Tweede Kamer der Staten Generaal


26881000.004 verslag tijdelijke wet beperking omvang varkenshouderij
Gemaakt: 29-12-1999 tijd: 13:16


26 881 Tijdelijke regels ter beperking van het aantal varkens dat op een bedrijf mag worden gehouden (Tijdelijke wet beperking omvang varkenshouderij) nr. 4
VERSLAG Vastgesteld 23 december 1999 De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij *), belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid. § 1. Achtergrond De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij zijn het eens met de constatering dat de tot dusverre gedane rechterlijke uitspraken niet de formele verbindendheid van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) raken. Door de rechterlijke uitspraken is het instrument om productieplafonds te handhaven weggevallen. De aan het woord zijnde leden stemmen eveneens in met de beslissing van de regering om middels de voorliggende, tijdelijke wet productieplafonds in te stellen om op die manier mogelijke uitbreiding van de varkensstapel, ook op de middellange termijn, te remmen. De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat zij in eerdere debatten ook voor een dergelijke oplossing hebben gepleit. Deze leden vragen de regering waarom zij niet eerder met dit wetsvoorstel gekomen zijn. Uit de memorie van toelichting concluderen zij dat de regering eerst een andere, doodlopende weg is ingeslagen van de Tijdelijke wet varkensrechten, waarbij de kortingen vanuit de Whv zouden worden uitgesteld. Waarom heeft de regering niet tegelijkertijd twee wetsvoorstellen voorbereid, om in de loop van het wetgevingsproces de meest kansrijke wet voor te leggen aan de Kamer? Nu ontvangt de Kamer pas op 10 november 1999 een wetsvoorstel, terwijl de rechterlijke uitspraak dateert van 26 februari 1999. De leden van de PvdA-fractie zijn het met de regering eens dat het essentieel is en blijft dat de overheid in de overgang naar een nieuw systeem beschikt over onderdelen van de Whv. Bovendien steunen de leden van de fractie van de PvdA de regering in haar streven naar een principiële uitspraak van de rechter inzake de juridische toelaatbaarheid van de hoofdstukken II tot en met IV van de Whv. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Met gemengde gevoelens hebben de leden van de CDA-fractie kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze gevoelens worden door met name een tweetal redenen veroorzaakt. Deze leden beoordelen een nieuw wetsvoorstel onder andere op nut en noodzaak. Hiervan zijn zij in dit geval niet overtuigd. Daarnaast zijn zij verbaasd over de gekozen juridische basis van de voorliggende, tijdelijke wet. De noodzaak van de onderhavige wet ontgaat deze leden, aangezien zij ervan overtuigd zijn dat er in de praktijk nauwelijks tot geen uitbreiding zal plaatsvinden. Zo stelt de memorie van toelichting terecht, in de ogen van de leden van de CDA-fractie, dat allerlei bepalingen grote uitbreidingen belemmeren: milieuvergunningen, bestemmingsplannen, bouwvergunningen, streekplannen, en dergelijke. Bovendien zullen zeer weinig financiers bereid zijn leningen te verstrekken voor de aankoop van tijdelijke varkensrechten. Daarnaast zal na enige jaren weer extra geïnvesteerd moet worden in mestafzetcontracten waarvan de kosten nu niet te voorzien zijn. Het eigen vermogen van varkenshouders is de laatste jaren dusdanig verslechterd, dat extra
investeringsverplichtingen slechts voor zeer weinigen draagbaar zullen zijn. Deze leden stellen de regering de vraag of al deze extra energie, gebruik van financiële middelen en belasting van het ambtelijke apparaat een dergelijke, tijdelijke wet met deze juridische basis rechtvaardigt ter voorkoming van een kleine potentiële uitbreiding van de varkensstapel. De leden van de D66-fractie heeft met instemming kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Dit hoeft geen verwondering te wekken, aangezien de gedachte dat de omvang van de varkenshouderij een punt heeft bereikt dat de draagkracht van ons land te boven gaat al langer gemeengoed bij de leden van de D66-fractie is. De achtereenvolgende kabinetten hebben de leden van deze fractie altijd aan hun zijde gevonden als het ging om het streven de verdere groei van de varkenshouderij een halt toe te roepen en / of om te keren. Hieraan kwam een einde toen de leden van de fractie van D66 als enige vasthielden aan een inkrimping van 25% via de Whv. Ook nu hadden deze leden graag gezien dat de genoemde wet in haar oervorm zou zijn aangenomen, maar dat is echter niet gebeurd. De leden van de fractie van D66 vragen de regering of de intrinsiek gevoelde noodzaak tot voortgang met de inkrimping van de varkensstapel een direct resultaat is van de Brusselse wetgeving die geen uitstel duldt. De leden van de RPF- en de GPV-fracties hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang dat hangende de gerechtelijke procedures tijdelijke maatregelen worden genomen ter voorkoming van ongewenste uitbreiding van de varkensstapel. Door deze regeling kan de productie worden verhoogd tot het oorspronkelijke productieniveau vóór de periode van de generieke korting. De aan het woord zijnde leden zijn verheugd over het feit dat de afgenomen productierechten worden teruggeven aan de eigenaren van deze rechten. Zij stellen dat deze rechten niet afgenomen hadden mogen worden zonder regeling van een adequate schadevergoeding voor de eigenaren van de productierechten. De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting. Deze leden vinden het vanzelfsprekend dat de regering gevolg geeft aan de rechterlijke uitspraken. Aan het gekozen instrumentarium kleven naar het oordeel van deze leden echter wel enkele risico's waarover zij in de memorie van toelichting enkele passages hadden verwacht. Deze leden vinden de toonzetting van de memorie van toelichting te positief. De regering geeft er in hun ogen te weinig rekenschap van dat definitieve rechterlijke uitspraken gedaan zullen worden in de geest van de reeds gedane uitspraken. Dit optimisme heeft in de ogen van de leden van de SGP-fractie ook de keuze voor het instrument bepaald, waarmee de regering gevolg wil geven aan de rechterlijke uitspraken. Deze leden zouden het verstandiger hebben gevonden, als de regering de route van opkoop had geïntensiveerd en de weg van schadeloosstelling was ingeslagen. In hun ogen zou daarmee het herstructureringsproces werkelijk een kans hebben gekregen. De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden begrijpen nog steeds niet waarom de regering geen adequate vergoeding in het vooruitzicht heeft gesteld aan de boeren die door invoering van de Whv schade zouden lijden. In hun ogen was veel ellende de varkensboeren in dat geval bespaard gebleven. Zij stellen dat in dat geval de milieudoelstelling van de wet gehaald zou zijn en dat in samenwerking met de sector ook andere doelstellingen van de wet, zoals IKB, veel beter van de grond gekomen zouden zijn. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat door een adequate vergoeding de Whv alsnog in werking kan treden met alle positieve gevolgen die de wet beoogt. De leden betreuren de situatie die nu is ontstaan, waarin de sector en de regering met de rug naar elkaar toe staan. Hoewel de leden van de SP-fractie de ingeslagen weg betreuren kunnen de leden instemmen met het doel van het wetsvoorstel om de omvang van de varkenshouderij te beperken. § 2. Betekenis van de rechterlijke uitspraken De regering neemt het stelsel van varkensrecht, zoals neergelegd in de Whv, als onderbouwing van de tijdelijke wet. Zij wijst op het feit dat nog geen eindvonnis is gewezen met betrekking tot de Whv. De leden van de CDA-fractie betwijfelen of dit de meest verstandige keuze is geweest. Zij vragen de regering wat de onderliggende redenen hiervoor zijn geweest. Indien de hoogste rechterlijke instantie de Staat in het ongelijk stelt en de Whv formeel onverbindend wordt verklaard zijn de consequenties, in de ogen van de aan het woord zijnde leden, niet gering. Zij vragen de regering in te gaan op dit aspect. De leden van de fractie van D66 merken op dat tot tweemaal toe via rechterlijke uitspraken aan de vorm van de wet is getornd. Zij zien de eerste rechterlijke uitspraak min of meer als een uitspraak die stelt dat de wet te rigoureus is en te ver gaat. De tweede rechterlijke uitspraak interpreteert zij als een aanmerking op de traagheid van de maatregelen en de fermheid van het beleid. Deze leden vragen de regering hoe deze twee uitspraken zich in haar ogen tot elkaar verhouden. Zij zijn van mening dat bij beide uitspraken het primaat van de politiek in geding is. Tevens wordt adequaat en slagvaardig handelen belemmerd. Een juridisch geschil moet immers worden beslecht en zoiets kost tijd. De leden van de D66-fractie vragen de regering de stand van zaken van de diverse juridische procedures, inclusief tijdsschema, uiteen te zetten en toe te lichten. De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering met het wetsvoorstel gevolg wil geven aan rechterlijke uitspraken van 23 december 1998, 23 februari 1999 en 10 juni 1999. In die uitspraken heeft de rechter een en andermaal geoordeeld, dat de inkrimping van de varkensstapel door middel van een generieke korting in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zolang die korting niet vergezeld gaat van een schadevergoedingregeling. De aan het woord zijnde leden kunnen die rechterlijke uitspraken goed begrijpen. Ook zij hebben tijdens de parlementaire behandeling van de Whv meerdere malen gewezen op het risico dat de regering zou nemen bij het onverkort doorvoeren van deze wet. Deze leden verwijten de regering nog steeds de positie te betrekken, dat een generieke korting zonder schadevergoeding niet strijdig is met elementaire rechtsbeginselen. In alle stadia van de behandeling van de Whv is de regering tegengeworpen dat een schadevergoeding in de gekozen systematiek onontkoombaar is. Zonder de regering het gebruik van de haar ter beschikking staande juridische instrumenten te willen ontzeggen, stellen de leden van de SGP-fractie dat de regering een duidelijke politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het verwerkelijken van de Whv-doelstellingen. In dat opzicht concluderen deze leden dat de juridische procedures tot nu toe een ernstige belemmering zijn geweest voor de totstandkoming van een werkelijk proces van herstructurering in de varkenshouderij. Daarop spreken zij de regering aan. De leden van de SGP-fractie vragen de regering in hoeverre het tot nu toe falen van het Whv-instrumentarium voor de Europese Commissie (EC) reden kan zijn om andere maatregelen die getroffen zijn of worden ter voldoening aan de Nitraatrichtlijn extra kritisch te bezien? Verwacht de regering dat in het oordeel van de EC rekening gehouden kan worden met de mogelijkheid dat de Whv structureel buiten toepassing zal blijven, wanneer een definitieve rechterlijke uitspraak daartoe aanleiding geeft? Kan de regering beantwoorden hoe in dat licht de EC de afgedwongen tijdelijke verhoging van het varkensrecht beoordeelt? Denkt de regering dat de tot nu toe gebleken zwakke juridische positie van de Nederlandse Staat ten aanzien van de Whv-procedures er wellicht toe zal leiden dat Nederland op andere punten van het maatregelenpakket tot nog stringentere maatregelen gedwongen wordt? Welke gevolgen kan een en ander bijvoorbeeld hebben voor het derogatieverzoek betreffende de normen van het stelsel van mineralenheffingen van de Meststoffenwet (MINAS) voor grasland? Het voorliggende wetsvoorstel is het gevolg van een reeks van juridische procedures. Uit de uitspraak van de rechtbank te `s-Gravenhage van 24 november 1999, hoewel bedoelde uitspraak niet rechtstreeks samenhangt met de invoering van de Whv, blijkt dat de regering de juridische strijd in het mestdossier op meerdere fronten heeft te voeren. De leden van de SGP-fractie zouden, gelet op de hoeveelheid rechterlijke uitspraken aangaande de Whv, graag een aantal zaken systematisch inzichtelijk gemaakt willen zien. Welke procedures zijn er in het kader van de invoering van de Whv inmiddels gevoerd? Door wie zijn deze aangespannen? Welke rechterlijke instanties hebben uitspraak gedaan en wanneer? Welke uitspraken zijn er in de afzonderlijke gedingen gedaan? Welke rechtsmiddelen zijn er tegen de afzonderlijke uitspraken ingezet? Welke procedures zijn op dit moment nog aanhangig? Welke rechtsmiddelen staan in welke procedure nog open? Met welke afhandelingstermijnen moet rekening gehouden worden wanneer alle mogelijke rechtsmiddelen ook daadwerkelijk benut worden? De aan het woord zijnde leden vragen in het licht van het bovenstaande welke gevolgen verbonden zullen zijn aan de reële mogelijkheid dat de voorliggende rechterlijke uitspraken in stand gehouden zullen worden. Krijgt het onderhavige wetsvoorstel dan een structureel karakter? Zo ja, op welke manier wil de regering dan nog een geloofwaardig herstructureringsbeleid voeren? De leden van de SP-fractie hadden liever gezien dat een rechterlijke uitspraak was voorkomen door een warme sanering van de varkenssector. Nu dat niet het geval is, kunnen deze leden begrijpen dat de regering in het ongelijk is gesteld. Volgens deze leden is er door de Whv veel schade aangericht in de sector. Zij vragen de regering hoeveel boeren hun bedrijf hebben moeten sluiten vanwege de in het vooruitzicht gestelde korting? Verwacht de regering nog schadeclaims als gevolg van die bedrijfsbeëindigingen? Hoeveel varkenshouders waren er vóór de inwerkingtreding van de Whv en hoeveel zijn dat er nu? Hoeveel varkens waren er voor de rechterlijke uitspraak en hoeveel zijn dat er nu? Toont de rechterlijke uitspraak niet aan dat bij de Whv sprake is van onzorgvuldige en onevenwichtige wetgeving omdat te weinig rekening is gehouden met de belangen van de varkensboeren? § 3. Doel en strekking van het wetsvoorstel Middels voorliggend wetsvoorstel wordt tijdelijk de productieruimte vergroot. Hierbij gaat het niet alleen om de per 1 september 1998 doorgevoerde korting van
10%, maar eveneens om de op die datum vervallen latente productieruimte. De leden van de PvdA-fractie zijn het eens met het toestaan van de verhandelbaarheid van de tijdelijke productieruimte. Zij vragen de regering in hoeverre voorliggende wet de niet-verhandelbaarheid van de latente productieruimte kan regelen en welke instrumenten hiervoor ter beschikking zijn. De aan het woord zijnde leden vragen de regering of alle geactiveerde knelgevallenregelingen van toepassing blijven. Zij vragen dit, met het oog op het tijdelijke karakter van het onderhavige wetsvoorstel en de uitgesproken wens van de regering om zonder overgangsproblemen terug te kunnen vallen op de Whv en de daarop gebaseerde uitvoeringsmaatregelen. De leden van de VVD-fractie begrijpen uit de memorie van toelichting dat in artikel 2 van het voorliggende wetsvoorstel een uitbreidingsverbod wordt geformuleerd dat voorzien is van eigenstandige strafrechtelijke handhavingmechanismen via de Wet op de economische delicten. Hierdoor kan het nieuwe verbod niet met terugwerkende kracht worden gehandhaafd. Gevolg hiervan is dat het in de Whv gedefinieerde plafond wordt verruimd, door middel van het teruggeven van de reeds doorgevoerde 10%-korting en de zogenoemde latente ruimte. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het plafond echter niet nog hoger komt te liggen. Zij verwijzen hierbij naar hetgeen dat op pagina 7 van de memorie van toelichting gesteld wordt, waar sprake is van een reëel risico van grootschalige uitbreiding of nieuwvestiging van varkenshouderijen. De aan het woord zijnde leden vragen de regering hoe de omvang wordt vastgesteld van de productierechten van varkenshouders die in de periode tussen de rechterlijke uitspraken en de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (fors) hebben uitgebreid binnen de grenzen van hun milieuvergunning, zonder de aankoop van varkensrechten. Moeten er voor deze ondernemers nieuwe referentiedata worden vastgesteld? Is het mogelijk dat varkenshouders die op korte termijn inwerkingtreding van dit wetsvoorstel voorzien snel extra varkens opleggen en worden deze aantallen dan na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel alsnog gehonoreerd? De leden van de VVD-fractie wijzen in dit verband op het begrip eerbiedigende werking. De aan het woord zijnde leden vragen de regering hoe om zal worden gegaan met de latente ruimte en de korting van ondernemers die inmiddels hun bedrijf hebben beëindigd. Krijgen ook deze ondernemers er weer rechten bij? Zo ja, welke artikelen van het wetsvoorstel voorzien daar dan in? Deze leden vragen de regering eveneens wat het voorliggende wetsvoorstel verandert voor ondernemers die rechten hebben verkocht of aangekocht. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om een toelichting met betrekking tot de afroming bij verhandeling van varkensrechten. De leden van de CDA-fractie wijzen op het feit dat veel ondernemers reeds zijn gestopt, al dan niet op vrijwillige basis. Zij zullen het als bijzonder wrang ervaren dat rechten die gekort waren (tijdelijk) in ere hersteld worden. Deze leden vragen de regering wat voor gevolgen hieruit voort kunnen vloeien. De kortingssystematiek die door de toenmalige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) is doorgevoerd, heeft geresulteerd in een groot aantal knelgevallen. Deze leden spreken de vrees uit dat door de restauratie van de oorspronkelijke rechten wederom een aantal ondernemers als knelgevallen aangemerkt kunnen worden. Welke voorzieningen zijn of worden hiervoor getroffen? In de memorie van toelichting wordt gesteld dat alleen nog moet worden voorzien in de instrumenten voor handhaving. Toezichthoudende ambtenaren en de wijze waarop de administratie moet worden verantwoord worden als voorbeelden genoemd. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat extra financiële lasten onvermijdelijk zijn en dat tevens niet duidelijk is wie deze lasten zal gaan dragen. Zij vragen de regering om een toelichting, gezien de summiere opsomming in de memorie van toelichting. De noodzaak bestaat om tot een productieplafond voor het aantal te houden varkens op een bedrijf te komen. Het aangekondigde regeringsvoornemen tot introductie van een stelsel van mestafzetcontracten om op die manier tot implementatie van de Nitraatrichtlijn te komen maakt het noodzakelijk om per bedrijf de omvang van de toegestane veestapel te reguleren. De leden van de fractie van D66 wijzen de regering hierop dat hieruit de verplichting ten aanzien van de mestafzetcontracten voortvloeit. De leden van de fractie van D66 delen de zienswijze van de regering dat de, tijdelijke, toegestane extra benutting die onder de latente ruimte valt niet verhandelbaar is. De leden van de fracties van de RPF en het GPV stemmen in met de doelstelling van het voorliggende wetsvoorstel. Ze hebben echter wel enkele vragen. In welke mate zal de tijdelijke verruiming een toename in mest veroorzaken? In welke mate heeft het tijdelijk terugdraaien van de
10%-korting en het laten vervallen van de latente ruimte gevolgen voor de doelstelling die is verwoord in de Nitraatrichtlijn? De leden van de fracties van de RPF en GPV constateren met vreugde dat de tijdelijke productieruimte die ontstaat als gevolg van de teruggave van de productierechten van de generieke korting door de regering weer verhandelbaar is gemaakt. De leden van de RPF- en de GPV-fractie vragen de regering of de tijdelijke productierechten die verband houden met de latente ruimte niet op dezelfde manier benaderd moeten worden als die rechten die verband houden met de 10%-korting. De aan het woord zijnde leden vragen de regering of zij voornemens is om varkenshouders schadeloos te stellen die door de verruiming met overcapaciteit komen te zitten doordat ze in het verleden de korting van 10% elders hebben opgekocht? Zo ja, zal deze schadeloosstellingsbedrag gelijk zijn aan het bedrag dat de betreffende varkenshouders toentertijd voor de verworven rechten hebben betaald? § 4. Juridische aspecten De leden van de VVD-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van de veelvuldige verwijzingen naar de Whv in dit wetsvoorstel. Kan de regering aangeven wat de mogelijke juridische consequenties hiervan zijn, met het oog op de mogelijkheid dat de Staat in de bodemprocedure uiteindelijk in het ongelijk zal worden gesteld. Is het mogelijk dat in dat geval wederom een lacune ontstaat, waarin geen effectief productieplafond in de varkenshouderij gehandhaafd kan worden? De leden van de CDA-fractie vragen de regering of er opnieuw juridische procedures opgestart zullen worden, met het oog op het gegeven dat geen rekening gehouden wordt met enige vorm van terugwerkende kracht. De leden van de D66-fractie stemmen in met het in paragraaf vier gestelde en achten dit een consistente redenering. Zij verwachten dat de regering bij plenaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel dit in breder verband zal bezien en adstrueren. De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat de regering vasthoudt aan het standpunt dat de generieke inperking van mestproductierechten of varkensrechten niet moet worden gezien als ontneming van eigendom maar als regeling van het gebruik van eigendom. Ondernemers hebben gedurende een periode geen gebruik kunnen maken van een deel van hun productierechten. Deze leden vragen de regering of zij voornemens de Whv, wanneer deze uiteindelijk juridisch in stand zal blijven, ook toe te gaan passen naast het nieuwe voorgestelde mestbeleid? Of is de regering voornemens in die situatie voor een van de twee beleidsopties te kiezen? De leden van de SGP-fractie spreken hun verbazing uit over het gemak waarmee de regering in weerwil van de gewezen vonnissen persisteert bij haar opvatting over de relatie van de Whv met het eigendomsbegrip van het EVRM. Deze houding doet naar de mening van deze leden niet alleen onrecht aan de geweldige implicaties van de Whv op bedrijfsniveau, maar ontkent ook de enorme gevolgen, niet in het minst in financiële zin, die een definitieve rechterlijke uitspraak in lijn met de reeds gewezen vonnissen met zich mee zal brengen. Een dergelijke uitkomst van de juridische strijd over de Whv zal naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie niet alleen gevolgen hebben voor dan nog bestaande bedrijven, maar zeker ook terugslaan op reeds beëindigde ondernemingen. Deelt de regering deze zienswijze? § 5. Relatie met het nieuwe mestbeleid De leden van de SGP-fractie vragen de regering of zij met de keuze voor het voorliggende instrumentarium niet het risico neemt dat de noodzakelijke terugdringing van de fosfaatproductie pas in een heel laat stadium geëffectueerd kan worden, namelijk bij de introductie van het stelsel van mestafzetcontracten? Brengt een en ander niet met zich dat de forse sanering van de veehouderij, die ten gevolge van het systeem van mestafzetcontracten toch al voorzien is, alleen maar grotere en daarmee meer desastreuze vormen zal aannemen? In de ogen van de aan het woord zijnde leden zijn er niet alleen problemen te voorzien in het geval wanneer de Nederlandse Staat definitief in het ongelijk gesteld wordt, maar ook in de situatie dat de Whv weer volledig van kracht zal kunnen zijn. Immers, in dat geval zal de varkenshouderij in nog veel kortere tijd moeten inkrimpen dan nu reeds voorzien is. Het is deze leden weliswaar niet ontgaan dat het wetsvoorstel de mogelijkheid in zich heeft om een zekere temporisering aan te brengen in de inkrimping, maar dit laat onverlet dat het oorspronkelijke tijdpad dat voor inkrimping voorzien was (waarmee deze leden los van hun bedenkingen tegen de wijze van inkrimping zelve al moeite hadden) versneld zal moeten worden uitgevoerd. Deelt de regering de zorgen die de leden van de SGP-fractie hierover hebben? Zal de varkenshouderij door een mogelijk versnelde inkrimping juist niet in een nog slechter economische positie terechtkomen? Dient dit het proces van herstructurering? De regering benadrukt, in verband met de relatie tussen de Whv en het voorgenomen mestbeleid, dat het noodzakelijk is dat naast het stelsel van mestafzetcontracten het systeem van varkens-, pluimvee- en mestproductierechten tot 2005 gehandhaafd blijft. De drie daarvoor genoemde redenen roepen elk afzonderlijk nog vragen op bij de leden van de SGP-fractie. Ten eerste draagt de regering aan dat het stelsel van mestafzetcontracten zich nog moet bewijzen. Daarmee lijkt ook de regering niet zeker van de effectiviteit van de mestafzetcontracten in de door haar voorgestane structuur. Ten aanzien van welke punten van het systeem heeft de regering nog aarzelingen? Betekent dit dat het systeem van mestafzetcontracten eigenlijk nog onvoldoende is uitgekristalliseerd om op dit moment levensvatbaar verklaard te kunnen worden? In de tweede plaats noemt de regering het behoud van de gerealiseerde reducties. De leden van de SGP-fractie vragen de regering op welke manier onder het systeem van mestafzetcontracten gerealiseerde winsten zullen kunnen verdampen. Welke mazen vertoont dit systeem in dit opzicht dan nog? Acht de regering het systeem van mestafzetcontracten minder waterdicht dan zij tot nu toe heeft doen vermoeden? Als derde stelt de regering dat het vrijgeven van dierplafonds bij de introductie van de mestafzetcontracten zou leiden tot onbeheersbare situaties. Deze leden vragen of een beperking van het aantal te houden dieren niet inherent aan het systeem is, zeker gelet op de begeleidende aanscherping van de mineralennormstellingen? In welk opzicht ziet de regering het tegelijkertijd afschaffen van dierplafonds en de introductie van de mestafzetcontracten uitlopen op onbeheersbare situaties? § 6. Hoogte en verhandelbaarheid van het tijdelijke dierplafond Een nieuw element in verband met het uitbreidingsverbod en het dierplafond is de eigenstandige strafrechtelijke handhaving van dit uitbreidingsverbod via de Wet op de economische delicten. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of het uitbreidingsverbod voldoende is verankerd via voornoemde wet. Bestaan er nog andere juridische mogelijkheden? Welke extra controlelast betekent de eigenstandige strafrechterlijke handhaving voor de Algemene Inspectiedienst (AID) en op welke wijze zal controle plaatsvinden? De toedeling van de tijdelijke productierechten maakt geen onderdeel uit van het uit de Whv voortvloeiende varkensrecht. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering deze loskoppeling in juridische zin te verduidelijken. Hebben deze leden het juist dat de schriftelijke kennisgeving van het Bureau Heffingen voor zowel de vervreemder als de verkrijger van het varkensrecht het document is van waaruit een transactie kan worden overgeschreven? In de memorie van toelichting wordt op pagina 11 gesteld dat de tijdelijke regeling komt te vervallen op het moment dat de Whv weer kan worden toegepast en gehandhaafd. De leden van de RPF- en GPV-fracties vragen de regering of wanneer dit niet het geval zal zijn, de tijdelijke maatregel dan een structureel karakter zal krijgen? Kan de regering op dit moment inschatten op welk moment de tijdelijke maatregel komt te vervallen? Wat sterkt de regering in de gedachte dat de Whv weer kan worden toegepast? De leden van de SGP-fractie zetten vraagtekens bij de veronderstelling van de regering dat het voorliggende wetsvoorstel voorziet in een herstel van de situatie van voor 1 september 1998. Herstel van die situatie houdt in de ogen van deze leden niet alleen in dat de omvang van de varkensrechten weer op het oorspronkelijke niveau wordt teruggebracht, maar ook dat de daarbij behorende mobiliteit weer volledig wordt hersteld. In de voorgestelde maatregel ontbreekt het naar hun overtuiging aan dat laatste. Zo wijzen deze leden op het verschil in behandeling van de terug te geven gekorte rechten en de latente ruimte. Voor wat betreft de gekorte rechten heeft de regering gevolg gegeven aan het advies van de Raad van State, maar ten aanzien van de latente ruimte heeft de regering een andere afweging gemaakt. De regering veronderstelt het niet wenselijk dat verhandelbaarheid van de latente ruimte zal kunnen leiden tot ongewenste uitbreiding van de mestproductie. Naar oordeel van de leden van de SGP-fractie gaat deze redenering alleen op wanneer de latente ruimte, bijvoorbeeld wegens beperkingen van de milieuvergunning, niet op het eigen bedrijf kan worden gebruikt. Zij nemen aan dat de teruggegeven latente ruimte wel kan worden ingevuld op het eigen bedrijf. Verwacht de regering dat dit ook werkelijk zal gebeuren? De leden van de SGP-fractie menen dat met het verbod op de handel in latente ruimte de situatie kan ontstaan dat individuele ondernemers helemaal niets met deze rechten kunnen. De teruggave hiervan lijkt dan ook voor een deel op een cosmetische ingreep, die de werkelijke situatie van voor 1 september 1998 niet volledig herstelt en slechts virtuele rechten creëert. Deze leden vragen de regering of het ook voor die tijd niet mogelijk was om de latente ruimte te vervreemden? Is de regering van mening dat met de voorgestelde maatregel ten volle de eerder gememoreerde rechterlijke uitspraken worden uitgevoerd? De rechter heeft immers bepaald dat ook voor het vervallen van de latente ruimte een schadevergoeding moet worden toegekend. Wordt het rechterlijke oordeel dat ook latente rechten een economische waarde vertegenwoordigen, welk oordeel de leden van de SGP-fractie onderschrijven, door het verbieden van de mogelijkheid van vervreemding niet genegeerd? Deze worden immers waardeloos voor diegenen die op het eigen bedrijf geen ruimte hebben om gebruik te maken van de latente rechten. Bovendien is het de aan het woord zijnde leden niet duidelijk welke status de latente rechten zullen krijgen, indien de Whv blijvend buiten toepassing zal blijven. Zal de positie van deze rechten dan weer veranderen ten opzichte het regime in het voorliggende wetsvoorstel? Wat wordt dan de situatie ten aanzien van de verhandelbaarheid van de latente rechten? De leden van de SGP-fractie betwijfelen of het voorliggende wetsvoorstel de situatie van vóór de inwerkingtreding van de Whv recht wordt aangedaan. De teruggegeven rechten zullen in hun ogen nagenoeg immobiel zijn. De mogelijkheid dat deze rechten in de toekomst zonder meer kunnen vervallen, zal de animo voor deze rechten bij derden bepaald niet aanwakkeren. Al met al komt het de leden van de SGP-fractie voor dat de reparatiewetgeving op papier meer lijkt, dan ze in werkelijkheid zal blijken in te houden. § 7. Controle en handhaving De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat het gebruik van mestafzetcontracten als sturingsinstrument op zichzelf voldoende zou moeten kunnen functioneren. De noodzaak van een extra slot via de instandhouding van de dierplafonds en de mestproductierechten moet volgens deze leden voldoende aangetoond zijn. Deze aantoonbare noodzaak vormt de ondersteuning van het instandhouden van een dubbel sturingsinstrumentarium, dat zowel in het kader van handhaving en controle als in verband met de administratie op bedrijfsniveau een extra inspanning vraagt. In het licht hiervan gaan zij er vanuit dat de regering in haar beantwoording uitgebreid op deze vragen zal ingaan. § 8. De tweede generieke korting De invoering van de tweede generieke korting van 10% is uitgesteld tot een nader te bepalen datum in de periode 2000 tot en met 2002. De invoering van het
5% veevoederdeel zal op 1 januari 2000 plaatsvinden. Beiden zijn afhankelijk van juridische procedures. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre terugwerkende kracht op de invoering van beide onderdelen van toepassing kan en zal zijn. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen de regering wat de gevolgen zijn van de tijdelijke maatregel van het voorliggende wetsvoorstel op de hoogte van de tweede generieke korting van het 10%-deel. De voorzitter van de commissie, Ter Veer De griffier voor dit verslag, Kroes 1) Samenstelling: Leden Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter Swildens-Rozendaal (PvdA) Ter Veer (D66), voorzitter Witteveen-Hevinga (PvdA) Feenstra (PvdA) Poppe (SP) Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) Duivesteijn (PvdA) Stellingwerf (RPF) M.B. Vos (GL) Augusteijn-Esser (D66) Klein Molekamp (VVD) Passtoors (VVD) Eisses-Timmerman (CDA) Th.A.M. Meijer (CDA) Hermann (GroenLinks) Geluk (VVD) Schreijer-Pierik (CDA) Atsma (CDA) Oplaat (VVD) Schoenmakers (PvdA) Waalkens (PvdA) Udo (VVD) Herrebrugh (PvdA) Snijder-Hazelhoff (VVD) Plv. leden Van Vliet (D66) Van Zuijlen (PvdA) Ravestein (D66) Zijlstra (PvdA) Albayrak (PvdA) Kant (SP) Mosterd (CDA) Bos (PvdA) Van Middelkoop (GPV) Van der Steenhoven (GL) Scheltema-de Nie (D66) Verbugt (VVD) Cornielje (VVD) Buijs (CDA) Rietkerk (CDA) Karimi (GL) Kamp (VVD) Reitsma (CDA) Van Wijmen (CDA) Patijn (VVD) Dijksma (PvdA) Belinfante (PvdA) O.P.G. Vos (VVD) De Boer (PvdA) Te Veldhuis (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Verslag tijdelijke wet beperking omvang varkenshouderij '




Lees ook