Tweede Kamer der Staten Generaal

26800viii.069 vao monitoring 2efase havo-vwo Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 13:46

26800 VIII

Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor het jaar 2000

nr. 69 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 januari 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<1> heeft op 16 december 1999 overleg gevoerd met staatssecretaris Adelmund van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:

- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 27 juli 1999 ter aanbieding van de rapportage door het PMVO van de vierde peiling van de monitoring tweede fase HAVO/VWO (briefnr. OCW-99-731);

- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 8 november 1999 ter aanbieding van de rapportage door het PMVO van de eerste peiling in het cursusjaar 1999-2000 in het kader van de monitoring tweede fase;

- het nog te ontvangen onderzoek naar de overladenheid van het programma van de tweede fase voortgezet onderwijs door het PMVO en de onderwijsinspectie.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Dijksma (PvdA) herinnerde aan de oorspronkelijke doelstellingen van de invoering van de tweede fase: de actualisering van de inhoud van het onderwijs en de verbetering van de aansluiting op het hoger onderwijs. Deze doelstellingen hadden volgens haar nog niets aan belang ingeboet.

Uit de rapporten van de onderwijsinspectie, het Proces Management Voortgezet Onderwijs (PMVO) en Codename Future naar de mogelijke overladenheid van het studiehuis blijkt dat de geconstateerde problemen in het algemeen kunnen worden gekarakteriseerd als overgangsproblemen, dat scholen die de overgang op adequate wijze hebben georganiseerd minder problemen kennen en dat de problematiek in bepaalde gevallen van didactische aard is. Hoe het ook zij, de studielast wordt door veel leerlingen als probleem ervaren, maar ook hierbij verschilt de mate per school en per vak. De onderwijsinspectie constateert piekbelastingen op momenten dat voor veel vakken praktijkopdrachten moeten worden ingeleverd. De grote verschillen tussen scholen maken een centrale aanpak uitermate lastig. Dit gegeven, en de vaak door scholen gewenste autonomie en maatwerk, sterkten mevrouw Dijksma in haar opvatting dat de scholen zelf een oplossing voor eventuele overbelasting moeten vinden. Zij benadrukte echter wel dat een grotere keuzeruimte voor scholen in het bestaande programma niet ten koste mag gaan van de inhoud en het niveau van het onderwijs: maatregelen als het onverkort schrappen van een bepaald percentage van de lesstof tasten het fundament van de vernieuwing aan en zijn daarmee onverantwoord.

De voorstellen van de staatssecretaris voldoen wel. Zij hebben een nadrukkelijk tijdelijk karakter en scholen kunnen er gebruik van maken indien zij dat nodig achten. De kritiek lijkt vooral gericht op de verlichting van het vak Algemene Natuurwetenschappen (ANW) en op de voorstellen rond de invulling van de lesuren bij de moderne vreemde talen. Kan de staatssecretaris deze voorstellen toelichten? In hoeverre is zij voornemens om hierover met het onderwijsveld te overleggen, mede ter vergroting van het draagvlak voor de voorstellen?

Nu de tweede fase is ingevoerd, zit de taak van het procesmanagement erop. Om de opgedane kennis en ervaring zo veel mogelijk voor het departement te behouden, wordt het PMVO langzaam afgebouwd. Mevrouw Dijksma steunde deze strategie. Zij was het oneens met de bewering dat de Kamer cruciale informatie zou zijn onthouden doordat het PMVO het rapport van prof. Imelman over de kerndoelen in de basisvorming niet openbaar heeft gemaakt.

Mevrouw Dijksma betreurde het besluit om af te zien van een onderzoek door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) naar klachten rond kartelvorming onder uitgevers van schoolboeken, maar had er wel begrip voor. Uit een overzicht van Ouders&Coo blijkt dat diverse omringende landen geen last hebben van vaste prijzen voor schoolboeken. Zij vroeg de staatssecretaris in het bijzonder te reageren op de vergelijking met Denemarken. Zij vroeg de staatssecretaris om de evaluatie van de prijzen voor schoolboeken voor de zomer van 2000 te laten verschijnen. Een eventuele onvermijdelijke prijsverhoging van schoolboeken zal in ieder geval voor minder draagkrachtige ouders moeten worden gecompenseerd door middel van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS).

De heer Cornielje (VVD) wees erop dat de VVD bij de plannen rond de vernieuwingen van de tweede fase weliswaar instemde met de profielen, de vakinhouden en het studiehuis, maar daarbij aantekende dat dit een cultuuromslag zou vergen die een groot aantal jaren zou kunnen duren. Het oorspronkelijke doel van de tweede fase was de verbetering van de aansluiting tussen basisvorming en hoger onderwijs door een verhoging van het onderwijsniveau en meer nadruk op zelfstandig werken, met een verzwaring van het programma en een grotere selectiviteit als eventueel gevolg. De VVD stelde wel als voorwaarde dat de vernieuwingen gepaard dienden te gaan met periodieke rapportages en een principiële bereidheid van alle betrokkenen om het beleid indien nodig aan te passen. Enkele aanpassingen hebben reeds plaatsgevonden, maar desondanks wordt het programma door velen nog steeds als overladen ervaren.

In de motie-Cornielje c.s. van 22 juni 1999 werd het kabinet opgeroepen om de studielast kritisch te blijven volgen en zonodig passende maatregelen te nemen, maar voorlopig geen vakken te schrappen. Deze motie is blijkens de vierde peiling van het PMVO uitgevoerd. In de vijfde peiling in oktober 1999 worden geen voorstellen tot aanpassingen gedaan; naar aanleiding van de quick-scan van het PMVO in december 1999 echter wel. De heer Cornielje vond dit vreemd en vroeg zich af wat in deze korte tijdspanne tussen beide peilingen kan zijn gebeurd. Scholen die in 1998 zijn gestart, uiten dezelfde bezwaren als scholen die zijn gestart in 1999. Dit gegeven wijst erop dat de problemen vooral invoeringsproblemen betreffen. De invoering dient goed te worden georganiseerd, docenten moeten goed worden voorbereid en piekbelasting moet worden voorkomen. Bovendien hebben vakken als ANW en Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV) hun definitieve vorm nog niet gevonden. De VVD zal de voorgestelde tijdelijke maatregelen in dit licht beoordelen. In ieder geval mogen zij het oorspronkelijke perspectief van de onderwijsvernieuwingen niet ondermijnen: het lukraak schrappen van vakken is derhalve niet aan de orde, maar wel het bieden van een tijdelijke ruimte voor scholen om maatwerkoplossingen te vinden. De monitoring gedurende de drie schooljaren moet worden voortgezet; de praktijk zal uitwijzen welke aanpassingen noodzakelijk en acceptabel zijn.

De vermindering van het aantal praktische opdrachten vond de heer Cornielje een aanvaardbare maatregel. Hij betreurde de tijdelijke maatregel met betrekking tot het profielwerkstuk, maar vond hem aanvaardbaar ter voorkoming van coördinatieproblemen. Hij miste een goede onderbouwing van de verschuiving van ANW naar de vrije ruimte. Hij riep de scholen op om, vooral in het belang van leerlingen met een alfaprofiel, hiermee verstandig om te gaan en de vrijkomende ruimte in ieder geval te besteden aan exacte vakken. De verschuiving van Frans en Duits naar het vrije deel kan meer ruimte opleveren voor Nederlands en Engels en daarom vooral voordelig zijn voor allochtone leerlingen. De reductie van de studielast van CKV tot meer realistische proporties, met name als het gaat om de grote hoeveelheid verslagen, is een goede zaak. De tijdelijke maatregelen mogen echter niet ten koste gaan van het onderwijsniveau en de jaarbelasting van 1600 uur. Dit schooljaar moeten verdere wijzigingen uitblijven, zodat een en ander zich kan uitkristalliseren; aan het eind van dit schooljaar kan de volgende monitoring plaatsvinden en kunnen eventuele andere maatregelen worden genomen.

De landelijke studiedag heeft een aantal goede aanbevelingen opgeleverd. Uit de petitie van het Driestarcollege en de evaluatie van de onderwijsinspectie blijkt dat de basisvorming niet goed op de tweede fase voorbereidt. Om het gevoel van overladenheid te beperken dient derhalve ook de basisvorming uitdagender te worden gemaakt: meer praktische vakken voor VBO/MAVO- en een aanscherping voor HAVO/VWO-leerlingen.

In het kader van de evaluatie ex ante wees de heer Cornielje op het rapport van prof. Imelman c.s. Naast informatie over de herziening van de kerndoelen in de basisvorming bevatte dit rapport relevante informatie over de tweede fase. Kennis van de bevindingen in dit rapport had de besluitvorming in de Kamer zeker kunnen beïnvloeden, maar het kabinet heeft nooit overtuigend uitgelegd waarom dit rapport de Kamer nooit heeft bereikt.

De heer Mosterd (CDA) wees op de ingrijpendheid van de vernieuwingen in de tweede fase. Hij had begrip voor de moeilijkheden bij de didactische omslag die leraren moeten maken en vond dat zij in de aanvangsjaren zo veel mogelijk ondersteuning verdienen. Hij benadrukte dat de huidige leerlingen door alle vernieuwingen niet mogen worden benadeeld. Zo wees hij op de mogelijke onvergelijkbaarheid van eindexamencijfers van leerlingen uit de lichting 1998 en die van leerlingen in de jaren daarvoor. Een dergelijk probleem kan een rol spelen als sprake is van een numerus fixus bij de gewenste vervolgstudie. De heer Mosterd vond het opvallend dat in de oktoberrapportage van het PMVO uitsluitend positieve zaken te lezen waren. Waarom werd hierin geen gewag gemaakt van een te hoge werkdruk voor leerlingen en leraren? Nu het studiehuis een feit is, is het overigens wel opvallend dat in het HBO en het WO vreemde tegenbewegingen zijn te constateren: men relativeert daar het belang van de profielen en gaat steeds meer over tot schoolsere systemen.

De heer Mosterd karakteriseerde het grootste deel van de geconstateerde problemen als aanloopproblemen. Wellicht is er ook sprake van structurele problemen, maar voor nieuwe structurele veranderingen is het veel te vroeg; bovendien zouden die tot een ongewenst zigzagbeleid leiden. De invoering van de tweede fase zal ongetwijfeld leiden tot een min of meer automatische aanpassing van de basisvorming, al zal dit een aantal jaren vergen. De voorgestelde tijdelijke maatregelen zijn dus in hoge mate afdoende. De verkleining van het aantal verplichte werkstukken kan volstaan om de werkdruk voor leerlingen en leraren te verlichten, al moet scholen de ruimte worden geboden om een en ander zelf in te vullen. Het profielwerkstuk beschouwen als praktijkopdracht is ook een geschikte maatregel, al moet worden voorkomen dat de hiermee beoogde vakoverschrijding wordt ondermijnd; wellicht kan dit worden bereikt door het profielwerkstuk voor meer vakken mee te laten tellen. De verplaatsing van ANW en vreemde talen naar het vrije deel is een minder geslaagde aanpassing. Weliswaar is de maatregel tijdelijk en facultatief, maar de heer Mosterd vreesde dat deze regeling gemakkelijk een structureel karakter kan krijgen door de hierdoor mogelijk veroorzaakte statusverlaging van de vakken en door concurrentie tussen scholen.

De heer Mosterd riep op tot een kritische kijk op de vakinhouden: worden bij CKV, ANW en wiskunde de oorspronkelijke doelstellingen wel bereikt? Is er sprake van versnippering en sluiten vakken wel goed op elkaar aan? Tot slot refereerde hij aan de kritiek van de Algemene Rekenkamer op de onduidelijke meerwaarde van enkele aspecten van het procesmanagement en vroeg de staatssecretaris om een reactie op die kritiek.

Mevrouw Lambrechts (D66) achtte de huidige brede erkenning van de problematiek rond de onderwijsvernieuwingen een grote stap voorwaarts: de overladenheid van het programma voor leerlingen en leraren door lange dagen en weinig begeleiding, de versnippering van de programma's door te veel kleine vakken, die in de toekomst alleen maar groter belooft te worden, en een ingewikkelde interne organisatie. Leerlingen in een achterstandsituatie, die van huis uit op onderwijsgebied het minst meekrijgen, kunnen hiervan de dupe worden. Uit alle rapporten blijkt de noodzaak tot verdere aanpassingen in structurele zin. Mevrouw Lambrechts herinnerde eraan dat selectie niet het doel was van de tweede fase. Gelet op de huidige arbeidsmarktsituatie en het OESO-gemiddelde is de huidige mate van doorstroming van leerlingen naar het hoger onderwijs in Nederland veel te laag.

Het voorstel van het kabinet leidt, ondanks de bewering van het tegendeel, natuurlijk tot een verlichting van het programma en dat is een goede zaak. De suggestie dat de maatregelen slechts een tijdelijk karakter hebben en dat over drie jaar het oude programma weer zal gelden, is zeer ongeloofwaardig. Als oplossing voor de korte termijn heeft D66 steeds gepleit voor het schrappen in de overladenheid van de examenprogramma's en daarmee in de vakinhouden, omdat het de verplaatsing naar de vrije ruimte of het schrappen in vakinhoud op korte termijn niet haalbaar acht. Voor de langere termijn zal de oplossing in een vermindering van de versnippering en dus van het aantal vakken moeten worden gezocht; zulks niet ten koste van het niveau maar juist omwille van het behoud daarvan.

Mevrouw Lambrechts deelde de opvatting, dat verreweg de meeste scholen geen problemen hebben met de invoering van de tweede fase, geenszins. Mede daarom pleitte zij voor helderheid voor de scholen bij de toegezegde beleidsvrijheid: om leerlingen een echte keuze te bieden dient de verschuiving van ANW in de HAVO naar de vrije ruimte daarom een dwingend karakter te krijgen. Zij steunde de vermindering van het aantal praktijkwerkstukken, maar vond het minstens zo belangrijk om het relatief grote gewicht hiervan voor het eindcijfer te verlagen. Het verschuiven van ANW en het schrappen van de tweede of derde moderne taal zal alleen maar leiden tot meer versnippering. Door de creatie van keuzemogelijkheden zou de studielast echter op een aanvaardbaar niveau kunnen worden gebracht, zonder dat de keuze voor een bepaald vak onmogelijk wordt gemaakt. De oorspronkelijke doelstellingen van het vak CKV lijken te worden benaderd, al kan de verplichting tot het schrijven van te veel verslagen bij de leerling een grote aversie tegen het vak aankweken. Het profielwerkstuk kent nu gelukkig een wat realistischer omvang; het voorstel om te beginnen met een vak en vervolgens te bekijken of overschrijding van vakken mogelijk is, verdient steun.

Mevrouw Lambrechts miste een kritische beoordeling van de studielast voor andere vakken dan ANW, de moderne talen en CKV: ook daarvoor blijkt vaak een discrepantie tussen de formele en de feitelijke studielast. Het ad hoc en incidenteel schrappen van onderdelen in de domeinen voor de examenprogramma's door de Centrale examencommissie vaststelling opgaven (CEVO) en de verplichte behandeling daarvan bij het schoolexamen hebben geen verlichting opgeleverd. Het verdient aanbeveling om de onderdelen die nu niet binnen de formele studielast kunnen worden behandeld, definitief en structureel te schrappen.

De extra compensatie in de zak/slaagregeling voor starters vond mevrouw Lambrechts terecht, maar een aanpassing voor de starters van 1999 is eveneens noodzakelijk omdat er al examens zijn afgelegd. Verder vroeg zij bij alle aandacht voor de opstroom van leerlingen ook aandacht voor de moeilijke afstroom van leerlingen naar een lager onderwijstype, bijvoorbeeld van VWO naar HAVO. Dat de Kamer bewust heeft gekozen voor een verhoging van de studielast van het programma van 30 naar 40 uur is overigens een misverstand. Immers, de Kamer heeft ingestemd met 30 lesuren per week en een totale studielast van 40 uur.

De heer Rabbae (GroenLinks) stelde dat veel van de huidige problematiek rond het studiehuis is te wijten aan de overhaaste invoering ervan en de nagestreefde budgetneutraliteit. Hij bespeurde een grote onzekerheid over de vakinhoud bij docenten, die tot uitdrukking komt in een groot aantal praktijkopdrachten. Hij vond het verontrustend dat de begeleiding van veel leerlingen tekortschiet, waardoor het principe van onderwijs op maat onderuit wordt gehaald. De feitelijke invulling van een aantal vakken, waaronder ANW en CKV, moet kritisch worden bezien om te voorkomen dat zij, ondanks de beste bedoelingen, leiden tot demotivatie bij leerlingen. Hetzelfde geldt voor het grote aantal verslagen dat moet worden ingeleverd.

Volgens de heer Rabbae behelsde een groot deel van de geconstateerde problematiek ongetwijfeld invoeringsproblemen, maar in de rapportage van het PMVO worden ook problemen geconstateerd die een meer structurele aanpak vergen: het grotere aantal vakken op de HAVO, schoolboeken die te veel zijn gericht op het aanbieden van opdrachten, minder contacturen en daardoor voor docenten meer groepen die zij moeten begeleiden. Daarnaast geldt ook de gebrekkige aansluiting tussen het derde en het vierde leerjaar. Het tijdelijke karakter van de kabinetsvoorstellen roept de vraag op wat er na de overgangsperiode van drie jaar gebeurt. Zullen scholen die met problemen kampen zich wel voldoende aangesproken voelen, gezien de vrijblijvendheid van de voorstellen?

Verder vroeg de heer Rabbae verduidelijking omtrent het toegestane aantal onvoldoendes bij het eindexamen. Hij beklemtoonde dat de voorstellen van het kabinet zijn geënt op de analyse dat de problemen invoeringsproblemen betreffen, maar daarvoor slechts ten dele een oplossing bieden. Een adequate begeleiding van scholen, waardoor de invulling van de vakken wordt geoptimaliseerd en de samenhang binnen en tussen scholen kan worden bevorderd, is noodzakelijk om te voorkomen dat in een volgende rapportage dezelfde problemen worden geconstateerd als nu.

Ook de heer Van Bommel (SP) was verheugd over de erkenning van de problematiek van overladenheid en versnippering van het onderwijsprogramma. Hij verduidelijkte dat de SP-fractie de motie van D66 betreffende een verlichting van 25% destijds niet zozeer steunde vanwege het percentage of de precieze invulling daarvan, maar om aan te geven dat er iets aan de overladenheid moest worden gedaan. Hij bestreed dat er alleen sprake is van een invoeringsproblematiek: zo constateerde ook het PMVO dat er sprake is van een groot aantal vakken in de HAVO, wat duidt op een problematiek van structurele aard. In dit licht moet derhalve niet alleen de mogelijkheid van het schrappen in vakken, maar ook het schrappen van vakken worden overwogen om het probleem van het overladen programma op te lossen. Wat vindt de staatssecretaris van de conclusie dat de onderwijsvernieuwingen overhaast, of in ieder geval na een te korte experimentele fase zijn ingevoerd?

Het kabinet benadrukt het tijdelijke karakter van de voorstellen. De heer Van Bommel vond dit onverstandig omdat het de onduidelijkheid voor scholen vergroot. Volgens de onderwijsinspectie kan de feitelijke studielast pas na twee à drie jaar worden beoordeeld en alleen al in dit licht is het moeilijk voorstelbaar dat de scholen de wijzigingen na drie jaar zullen terugdraaien. Waarom heeft het kabinet de tijdelijkheid van de maatregel zo sterk benadrukt?

De voorstellen dragen bij aan een serieuze verlichting van het programma. Codename Future wijst op een zeer grote variatie in de individuele beleving van de formele studiebelasting van 40 uur; dit kan wijzen op enorme verschillen tussen scholen in de feitelijke studielast. De geboden beleidsvrijheid kan alleen maar leiden tot een vergroting van de verschillen in het onderwijs op scholen en in de waarde van hun diploma's. De mate waarin scholen verschillen dient adequaat in kaart te worden gebracht. De onderwijsinspectie signaleert een te grote overgang van de derde naar de vierde klas. Wellicht is dit een tijdelijk probleem, maar dit gegeven resulteert wel in een niet bedoeld extra selectiemoment.

De heer Van Bommel sloot zich aan bij de verontwaardiging over het achterhouden van het rapport over de basisvorming van prof. Imelman met voor de tweede fase relevante informatie. Een van de kritiekpunten was een scheve verhouding tussen kennis en vaardigheden in het studiehuis door een te grote nadruk op de laatste. De hiervoor vereiste zelfwerkzaamheid werkt sterk in het nadeel van leerlingen in achterstandsituaties. Het zou onaanvaardbaar zijn dat deze leerlingen de dupe worden van een ontoereikende begeleiding. De heer Van Bommel pleitte ervoor om deze groep leerlingen nauwlettend te volgen. Uit de ervaringen bij de invoering van de tweede fase moet voor de invoering van het VMBO zo veel mogelijk lering worden getrokken.

De heer Van der Vlies (SGP) erkende de geconstateerde problematiek van te zware werkdruk en een tekortschietende voorbereiding en begeleiding, maar benadrukte dat het beeld in het onderwijsveld sterk varieert. De doelstellingen van de tweede fase waren bekend. De ingrijpende vernieuwingen zijn wellicht te snel geïmplementeerd. Toch mag niet worden vergeten dat de implementatie is voorafgegaan door een serieus voorbereidend traject. Hierbij is de Kamer wellicht te zeer afhankelijk geweest van externe informatie. De Kamer mag in dit gegeven geen aanleiding zien om haar verantwoordelijkheid voor het beleid te ontlopen, maar wellicht kan er lering uit worden getrokken voor andere ingrijpende beleidswijzigingen.

De maatregelen zijn terecht voorzichtig en van tijdelijke aard. Ook de beleidsvrijheid die de scholen in staat stelt tot het leveren van maatwerk is een goede zaak, al wordt op die manier de problematiek gedeeltelijk naar de scholen doorgeschoven. Het nieuwe vak ANW raakt erdoor wellicht enigszins op achterstand, maar schrappen mag niet aan de orde zijn.

De bezemregeling voor de tweede fase is versoepeld. De heer Van der Vlies stelde voor om de mogelijkheid te creëren om bij het staatsexamen vakken te halen waarvoor geen voldoende is behaald, opdat het verlies van een studiejaar wordt voorkomen. Tot slot vroeg hij naar de wijze waarop de staatssecretaris de voorgestelde maatregelen in de krappe periode tot februari 2000 in regelgeving denkt te vertalen.

Het antwoord van de regering

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen herinnerde eraan dat de doelstellingen van de tweede fase destijds de brede instemming van de Kamer genoten, ook al wezen vele leden op de lange tijd die dergelijke omvangrijke veranderingen zouden vergen. De huidige onzekerheid in het veld vanwege het grote aantal gelijktijdige veranderingen vormt een groot probleem bij de invoering en belemmert het leerproces bij alle betrokkenen. Toch wilde de staatssecretaris benadrukken dat uit alle onderzoeken blijkt dat de problematiek voornamelijk een invoeringskarakter heeft. Zij sprak grote waardering uit voor de voortvarendheid waarmee scholen de grootschalige verandering hebben aangevat.

De wijze waarop de ingrijpende vernieuwingen gestalte hebben gekregen, is uiteraard ook voor alle politiek betrokkenen leerzaam geweest. De Kamer was voortdurend bij de implementatie betrokken en heeft altijd snel kunnen reageren op geconstateerde knelpunten. Bij een dergelijke omvangrijke operatie kunnen echter niet alle effecten van tevoren in beeld worden gebracht; voor een taxatie van sommige effecten waren de resultaten van de desbetreffende lichting leerlingen nodig. Hoe dan ook, uit de monitoring blijkt dat de scholen zeer intensief met de tweede fase bezig zijn. Positief is dat uit de monitoring geen toegenomen selectie blijkt en dat de tweede fase nu al gunstige effecten op de basisvorming sorteert.

De geconstateerde problemen betreffen dus vooral invoeringsproblemen. Ook de verschillende onderzoeken trekken onafhankelijk van elkaar de conclusie dat de ervaren overladenheid vooral een invoeringsprobleem betreft. Het zomaar schrappen in en van vakken is daarom zeker niet de meest gepaste oplossing. Ook Codename Future wijst op het gevaar van te rigoureuze maatregelen. Uit de vele reacties van betrokkenen kan worden afgeleid dat voor de onderwijsvernieuwing een groot draagvlak bestaat. Dit geldt tevens voor de scholierenstaking: die was niet zozeer principieel gericht tegen het studiehuis, maar was een actie om het studiehuis te verbeteren. Niemand pleit voor een niveauverlaging. Ook bij dit intensieve veranderingsproces worden andere, reeds bestaande problemen scherp belicht, zoals het grote tekort aan leraren.

De voorgestelde maatregelen stellen scholen in staat om maatwerk te leveren; scholen kunnen derhalve zelf besluiten of aanpassingen nodig zijn. Scholieren geven aan dat zij de grootste problemen ondervinden bij ANW en CKV en wijzen op de zware belasting bij de vaardigheden. Op sommige scholen komt de zware belasting voor vaardigheden voort uit een ietwat overmatige reactie op de vernieuwingen; ook hierbij is dus sprake van een overgangsproblematiek. ANW is een zeer nuttig vak, ook voor bètascholieren. Hetzelfde geldt voor CKV. Bij deze vakken moet de meest geschikte inhoud zich nog uitkristalliseren; mettertijd zullen ook deze vakken binnen het totale curriculum een optimale balans vinden. De scholen moet de tijd worden gegund om tot de meest geschikte organisatie te komen en daarvoor krijgen zij ook de nodige beleidsvrijheid. Ook het vakoverschrijdende profielwerkstuk is waardevol en moet de gelegenheid krijgen om zich te bewijzen. De overgangsperiode van drie jaar en de tijdelijke maatregelen zijn dus welbewust gekozen ter overbrugging van de aanloopproblemen. De tijdelijke maatregelen aangaande het taalonderwijs maken het mogelijk dat binnen het totale taalonderwijs met lesuren wordt geschoven. Bij ANW en exacte vakken is een dergelijke overheveling van uren minder gemakkelijk. Overigens waarschuwde de staatssecretaris voor een karikatuur van de inhoud van vakken als ANW en CKV. Het beeld dat zomaar vakken zouden worden geschrapt is zeer onterecht; dergelijke berichten zorgen in het veld voor veel onrust, maar zijn op niets gebaseerd. De huidige maatregelen voor de lichtingen 1999, 2000 en
2001 betekenen niet dat de HAVO- en VWO-lichting van 1998 wordt veronachtzaamd. Voor deze groepen zullen snel alternatieven worden gezocht.

Op korte termijn zal met PMVO, CEVO en VVO nader overleg plaatsvinden over de uitvoering van het programma. De Kamer zal in januari 2000 over de resultaten van dit overleg worden geïnformeerd.

De consequenties van de afspraken van de overheid met de uitgevers van schoolboeken strekken zich uit tot 2005. Voor ontheffingen bestaat geen ruimte vanwege de te verwachten schadeclaims. De WTS kan voor ouders een tegemoetkoming in de studiekosten betekenen: de toegankelijkheid hiervan wordt verbreed door een verhoging van de inkomensgrens en de mogelijkheden worden uitgebreid door een vergroting van het budget en extra maatregelen voor leerlingen in de bovenbouw van HAVO/VWO door de toegenomen kosten van de tweede fase.

De personele consequenties van de voorgestelde maatregelen zullen beperkt zijn: de docenten voor ANW beschikken immers over een onderwijsbevoegdheid voor een of meer exacte vakken en zijn daarvoor derhalve goed inzetbaar. Een "kaasschaafmethode" is voorlopig geen werkbaar alternatief voor de voorgestelde maatregelen, omdat die niet op korte termijn kan worden gehanteerd. Bovendien worden de grootste problemen juist bij de nieuwe vakken geconstateerd: berichten waaruit blijkt dat 25% van de feitelijke studielast aan CKV wordt besteed, wijzen erop dat de uiteindelijke balans nog niet is gevonden. Het belang van het onderwijs in vreemde talen kan niet genoeg worden benadrukt; van een tekort aan aandacht hiervoor kan geen sprake zijn. Zij vormen een substantieel onderdeel van het totale lesprogramma: in het profiel cultuur en maatschappij blijven zij immers verplicht en niet mag worden vergeten dat leerlingen in de eerste drie lesjaren alle aangeboden vakken, dus ook alle talen, volgen.

De staatssecretaris was blij met de brede steun voor de maatregel om de weging van de praktijkopdrachten voor het eindcijfer te verlagen. Een vakoverschrijdende aanpak bij het profielwerkstuk verdient nog steeds de voorkeur en dient te worden gestimuleerd. Scholen zal hiervoor dus de ruimte worden geboden. De suggestie om het cijfer hiervoor bij twee vakken te laten meetellen, zal zij in overweging nemen.

De oktoberpeiling van het PMVO was niet gericht op de overladenheid, maar op de inrichting van het onderwijs en op mogelijke selectieve effecten. Uit deze monitor bleek dat er geen sprake was van een strengere selectie bij de overgang van het derde naar het vierde leerjaar en dat leerlingen in de vierde klas-nieuwe stijl niet meer, maar juist minder blijven zitten. Deze gerichtheid verklaart waarom deze monitor geen gewag maakte van problemen van overladenheid. De meerwaarde van het PMVO lag in zijn functie als intermediair of "makelaar" tussen kerndepartement en scholen, een rol die vooral bij bepaalde onderdelen van een omvangrijk vernieuwingsproces bijzonder waardevol is. Het proces is nu in een stadium beland waarbij deze rol van minder groot belang is.

Het rapport van prof. Imelman werd door het PMVO als onder de maat gekwalificeerd omdat het niet aansloot op de gegeven opdracht en onvoldoende kwaliteit had. Om deze reden heeft het PMVO geen vervolgopdracht verstrekt en heeft het dit rapport niet doorgezonden naar het departement van OCW. Omdat de gegevens in het rapport niet zijn gebaseerd op empirisch onderzoek, bevat het geen voor het studiehuis relevante gegevens.

Uit de monitor blijkt dat 80% van de scholen een leerlingenpanel gebruiken bij de taxatie van de studielast en de aanpak van overbelasting. De schoolleiding legt derhalve doorgaans haar oor te luisteren bij de leerlingen en dat gegeven stemt optimistisch. Dit laat echter onverlet dat het schoolmanagement en leraren de verantwoordelijkheid dragen voor de voorstellen en voor de vormgeving van de onderwijsorganisatie.

Het nieuwe stelsel schrijft niet meer per week 30 lessen van 50 minuten voor, maar een totale studielast van 40 uur per week. De wettelijke vastlegging van een gemiddelde studielast biedt alle betrokkenen duidelijkheid. Uiteraard vertonen individuele leerlingen grote verschillen, onafhankelijk van de school die zij bezoeken, maar uit de onderzoeken blijkt dat de gemiddelde studielast voor leerlingen zich ook daadwerkelijk rond de 40 uur begeeft. De ongewenste piekbelastingen vinden hun oorzaak in de opeenstapeling van werkstukken en de onervarenheid met de nieuwe vakken. Ook hierbij gaat het dus niet om structurele problemen, maar om invoeringsproblemen. Overigens herinnerde de staatssecretaris eraan dat de Kamer destijds bewust heeft gekozen voor een verzwaring van het lespakket. Ook met de voorgestelde verlichtende maatregelen is sprake van een zwaarder lespakket dan voor de vernieuwingen.

De beleidsruimte die scholen wordt geboden zal niet ten koste gaan van de begeleiding van scholen in het vernieuwingsproces. Bij de overgang van het derde naar het vierde leerjaar zal in de toekomst sprake zijn van een "terugroleffect", maar dit onderwerp zal uitgebreid ter sprake komen bij de evaluatie van de basisvorming en de aansluiting daarvan op de tweede fase. Twee onvoldoendes op de eindlijst zijn reeds toegestaan, mits deze niet beide vallen in het profieldeel. De slaagregeling zal worden versoepeld door het schrappen van de vereiste compensatie van onvoldoendes. Op dit moment onderzoekt men aan de UvA de leerstijlen, houding, motivatie en zelfbeeld van kansarme leerlingen. Het onderzoek kent een looptijd van vier jaar, maar uit de voorlopige resultaten van deelstudies blijkt dat allochtone leerlingen die de selectie doorstaan ook relatief goede leerlingen zijn: zij zijn zeer zelfstandig bij de invulling van alle aspecten van hun studie en kiezen doorgaans een uitdagender profiel dan autochtone leerlingen. Zolang het onderzoek niet is afgerond, is het echter zeer moeilijk om groepen leerlingen aan te wijzen wier resultaten er in positieve of negatieve zin uitspringen; uitspraken hieromtrent houden daarom altijd een speculatief karakter. In de komende monitors zullen kwantitatieve gegevens worden verschaft over speciale groepen met speciale problemen, zoals allochtone en andere kansarme leerlingen. Er is al op gewezen dat allochtone leerlingen meer gebaat zijn bij een directe interactie met de leraar en die biedt het studiehuis. Mocht de nieuwe onderwijsmethodiek er echter toe leiden dat bepaalde groepen in de knel komen, dan zal extra begeleiding worden geboden. Een extra herkansing voor bezemleerlingen in de derde termijn is onwenselijk, omdat die kan leiden tot rechtsongelijkheid. Bovendien moet de organisatorische last voor scholen in dezen zo veel mogelijk worden beperkt.

Het komende jaar zal er vanwege de publicatie van het verslag van de onderwijsinspectie over 1999 en de drie peilingen voldoende gelegenheid zijn om de voortgang van de tweede fase nauwlettend te volgen. Uiteraard verdient het de voorkeur om nieuwe regelgeving ruim voor de aanvang van het komende schooljaar in te voeren. De staatssecretaris zei ernaar te streven om de voorgestelde maatregelen voor 1 februari 2000 in regelgeving te vertalen.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen


1 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Van Bommel (SP), Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Barth (PvdA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Wijn (CDA), Eurlings (CDA)

Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Poppe (SP), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Verhagen (CDA), Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg commissies over monitoring 2e fase havo-vwo '




Lees ook