Tweede Kamer der Staten Generaal


21693000.050 vao inzake herziening telecommunicatieregelgeving 1999
Gemaakt: 9-3-2000 tijd: 16:35


1


21693 Post- en tgelecommunicatiebeleid

nr. 50 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 maart 2000

De algemene commissie voor Europese Zaken<1> en de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat<2> hebben op 9 februari 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris J.M. de Vries van Verkeer en Waterstaat over het regeringsstandpunt met betrekking tot de mededeling van de Europese Commissie over herziening van de telecommunicatieregelgeving 1999 (VW-00-59/EU-00-14).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Eurlings (CDA) bracht naar voren dat de ontwikkeling van één goed functionerende Europese markt zich kenmerkt door nog meer marktwerking, gaandeweg minder overheidsinterventie en meer gerichtheid op algemene mededingingsregels. Er moet verder sprake zijn van een gereguleerde toegang tot essentiële elementen van de toegangsnetten, de zogenaamde bottlenecks. Meer marktwerking kan echter alleen verantwoord plaatsvinden, indien een aantal maatschappelijke belangen duidelijk worden gewaarborgd. Daarom is het van het grootste belang dat in de nieuwe regels de universele dienst zeker wordt gesteld en dat er duidelijke voorschriften in de sfeer van privacy, inzichtelijkheid van tarieven, bijzondere voorzieningen voor gehandicapten, ouderen enzovoort komen.

Europa wil in de telecombranche meer aan de markt over gaan laten. Daarom wordt gezocht naar algemene, technologieonafhankelijke formuleringen. Op zich is dat een goede zaak, maar er schuilt ook een gevaar in, namelijk dat het gereguleerde domein niet kleiner wordt, zoals bedoeld, maar juist groter. Wil de staatssecretaris proberen samen met haar Europese collegae te komen tot een scherpe formulering van de instrumenten en de beleidsdoelen? Daarbij moet dan een onderscheid worden gemaakt tussen regels voor diensten en voor wetten.

Verder moet er volgens de heer Eurlings sprake zijn van een sectorspecifieke regulering voor de toegang, de bottlenecks en aansluitnetten, onafhankelijk van de vraag wie eigenaar of exploitant is. Als er sprake is van een bottleneck is het in het belang van de marktwerking en dus indirect van de consument dat ook andere bedrijven toegang krijgen tot dit gedeelte van de markt en wel tegen een reëel tarief. Het nu geldende begrip van "aanmerkelijke marktmacht" is een mistig begrip, dat marktwerking kan remmen en bovendien arbitraire, weinig transparante regelgeving in de hand werkt.

Het is essentieel dat de telecomregelgeving in alle EU-landen hetzelfde wordt geïnterpreteerd en toegepast. Daarvoor is betere coördinatie noodzakelijk. Er liggen voorstellen voor een soort besloten Europese "scheidsrechtersvereniging". Is het niet beter om te komen tot een open platform, zodat ook het betrokken bedrijfsleven aan de discussie kan deelnemen? In sommige lidstaten wordt een specifiek vergunningensysteem gehanteerd. Dit kan gemakkelijk worden gebruikt om markten af te schermen en het ontstaan van een echte Europese telecommarkt te frustreren. Daarom zouden de individuele vergunningensystemen moeten worden afgeschaft. Is de staatssecretaris bereid om te pleiten voor invoering van het in Nederland geldende systeem van open registraties in de gehele Unie?

Tot in 1989 werd concurrentie tussen netwerken verkozen boven concurrentie tussen diensten. Daarna was het juist andersom. Nu lijkt men weer terug te gaan naar de situatie van voor 1989. Kan de staatssecretaris aangeven wat de Europese lijn in dezen zal zijn en wat de gevolgen van deze ogenschijnlijke koersverandering zijn voor de Nederlandse concurrentiebevorderende maatregelen?

Liberalisering dient altijd vooraf te worden gegaan door het waarborgen van de maatschappelijke belangen. Een markt met meerdere aanbieders wordt pas echt een concurrentiegestuurde markt, als de verschillende product-prijscombinaties van de verschillende aanbieders voor elke consument inzichtelijk zijn. De heer Eurlings was ingenomen met het feit dat de EU de inzichtelijkheid voor de telecomconsument wil gaan vergroten. Het is echter onvoldoende duidelijk op welke manier dit uiteindelijk zal gaan gebeuren. Kan de staatssecretaris duidelijk maken hoe de goede Europese intentie in concreet resultaat zal worden omgezet?

Bij liberalisering moet altijd oog zijn voor onbedoelde neveneffecten. Als deze niet in het belang van de consument zijn en dus als ongewenst kunnen worden gekenmerkt, zou de regering haar uiterste best moeten doen om deze regels zodanig aan te passen dat deze bijeffecten worden voorkomen. Een klein, maar niet onbelangrijk voorbeeld van hoe het mis kan gaan, is dat van de kerktelefoon. Ziet de staatssecretaris echt geen mogelijkheid om binnen het huidige en toekomstige Europese telecomkader te voorkomen dat de gebruiker voor deze laagdrempelige dienst ineens vier keer meer moet gaan betalen?

De heer Nicolaï (VVD) merkte op dat er sprake is van een paradox. De overheid en de Kamer willen toewerken naar een liberalisering, maar om dat bereiken moet er worden geïntervenieerd. In een aantal opzichten is Nederland waarschijnlijk verder geliberaliseerd dan Europa. Uit de stukken wordt onvoldoende duidelijk in welk stadium men zich op Europees niveau bevindt. Dat heeft echter wel consequenties voor de wijze waarop moet worden geïntervenieerd: met harde regelgeving of met soft law. Bij het laatste hoort dan een sterkere positie van de toezichthouder. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Een terugkerend punt betreft de verschillen tussen de landen. Het wordt nu Europees geregeld, maar de ene toezichthouder vat zijn taak anders op dan een andere toezichthouder. Het kan er op papier netjes uitzien, maar daardoor komen er nog geen andere landen naar Nederland. Dat kan niet worden ondervangen met regelgeving, maar wellicht kan het toch worden bevorderd. Wil de staatssecretaris daarop ingaan?

De EU stelt voor om wat betreft de aanmerkelijke marktmacht een norm van 50% te hanteren. De heer Nicolaï vroeg zich af of de marktsituatie in Europa al zover is dat zo'n stap moet worden gezet. Hij kon zich voorstellen dat er reden is om de norm van 25%, die nu wordt gehanteerd, aan te houden. Er zou overigens eigenlijk niet moeten worden gekeken naar de omvang van die aanmerkelijke marktmacht, maar naar relevante markten. Zou er verder geen sprake moeten zijn van een meer inhoudelijke benadering van de marktpositie? Het uitgaan van bottlenecks is een specifiekere benadering dan een mogelijk oneigenlijk gebruik van iemands machtspositie op een bepaalde plek.

De dienstverlening aan de burger moet worden geregeld. In sommige gevallen kan daarvoor een bandbreedte worden geformuleerd. Het gaat dan om de gewenste dienstverlening aan de burgers en dingen die daar bovenuit gaan of onder blijven zitten.

De heer Bakker (D66) meende dat de keuze in Europees verband voor technologieonafhankelijke regelgeving een kernpunt is. Als het gaat om telecommunicatie moeten de mogelijkheden en onmogelijkheden van wetgeving en toezicht op tafel komen. Daarnaast is belangrijk in hoeverre men in de toekomst wil komen tot bepaalde vormen van toezicht en of die meer op de sector dan op algemene mededingingsregels toegesneden moet zijn. Het kabinet lijkt van mening te zijn dat de marktwerking in de telecommunicatiesector zodanig is voortgeschreden dat algemeen mededingingstoezicht voldoende is. In sommige opzichten zijn de marktwerking en concurrentie inderdaad vergevorderd, maar in andere opzichten niet. Ook in de komende jaren zal daarom behoefte zijn aan sectorspecifiek toezicht. Met name als een markt tot stand moet komen, is het van belang een goed en beleidsmatig toezicht te hebben, met de instrumenten om te kunnen reguleren in plaats van alleen maar achteraf toe te zien.

Transparante regelgeving is natuurlijk in een interne markt in de EU van grote betekenis. Ook moet er sprake zijn van meer flexibiliteit. Bovendien moet er sprake zijn van samenwerking tussen de verschillende toezichthouders in de verschillende landen. Op het gebied van de toegangsnetwerken voor de eindgebruikers is de concurrentie tussen netwerken nog niet in voldoende mate van de grond gekomen. De heer Bakker vroeg op welke manier de ONP-regelgeving (open network provisionsreview) eraan kan bijdragen dat de concurrentie op het gebied van de toegang wordt bevorderd.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) steunde de algemene lijn van het document van de Commissie. De computer, de televisie, de telefoon en de IT-telecommedia zijn aan het integreren. Bovendien wordt de convergentie van vaste en mobiele telefonie steeds sterker. Dat vraagt om heldere regelgeving, technologieonafhankelijk. Daarvoor zal een aantal wetten moeten worden aangepast. Uit de stukken wordt duidelijk dat men veel ziet in algemene mededingingsregelgeving. Welk empirisch materiaal ligt ten grondslag aan het idee dat ex-postregelgeving ruim voldoende is? In ex-postregelgeving zit, anders dan bij ex-anteregelgeving, geen voorspelbaarheid. Wat voor invloed kan dat hebben op het investeringsklimaat? Wat zijn de economische effecten van ex-postregelgeving?

Voordat er regels worden afgeschaft, moet eerst goed worden bekeken hoe de markt zich ontwikkelt. Mevrouw Van Zuijlen vond dat als het gaat om de aanmerkelijke marktmacht er ruimte moet blijven voor interventie, ook bij interconnectie en toegangskwesties. Het is belangrijk dat een regelgeving verplichtingen kan opleggen aan partijen met een aanmerkelijke marktmacht van bijvoorbeeld 25%. Ex-anteregelgeving moet daarom mogelijk blijven, totdat daadwerkelijk sprake is van concurrentie.

De verschillen tussen de lidstaten kunnen in de nieuwe situatie blijven bestaan. Toezichthouders gaan echter steeds meer met elkaar samenwerken. Welk beeld heeft de staatssecretaris bij deze samenwerking? In het Europees Parlement bestaat een voorkeur voor een Europese regelgevende autoriteit. Hoe gaat dat zich in Europa ontwikkelen? Mevrouw Van Zuijlen was van mening dat zoveel mogelijk moet worden toegewerkt naar één autoriteit. Zo'n autoriteit moet echter weer niet een instituut op zichzelf worden.

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris bracht naar voren dat de Europese Commissie aan alle lidstaten, maar ook aan alle operators, consumentenbonden, serviceproviders, toezichthoudende instanties en dergelijke een reactie heeft gevraagd op haar voorstel. Er komen dus voor 15 februari honderden reacties in Brussel binnen. De staatssecretaris heeft gesproken met vertegenwoordigers van al die sectoren die ermee te maken hebben en met EZ en OCW, voordat zij een reactie op dat voorstel heeft gegeven. Het is dus een breed gedragen advies. Op 17 maart a.s. is er een overleg van de Commissie met de lidstaten en de directeuren van de toezichthoudende autoriteiten, waarbij in zal worden gegaan op die honderden reacties. Op 2 mei is er een Telecomraad. De Commissie zal dan waarschijnlijk inzage geven in de uitwerking van haar ideeën in de nieuwe richtlijnen. Op 31 mei publiceert de Commissie de zes teksten voor de richtlijnen, twee kaderrichtlijnen en vier specifieke richtlijnen. In het najaar komen er twee Telecomraden, onder Franse voorzitterschap. Dan gaat het om de vaststelling van teksten en dan begint het proces met het Europees Parlement. Dat zal wel geheel 2001 voortduren. 2002 is dan het jaar dat moet worden geïmplementeerd. Alles waarover nu wordt gesproken, geldt namelijk vanaf 2003.

De staatssecretaris gaf aan dat de regering nu een algemene reactie op de hoofdlijnen van de Commissie heeft gegeven. Op het moment dat er voorstellen voor richtlijnen komen, zal worden bekeken of eruit komt wat Nederland wil. Zij kon nu dan ook nog niet aangeven waar zij zich voor in zal zetten. Haar uitgangspunt was dat meer technische mogelijkheden niet moeten leiden tot nog meer regels, maar dat men uiteindelijk met minder regels toe moet kunnen. Om een volwassen markt te kunnen realiseren, moet er worden geliberaliseerd. Daarvoor is regelgeving noodzakelijk. Die regelgeving zal technologieonafhankelijk moeten zijn. Het is echter niet de bedoeling om allerlei dingen te regelen die al goed lopen. Men moet regelen wat moet worden geregeld om een volwassen markt te laten ontstaan, maar men moet geen dingen gaan regelen die uit de markt zelf zijn ontstaan.

Als er sprake is van een knelpunt, iets waar niemand omheen kan, is er eigenlijk ook sprake van een machtspositie. Niemand kan functioneren als dat knelpunt niet wordt aangepakt en als daar geen regelgeving voor is. Als iemand een sterke machtspositie heeft, kunnen er investeringen worden gedaan om het knelpunt op te lossen, zodat er sprake is van een eerlijke verdeling. Als een partij een marktaandeel van meer dan 50% heeft, heeft hij een dusdanige positie dat hij onafhankelijk van anderen de lijn kan gaan bepalen. Dat kan een lijn zijn die niet in het belang is van consumenten. Dan is echter de Mededingingswet van toepassing.

De positie van voormalige monopolisten, die een positie hadden die uit een onnatuurlijke situatie was gegroeid, is overigens anders dan de positie van iemand die door overnames of door een slim beleid gaandeweg de hele markt heeft veroverd. De monopolist moet gezien de ONP-richtlijn, verplicht anderen toelaten op zijn netwerk. Als die markt meer volwassen wordt, komen er steeds meer mensen die gaan investeren. Als iemand een machtspositie heeft van 50% heeft hij echter een te sterke positie en dan moet daaraan gewerkt worden. Als de regel wordt dat men als men 25% in handen heeft, anderen moet gaan toelaten, zijn die mensen wellicht niet meer bereid om te investeren en vernieuwingen door te voeren. Die afweging moet worden gemaakt. De staatssecretaris was er niet voor om te zeggen dat als men 25% bezit, men verplicht anderen moet toelaten. Een economische marktpositie heeft overigens nog meer gezichten dan alleen dat percentage. Er zijn nog andere instrumenten waarmee kan worden gecontroleerd of een bepaalde partij de markt controleert en zich van anderen niets hoeft aan te trekken. Op grond daarvan kan die partij dan onderworpen worden aan een specifiek regime.

Er is een groot verschil tussen de wijze waarop de verschillende toezichthouders werken. Daarom zouden de verschillende toezichthouders de uitvoering van de regeling moeten harmoniseren. Zij moeten echter niet gezamenlijk de regelgeving gaan bepalen. De nationale regeringen, democratisch gecontroleerd door Brussel, moeten de regelgeving vaststellen waarbinnen de toezichthouders het toezicht uitoefenen.

De Commissie laat sinds 1998 implementatierapporten opstellen. Daarin wordt bekeken hoe de lidstaten met de regels omgaan en hoe de markt ontstaat. Sinds januari 1998, toen de liberalisering op gang is gekomen, is er veel gebeurd. In het vijfde implementatierapport heeft Nederland een pluim gekregen, omdat er zo weinig obstakels zijn. Alleen als het gaat om de frequenties en de nummertoewijzing speelt de regering een rol. Nederland was een voorbeeld voor andere landen. De staatssecretaris vond dat er zo min mogelijk vergunningen moeten zijn. Er moeten alleen vergunningen zijn als het gaat om schaarse middelen, zoals de frequenties en de nummers. Daarvoor moet een bepaald regime worden gehanteerd. Verder moeten geen beperkingen worden opgelegd.

Het is voor de consument niet gemakkelijker geworden om inzicht te krijgen in de tarieven. In Europees verband moet worden bekeken hoe die technisch en uniform inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Marktpartijen hebben op dat punt ook een verantwoordelijkheid. Verder moeten ook op nationaal niveau regels worden gesteld. Eerst moet in Europees verband worden bekeken hoe de kwaliteit moet worden gemeten. Vervolgens moet worden bekeken hoe de informatie kan worden gepubliceerd, zodat iemand gemakkelijk kan zien wat hij betaalt, wat voor abonnement hij heeft en wat zijn gesprekskosten zijn. Daar moet met marktpartijen en consumentenorganisaties over worden gesproken.

De staatssecretaris was van mening dat de kerktelefoon niet hoort bij de universele diensten. Dat laat onverlet dat zij met KPN en degene die dit punt heeft opgerakeld wilde spreken om te kijken of een oplossing kan worden gevonden. Zij zegde toe voor de zomer aan te zullen geven wat er uit het overleg is gekomen.

De Commissie wil de wetgeving stroomlijnen, maar de implementatie van de richtlijnen in wetgeving in de verschillende landen duurt lang. Dat is niet ideaal in een markt als deze. Daarom zou het op een eenvoudiger manier moeten kunnen. Flexibiliteit is belangrijk, maar de rechtszekerheid is ook belangrijk. Het is prima dat er soft law is en dat marktpartijen met elkaar afspraken maken en convenanten sluiten, maar de rechtsgeldigheid daarvan moet wel worden vastgesteld. Zo moet duidelijk zijn waar bezwaar tegen kan worden gemaakt en waarmee men naar de rechter kan gaan. De staatssecretaris was er overigens niet voor dat allerlei instanties met elkaar regels maken, want dat is de taak van Brussel en de nationale regeringen. Brussel is op dat punt echter vaag. Daar moet dan ook over worden gesproken als de richtlijnen zijn uitgewerkt.

Het voorstel van de Commissie voorziet niet in meer regulering van de eindgebruikerstarieven voor de vaste telefonie. Bekeken moet worden of alleen de interconnectie en de tarieven voldoende zijn om de consument een keus te bieden. Of moet daar iets voor worden ingebouwd? De staatssecretaris was daar nog niet uit, maar zij zou ernaar kijken.

Economische Zaken laat over de economische machtspositie en de aanmerkelijk marktmacht een rapport opstellen. Daarin wordt bekeken met welke factoren rekening moet worden gehouden, wat de verschillen zijn en dergelijke. Dat rapport zal een dezer weken worden afgerond. Het rapport kan een goede handleiding zijn in deze discussie, aangezien daarin dieper wordt ingegaan op de principes van de verschillende markten.

Brussel heeft in het verleden gespeeld met de gedachte van een Europese toezichthouder, maar heeft die losgelaten. De staatssecretaris vond het ook geen goed idee, omdat de uitwerking in de verschillende landen verschillend zal zijn. Het is wel goed als de toezichthouders op Europees niveau de voortgang van de regelgeving en de harmonisatie met elkaar bespreken. Een toezichthouder op nationaal niveau verdient echter de voorkeur.

Het rapport van het Europese Parlement komt pas in mei. Dan is pas bekend hoe het Europese Parlement hierover denkt.

Nadere gedachtewisseling

De heer Eurlings (CDA) bleef van mening dat het objectief bekijken van bottlenecks die zich in de markt voordoen, een veel objectievere benadering is dan de aanmerkelijke marktkracht en de discussie over verschillende percentages. Verder vroeg hij waar de staatssecretaris zelf op inzet: op concurrentie tussen diensten of tussen netten.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) vond het belangrijk dat de staatssecretaris goed tot zich door laat dringen dat een deel van de Kamer er nog niet klaar voor is om op een aantal terreinen, zoals interventie op het gebied van interconnectie en toegangskwesties, de regel van de aanmerkelijke marktmacht, het verplicht opleggen van markttransparantie, het reguleren van eindgebruikerstarieven, te zeggen dat die regels niet meer nodig zijn.

Mevrouw Van Zuijlen vond het vreemd dat als toegewerkt wordt naar harmonisatie, ook in de regelgeving, de toezichthouders los van elkaar kunnen functioneren. Er moet naar gestreefd worden dat de manier van werken wordt geharmoniseerd. Dat wil niet zeggen dat het één sterk orgaan moet worden.

De staatssecretaris bracht naar voren dat wordt gestreefd naar concurrentie tussen infrastructuren. Voor een deel functioneert daar echter nog niets op. Zolang dat nog het geval is en de consument niet de keuze kan maken tussen bepaalde wegen, is er geen sprake van concurrentie op de infrastructuur. Dat betekent dat daar een regulering voor moet komen. Daar begint wat gang in te komen. De enige infrastructuur die wijd en zijd aanwezig is, is de oorspronkelijke KPN-infrastructuur. Vroeger werd die alleen gebruikt voor vaste telefoon, maar nu ook voor data. Daar concentreert zich alles grotendeels op. Daarom is er nu sprake van een soort dienstenconcurrentie. De andere infrastructuren worden door de overheid gefacilieerd, daar waar ze er nog niet zijn. Daarna moet de markt zijn werk doen. Dat is het uiteindelijke doel.

Over de uitwerking van de voorstellen zal worden gesproken bij de voorbereiding van de Telecomraad van mei. Dat overleg zal half april plaatsvinden. Op 31 mei zal de Commissie haar voorstellen klaar hebben. De staatssecretaris zegde toe de Kamer die zo snel mogelijk te zullen doen toekomen.

De Kamer denkt verschillend over aanmerkelijke marktmacht en economische machtspositie. De inzet van de regering moet genuanceerd zijn, kijkend naar hetgeen waar Brussel mee komt.

Het voorstel van de Commissie is om de toezichthouders te laten samenwerken in een comité om de toepassing van de regels te harmoniseren. De staatssecretaris vond dat een goede zaak. Dat is echter iets anders dan dat er één instantie komt die over alle grenzen kijkt.

De voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken,

Patijn

De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Blaauw

De griffier van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Roovers


1 Samenstelling:

Leden: Weisglas (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Voûte-Droste (VVD), Verhagen (CDA), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), ondervoorzitter, Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), voorzitter, Karimi (GroenLinks), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Albayrak (PvdA), Van Baalen (VVD)

Plv. leden: Blaauw (VVD), Dittrich (D66), Van den Berg (SGP), Wilders (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), De Graaf (D66), Valk (PvdA), Van Bommel (SP), Remak (VVD), Ter Veer (D66), Van der Knaap (CDA), Waalkens (PvdA), Geluk (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Zijlstra (PvdA), Mosterd (CDA), Verbugt (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Feenstra (PvdA), Crone (PvdA), Balkenende (CDA), Örgü (VVD), Gortzak (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), voorzitter, Van den Berg (SGP), Reitsma (CDA), Biesheuvel (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Valk (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), ondervoorzitter, Feenstra (PvdA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Stellingwerf (RPF), Giskes (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Van der Steenhoven (GroenLinks), Ravestein (D66), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Van der Knaap (CDA), Eurlings (CDA), Van Bommel (SP), Herrebrugh (PvdA), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Te Veldhuis (VVD), Bakker (D66), Th.A.M. Meijer (CDA), Stroeken (CDA), Van Gent (GroenLinks), Waalkens (PvdA), Crone (PvdA), Atsma (CDA), Duivesteijn (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Spoelman (PvdA), Schutte (GPV), Augusteijn (D66), Geluk (VVD), Luchtenveld (VVD), Vendrik (GroenLinks), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Balemans (VVD), Buijs (CDA), Dankers (CDA), Poppe (SP), Dijksma (PvdA), Bos (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg herziening Europese regels telecommunicatie '




Lees ook