Tweede Kamer der Staten Generaal


20454000.054 vso uitvoering wetten oorlogsgetroffenen
Gemaakt: 20-1-2000 tijd: 15:8


20454 Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen

nr. 53 Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld 20 januari 2000

In de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport *) hebben onderstaande fracties gemeend een aantal vragen ter beantwoording voor te moeten leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ter beantwoording van vragen uit het algemeen overleg over het regeringsstandpunt op het rapport van het Adviescollege Uitvoeringswetten voor oorlogsgetroffenen van 6 oktober 1999.

De vragen en de door de minister gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier voor dit verslag,

Atkins
Vragen van de PvdA-fractie 1. Met betrekking tot de rode draad-theorie: is het juist dat de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) als uitvoerend orgaan bepaalt of en zo ja, in welke mate een verzetsgerelateerde verstoring van levensomstandigheden ná de oorlog in aanmerking komt als grond voor honorering van een aanvraag, in plaats van dat dit is opgenomen in de wetssystematiek? 1. Het wettelijke systeem ten aanzien van het van toepassing verklaren van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp) op degenen die als gevolg van het verzet van derden psychisch letsel hebben opgelopen, is als volgt. In het besluit van 8 juli 1978 (Stb. 422) is een aantal categorieën van personen opgenomen op wie de Wbp van overeenkomstige toepassing is. Eén van die categorieën vormen die personen die als gevolg van het verzet van derden lichamelijk letsel hebben opgelopen (artikel 2, aanhef, onder 3). Artikel 3 van datzelfde besluit maakt het de PUR mogelijk om in bijzondere omstandigheden (via een anti-hardheidsbepaling) personen, wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot de eerder genoemde categorieën, gelijk te stellen met deze eerder genoemde categorie van personen. Via deze bepaling kunnen degenen die psychisch letsel ten gevolge van het derdenverzet hebben opgelopen onder de werkingssfeer van de wet worden gebracht. Het gegeven dat de verstoring van de levensomstandigheden exclusief wordt beperkt tot de omstandigheden gedurende de bezettingsjaren 1940-1945 ligt primair besloten in wettelijke regelgeving en is volledig in lijn met de systematiek van de wet. 2. Waarom wordt in dit verband niet gekozen voor een actuele invaliditeitsbeoordeling in plaats van de doelgroepbeoordeling, zoals nu plaatsvindt? 2 . Het criterium «ernstige verstoring van levensomstandigheden» betreft uitsluitend een toelatingscriterium dat gehanteerd wordt bij de vraag of een aanvrager tot de doelgroep kan worden gerekend. Indien dit het geval is, vindt er een invaliditeitsbeoordeling plaats. Bij deze invaliditeitsbeoordeling worden overigens de na-oorlogse jaren wel betrokken. 3. Kan de regering bij benadering toelichten welke de feitelijke consequenties zijn als de visie van de Vereniging ter behartiging der belangen van Burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (VEBO) wordt gehonoreerd, dat sequentieel getraumatiseerden als Wubo (Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffer 1940-1945)-gerechtigden erkend zouden moeten worden? 3 . Indien al degenen die op jeugdige leeftijd sequentieel getraumatiseerd zijn en als gevolg daarvan blijvend invalide zijn geworden als gerechtigde in het kader van de Wubo erkend kunnen worden, ongeacht of deze traumatisering veroorzaakt is door calamiteiten in de zin van de Wubo, bijzondere persoonsgebonden gebeurtenissen of algemene oorlogsomstandigheden waaraan iedere burger in meer of mindere mate heeft blootgestaan, zou dit tot een forse uitbreiding van het aantal Wubo-gerechtigden kunnen leiden. Het is niet mogelijk, zelfs niet bij benadering, aan te geven om welke aantallen het hierbij zou kunnen gaan, maar evident is dat het potentieel een groot aantal mensen betreft. Vragen van de CDA-fractie 4. Wat is de onderbouwing van de keuze voor de gelijkschakeling van de korting op de uitkeringen inzake de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en Wubo bij ontvangst van AOW voor gehuwden en ongehuwden? Wat zijn de financiële gevolgen voor deze doelgroepen ten opzichte van elkaar? 4. Allereerst stel ik vast dat de betreffende passage (bladzijde 3, vijfde alinea) van mijn brief van 19 november 1999 (kamerstukken II, 20 454, nr. 53) tot misverstanden aanleiding kan geven. De voorgestelde effectieve korting (70%) voor een gehuwde is gelijk aan het AOW-pensioen dat een ongehuwde ontvangt. De effectieve korting voor ongehuwden bedraagt nu en in de toekomst 80% van de ongehuwden-AOW. Mijn voorstel voor de gehuwden sluit aan bij de door u in het algemeen overleg van 6 oktober 1999 gedane suggestie om in een leefsituatie waarin beide partners 65 jaar of ouder zijn en één van de partners een uitkering ontvangt op grond van de Wuv of Wubo uit te gaan van een effectief kortingspercentage van 70 van het door beide echtelieden tezamen (maximaal) te ontvangen AOW-pensioen. Gevolg van alternatieve kortingssystematiek is dat de uitkering van gehuwden met ongeveer f 200,-- bruto per maand zal stijgen. In de uitkeringshoogte voor alleenstaanden treedt geen wijziging op. 5. Kan de regering toelichten of de f 13 miljoen die wordt uitgetrokken voor het wijzigen van de AOW-korting extra geld is of beschikbaar komt door herschikking van geld? 5. De met de wijziging van de AOW-kortingssystematiek gemoeide extra kosten van f 13 mln. zullen in eerste instantie gedekt worden uit de verwachte onderuitputting op het budget voor oorlogsgetroffenen (artikel 24.05). Zonodig zal het begrotingsbedrag voor de oorlogsgetroffenen worden verhoogd. 6. In geval van herschikking van gelden, ten koste van welke budgetonderdelen vindt dit plaats? 6. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5. Vragen van de fractie van D66 7. Kan de regering bevestigen dat met de wijziging van de AOW-kortingssystematiek er alleen mensen op vooruitgaan en er geen situaties ontstaan waardoor deze wijzigingen op microniveau nadelig uitwerken voor sommige mensen? 7. Ja. 8. Voor de Wetten buitengewoon pensioen wordt vooralsnog niet in een wijzigingsvoorstel voorzien. Moet hieruit begrepen worden dat dit op termijn wel te verwachten is? 8. De wetten buitengewoon pensioen kennen als pensioenwetten een geheel andere systematiek dan de Wuv en de Wubo. Het verschil in systematiek omvat ook de wijze waarop de AOW-inkomsten betrokken worden bij de vaststelling van het pensioen dan wel van de uitkering. Bij de wetten buitengewoon pensioen wordt slechts 75% van de AOW betrokken bij de vaststelling van de bruto-inkomsten, tezamen met eventuele andere inkomensbestanddelen. Alleen voor zover de aldus berekende bruto-inkomsten de pensioengrondslag overschrijden vindt een korting plaats. Om die reden lijken de wijzigingsvoorstellen, die ik heb aangekondigd voor de Wuv en de Wubo, geen precedentwerking te hoeven hebben voor de Wetten buitengewoon pensioen. Ik wil echter op voorhand niet volledig uitsluiten dat gaandeweg het wetgevingsproces anders geconcludeerd moet worden. 9. Met de voorstellen is een kleine vijftien miljoen gemoeid. Welke dekking is hiervoor gevonden? 9. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5. 10. Hebben deze wijzigingsvoorstellen een terugwerkende kracht? 10. Nee, mijn streven is om de wijzigingen per 1 januari 2001 te laten ingaan, nadat de wetten zijn aangepast. 11. Kan de regering bevestigen dat met de wijziging van de AOW-kortingssystematiek geen doorwerking uitgaat naar overige sociale wetgeving? 11. De systematiek van de wetten voor oorlogsgetroffenen vertoont kenmerken van zowel typische inkomensaanvullende regelingen als van
arbeidsongeschiktheidsregelingen en aanvullende pensioenregelingen. Daarmee kunnen de oorlogswetten zonder meer als uniek worden gekenschetst. Mede hierdoor is er geen sprake van doorwerking van een wijziging van de AOW-kortingssystematiek naar de overige sociale wetgeving. Vragen van de fractie van GroenLinks 12. Waarom is vooralsnog niet in een wijzigingsvoorstel voor de Wetten buitengewoon pensioen voorzien? Wat wordt bedoeld met «vooralsnog»? Welke wijzigingen worden overwogen? 12. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8. 13. Wat is uw oordeel over de brief die het Medisch Juridisch Comité Oorlogsgetroffenen (MJCO) aan u heeft aangeboden en waarin aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van de medische diagnose, de rechtsgang, het afschaffen van de tweedegeneratieslachtofferregeling en de afbouw van de begeleidende en uitvoerende instellingen? 13. Medische diagnose: voor mijn reactie betreffende medische diagnose verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 18. Rechtsgang: het MJCO wijst op het ontbreken in de wetten voor oorlogsgetroffenen van een mogelijkheid van hoger beroep en rechtspraak in twee instanties. Voorts is men het niet eens met de wijze van toetsing door de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Gezien het feit dat de herziening van de wetgeving inzake de rechterlijke organisatie slechts een aantal jaren geleden is voltooid, is het creëren van een hoger beroep tegen uitspraken van de CRvB geen realistische optie. Bovendien is juist bewust gekozen om oorlogsgetroffenen direct toegang te geven tot de hoogste beroepsrechter. Juist met het oog op de door het MJCO genoemde scheiding der machten kan ik mij niet mengen in de wijze waarop een rechter bestuursbeslissingen toetst. Tweede generatie: het MJCO wenst een afschaffing van de sluiting van de Wuv voor de tweede generatie. Hiertoe ben ik niet bereid. De Tweede Kamer is slechts enkele jaren geleden akkoord gegaan met deze wetswijziging. Ik zie geen reden om van deze lijn af te wijken. Begeleiding en uitvoering: het MJCO stelt het een kwalijke ontwikkeling te vinden dat het ministerie alle moeite lijkt te doen om tot afbouw van begeleidende en uitvoerende instellingen te komen. Inderdaad vindt er afbouw plaats. Dat is ook logisch gezien de terugloop van het aantal nieuwe aanmeldingen voor de wetten en van het aantal uitkeringsgerechtigden. Die afbouw gebeurt overigens zorgvuldig en in goed overleg. Zo heb ik in mijn brief van 2 april 1999 (kamerstukken II, 1998/99, 20 454, nr. 48) u op de hoogte gesteld van mijn voornemens ten aanzien van de wijze waarop de PUR geleidelijk zal afbouwen. De continuïteit, kwaliteit en doelmatigheid van de uitvoering van de wetten moet hierbij wel gehandhaafd blijven. In dat kader wil ik wijzen op mijn bereidheid om de PUR de ruimte te geven voor uitbreiding van het aantal contactfunctionarissen. Van een relatieve beperking van het hulpaanbod ten opzichte van de hulpvraag is dan ook zeker geen sprake. Vragen van de SP-fractie 14. Kan toegelicht worden in hoeverre het advies van het adviescollege-Van Galen nu wel en niet wordt opgevolgd inzake de AOW-korting? Om welke reden wordt niet het gehele advies Van Galen uitgevoerd? 14. Het adviescollege-Van Galen stelt voor om voor een gehuwde die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en een partner heeft van 65 jaar of ouder alleen de AOW die de uitkeringsgerechtigde zelf ontvangt voor 100% op de uitkering in mindering te brengen. De AOW-toeslag wordt in dit collegevoorstel teruggebracht van 40 naar 20% van het AOW- pensioen dat de betrokkene maximaal (bij volledige rechten) aan AOW ontvangt. Voor de situatie dat beide AOW-gerechtigde partners een Wuv- of Wubo-uitkering ontvangen, doet het adviescollege een subsidiair voorstel, dat inhoudt dat niet meer gekort wordt dan de leefeenheid daadwerkelijk aan AOW ontvangt; de toeslagen komen in dit laatste voorstel van het adviescollege te vervallen. In het regeringsstandpunt op het advies uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen (kamerstukken II, 1998/99, 20 454, nr. 51) heeft de regering aanpassing van de AOW-kortingssystematiek langs deze lijnen afgewezen, enerzijds vanwege de inbreuk die dat zou betekenen op de bestaande wetssystematiek en anderzijds vanwege de lastig te repareren (nadelige) inkomenseffecten. Ook in mijn brief van 19 november 1999 (kamerstukken II, 20 454, nr. 53) ben ik uitgebreid ingegaan op de achtergronden van de huidige AOW-kortingssystematiek. Ik concludeer in die brief dat de AOW-kortingssystematiek in de Wuv en Wubo niet leidt tot ongerechtvaardigde financiële uitkomsten, noch voor de groep oorlogsgetroffenen als geheel, noch voor specifieke groepen. Ik heb in de brief evenwel ook aangegeven dat ik er begrip voor heb dat het huidige kortingssysteem, mede door zijn complexiteit, onbegrip en daardoor bezwaren oproept. Kern van die bezwaren is een zekere spanning die valt te signaleren tussen de AOW-kortingssystematiek en de verzelfstandiging van het AOW-pensioen. Vervolgens heb ik aangegeven bereid te zijn tot het doen van wijzigingsvoorstellen. De in de brief van 19 november 1999 gepresenteerde wijzigingsvoorstellen hebben tot doel om de AOW-korting voor gehuwden (zowel in de situatie met één als met twee Wuv- of Wubo-uitkeringen) enigszins te verzachten. Evenwel zonder de wetssystematiek ten principale aan te tasten en ook zonder dat er voor sommige (groepen) uitkeringsgerechtigden negatieve inkomenseffecten resulteren. In mijn nadere voorstellen wordt dit bereikt door, in tegenstelling tot het primaire voorstel van het adviescollege-Van Galen, in de nieuwe hoofdregel ten aanzien van de korting voor gehuwden de AOW-korting als zodanig intact te laten, maar een verhoging van de AOW-toeslag in te zetten als instrument om voor gehuwden een vermindering van de effectieve AOW-korting te bereiken. In het geval dat de gehuwde partners 65 jaar of ouder zijn en beiden een Wuv- of Wubo-uitkering ontvangen, geldt de hiervoor weergegeven hoofdregel eveneens. Om te voorkomen dat toepassing van de hoofdregel in sommige van deze gevallen tot een inkomensnadeel zou leiden (als recht bestaat op een (bijna) volledig AOW-pensioen) staat voor betrokkenen de mogelijkheid open om te kiezen voor een alternatieve kortingssystematiek. Dat alternatief is gelijk aan het «subsidiaire» voorstel uit het advies-Van Galen: de AOW-toeslagen vervallen en de korting wordt beperkt tot het door betrokkenen zelf op eigen naam ontvangen AOW-bedrag. 15. Het adviescollege-Van Galen heeft ervoor gepleit om alle voorzieningen voor nabestaanden 5 jaar door te laten lopen. Waarom heeft de commissie hierbij niet het onderscheid gemaakt dat de regering nu wel maakt? Waarom vindt de regering 5 jaar voor al deze voorzieningen niet redelijk gezien de «ereschuld» die er ook ten aanzien van de nabestaanden bestaat? 15. Het adviescollege-Van Galen beperkt zich tot een algemeen geformuleerde aanbeveling op het punt van het doorlopen van voorzieningen voor nabestaanden. In mijn brief van 19 november 1999 heb ik per voorziening een nadere analyse gemaakt. Ik heb daar niets aan toe te voegen, zodat ik volsta met daarnaar te verwijzen. 16. Is de regering van mening dat het begrip vermogenskorting voor vervolgden nogal belast is. Zou een ruimhartig en solidair beleid niet tot afschaffing daarvan moeten leiden of in elk geval een veel minder restrictief beleid bijvoorbeeld via een anti-hardheidsbepaling? 16. Ik ben van mening dat, gezien het inkomensaanvullende karakter van de wetten voor oorlogsgetroffenen, het redelijk is dat de verrekening van vermogensinkomsten (niet te verwarren met het vermogen zelf) een integraal onderdeel uitmaakt van de bepaling van de feitelijk genoten uitkering. Ik teken hierbij nog aan dat de systematiek van de vermogenskorting een «prudent» karakter heeft. Zo geldt als grondslag voor de vermogenskorting de (historische) waarde van het vermogen op het moment van de aanvraag voor een pensioen of uitkering; indien er sprake is van klaarblijkelijke hardheid wordt rekening gehouden met vermindering van het vermogen. Voor de bepaling van de te korten vermogensopbrengsten wordt uitgegaan van een forfaitair rendementspercentage, dat jaarlijks wordt aangepast aan het feitelijk behaalde rendement op de vijf langstlopende staatsleningen in het voorafgaande jaar (4,5% in 2000). Een bepaald (geïndexeerd) gedeelte van de vermogensinkomsten wordt vrijgelaten (in 2000: f 1.386,__). 17. Wat zijn de argumenten van degenen die de rode draad-theorie ter discussie stellen? Hoe denken deskundigen zoals psychologen en psychiaters hierover? Hoe staat de regering hier tegenover? Neemt er ook een afgevaardigde van het Ministerie van VWS deel aan het overleg tussen het MJCO en de PUR? Zo nee, waarom niet? Is de regering bereid haar beleid te versoepelen? 17. Zoals reeds in mijn brief aan u van 19 november 1999 is aangegeven, vinden degenen die de rode draad-theorie ter discussie stellen dat ook een verzetsgerelateerde verstoring van levensomstandigheden na de oorlog in aanmerking genomen zou moeten worden. Voorts vindt men dat uitgangspunt zou moeten zijn een actuele invaliditeitsbeoordeling in plaats van de doelgroepbeoordeling zoals nu plaatsvindt. Mij is bekend dat een aantal psychologen en psychiaters de recente verklaring van het MJCO op dit punt mede heeft ondertekend. In mijn antwoorden op vragen 1 en 2 heb ik al toegelicht waarom de tegenstanders in deze op een verkeerd spoor zitten: men gaat uit van de veronderstelling dat het gaat om een invaliditeitsbeoordeling in plaats van een doelgroepbeoordeling. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 1 en 2. Inmiddels heeft er mede op mijn instigatie een overleg plaatsgevonden tussen de PUR en het MJCO. Aan dit overleg is niet deelgenomen door een afgevaardigde van mijn ministerie. In mijn brief aan u van 19 november 1999 heb ik al aangegeven dat dit onderwerp tot de uitvoerende verantwoordelijkheid van de PUR behoort. De PUR is derhalve de gerede gesprekspartner voor het MJCO. De PUR heeft mij gerapporteerd dat het overleg als nuttig kan worden gekwalificeerd. De delegatie van het MJCO heeft benadrukt dat het comité vooral een appèl heeft willen doen op de blijvende betrokkenheid van de PUR bij oorlogsgetroffenen. Het is de PUR gebleken dat het kernprobleem van het comité en zijn sympathisanten wordt gevormd door de grenzen en de voorwaarden van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Het is bekend dat ik niet wens te tornen aan de principiële uitgangspunten van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Gezien het voorafgaande ten overvloede: de uitvoerende verantwoordelijkheid voor de wetten voor oorlogsgetroffenen berust bij de PUR. Ik heb geen directe bemoeienis met dit toepassingsbeleid. 18. Wat is de reactie van de regering op de verklaring van het MJCO waarin zij stelt dat «juridische of beleidsmatige beperkingen» een medisch oordeel over oorlogsgetroffenen in de weg staan? Is de regering bereid tot verdere tegemoetkoming inzake de causaliteit? Wat is de reactie van de regering op de uitspraak van directeur Vuysje van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk (NRC, 2 december 1999) dat de kritiek van het MJCO hout snijdt. «Er is sprake van een juridisering, van een erg strikt beleid. De ruimhartigheid wordt duidelijk door het financiële kader ingeperkt.» 18. De regelingen voor oorlogsgetroffenen zijn in de loop van de afgelopen decennia in een vijftal verschillende wetten voor oorlogsgetroffenen vastgelegd. Dit wettelijk stelsel biedt optimale rechtszekerheid aan de cliënten en aan de doelgroepen in het algemeen ten aanzien van de criteria voor erkenning als oorlogsgetroffene, ten aanzien van de aanspraken die men kan doen gelden op financiële en op immateriële tegemoetkomingen alsmede ten aanzien van de beroepsmogelijkheden tegen negatieve beschikkingen. Begrippen als «ereschuld» en «solidariteit» hebben aldus hun vertaling gekregen in wettelijke rechten. Het uitvoeringsorgaan voor de wetten voor oorlogsgetroffenen, de PUR, heeft de wettelijke taak om iedere aanvraag te toetsen aan de regels. Als de PUR tot de conclusie moet komen dat de toepassing van de wettelijke regels noopt tot afwijzing van een aanvraag dan is zij ertoe gehouden om negatief te beschikken. De PUR handelt hiermee in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever. Het is onjuist om dit te diskwalificeren als (ongewenste) juridisering. De beleidsvrijheid van de PUR is terecht beperkt. Het overheidsbeleid is er immers op gericht om helderheid te verschaffen over de wettelijke en beleidsmatige kaders voor zelfstandige bestuursorganen teneinde het primaat van de politiek niet uit te hollen. Dat laat onverlet dat de Wet op de PUR voorziet in een zelfstandige verantwoordelijkheid van de PUR voor het beschikken op individuele aanvragen. Zij laat zich daarbij door deskundige juristen en medici adviseren. Bovendien hebben vertegenwoordigers van de doelgroep zitting in de raadskamers. Waar het de vraag betreft of iemand in aanmerking komt voor een periodieke uitkering, een pensioen of voor een bijzondere voorziening is steeds aan de orde of er sprake is van een relatie tussen aantoonbare oorlogservaringen en huidige fysieke of psychische beperkingen. Het is bekend dat de causaliteitsvraag met het verstrijken van de tijd geleidelijk moeilijker wordt om te beantwoorden. Politiek is een aantal jaren geleden besloten dat de moeilijke bewijsvoering ten aanzien van de causaliteit geen reden mag vormen om de wetten voor oorlogsgetroffenen voor nieuwe aanvragen af te sluiten. Regering en Tweede Kamer waren van oordeel dat een ieder, voor wie de wetten zijn bedoeld, de kans moet behouden om toegelaten te worden. Ik onderschrijf dit oordeel maar teken daarbij aan dat blijvend vastgehouden moet worden aan een zorgvuldige wetsuitvoering. Tenslotte wijs ik erop dat er geen sprake is van beperking van het toepassingsbeleid door financiële kaders. Voor de wetten voor oorlogsgetroffenen geldt een zogenaamde «open-einde financiering». De financiële gevolgen voor de rijksbegroting van toepassing van de wetten worden steeds volledig geaccepteerd. 1) Samenstelling: Leden Van der Vlies (SGP) Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter Bijleveld-Schouten (CDA) Middel (PvdA) Essers (VVD), voorzitter Oedayraj Singh Varma (GroenLinks) Dankers (CDA) Oudkerk (PvdA) Lambrechts (D66) Rijpstra (VVD) Rouvoet (RPF) Van Vliet (D66) Van Blerck-Woerdman (VVD) Passtoors (VVD) Eisses-Timmerman (CDA) Gortzak (PvdA) Hermann (GL) Buijs (CDA) Atsma (CDA) Arib (PvdA) Spoelman (PvdA) Kant (SP) E. Meijer (VVD) Van der Hoek (PvdA) Blok (VVD) Plv. leden Van 't Riet (D66) Rehwinkel (PvdA) Eurlings (CDA) Apostolou (PvdA) Orgü (VVD) Van Gent (GroenLinks) Van de Camp (CDA) Noorman-den Uyl (PvdA) Ravestein (D66) Weekers (VVD) Schutte (GPV) Schimmel (D66) Terpstra (VVD) Udo (VVD) Visser-van Doorn (CDA) Belinfante (PvdA) Harrewijn (GroenLinks) Ross-van Dorp (CDA) Th.A.M. Meijer (CDA) Duijkers (PvdA) Smits (PvdA) Marijnissen (SP) O.P.G. Vos (VVD) Hamer (PvdA) Cherribi (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag overleg over uitvoering wetten oorlogsgetroffenen '




Lees ook