SER


17 december 1999

VERSLAG RAADSVERGADERING 17 DECEMBER 1999

De raad heeft in zijn vergadering van 17 december twee unanieme adviezen vastgesteld: commentaar op de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid en Bevordering arbeidsdeelname ouderen. Verder stelde CNV-voorzitter D. Terpstra in het kader van het agendapunt 'Actualiteiten' de samenstelling van handelsmissies naar het buitenland aan de orde.

Actualiteiten
CNV-voorzitter D. Terpstra
vroeg de werkgevers bij het Ministerie van Economische Zaken te bevorderen dat de vakbeweging meegaat met handelsmissies naar het buitenland. Het CNV was onlangs voor het eerst, op experimentele basis, meegeweest met een handelsmissie naar Cuba en Terpstra was daar enthousiast over. "We zijn er buitengewoon positief over, want we hebben op Cuba vakbondsrechten en mensenrechten aan de orde kunnen stellen. Dat zouden we vaker willen doen. Het zou een vanzelfsprekendheid moeten zijn dat ook de vakbeweging is vertegenwoordigd bij handelsmissies. Natuurlijk hoeven we niet altijd mee, daar gaan we selectief mee om."
FNV-voorzitter L. de Waal was het hier mee eens en zei hiertegen geen verzet te verwachten bij werkgevers, omdat het volgens hem juist VNO-NCW-voorzitter J. Blankert zèlf hier voor had gepleit toen hij op bezoek in Zuid-Afrika de ene vakbondsman na de andere te spreken kreeg. "In de werkgevers hebben wij terzake een goede bondgenoot," vond De Waal.
VNO-NCW-voorzitter J. Schraven beaamde dit. Hij vond dat van geval tot geval moet worden bekeken of deelname van de vakbeweging een meerwaarde kan opleveren voor een handelsmissie naar het buitenland.

Commentaar op de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid

In dit unanieme advies stelt de SER dat de zorg voor een excellent vestigingsklimaat ook in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening een belangrijk aandachtspunt moet zijn. Die zorg moet dan passen in een brede benadering die selectief, doelmatig en toekomstgericht omgaan met de schaarse ruimte bevordert. In dat verband introduceert het advies een zogenaamde ladder voor het ruimtegebruik voor wonen, bedrijvigheid en infrastructuur. Die ladder is bedoeld als denkmodel om herstructurering van reeds bebouwde terreinen en een intensiever ruimtegebruik te stimuleren.

Volgens B. Wientjes (namens de werkgevers) geeft de nota een heldere visie op wat de economie de komende jaren planologisch nodig heeft. Er moet meer economie in de planologie, omdat juist daar grote knelpunten voor de economie liggen. "Willen wij de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven in stand houden en vergroten, dan zullen wij ook bereid moeten zijn voldoende fysieke ruimte voor het bedrijfsleven ter beschikking te stellen." In dat verband wees hij op een tekort aan bedrijfsterreinen. Tegen die achtergrond vond Wientjes de adviestekst rond de zogenaamde ruimteladder te zwak geformuleerd. Hij zei te vrezen dat te veel ruimte laat voor "oeverloze discussies", terwijl "het zonder meer duidelijk is dat in het overgrote deel van de benodigde bedrijfsterreinen zal moeten worden voorzien door uitbreiding".

FNV-bestuurder H. van de Kolk
zei in te zien dat er jaarlijks een extra behoefte is aan bedrijfsterreinen, maar die uitbreiding moet geen automatisme zijn. "Er kan niet zorgvuldig genoeg worden omgegaan met beslissingen in de ruimtelijke inrichting", aldus Van de Kolk. Het belangrijkste punt uit het advies bestaat volgens hem uit het denkmodel voor de toewijzing van functies. Met dit model wordt men ertoe genoopt de stap om een bedrijfsterrein uit te breiden, extra zorgvuldig te nemen. "De praktijk wijst uit dat het zorgvuldiger kan en dat soms te gemakkelijk voor uitbreiding wordt gekozen."

Voor het kroonlid prof. J. Cramer ligt de waarde van het advies in de erkenning dat het ruimtelijk-economisch beleid in een breed perspectief moet worden bekeken. In de nota van de staatssecretaris ontbreekt dit. Volgens Cramer moet aan de basis van de besluitvorming een breed welvaartsbegrip ten grondslag liggen, zodat bijvoorbeeld het aspect leefklimaat ook meetelt. Overigens riep zij op de ladder van RIB (zoals zij het denkmodel noemde) vooral niet als een dogma te zien, maar meer als een manier van denken voor verschillende overheden.

SER-voozitter Wijffels
, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid (RIB) die het advies had voorbereid, wees op het belang dat bepaalde (ongunstige) ontwikkelingen worden stopgezet of zelfs omgebogen. "Zulke trendbreuken zijn nodig in een duurzaam functionerende samenleving." Hij benadrukte dat voor het mobiliteitsvraagstuk zon trendbreuk er nog niet is, terwijl die er wel moet komen. "Hier staan we voor een belangrijke opgave, waarvoor een intelligente ruimtelijke ordening nodig is." Die ziet er volgens de SER-voorzitter als volgt uit: "Geen beleid dat van bovenaf alles op detail regelt, maar een beleid dat meer een helder raamwerk biedt voor lagere overheden."

Bevordering arbeidsdeelname ouderen

Ook het advies bevordering arbeidsdeelname ouderen werd unaniem vastgesteld. In dit advies doet de raad aanbevelingen en voorstellen aan zowel het bedrijfsleven als de overheid. Het is volgens de raad van groot belang dat ouderen langer blijven werken, omdat zo spanningen op de arbeidsmarkt kunnen worden verlicht en de kosten van vergrijzing kunnen worden opgevangen.

FNV-bestuurster A. Jongerius stelde dat het kabinet en de werkgevers vooral vanuit economische motieven redeneren, met argumenten als knelpunten op de arbeidsmarkt en het toekomstige draagvlak voor de sociale zekerheid. De FNV wil echter vooral ook wijzen op sociale motieven. Een sterkere arbeidsmarktpositie met loopbaanperspectieven is van groot belang voor het welbevinden van individuele werknemers. Zij pleitte voor een meer evenwichtige spreiding over de hele loopbaan van ontziemaatregelen, omdat deze nu een direct of indirect een loondruk leggen op oudere werknemers. Herinvoering van de sollicitatieplicht voor 57½-jarigen vond ze alleen sociaal verantwoord als de arbeidsmarkt voor oudere werknemers weer in balans is, een situatie die nu nog allerminst is bereikt. Ze onderschreef het leeftijdsafspiegelingsbeginsel bij massaontslagen, maar zei te vrezen dat bedrijven hieronderuit zullen proberen te komen door de werknemers clustergewijs te ontslaan. Om dit te voorkomen moeten hierover op ondernemingsniveau afspraken worden gemaakt. Tot slot wees ze erop dat de SER niet voorstelt de fiscale faciliëring van de VUT op termijn geheel te beëindigen, maar dat de raad slechts heeft gewezen op de mogelijkheid om voor nieuwe VUT-regelingen deze fiscale faciliteit niet open te stellen.

CNV-voorzitter D. Terpstra
wilde niet verhelen dat het advies bij het CNV intern tot de nodige discussies heeft geleid. Dat kwam ook doordat de politiek het niet na kon laten te reageren nog voordat het advies was vastgesteld. Terpstra vond de beeldvorming over het functioneren van ouderen cruciaal. Ook hij was erop tegen dat bij reorganisaties ouderen het eerst worden ontslagen. Hij kondigde daarom aan binnenkort binnen de Stichting van de Arbeid het punt van de individuele afvloeiingsregelingen via de kantonrechter aan de orde te stellen.

MHP-bestuurder W. Muller
vond dat er in het advies geen woord te veel stond, maar soms wel woorden te weinig. Zo vond hij demotie wel bespreekbaar, als het maar op vrijwillige basis gebeurt. De omzetting van VUT-regelingen in flexibele pensioenregelingen (FPU) vond hij nuttig en nodig, maar de overheid mag de FPU niet zó onaantrekkelijk maken dat mensen gedwongen worden om door te werken. Hij stelde voor het mogelijk te maken bedrijfsspaarregelingen in te zetten voor FPU.

Het kroonlid prof. A. Kolnaar was per saldo positief over het advies. Wel plaatsate hij enkele kritische kanttekeningen onder meer ten aanzien van de arbeidskostenpositie van ouderen en de fiscale faciliëring van bestaande VUT-regelingen.

Het kroonlid prof. K. Goudswaard zag het advies als een nuttige eerste stap in de goede richting. Het gaat om een cultuuromslag èn om concrete beleidsmaatregelen. Omdat het advies weinig aandacht besteedt aan de WAO-problematiek, stelde hij voor dit wel te doen in het komende advies over het sociaal-economisch beleid op de middellange termijn.

Het kroonlid mevrouw prof. I. Asscher-Vonk constateerde dat er een ontwikkeling gaande is waarbij mensen vaker tijdens hun loopbaan een rustperiode nemen in plaats van alleen aan het einde ervan, een soort "patchwork biography" dus. Ze vond het faciliëren van tussentijdse onderbrekingen hard nodig, want daardoor kunnen mensen langer doorwerken. Verder pleitte ze voor een uitbreiding van de werkingssfeer van het wettelijk verbod op leeftijdsdiscriminatie naar werving en selectie en naar ontslag.

CPB-directeur H. Don
noemde het advies een belangrijke stap, want nu worden eerdere pleidooien van de raad geconcretiseerd in aanbevelingen. Hij vond het essentieel dat mensen direct zelf worden geconfronteerd met de werkelijke kosten van vervroegd uittreden. Hij rekende voor dat uittreden met 64 jaar al leidt tot een 9 procentpunt lager pensioen.

MKB-voorzitter J. de Boer
, die sprak namens alle werkgeversorganisaties, was verheugd dat uit onderzoeken blijkt dat meer dan de helft van de Nederlanders vindt dat mensen langer moeten blijven werken. Opmerkelijk daarbij was wel dat men dat vooral van anderen vindt; als het gaat om henzelf zijn er maar weinig mensen die willen blijven doorwerken. Hij was vóór een verdergaande sectorale premiedifferentiatie van de WW, maar tegen premiedifferentiatie op ondernemingsniveau. Kamerleden die hier voor zijn, verontachtzamen systematisch dat werkloosheidsrisicos bij uitstek afhankelijke risicos zijn, veelal samenhangend met conjunctuurschommelingen, aldus De Boer.

Het kroonlid prof. F. Leijnse
, tevens voorzitter van de werkgroep die het advies had voorbereid, ging in op de kritiek van minister Jorritsma van Economische Zaken bij wie het SER-advies als een graat in de keel was blijven steken, omdat het alleen de bevordering van de arbeidsparticipatie van 60-minners zou voorstaan. Leijnse zei dat dit niet klopt: het SER-advies vindt dat de arbeidsparticipatie van de 55- tot 60-jarigen op hetzelfde niveau moet komen als die van de jongeren. Vanaf 60 jaar moeten mensen zelf op grond van hun eigen voorkeuren besluiten over geheel of gedeeltelijk uittreden. De financiële gevolgen daarvan moeten ze zelf dragen. De situatie is voor iedereen anders. Leijnse: "Boven de 60 jaar valt dus echt niet het doek, dat kan zelfs boven de 65 jaar gebeuren. Wij gaan hiermee verder dan het kabinet."

Deel: ' Verslag raadsvergadering SER 17 december 1999 '




Lees ook