Tweede Kamer der Staten Generaal


26241000.037 vso gezondheidsklachten en de vliegramp bijlmermeer
Gemaakt: 30-12-1999 tijd: 14:14


1

26241 Enquete vliegramop Bijlmermeer

nr. 37 Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld 27 december 1999

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport *) bestond er bij de leden van onderstaande fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brieven van 10 en 13 september 1999 inzake respectievelijk het medisch onderzoek slachtoffers Bijlmerramp en over het eindrapport «Gezondheidsklachten en de vliegramp Bijlmermeer». Deze vragen, alsmede de daarop door de minister gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt. De voorzitter van de commisie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen
Vragen PvdA-fractie

Vraag 1

Kan de reden voor de opgetreden vertraging van de start van het medisch onderzoek nauwkeurig worden aangegeven? Welke rol speelt de vergadering van de verenigde Amsterdamse ziekenhuizen hierbij? Welke rol heeft het AMC hierbij gespeeld?

Antwoord 1

De vertraging in de start van het Medisch Onderzoek Vliegramp Bijlmermeer wordt door verschillende factoren veroorzaakt.

In de eerste plaats door de besluitvorming binnen het EMGO-Instituut, dat de epidemiologische studies zal uitvoeren, en de besluitvorming binnen de deelnemende ziekenhuizen, het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit en het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. De directies van genoemde instellingen laten zich door verschillende commissies adviseren. Het zijn met name de adviezen van deze commissies geweest die hebben geleid tot aanpassingen van de onderzoeksvoorstellen, in relatie tot het epidemiologisch gedeelte. Vooral het formuleren van een verantwoorde onderzoeksopzet van het epidemiologisch onderzoek voor bewoners heeft veel tijd gevergd.

In de tweede plaats is het aantal deelnemers in de afgelopen weken fors toegenomen. De diverse aanpassingen in de protocollen hebben ertoe geleid dat met name het aantal controlepersonen in de Bijlmermeer flink is uitgebreid. Deze ontwikkeling maakte allerlei logistieke aanpassingen

noodzakelijk.

Voor zover bekend hebben de vergadering van de verenigde Amsterdamse ziekenhuizen noch het AMC hierbij een bijzondere rol gespeeld.

Vraag 2

Kan worden aangegeven op welke wijze de u toegezonden correspondentie van de heer dr. J.N. Zonjee betrokken zal worden in het onderzoek?

Antwoord 2

KLM Arbo Services b.v., als uitvoerder van het onderzoek, heeft naar eigen zeggen geen correspondentie ontvangen van de heer dr. J.N. Zonjee. Ook binnen de Inspectie Gezondheidszorg, noch binnen mijn departement is correspondentie van de heer Zonjee bekend.

Vraag 3

Kan de minister aangeven of en in hoeverre aanbeveling E (blz. 144) van het AMC verschilt van conclusie 14, zoals deze werd geformuleerd door de enquêtecommissie vliegramp Bijlmermeer?

Antwoord 3

De Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer stelt in eindconclusie 14 dat traagheid en onderschatting bij lokale en landelijke overheden in combinatie met te weinig uitgaan van klachten en teveel van mogelijke oorzaken uiteindelijk de gezondheidsklachten in aantal en aard heeft doen toenemen. Het AMC stelt in aanbeveling E dat maximale openheid en maximale snelheid van handelen angstreducerend werkt. Ik ben van mening dat de commissie niet duidelijk aangeeft op welke feiten deze conclusie precies is gegrond. Het toenemen van gezondheidsklachten in aantal en aard wordt door de artsen en onderzoekers van het AMC toegeschreven aan blootstelling aan langdurige stress. Door de voortdurende stroom geruchten, mede gevoed door aanhoudende onzekerheid omtrent de lading, kregen de behandelende artsen niet de kans hun patiënten gerust te stellen. Ik wil hier nogmaals benadrukken dat naar mijn mening een eerder medisch onderzoek - naast de reguliere medische behandeling van de betrokkenen - geen definitieve geruststelling had kunnen brengen, zolang er geen volledige duidelijkheid bestond over de lading en over de complottheorieën.

Vraag 4

Het AMC geeft aan dat de enquêtecommissie met conclusie 14 met name naar de minister van VWS wijst. Deelt u deze mening? Zo ja, waar is dit terug te lezen in het eindrapport van de enquêtecommissie? Bent u het eens met de stelling van het AMC dat bij deze conclusie die als soortgelijke conclusie in de derde tussenrapportage van het AMC werd opgenomen, eerder aan regionale overheden en aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat gedacht moet worden. Zo ja, waarom; zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Ik deel deze conclusie niet. De vermeende soortgelijke conclusie uit de derde tussenrapportage van het AMC is niet opgenomen in de eindrapportage van het AMC-onderzoek. Het ligt dan ook niet in de rede hier verder op in te gaan.

Vraag 5

Is de minister op de hoogte van internationaal onderzoek naar de invloed van het optreden van de overheid bij rampen? Zo ja, welke onderzoeken? Zijn van deze onderzoeken al resultaten bekend? Zo nee, wanneer worden deze verwacht?

Antwoord 5

Er zijn veel onderzoeken gedaan naar de effecten van rampen. Hierbij is de rol van de overheid veelal een klein onderdeel van het onderzoek. In de literatuur zijn meer dan 400 publicaties over de laatste 30 jaar terug te vinden op de zoekterm: «Disaster Planning/organization & administration». Alle relevante publicaties worden gebruikt voor verdere planning van een landelijk dekkend netwerk voor opvang en onderzoek na rampen.

Vraag 6

Kan worden aangegeven op welke wijze de aanbevelingen uit het rapport van het AMC meegenomen zullen worden in het beleid en in de verdere uitwerking van de aanbevelingen van de enquêtecommissie vliegramp Bijlmermeer?

Antwoord 6

De aanbeveling die het AMC in haar rapport geeft over toekomstige rampen, kunnen niet los gezien worden van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer en de toezeggingen van mij in dit verband tijdens het debat over de bevindingen van de Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer. Bij brief van 25 augustus 1999 heeft het kabinet de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd op welke wijze het kabinet uitvoering geeft aan de tot hem gerichte aanbevelingen. Bij de verdere uitwerking worden, voor de VWS regarderende aanbevelingen, de aanbevelingen van het AMC betrokken.

Vragen CDA-fractie

Vraag 7

Er zijn 11 bewezen gevallen van auto-immuunaandoeningen geconstateerd. In de derde tussenrapportage worden nog 11 niet bewezen gevallen van een auto-immuunaandoening aangegeven waarbij nog aanvullend diagnostisch onderzoek plaatsvindt. Wanneer kan de uitslag van dit aanvullend onderzoek worden tegemoet gezien? Welke invloed zou een toename van het aantal bewezen gevallen van auto-immuunaandoeningen (tot maximaal bijv. 22) hebben op de conclusies welke werden getrokken op grond van statische gegevens inzake incidentie en prevalentie? (blz. 89)

Vraag 8

Er is veel statisch materiaal voorhanden voor wat betreft de incidentie van SLE. Zijn er ook vergelijkbare statistische gegevens bekend nationaal of internationaal over de incidentie van de andere auto-immuunaandoeningen? Is er in algemene zin iets te zeggen over de incidentie van auto-immuunziekten per 100.000 inwoners? (blz. 91)

Antwoord 7 en 8

Aanvullend diagnostisch onderzoek naar de 11 niet-bewezen gevallen van auto-immuunaandoening (AID) is voor de helft afgerond door de behandelend artsen. Een definitief overzicht is volgens de onderzoekers daarom nog niet te geven (Dr. C.J.J. IJzermans, december
1999). Er is tot nu toe door geen van de behandelend artsen een nieuwe patiënt gemeld aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Een relatie tussen de vliegramp en het ontstaan van AID wordt nog steeds door deskundigen onaannemelijk geacht. Van belang hierbij is ook dat de term AID een groep van aandoeningen beschrijft die net zo veel of weinig met elkaar te maken kunnen hebben als de ene infectieziekte met de andere infectieziekte (longontsteking met blaasontsteking). Hieronder een abstract van een, in dit verband, illustratieve literatuur publicatie (Jacobson et al.). Deze publicatie geeft aan dat:

1) er een variëteit aan AID's bestaat, waarbij de auteurs 24 daarvan hebben bestudeerd, waaronder SLE;

2) per jaar circa 1 op de 1.000 Amerikanen een of andere AID ontwikkelt (incidentie 1:1.000);

3) dat circa 31 op de 100 Amerikanen op dit moment een of andere AID heeft (prevalentie 31:100).
Geëxtrapoleerd naar een populatie van 5.000, zou dit 155 aanwezige patiënten met een AID betreffen en per jaar steeds 5 nieuwe erbij. Overigens was de populatie in de Bijlmermeer ten tijde van de vliegramp circa 92.000 mensen groot. Mede hierdoor en omdat een substantieel deel van de patiënten met AID in het AMC onderzoek niet duidelijk geëxposeerd zijn geweest aan de vliegramp, blijft de zogenaamde `noemer' voor de berekening van incidentie en prevalentie cijfers onduidelijk. De AMC onderzoekers hebben 5.000-10.000 gesuggereerd, maar geven ook aan dat dit net zo goed een heel ander getal had kunnen zijn (blz. 97).

Vraag 8 (2e)

Waarom is in dit onderzoek een nadere beschouwing over sarcoidose en kwaadaardige aandoeningen achterwege gelaten terwijl deze nog wel genoemd werden in de derde tussenrapportage? Valt de incidentie van deze aandoeningen, gerekend naar de expositiepopulatie (5 á 10.000), binnen de norm?

Antwoord 8

Incidentie (i.e. aantallen nieuwe gevallen van een ziekte per eenheid van populatie per jaar) van sarcoïdosis en kwaadaardige aandoeningen is niet goed te schatten. Zie ook hierboven bij vraag 7.
De AMC onderzoekers hebben de klachten en de door de huisartsen gestelde diagnoses die vijf keer of meer voorkomen geselecteerd (blz.
86). Hieruit kwam naar voren dat het aantal ernstige aandoeningen (door de AMC onderzoekers zijn speciaal kwaadaardige aandoeningen en auto-immuunaandoeningen onderzocht) niet verhoogd is (blz. 138). Sarcoïdose en kwaadaardige aandoeningen zijn dus uiteindelijk minder dan 5-keer (per diagnose) gevonden en vallen daarmee geheel binnen de te verwachten normale populatie prevalenties voor de onderscheiden aandoeningen.

Vraag 9

De minister zal «de aanbevelingen van het rapport AMC meenemen in haar beleid». (brief VWS 99-1330). Neemt de minister deze aanbevelingen over? Kan de minister toelichten op welke wijze invulling gegeven zal worden aan de aanbevelingen over de vliegramp Bijlmer (punt 6.3.1. A,B en C op blz. 142)

Vraag 10

Het rapport van het AMC geeft een aantal aanbevelingen over toekomstige rampen. Binnen welke termijn kan de Kamer een standpunt van de minister tegemoet zien over deze aanbevelingen? (6.3.2 A t/m F op blz. 142 e.v.).

Antwoord 9 en 10

De aanbeveling die het AMC in zijn rapport geeft over toekomstige rampen, kunnen niet los gezien worden van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer en de toezeggingen van mij in dit verband tijdens het debat over de bevindingen van de Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer. Bij brief van 25 augustus 1999 heeft het kabinet de Tweede Kamer der Staten Generaal geïnformeerd op welke wijze het kabinet uitvoering geeft aan de tot zijn gerichte aanbevelingen. Bij de verdere uitwerking worden, voor de VWS regarderende aanbevelingen, de aanbevelingen van het AMC betrokken.

Vraag 11

Wat gaat de minister doen met de ontstane situatie (brief minister 26 oktober)?Gaat de minister op korte termijn tot actie over?

Antwoord 11

Zoals ik de Tweede Kamer der Staten-Generaal reeds bij brief van 28 oktober jl. heb bericht is de minister van VWS niet bevoegd noch bij machte om het besluitvormingsproces binnen de beide ziekenhuizen te beïnvloeden. Wel heb ik de betreffende ziekenhuizen bij herhaling gewezen op het maatschappelijk belang van een spoedige start van het onderzoek.

Vragen GroenLinks-fractie

Vraag 12

In de brief wordt gesproken over bestuurlijk overleg tussen de gemeente Amsterdam en betrokken partijen. Wat wordt bij dit bestuurlijk overleg besproken? Wat levert het op nu het onderzoek nog niet gaande is?

Antwoord 12

Bij het bestuurlijk overleg tussen mij, de gemeente Amsterdam en betrokken partijen wordt de voortgang van het onderzoek besproken en de knelpunten die zich hierbij aandringen. Dit overleg is gebruikt om de partijen te bewegen, gelet op het maatschappelijk belang van het onderzoek, voortvarendheid in acht te nemen.

Vraag 13

Wat zijn de bezwaren van de AZVU met betrekking tot het derde protocol? Welke aanvullingen zijn nodig?

Antwoord 13

De bezwaren ten aanzien van Protocol 3, het epidemiologisch onderzoek onder de bewoners van de Bijlmermeer, richtten zich in het algemeen op de wijze waarop de controlegroepen waren samengesteld en op de haalbaarheid van de steekproeven. Intensieve samenwerking tussen het EMGO-Instituut en KLM Arbo Services heeft inmiddels geleid tot een andere onderzoeksopzet, die voor alle betrokken instanties wél aanvaardbaar is. Van de kant van het AZVU waren er nog enkele aanvullende vragen over de onderzoeksopzet. Zo moest inzicht worden gegeven (hetgeen inmiddels gebeurd is) in de wijze waarop met deelnemers zou worden gecommuniceerd.

Het Stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam heeft toegezegd zich tot het uiterste te zullen inspannen om ervoor te zorgen dat de noodzakelijke hoge respons onder de beoogde controlepersonen ook daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Een hoge respons is absoluut voorwaardelijk voor het epidemiologisch onderzoek onder de bewoners.

Vraag 14

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over het besluit van het OLVG?

Vraag 16

Wanneer wordt de start van het medisch onderzoek nu eindelijk verwacht?

Antwoord 14 en 16

Bij brief van 9 december jl. heb ik de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd over de daadwerkelijke start van het medisch onderzoek (3 januari 2000 worden volgens plan de eerste deelnemers onderzocht). Dit betekent impliciet dat het OLVG positief had besloten over de onderzoeksprotocollen. Daar een spoedige start van het onderzoek voorop stond, leek mij een tussentijdse melding aan de Tweede Kamer, van dit positieve besluit van het OLVG niet opportuun. Zie ook antwoord op vraag 32.

Vraag 15

Zijn er behalve de bijstelling van de protocollen nog andere reden dat het onderzoek vertraging oploopt?

Antwoord 15

Zie antwoord op vraag 1.

Vraag 17

Welke aanbevelingen neemt de minister mee in de verdere uitwerking van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer? Wat wordt er met de aanbevelingen gedaan?

Antwoord 17.

Zie antwoord op vraag 10.

Vraag 18

Hoe beoordeelt de minister de conclusie van het AMC dat zij «geen aanleiding zien voor ongericht lichamelijk onderzoek» in het licht van het medisch onderzoek naar de slachtoffers van de Bijlmerramp zoals dat door de AZVU en het OLVG uitgevoerd wordt?

Antwoord 18

Het AMC ziet veel nadelen in ongericht medisch lichamelijk onderzoek. Ik onderken deze nadelen ten volle maar heb geconstateerd dat de dringende behoefte van betrokkenen uiteindelijk die nadelen heeft overvleugeld.

Vraag 19

Gaat de minister bij de uitwerking van de aanbevelingen ook in op het voorkomen van door het AMC aangeduide «functionele somatische problemen» en «Unexplained Physical Symptoms» die ontstaan als gevolg van een grote stress?

Antwoord 19

Bij de uitwerking van de aanbevelingen wordt aandacht geschonken aan "functionele somatische problemen" en "Onverklaarbare Lichamelijke Aandoeningen".

Vragen SP-fractie

Vraag 20

Zijn in de derde onderzoeksronde, het medisch dossieronderzoek bij huisartsen, twee groepen geheel buiten beschouwing gelaten, namelijk de `nabelgroep' en de `visiegroep' en ontbreken de gegevens over deze
2 groepen in de uiteindelijke resultaten? Is er wel contact en voorlichting geweest naar deze groep? (blz. 72)

Antwoord 20

Beide groepen, de `na-bel' en de `Visie' groep, zijn voor wat betreft de ernstige medische diagnoses (in ieder geval alle AID's en kwaadaardige aandoeningen) volledig in het medisch-dossier onderzoek betrokken geweest. Alhoewel ze niet meer apart werden vermeld, zijn al die diagnoses verwerkt in de resultaten van hoofdstuk 4 van het AMC eindrapport.

Vraag 21

Om redenen van ontbreken schriftelijk informed consent of non-participatie van de betrokken huisarts, heeft uiteindelijk bij 293 respondenten van het meldpunt (35%) geen nader dossieronderzoek plaatsgevonden. Vergelijking met de groep respondenten waar dit dossieronderzoek wel heeft plaats gevonden, wees uit dat in het dossieronderzoek relatief minder bewoners van de getroffen flats betrokken zijn en meer personeel van hangar 8. Wat betreft de aard van de gerapporteerde klachten waren er twee significante verschillen - voor psychische problemen en voor klachten van het zenuwstelsel. In hoeverre kan dit hebben geleid tot selectiebias? (blz. 80).

Antwoord 21

Selectiebias is ongetwijfeld aanwezig (zie blz. 98 in relatie tot de SLE discussie).

Vraag 22

In tabel 4.18 wordt uitgegaan van verschillende incidentiecijfers, namelijk 3,4,5,6,7 en 8 per 100.000 personen per jaar. Lijken, uitgaande van de gepresenteerde cijfers in de tabellen 16 en 17 van hoofdstuk 4 de incidentiecijfers niet eerder tussen 2 en 5 te liggen? Kan een tabel uitgaande van deze incidentiecijfers, inclusief 2, gegeven worden? (blz. 93)

Antwoord 22

Tabel 4.17 laat zien dat op Curaçao de incidentie per 100.000 personen per jaar 4.6 bedroeg voor mannen en vrouwen. De gehanteerde incidentie getallen in tabel 4.18, variërend van 3 tot 8, is ruim voldoende. Een schatting met als incidentie getal 2 voegt daar niets wezenlijks meer aan toe.

Vraag 23

In tabel 4.18 wordt uitgegaan van 5 waargenomen mensen met SLE, op bladzijde 96 worden 6 mensen met SLE genoemd. Wat is het juiste getal? (blz. 93)

Antwoord 23

Er zijn 6 SLE gevallen vastgesteld. Een had al klachten voor de ramp en is om die reden uit de verdere analyse gelaten, zie blz. 90 bovenaan.

Vraag 24

In de derde tussenrapportage is melding gemaakt van 11 bewezen (waaronder 6 SLE) mensen met auto-immuunziekten en 11 niet bewezen, maar mogelijke gevallen van auto-immuunziekten. Op bladzijde 89 staat vermeld dat in overleg met het ministerie en de inspectie momenteel in het AMC aanvullend diagnostisch onderzoek plaats vindt bij zowel de elf bewezen als de elf uitgewezen gevallen. Wat is de uitkomst hiervan en zijn deze cijfers betrokken in de gepresenteerde tabel 4.18? (blz.
93)

Antwoord 24

Het aanvullend onderzoek bij de 11 mensen met niet-bewezen gevallen van AID kon destijds nog niet in tabel 4.18 worden opgenomen. Volgens dr. C.J.J. IJzermans van het AMC is op dit moment ongeveer de helft onderzocht, maar hiervan is nog geen definitief overzicht te geven.

Vraag 25

In een uitzending van Argos (mei) was sprake van een mevrouw met SLE die het meldpunt gebeld had en verder niets gehoord had. Uit een telefoongesprek van onze fractie met een huisarts uit het betrokken gebied bleek hij niets meer gehoord te hebben nadat hij in een eerste gesprek een aantal mogelijke gevallen van SLE had aangereikt. De minister heeft toegezegd dat het AMC precies zou nagaan wat er met de melding waar bij Argos sprake van was, is gebeurd. Wat is de uitkomst hiervan, zijn alle mogelijke gevallen nu nagetrokken en is met alle melders contact opgenomen? (blz. 93)

Antwoord 25

Elke huisarts in de Bijlmermeer is minstens drie maal aangeschreven door de AMC onderzoekers om patiënten met auto-immuunaandoeningen of andere ziekten in relatie tot de Bijlmermeer vliegramp te melden. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg, heeft alle Nederlandse huisartsen opgeroepen om dat soort ziektegevallen te melden. Met iedere melder is contact geweest en alle patiënten zijn in het verdere onderzoek betrokken. Wat precies met die patiënte in de uitzending van Argos is gebeurd is onduidelijk. Het AMC heeft de naam van die patiënte of van haar huisarts niet verkregen om privacy redenen. Desalniettemin is er dusdanig veel publiciteit en contacten met huisartsen geweest dat onderhavige patiënte en huisarts ruim in de gelegenheid zijn geweest om in het AMC onderzoek betrokken te geraken.

Vraag 26

In de derde tussenrapportage (hoofdstuk 5: discussie en conclusies,
5.1) stellen de onderzoekers dat voor de beantwoording van de vraag of er veel auto-immuun aandoeningen zijn «gerekend is met een ruime noemer van 10.000 mensen en met een - in onze ogen realistische noemer van 5000 mensen». Betekent dat dus dat de 2e kolom van tabel 4.18 het meest voor de hand ligt om van uit te gaan? Indien uitgegaan wordt van verwachte incidenties van 2-5 per 100.000 per jaar (zie tabellen 16 en
17 ) en een noemer van 5000, hoe ziet tabel 4.18 er dan uit? Gaat het dan in alle gevallen om statistisch significante verschillen en wat zou dan de conclusie moeten zijn? (blz. 93)

Antwoord 26

Omdat er geen nieuwe gevallen van SLE bij zijn gekomen, gaan de onderzoekers (en andere deskundigen) er nog steeds van uit dat de incidentie en prevalentie van SLE niet verhoogd zijn. Zie ook antwoord op vraag 7.

Vraag 27

Van de waargenomen mensen met SLE betreft het in 3 gevallen mannen, in
2 daarvan kaukasische mannen. Dit terwijl de incidentiecijfers voor mannen in het algemeen zeer laag zijn, zeker wat betreft kaukasische mannen (tabel 4.16) Hoe ziet tabel 4.18 er uit indien uitsluitend mannen in de vergelijking worden betrokken en uitgaande van de specifieke incidentiecijfers voor mannen? (blz. 93)

Antwoord 27

Over drie mannelijke patiënten met SLE, waarvan twee kaukasiërs, zijn geen betrouwbare statistische uitspraken te doen. In dit verband blijft het van belang dat de werkelijk populatiegrootte in de Bijlmermeer destijds circa 92.000 personen was. Zie verder antwoord bij vraag 26 en 7.

Vraag 28

In de samenvattende conclusies stellen de onderzoekers dat indien men uitgaat van een kleine groep betrokkenen en een lage verwachte incidentie van SLE, dit tot de conclusie leidt dat de frequentie waarmee SLE voorkwam na de vliegramp significant verhoogd is. Zijn er niet een aantal argumenten die ervoor pleiten dat deze aannamen ook het meest voor de hand liggen? (blz. 97)

Antwoord 28

Zie antwoord op vraag 26.

Vraag 29

De onderzoekers noemen drie mogelijk opgetreden vertekeningen bij de uitgevoerde statistische benadering en concluderen uiteindelijk dat geen relatie kan worden aangetoond tussen de ramp en het optreden van de vijf nieuwe gevallen van SLE? Bent u van mening dat een dergelijke relatie op grond van de bevindingen kan worden uitgesloten dan wel onwaarschijnlijk geacht? (blz. 98)

Antwoord 29

Ik ben van mening dat een relatie tussen de vliegramp en het optreden van SLE daarna bijzonder onaannemelijk is. Los van de epidemiologie, geven deskundigen ook aan dat de pathogenese (het veroorzaken van een ziekte) van chemisch-geïnduceerde SLE een continue belasting met het chemicaliën vereist en zelden gepaard gaat met SLE ontsteking in de nieren (bij vier patiënten aanwezig).

Vraag 30

Hoe rijmt u dat met eerdere uitlatingen van een Nijmeegse epidemioloog dat op grond van de cijfers de conclusie niet kan zijn dat er wetenschappelijk gezien geen aanleiding is tot nader onderzoek. En met de uitlatingen van Vandenbroucke (NRC 1 mei) dat men er duidelijk niet uitgekomen is en dat er meer te zeggen moet zijn over de samenstelling van de groep. Hier zou door een groep deskundigen verder over moeten worden nagedacht? (blz. 98)

Antwoord 30

In het medische vervolgonderzoek zoals dit thans door de KLM-Arbo groep is georganiseerd, hebben vele deskundigen (waaronder prof.dr. F.R. Rosendaal, klinisch-epidemioloog, in één afdeling met prof. Vandenbroucke werkzaam) zich over die vragen gebogen.

Vraag 31

De enquêtecommissie heeft een aantal aanbevelingen gedaan op het terrein van de gezondheidszorg. De minister wilde deze opvolgen en voegde er nog twee aan toe, namelijk dat bij rampen van deze zwaarte direct een nulmeting van de gezondheidstoestand moet plaatsvinden, gevolgd door jaarlijkse vervolgmetingen van de gezondheidstoestand, zodat je kunt monitoren. En al tweede bijscholing van hulpverleners, niet alleen huisartsen maar met name ook behandelaars uit de ggz beter vertrouwd maken met de diagnostiek van het bekende PTSS. Ook met de aanbevelingen van de SP-fractie, het opzetten van een epidemiologisch centrum en, naast epidemiologisch onderzoek, ook het verrichten van toxische analyses om hulpverleners zo goed mogelijk te beschermen, stemde ze in. Hoever staat het met de uitvoering van al deze aanbevelingen?

Antwoord 31

Bij brief van 25 augustus jl. heeft het kabinet gerapporteerd over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de tot hem gerichte aanbevelingen.

Vraag 32

Het medisch onderzoek Bijlmer zou volgens de brief van 22 juni in oktober starten, dit werd nog eens bevestigd in de brief van 10 september. Uit de brieven van 26 en 28 oktober bleek dat het onderzoek niet in oktober van start zou gaan. Het onderzoeksprotocol is aangepast en bestaat nu uit 3 protocollen. Het OLVG moest over alle drie nog beslissen (eerste week november), het AZVU had behoefte aan aanvulling op het derde protocol. Na de beslissing van het OLVG zouden
2 onderzoeken van start kunnen gaan. Nadat het epidemiologisch onderzoek voor bewoners is aangevuld en goedgekeurd kan het onderzoek in volle omvang van start gaan. Kan de minister inmiddels meer zeggen over de daadwerkelijke start van het onderzoek? Is de minister van mening dat, hoewel uiteraard sprake moet zijn van een verantwoord onderzoeksopzet, de optredende vertraging zeer ongewenst is, zeker gezien het maatschappelijk belang van dit onderzoek? Zijn in elk geval de betrokken bewoners en hulpverleners over de vertragingen steeds goed en volledig geïnformeerd?

Antwoord 32

Bij brief van 9 december jl. heb ik de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd over de start van het onderzoek. Het Medisch Onderzoek Vliegramp Bijlmermeer gaat van start op 3 januari 2000. De eerste uitnodigingen zijn daartoe op 3 december
1999 verstuurd.

Over de voortgang van het gehele project zijn sinds maart 1999 zowel de bewoners als de hulpverleners regelmatig geïnformeerd, onder andere via de zogenaamde klankbordgroepen. Alle deelnemende organisaties en belangengroepen zijn vertegenwoordigd in deze klankbordgroepen en hebben door overleg met opdrachtgevers en met KLM Arbo Services steeds hun mening

kunnen geven over resp. invloed kunnen uitoefenen op (het tot stand komen van) het medisch onderzoek.

Op 5 november en 3 december 1999 zijn alle mensen die zich voor het onderzoek hebben aangemeld schriftelijk geïnformeerd door KLM Arbo Services.

Gelet op het grote maatschappelijke belang van het onderzoek is iedere vertraging ongewenst. Daarentegen is het voor bewoners en hulpverleners ook van groot belang dat er een verantwoord wetenschappelijk onderzoek plaats zal vinden, dat naast de goedkeuring van de directies van de uitvoerende instellingen ook kan rekenen op voldoende draagvlak binnen diezelfde instellingen. Besluitvormingsprocedures binnen die instellingen dienen, juist bij een onderzoek met een dermate grote maatschappelijke importantie, zorgvuldig gevolgd te worden.

Vraag 33

De Kamer is het uiteindelijk onderzoeksprotocol toegezegd. Kunnen de drie protocollen zodra ze zijn vastgesteld en akkoord bevonden door de betrokken partijen, aan de Kamer worden gezonden?

Antwoord 33

Samenvattingen van de onderzoeksprotocollen zullen zo spoedig mogelijk toegezonden worden.

Vraag 34

Zal er onderzoek gedaan worden naar uranium en eventuele andere metalen? Indien mensen blootgesteld zijn aan uranium of andere metalen na welke periode kan dan nog de lichaamsbelasting van dergelijke stoffen worden gemeten?

Antwoord 34

In het wetenschappelijk epidemiologisch onderzoek vindt een toetsing plaats van hypothesen op het gebied van uranium. Ook wordt gekeken naar nierschade als gevolg van de blootstelling aan zware metalen, waaronder uranium. Van de deelnemers aan het individuele medisch onderzoek wordt hiertoe bloed en urine verzameld. Overigens wordt niet verwacht dat nu nog uranium in bloed of urine kan worden aangetoond als gevolg van blootstelling aan de Bijlmerramp.

Vraag 35

Zijn de resultaten van het nader onderzoek door de gemeente Amsterdam n.a.v. het aangetroffen hoge dioxine-gehalte van een ringslang uit de Bijlmermeer, al bekend? In schriftelijke Kamervragen meldde u dat het RIVM geconcludeerd heeft dat bij de brand, onder bepaalde aannames, berekende concentraties aan dioxinen niet noemenswaardig hoger is dan de bovengrens van de dagelijks aanvaardbare hoeveelheid gedurende het hele leven en dat gezondheidsrisico's uitgesloten kunnen worden. Hoe verhoudt zich dat met de conclusies uit het DHV-rapport dat «in veel kunststoffen broomhoudende brandvertragers voorkomen. Bij brand kunnen daaruit dioxines en dibenzofuranen ontstaan. Vanwege de lage hoeveelheid chloor ten opzichte van de hoeveelheid broom in kunststoffen, is het RIVM van mening dat dit geen verdere aandacht behoeft. Ons inziens is dit niet terecht.»

Antwoord 35

De resultaten van het aanvullend onderzoek door de gemeente Amsterdam zijn bekend. De aanvankelijk aangetroffen hoge dioxine-gehalte van een ringslang uit de Bijlmermeer bleek een meetfout te zijn. Er zijn geen verhoogde hoeveelheden dioxine in de Bijlmermeer aangetroffen.

Vraag 36

Is in het uiteindelijke onderzoeksprotocol door KLM-Arbo speciale aandacht aan auto-immuunziekten en onderzoek hiernaar opgenomen? Zo ja, hoe en in alle groepen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 36

Bij het individuele medisch onderzoek wordt informatie verkregen door het afnemen van een uitvoerige anamnese, aan de hand van vragenlijsten en het lichamelijke onderzoek. Dit gebeurt op de voor de interne geneeskunde gangbare wijze. De onderzoekend arts heeft tijdens de anamnese en het lichamelijk onderzoek de beschikking over een checklist met aandachtspunten op het gebied van auto-immuunaandoeningen. Afhankelijk van de ernst van de aandoening of de noodzaak tot snel ingrijpen zal de onderzoekend arts moeten inschatten of nader overleg met huisarts en/of specialist over de bevindingen plaats dient te vinden. Ook worden laboratoriumbepalingen uitgevoerd, waarvan de uitslagen zouden kunnen wijzen op auto-immuunaandoeningen.

Vraag 37

Klopt het dat KLM Arbo Services rekeningen uitschrijft aan mensen en bedrijven die niet direct als bewoners, hulpverleners of mensen die in hangar 8 werkzaam zijn geweest als KLM-medewerkers, en wel rekeningen van 3000 gulden per persoon voor gezondheidsonderzoek. Gaat het hierbij om mensen die vanwege betrokkenheid met de ramp wel in aanmerking komen voor dit onderzoek?

Antwoord 37

KLM Arbo Services heeft geen enkele rekening aan individuele personen en / of bedrijven verzonden en is ook niet van plan dat te doen. De opdrachtgevers van KLM Arbo Services voor het Medisch Onderzoek Vliegramp Bijlmermeer zijn het Ministerie van VWS, in samenwerking met het Stadsdeel Zuidoost (voor bewoners), de Gemeente Amsterdam (voor hulpverleners) en KLM NV (betrokkenen bij Hangar 8). De facturen van KLM Arbo Services over de periode februari tot en met oktober 1999 zijn verstuurd aan en betaald door de gemeente Amsterdam, sinds 1

november jl. heeft het Ministerie van VWS deze taak op zich genomen.

De kosten worden later tussen de opdrachtgevers verrekend.

Vraag 38

Hoeveel mensen hebben zich inmiddels voor het onderzoek gemeld? Op welke manier is voorlichting gegeven over het starten van dit onderzoek? Zijn bijvoorbeeld alle betrokken en verhuisde bewoners aangeschreven? Op welke manier zijn de hulpverleners in kennis gesteld?

Antwoord 38

Tot nu toe hebben zich zo'n 5000 mensen voor het onderzoek aangemeld: bewoners, hulpverleners en betrokkenen bij hangar 8. De verwachting van de opdrachtgevers is, dat dit aantal nog enigszins zal groeien. Daarnaast zullen meer dan 4000 controlepersonen worden benaderd.

Alle potentiële deelnemers hebben in mei 1999 één van de folders "Wat kunt u verwachten van het onderzoek", voor bewoners, of "Wel of niet meedoen? De keuze is aan u", voor

hulpverleners toegestuurd gekregen, op grond waarvan men kon besluiten zich aan te melden of

niet. Deelname is immers vrijwillig. Aan controlepersonen zullen binnenkort vergelijkbare folders worden toegezonden. Over de start van het onderzoek zijn de deelnemers schriftelijk geïnformeerd (5 november en 3 december 1999 (zie eveneens antwoord op vraag 32).

De gegevens van alle 5000 deelnemers zijn in november 1999 overgedragen aan KLM Arbo Services. Sindsdien dienen deelnemers eventuele adreswijzigingen en andere verbeteringen in hun persoonlijke gegevens aan te melden bij KLM Arbo Services. Dit gebeurt inmiddels op vrij grote schaal.

Vraag 39

Hoe staan de betrokken huisartsen in Amsterdam inmiddels tegenover dit onderzoek?

Antwoord 39

Gedurende de ontwikkeling van het Medisch Onderzoek Vliegramp Bijlmermeer heeft steeds overleg plaatsgevonden met de Amsterdamse Huisartsenvereniging. Ofschoon de discussie over de zin van het medisch onderzoek uiteraard ook tussen huisartsen onderling gevoerd wordt, kan de Amsterdamse Huisartsenvereniging zich vinden in de onderzoeksopzet.


1) Samenstelling:

Leden

Van der Vlies (SGP)

Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter

Bijleveld-Schouten (CDA)

Middel (PvdA)

Essers (VVD), voorzitter

Oedayraj Singh Varma (GroenLinks)

Dankers (CDA)

Oudkerk (PvdA)

Lambrechts (D66)

Rijpstra (VVD)

Rouvoet (RPF)

Van Vliet (D66)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Passtoors (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Gortzak (PvdA)

Hermann (GL)

Buijs (CDA)

Atsma (CDA)

Arib (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Kant (SP)

E. Meijer (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Blok (VVD)

Plv. leden

Van 't Riet (D66)

Rehwinkel (PvdA)

Eurlings (CDA)

Apostolou (PvdA)

Orgü (VVD)

Van Gent (GroenLinks)

Van de Camp (CDA)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Ravestein (D66)

Weekers (VVD)

Schutte (GPV)

Schimmel (D66)

Terpstra (VVD)

Udo (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

Belinfante (PvdA)

Harrewijn (GroenLinks)

Ross-van Dorp (CDA)

Th.A.M. Meijer (CDA)

Duijkers (PvdA)

Smits (PvdA)

Marijnissen (SP)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Cherribi (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg gezondheidsklachten vliegramp Bijlmermeer '




Lees ook