goed verloopt. In de sector welzijn en INV worden er 800 extra leerarbeidsplaatsen gecreëerd. Voor een structurele samenwerking tussen de zorgsector en de scholen op regionaal niveau worden volgend jaar middelen beschikbaar gesteld. Het nieuwe opleidingsstelsel wordt geëvalueerd, inclusief het huidige systeem van de stageplaatsen. De minister zegde toe het naar haar mening aardige idee om studiepunten te behalen met stage in zorginstellingen verder te zullen betrekken bij de gedachtevorming. In de stuurgroep heeft Nu '91 ingestemd met het concept voor de imagocampagne, dat getoetst is bij beroepsverenigingen en bij het publiek, waaronder jongeren en werkenden in de zorg. Voor de campagne is een extern bureau ingehuurd, dat voor een zeer professionele aanpak heeft gekozen. Uit toetsing blijkt dat bepaalde spotjes, waar je wellicht zelf de wenkbrauwen bij fronst, jongeren aanspreken. Er zijn twee websites, één waarop werkenden in de gezondheidszorg iets vertellen over hun beroep en één waarop de opleidingsstructuur wordt uitgelegd en alle beroepen worden vermeld. Verder zijn er nog open dagen in de instellingen en op scholen en beurzen. Een aantal instellingen administreert op welke wijze men ermee in contact is gekomen, zodat ook zichtbaar wordt of de campagne werkt. Regelmatig wordt met de werkgevers gesproken over de verbreding van de aanpak van het ziekteverzuim. In elke sector op de arbeidsmarkt kunnen problemen ertoe leiden dat men zich ziek meldt. Psychologenbureaus, maar ook reguliere RIAGG's, kunnen via een korte gesprekstherapie betrokkenen aanleren, weerbaarder te worden. Het allerbelangrijkste is dat de werkgever en met name de meewerkende voorvrouw of -man oog heeft voor dat type conflicten. Met staatssecretaris Hoogervorst heeft een gesprek plaatsgevonden over de Arbo-convenanten. Genoemde motie wordt beschouwd als een ondersteuning van het beleid om snel intentieverklaringen en Arbo-convenanten tot stand te brengen. De zorgsector zal daartoe opgezweept moeten worden. Staatssecretaris Hoogervorst heeft extra geld beschikbaar als prikkel voor het sneller bereiken van een intentieverklaring, maar dat kan niet worden afgedwongen. Er is ook geld van de werkgevers mee gemoeid. Betrokkenen zullen opgejut moeten worden. Het is irritant dat pas in de loop van 2000 intentieverklaringen getekend zullen worden en daarna pas convenanten gesloten worden. Reductie van het ziekteverzuim leidt tot groot voordeel voor de instellingen. Het is de vraag of het verstandig is om daar extra geld in te stoppen. De minister zegde toe nog een schriftelijke reactie te zullen geven op de motie inzake de bonusregeling. Wellicht kan via de daarvoor beschikbare middelen een incentive worden gegeven gericht op het sluiten van Arbo-convenanten, waarin ook de Arbo-dienstvoorziening is opgenomen. Het penny-wise and pound-foolish gedrag moet wellicht via de geldkraan doorbroken worden. De minister beschouwde de opmerkingen over de introductie van een bonusregeling als een verzoek van de Kamer, een en ander die richting op te geleiden. De reeds beschikbare middelen zouden op een andere wijze gealloceerd kunnen worden, zodat het bonus-malusidee ingebracht kan worden. Het bevorderen van het bieden van een perspectief aan vrouwen voor hogere functies is al jaren speerpunt van beleid. Er komen steeds meer vrouwelijke managers in de zorg. Deeltijdopleidingen zijn belangrijk om vrouwen op een goed opleidingsniveau te brengen. Het ministerie probeert dat te bevorderen. Overigens schijnen meer vrouwen dan mannen er de voorkeur aan te geven om "in het wit" te blijven werken. Daarom zijn leidinggevende functies in combinatie met uitvoerend werk vaak bijzonder interessant. Het kabinet wil al het mogelijke doen om een goed arbeidsmarktbeleid tot stand te brengen, zoals de inzet van een uitgavenreserve in 2000 van 250 mln. Het gat van 85 mln. is iets kleiner geworden omdat staatssecretaris Hoogervorst niet alleen structureel 5 mln. heeft toegezegd in het kader van de Arbo-convenanten, maar ook 15 mln. boven de afgesproken vier keer 10 mln. voor de tilhulpmiddelen. De kans wordt daardoor groter dat het tekort bij de voorjaarsnota opgelost kan worden. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid coördineert het interdepartementaal overleg. In januari zal dit ministerie een notitie aan de ministerraad voorleggen over een gezamenlijke aanpak. In de zorgsector vist niet iedereen altijd in dezelfde vijver, want er zijn verschillende kwalificatieniveaus. Instellingen hebben vaak een ander soort werknemers nodig. Wat de regionale gelden betreft, is het de bedoeling dat in 2001 geschoven wordt met de middelen afhankelijk van de behoefte in een regio. Voor 2000 is een verdeling tot stand gekomen waarmee alle regio's hebben ingestemd, inclusief Amsterdam. De minister deelde mee dat zij gehouden mag worden aan de citaten uit het interview in De Telegraaf. Op de motie waarin wordt gevraagd om een plan van aanpak voor het capaciteitsprobleem, gericht op een integrale benadering van de verschillende beroepsgroepen, komt nog een reactie van de regering. De minister zegde toe, met minister Hermans te overleggen over het benodigde vakkenpakket voor HBO-V. De LFAZ zal het OVA-convenant deze of uiterlijk volgende week ondertekenen. Het gesprek van de minister met de NVZ gaat de goede kant op. GGZ-Nederland is niet van plan het OVA-convenant te ondertekenen, omdat men van mening is dat zij onvoldoende geld krijgt toegewezen. Het rendement van de opleidingen moet worden verhoogd, onder andere door efficiëntere leerroutes. Het tevoren creëren van stageplaatsen vond de minister een goede gedachte. Er wordt onderzoek gedaan naar het rendement. Op basis daarvan kunnen verbeteringen worden aangebracht. Dat geldt ook voor de huisartsenopleiding. Het alsnog benutten van de onderuitputting van 17,5 mln., bestemd voor Melkertbanen is een sympathieke gedachte, maar eerst moeten vanwege de budgetdiscipline mee- en tegenvallers verrekend worden voordat onderuitputting aan beleidsintensivering besteed mag worden. Het is wel gelukt om voor het arbeidsmarktbeleid 15 mln. over te hevelen naar 2000. Onder andere voor een betere benutting van de I&D-banen zal per 1 januari aanstaande de verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van de koppeling tussen vraag en aanbod bij de gemeenten worden gelegd, omdat gebleken is dat zij er beter in slagen om werk en werkzoekenden bij elkaar te brengen. Gemeenten hebben uitdrukkelijk toegezegd, zich te richten op de zorgsector. De zorgsector zelf heeft betrekkelijk laag gescoord op genoemd punt. De instrumenten voor de sluitende aanpak kunnen wel beschikbaar worden gesteld, maar de benutting ervan is een zaak van anderen. De minister zegde toe, schriftelijk te reageren op de vraag inzake de effecten van de privatisering van Ziektewet en WAO in de zorg- en welzijnssector. Zij onderschreef het pleidooi voor kleinschalige werkorganisaties. De sectorfondsen zijn op schema op het punt van de activiteitenplannen. De minister beaamde dat het aantal jonge vrouwen uit de zorgsector in de WAO een probleem is. Met staatssecretaris Hoogervorst wordt daarover gesproken. Zij hoopte dat Cadans de nodige gegevens kan leveren. Het aanbieden van een contract aan leerlingen is een zaak van sociale partners, maar wordt wel zoveel mogelijk gestimuleerd. De opmerkingen van de heer Bottelier over de ICT-sector en het "wassen van billen" hebben een hoog demagogisch gehalte. Uit het OSA-rapport over de vergelijking tussen salarisposities van leraren, politie, verpleegkundigen en verzorgenden komt een iets ander beeld naar voren dan door mevrouw Kant is geschetst. De minister was het eens met de opmerking dat de capaciteiten van een verpleegkundige onvoldoende worden benut. Experimenten in het Groningse bevallen uitstekend. Een mogelijkheid is dat een praktijkverpleegkundige in een gezondheidscentrum zelfstandig chronische patiënten onder haar hoede heeft, spreekuur houdt en weet wanneer zij moet doorverwijzen naar de arts. Een andere mogelijkheid is dat een transmurale verpleegkundige vanuit het ziekenhuis de thuiszorgcollega's ondersteunt. Er ontstaan steeds meer nieuwe functies voor mensen met een verpleegkundige opleiding, waardoor het mogelijk is om een zeer afwisselende carrière te doorlopen. Geprobeerd wordt, dat te stimuleren, omdat met name een HBO-verpleegkundige meer kan dan hem of haar nu wordt toevertrouwd, zeker op het punt van het organiseren van het eigen werk en het nemen en dragen van verantwoordelijkheid voor een aantal patiënten of cliënten. De minister zegde toe, voor het einde van het parlementaire jaar te zullen reageren op de motie-Oudkerk/Van Vliet over de Arbo-convenanten.

De staatssecretaris bracht naar voren dat de door de minister genoemde websites zijn: www.zorgcampagne.nl en www.gobnet.nl over de opleidingen. Voor het eerst zijn vertegenwoordigers van beroepsgroepen en patiëntenorganisaties betrokken bij de discussies over meerjarenafspraken en convenanten. Hun inbreng is voor de ontwikkeling van het beleid bijzonder belangrijk. Dat geldt ook voor de invloed van de beroepsgroepen op het instellingsbeleid. De benchmark thuiszorg maakt zichtbaar dat grote doelmatigheid van de instellingen gerelateerd is aan een laag ziekteverzuim, een grote tevredenheid van cliënten en personeel en een grote invloed van de medewerkers op het vormgeven van hun eigen werksituatie. Kleinschaligheid is daarvan een voorbeeld. De instelling van adviesraden van verpleegkundigen en verzorgenden kunnen daarbij een stimulans zijn. Door een goed instellingsbeleid kunnen ziekteverzuim en WAO-instroom beïnvloed worden. Het ministerie facilieert een en ander. Geprobeerd wordt om de werkdruk te verminderen. Voor de care-sectoren is in deze kabinetsperiode een bedrag van 670 mln. uitgetrokken, een substantiële bijdrage van 6% op een totale loonsom van 10 mld. Instellingen kunnen de middelen bijvoorbeeld inzetten voor de vermindering van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, waardoor een vliegwieleffect ontstaat: als het verzuim wordt teruggedrongen, neemt ook de werkdruk af. De best practises zullen zoveel mogelijk onder de aandacht worden gebracht. Thuiszorg Rotterdam heeft een project belzorg waarin vrouwen die eigenlijk de WAO in zouden gaan, op een andere wijze worden ingeschakeld. Na scepsis van de OR van de instelling bleek dat alle betrokkenen de meerwaarde ervan inzien. Voor het doorbreken van de gevestigde orde moeten de best practises bekend zijn. Via benchmarking zijn raden van toezicht en zorgkantoren op de hoogte van de score van instellingen. In de thuiszorg probeert men goede voorbeelden te kopiëren. Soms zullen instellingen een cultuuromslag moeten maken. Met name de cultuur van afzijdigheid moet doorbroken worden. Via het systeem van eigen risico in de Ziektewet en premiedifferentiatie in de WAO voelen instellingen toenemend ziekteverzuim en WAO-instroom in de portemonnee. Een cultuuromslag levert uiteindelijk geld op. Een voorbeeld is thuiszorg Oost-Gelderland, waar men drie jaar geleden financieel volledig aan de grond zat. Onder een nieuw management is er een omslag gemaakt naar belevingsgerichte zorg, waardoor het ziekteverzuim met sprongen naar beneden is gegaan en de wachtlijsten verdwenen zijn. In "handen" uitgedrukt, is 1% ziekteverzuim heel veel. Het convenant welzijn en jeugdhulpverlening is erop gericht de instroom in de WAO te beperken en de uitstroom te vergroten, dus in- en uitstroom zijn niet gekoppeld. In de uitwerking van de plannen zal dat naar voren worden gebracht. Een van de oorzaken van het ziekteverzuim is het ontbreken van faciliteiten om arbeid en zorg te combineren. Het aantal kinderopvangplaatsen moet fors worden uitgebreid. Via fiscale stimulansen aan werkgevers zullen CAO-regelingen verbeterd moeten worden. De in het convenant gebruikte term van het "onderzoeken" van een stimuleringsregeling is verwarrend. Bedoeld wordt: verder te kijken naar de ontwikkeling van de CAO-afspraken die in de sector gelden voor de kinderopvang en nader bezien op welke wijze daaraan een stimulans kan worden gegeven, gesteund door een fiscaal pakket. De faciliteiten voor kinderopvang moeten ook aansluiten bij de behoefte in de sector. Met name in intramurale sectoren is sprake van 24-uurszorg, waarbij 24-uurskinderopvang ook een noodzakelijke voorwaarde is. Bij de precisering van de CAO-afspraken moet hiervoor ruimte worden gemaakt. Werkgevers en werknemers zijn daarvoor gezamenlijk verantwoordelijk. Realisatie via de CAO wordt ondersteund door een fiscale maatregel, te weten een tegemoetkoming in de kosten van werkgevers van 30% via de specifieke afdrachtskorting (SPAK). Er zal nog gediscussieerd worden over het ondersteuningspakket op langere termijn. De staatssecretaris onderschreef niet de suggestie van de VOG om het bedrag van 110 mln. dat beschikbaar is voor de aanpak van de wachtlijsten bij de bureaus jeugdzorg, voor de arbeidsvoorwaarden te gebruiken. Het geld is bedoeld voor meer capaciteit in de jeugdzorg, waardoor de werkdruk in die sector wordt verminderd. Daarnaast moet via het arbeidsmarktbeleid de situatie op de arbeidsmarkt van de jeugdhulpverlening worden bekeken. Een van de conclusies van het onderzoek van Bakkenist is dat er 10% achterstand is. In een rapport van KPMG uit 1998 wordt een achterstand van 3% genoemd. De onderbouwing van de cijfers zal nader bekeken worden. De Kamer zal zo snel mogelijk worden geïnformeerd over de aanpak van de problematiek, de beoordeling van de onderzoeken en de afspraken die daarover gemaakt worden. De Federatie van werkgeversverenigingen in de welzijnssector heeft het ene en de VOG het andere convenant getekend. Het verschil tussen de cijfers in het OSA-rapport en het meerjarig beleidskader over de omvang van de werkgelegenheid in de welzijnssector heeft waarschijnlijk te maken met de gehanteerde definities, met name de interpretatie van het begrip "sociaal-cultureel werk" en de mate waarin welzijn, ouderen en peuterspeelzalen erbij betrokken zijn. Dit zal nader worden uitgezocht. De werkgelegenheid in de sector groeit fors, bijvoorbeeld op het terrein van de kinderopvang en het maatschappelijk werk. De informatievoorziening op dat punt moet worden verbeterd. Door het beleid op het terrein van de combinatie arbeid en zorg wordt ook de druk op de informele zorg verminderd. Er wordt betaald kortdurend zorgverlof gerealiseerd. Voor langdurig verlof is er een faciliëring in het kader van de loopbaanonderbreking, ook al staat daar een minimale vergoeding tegenover. Het is een wettelijke basis waarop in CAO-verband partijen aanvullingen kunnen afspreken. Het is mogelijk om van het persoonsgebonden budget mantelzorgers te betalen. Gezien de samenhang in de arbeidsmarkt is een integrale benadering noodzakelijk. Niet alle organisaties op het terrein van verpleging en verzorging vissen in dezelfde vijver. De huishoudelijke hulp in de thuiszorg heeft een andere taak dan de verpleegkundige in een ziekenhuis. Ook de opleidingsniveaus voor de verschillende functies zijn verschillend. Voor alle sectoren geldt dat er nog vrij veel onbenut potentieel is van opgeleide mensen. Samenwerking tussen de verschillende aanbieders in de regio en met opleidingen, het arbeidsbureau, de uitvoeringsinstellingen, met name Cadans, is buitengewoon belangrijk. Daardoor kan de instroom vergroot worden en uitval tegengegaan. De arbeidsmarkt is een regionale en op deelterreinen zelfs een lokale markt. In grote steden is men wel bereid om in de thuiszorg in de eigen wijk te werken, maar niet verder weg. Een leeftijdsspecifiek personeelsbeleid sluit aan bij een goed personeelsbeleid in de instellingen. Met name bij oudere werknemers dient de werkbelasting te worden aangepast aan de fysieke mogelijkheden, ook ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en instroom in de WAO. Op het punt van ziekteverzuim en WAO-instroom in de zorg- en welzijnssector is het uiteindelijke doel, een gelijk percentage ten opzichte van andere sectoren. De tussentijdse doelen moeten scherp worden geformuleerd, want men moet er ook in kunnen geloven.

De voorzitter van de commissie,
Essers

De griffier van de commissie,
Teunissen


1 Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Rouvoet (RPF), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Arib (PvdA), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD) Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Örgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Weekers (VVD), Schutte (GPV), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Duijkers (PvdA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg commissie over welzijn en jeugdhulpverlening '




Lees ook