Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 4


2513 AA Den Haag

Directie Multilaterale Ontwikkelingsfinanciering en Macro-economische aangelegenheden

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 11 juni 1999
Kenmerk DMO/DAC-46/99
Blad /1
Bijlage(n) 2
Betreft Verslag DAC High Level Meeting van 11-12 mei 1999

Hierbij heb ik het genoegen u het verslag te zenden van de High Level Meeting van het Development Assistance Committee van de OESO (DAC/HLM), die op 11-12 mei 1999 te Parijs plaats had.

Tevens is de persverklaring van de voorzitter van de DAC/HLM over de bijeenkomst bijgevoegd.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

Verslag van de DAC High Level Meeting van 11-12 mei 1999

Op 11-12 mei 1999 vond te Parijs de 37e High Level Meeting van het Development Assistance Committee van de OESO (DAC/HLM) plaats. Op de agenda stonden een concept-aanbeveling om de ontwikkelingshulp aan de minst ontwikkelde landen te ontbinden, de voortgang m.b.t. de implementatie van de DAC strategie "Shaping the 21st Century", en een rapport over coherentie van beleid t.a.v. handel, investeringen en ontwikkeling. Onderstaand volgt het verslag van deze bijeenkomst. Tevens is het perscommuniqué van de voorzitter bijgevoegd.

Concept-aanbeveling tot ontbinding van de ontwikkelingshulp aan de minst ontwikkelde landen

Tijdens de DAC/HLM van vorig jaar is uitvoerig gesproken over de wenselijkheid de ontwikkelingshulp aan de minst ontwikkelde landen (MOL's) te ontbinden. Aangezien een ruime meerderheid voorstander bleek van ontbinding, zij het onder voorwaarden, verstrekte de DAC/HLM een precies mandaat voor het opstellen van een aanbeveling terzake.

Gedurende intensieve onderhandelingen op technisch niveau het afgelopen jaar bleek, dat er goede voortgang kon worden gemaakt met ontbinding van betalingsbalanssteun, sectorsteun, investeringsprojekten, import- en goederensteun, en verlening commerciële diensten. De volgende punten bleken controversieel:


1. Ontbinding van de technische hulp (TH). Bij deze hulpvorm wordt onderscheid gemaakt tussen technische hulp in het kader van een investeringsproject en de niet aan een project of programma gerelateerde technische samenwerking ten behoeve van kennisontwikkeling en capaciteitsopbouw. Frankrijk en Japan beschouwen het nationale karakter als een wezenlijk bestanddeel van hun technische hulp en daarmee van hun buitenlands beleid. De meeste andere landen willen in elk geval de ter voorbereiding van investeringsprojecten verleende TH ontbinden.


2. Voedselhulp. Een aantal landen waaronder de V.S. is tegen ontbinding, waarbij gerefereerd wordt aan de specifieke relatie met de landbouw- en de handelspolitiek en naar de behandeling van voedselhulp in andere fora zoals Food Aid Convention en WTO. Voor de V.S. geldt dat ontbinding van de voedselhulp ten koste gaat van de omvang van de ODA.


3. Relatie met ODA-performance (level playing field). Denemarken vindt, dat voor DAC-landen waarvan meer dan 0,15 % van hun BNP naar de MOL's gaat, voorlopig een uitzondering moet worden gemaakt, met dien verstande dat zij het meerdere boven 0,15% niet hoeven te ontbinden. Ook Frankrijk legde een koppeling met de omvang van de ODA aan de MOL's door te bepleiten dat voor ontbinding in DAC-verband alleen die leden in aanmerking komen waarvan de ODA aan de MOL's groter of gelijk is aan 0,03 procent van hun BNP. Dit zou betekenen dat met name de V.S. daarvan zou zijn uitgesloten.

Aan de DAC HLM 1999 lag een conceptaanbeveling voor waarin alle TH en de voedselhulp aan de MOL's van ontbinding was uitgesloten. De DAC-voorzitter en het secretariaat meenden dat een dergelijk minimalistisch voorstel op consensus kon rekenen. Zij hadden zich vergist. Frankrijk, Japan en Denemarken bleven zich hardnekkig verzetten. Deze drie landen stelden voor de onderhandelingen voort te zetten en volgend jaar een besluit te nemen indien consensus dan mogelijk zou zijn.

Tegenover deze drie landen stelden België, Nederland, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk met steun van Finland, Ierland en Luxemburg dat een verder uitstel van besluitvorming over ontbinding niet aanvaardbaar is. Het vraagstuk van de ontbinding staat immers sedert de instelling van de DAC in 1961 op de agenda en een eventueel opnieuw uitstellen zal ten koste gaan van de geloofwaardigheid van de DAC zowel in ontwikkelingslanden als bij maatschappelijke groepen in de eigen landen, waardoor het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking wordt geschaad. Binding van de hulp is bovendien strijdig met de DAC strategie "Shaping the 21st Century", mede omdat het de verschuiving naar sectorhulp in de weg staat. Desgevraagd bevestigde de Wereldbank, dat gebonden hulp 20 tot 30 % duurder is dan ongebonden hulp.

De overige DAC-leden waren bereid de voorliggende aanbeveling te aanvaarden. Italië vond de aanbeveling een stap in de goede richting en sprak zich uit voor ontbinding van investeringsgerelateerde technische hulp (TH). De VS sprak steun uit voor ontbinding van alle technische hulp. Duitsland vond de voorgestelde aanbeveling evenwichtig, maar sprak de bereidheid uit een stap verder te gaan. Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, Oostenrijk en Spanje konden zich vinden in de voorgestelde aanbeveling.

De Belgische staatssecretaris Moreels stelde mede namens een aantal andere lidstaten (waaronder Nederland, Noorwegen en het VK) voor de impasse te doorbreken door tot reciproke ontbinding over te gaan tussen een groep van DAC-leden die bereid is hun hulp aan de MOL's in verdergaande mate te ontbinden dan de voorliggende minimalistische aanbeveling die niet eens op consensus kon rekenen. Het voorstel voorziet onder meer in ontbinding van investeringsgerelateerde TH en erkent dat afspraken over voedselhulp rekening dienen te houden met andere relevante fora en de bepalingen van de Food Aid Convention. Verder dienen de deelnemende DAC-leden de omvang van de hulp aan de MOL's te handhaven of te verhogen.

Ten minste 11 DAC-leden, waaronder Nederland, bleken bereid het Belgische initiatief te steunen en desnoods buiten het kader van het DAC hierover verder te onderhandelen. België zal daartoe op korte termijn een bijeenkomst organiseren.

Naar mocht worden verwacht verzetten de genoemde tegenstanders (Denemarken, Frankrijk, Japan met als volgers Australië, Nieuw-Zeeland, Portugal en Spanje en om strikt juridische redenen uiteraard de Europese Commissie) van ontbinding zich tegen het Belgische initiatief en drongen aan op besluitvorming bij consensus zonder evenwel zich te willen vastleggen op enig uitzicht op resultaat. Enkele andere leden, waaronder Canada, Duitsland en Oostenrijk, konden zich inhoudelijk wel vinden in het Belgische voorstel maar verzetten zich vooralsnog tegen onderhandelingen buiten het DAC-kader.

Deze scheiding van geesten tussen enerzijds de leden die tot ontbinding willen overgaan en daartoe gezamenlijk actie willen ondernemen, en anderzijds de leden die tegen ontbinding zijn, is ondanks fel verzet van Frankrijk in de persverklaring van de DAC-voorzitter tot uitdrukking gebracht.

Implementatie van de DAC-strategie Shaping the 21st Century; "making the development partnership work".

Sedert de DAC/HLM in 1996 de strategie "Shaping the 21st Century: the contribution of development co-operation" aanvaardde, vormt de voortgang van de strategie een vast puntop de agenda van de HLM. T.b.v. de bespreking van deze voortgang was door het secretariaat een rapport opgesteld, waarin een overzicht werd gegeven van de implementatie van de strategie sedert 1996.

Mede door de aanwezigheid van de Wereldbankpresident, dhr. Wolfensohn, en de plv. Secretaris Generaal van de Verenigde Naties, mevr. Fréchette, stond de bespreking sterk in het teken van de recente ontwikkelingen t.a.v. de partnershipstrategie in deze organisaties, zoals het 'comprehensive development framework' (CDF) van de Wereldbank en het 'development assistance framework' (UNDAF) van de VN.

In mijn inleiding verwees ik naar de ECA conferentie in Afrika van 6 mei '99, waar bleek dat veel aanwezige ministers verder willen op het gebied van de partnership strategie. Donoren dienen daarbij behulpzamer te zijn. Donoren hebben veel fouten gemaakt, zoals partners belasten met bilaterale hobbies en met tegenwaarde- en terugkerende kosten op hun begroting, bemoeien met details of micro-management, uiteenlopende procedures (monitoring, toezicht, evaluatie, enz.), grillig en onvoorspelbaar gedrag t.a.v. committeringen in tijd en volume, binding van de hulp, partners belasten met grote aantallen missies waardoor zij niet toekomen aan eigen beleidsontwikkeling, buiten de verantwoordelijke ministers om eigen geografische regio's kiezen, en productieve capaciteitsontwikkeling zonder de eigen handelsmarkten open te stellen voor de betreffende producten.

In plaats daarvan dienen donoren zich te richten op ondersteuning van de partnerlanden door o.a. de procedures te harmoniseren, te kiezen voor de sectorbenadering, door hulpfondsen te poolen, door te delegeren naar het veld, door het partnerland zelf te laten beslissen (land zelf achter het stuur). Ik hield een pleidooi om de Consultatieve Groepen (CG's) en Ronde Tafel bijeenkomsten (RT's) in het partnerland zelf te houden, juist om te voorkomen dat deze bijeenkomsten geisoleerd van het partnerland plaatsvinden. Voorts pleitte ik voor ex ante conditionaliteiten, waardoor het mogelijk wordt de hulp te verstrekken in de vorm van 'een cheque'. Daarbij dient de Wereldbank via de 'fiscal frameworks' erop toe te zien dat die 'cheque' ook op de juiste plaats terecht komt. Ik pleitte voor de sectorbenadering, waardoor de hulp effectiever kan worden aangewend en de beleidsdialoog met het partnerland mogelijk wordt, en riep ik de donoren op om bij deze sectorbenadering samen te werken. Meer in het algemeen riep ik de andere donoren op de hand in eigen boezem te steken en o.a. in het kader van de boards van internationale organisaties meer samen te werken.

In het vervolgoverleg constateerde ik, dat er consensus is over de partnershipbenadering en dat hieraan uitvoering dient te worden gegeven door met partnerlanden hierover verder te overleggen, bijv. in het kader van 'country assessments' zoals door UNDP is voorgesteld.

Ook constateerde ik consensus om in de board van multilaterale organisaties over partnership te beslissen; daarbij dient de voorkeur van het partnerland en 'het veld' bepalend te zijn.

Ik was het eens met de Franse visie dat door schuldverlichting vrijkomende gelden voor armoedebestrijding dienen te worden aangewend, via 'public expenditure reviews' en 'fiscal frameworks' in plaats van ad hoc mechanismes.

De Britse minister mevrouw Short legde een relatie tussen de afname van de hulpomvang en de effectiviteit van de hulp. Zij constateerde dat hulp effectief is in landen die zich hervormen, en dat, indien aan de constituency kan worden aangetoond dat hulp helpt, hethulpvolume geen gevaar hoeft te lopen. Zij pleitte ervoor dat een groter deel van het hulpvolume in de lage inkomenslanden wordt besteed, met name ter ondersteuning van hervormingsprocessen. Zij vreesde dat de DAC partnershipstrategie gevaar liep, als deze niet met statistische gegevens werd onderbouwd en riep de DAC daarom op om meer statistische gegevens te verzamelen.

Zij stelde dat het CDF succesvol kan zijn, indien dit geleid wordt door het partnerland en multilaterale en bilaterale donoren dit ondersteunen. Zij riep de multilaterale en bilaterale donoren op tot meer samenwerking.

Tenslotte merkte zij op dat de hulpverlening meer resultaatgericht moet worden.

De Japanse woordvoerder constateerde dat de partnershipbenadering in toenemende mate door alle betrokkenen wordt aanvaard en gaf aan de hand van een uiteenzetting over het verloop van TICAD II aan dat het belangrijk is de partnerlanden met het oog op ownership bij het beleid te betrekken. Voorts wees hij op het belang van horizontale Zuid/Zuid samenwerking, met name in Azië, en in toenemende mate ook in Afrika (Aziatisch-Afrikaanse samenwerking). Donoren dienen deze samenwerking te bevorderen (TICAD-II faciliteit).

Japan streeft naar grotere effectiviteit van de hulp en steunt daarom UNDAF en CDF. Van belang is dat alle betrokkenen bij de ontwikkeling van de partnershipstrategie worden betrokken.

De Noorse minister mevrouw Johnson zag in het samenzijn van alle donoren (de partners) een goede gelegenheid om tot besluiten te komen. Uit het rapport van de Wereldbank 'assessing aid' blijkt, dat hulp werkt. Waar het nu om gaat is te beslissen om in de juiste partnerlanden te investeren. Coòrdinatie is belangrijk, waarbij het niet zozeer gaat om wie wat doet, maar om ervoor te zorgen dat het gebeurt.

Zij ondersteunde de CDF mits het partnerland de leiding heeft, ook over de donoren. Belangrijk is dat de partnerlanden in staat worden gesteld deze leiding te nemen door o.a. de capaciteitsopbouw te helpen versterken. Ook pleitte zij voor een betere werkverdeling, waarbij landen reviews, zoals gedaan voor Mali, nuttig kunnen zijn.

Inzake het vraagstuk van het ODA-volume pleitte zij voor een effectiever gebruik van de hulp, waardoor de omvang ook zal toenemen.

President Wolfensohn van de Wereldbank zette uiteen, dat het CDF door hem was geïntroduceerd ter implementatie van de DAC-partnershipstrategie. Hij ging vervolgens in op een paar punten van kritiek op het CDF, zoals het onbreken van gendergelijkheid, onvoldoende aandacht voor sociale aspecten, en de samenwerking met het IMF.

Hij zag geen conflict tussen het CDF en de DAC partnershipstrategie. Het CDF vormt een van de uitvoeringsmodaliteiten om partnership en lokaal ownership vorm te geven. Andere modaliteiten zijn UNDAF en PFP. Niet het een of het andere model telt, maar het resultaat. Het CDF is ontstaan om inzicht te geven hoe ontwikkeling in zijn totaliteit, met het partnerland aan de leiding, eruit moet zien. Het CDF is niet alleenzaligmakend, maar er is vooral behoefte aan een gezamenlijke benadering, een gemeenschappelijk raamwerk, voor effectieve ontwikkeling.

Hij pleitte voor het doorgaan met pilot programma's in partnerlanden en riep de donoren op dit proces te blijven ondersteunen.

Hij onderschreef het Britse pleidooi voor een betere statistische onderbouwing.

Plv. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, mevr. Fréchette, verwelkomde ensteunde het CDF, omdat partnership daarin voorop staat. Het CDF concurreert ook niet met UNDAF. Beide zijn onderdeel van een breder raamwerk. Inmiddels overlegt de VN met de Wereldbank over nadere samenwerking en een werkverdeling en zijn de lokale vertegenwoordigers opgedragen met elkaar samen te werken. Voor het welslagen van beide uitvoeringsmodaliteiten is een cultuuromslag in de verschillende organisaties noodzakelijk.

De Spaanse woordvoerder gaf aan de partnershipstrategie te steunen en gaf dit aan door een uiteenzetting te geven van de Spaanse samenwerkingsprogramma's met een aantal Latijns-Amerikaanse landen.

Finland pleitte ervoor de partners zo spoedig mogelijk bij het partnership proces te betrekken.

Ierland verwelkomde CDF en de omvorming van UNDP in een ontwikkelingsorganisatie. Ierland vindt dat de multilaterale organisaties een belangrijke rol krijgen in
ontwikkelings-samenwerking. Met CDF, UNDAF , enz. is een aantal instrumenten in het leven geroepen, die wachten op implementatie.

De Zweedse staatssecretaris Karlsson constateerde dat er t.a.v. de partnershipstrategie vooruitgang is geboekt. Dit is een uitgelezen moment om de strategie in uitvoering te brengen. Met CDF, UNDAF en andere instrumenten is de basis gelegd voor een nieuw model partnership. Het momentum moet niet verloren gaan, omdat dit gevolgen zou kunnen hebben voor het gehele OS-systeem.

Hij onderschreef de 11 punten van de DAC-check list (bijlage bij de HLM-agenda) en zag een rol voor DAC weggelegd in het koppelen van de bilaterale programma's. De donoren hebben elkaar nodig. Hij ondersteunde de sectorale benadering en het poolen van resources. Hij vroeg specifieke aandacht voor 3 punten:


- vanwege institutioneel pluralisme bestaat er het gevaar van ineffectief leiderschap, reden waarom hij pleitte voor het samenbrengen van de diverse systemen;


- eigen belangen van donoren kunnen het hulp systeem ondermijnen, als er niet wordt samengewerkt;


- er is overeenstemming over de werkwijze van partnership, we weten hoe het werkt. Maar wat te doen met landen waar partnership niet functioneert?

Zijn belangrijkste boodschap is steun te verlenen aan die landen die zichzelf helpen bij het bestrijden van armoede.

De Amerikaanse acting administrator mevrouw Babbitt pleitte ervoor de bilaterale samenwerking meer te richten op het openstellen van de economie van ontwikkelingslanden. Zij stelde voorts voor dat de Wereldbank bij de jaarlijkse landenexamens samenwerkt met het DAC.

De Deense minister Nielson vroeg aandacht voor de sociale aspekten van de partnershipstrategie en voor gendervraagstukken. Hij verwelkomde G-7 voorstellen om de ODA-volume te verhogen, maar wees daarbij op de 0,7% ODA/BNP doelstelling. Hij was van mening dat handel én ontwikkelingshulp de beste formule voor ontwikkeling vormt.

De Oostenrijkse woordvoerder meldde, dat zijn land de partnershipstrategie invoert, het CDF verwelkomt en stelde voor om dit samen met partnerlanden uit te werken. N.a.v. deNederlandse opmerking over ex ante conditionering vroeg hij welke strategie gevolgd moet worden t.a.v. landen die de partnershipgedachte niet omarmen.

De Franse minister Josselin was van mening dat schuldverlichting, afhankelijk van de modaliteiten, partnership kan versterken. Schuldverlichting geeft partnerlanden adempauze en versterkt het gevoel van ownership. Hij vond dat gelden die door schuldverlichting vrijkomen, door de partnerlanden moeten worden aangewend voor ontwikkelingsdoel-einden. Schuldverlichting kan ook bijdragen tot een effectievere en meer duurzame ODA.

De Belgische woordvoerder verwelkomde eveneens het CDF en merkte op dat ontwikkeling meer is dan economische ontwikkeling. In dit verband vroeg hij aandacht voor de culturele aspecten van partnership. Voorts vroeg hij aandacht voor de regionale benadering in het kader van partnership en was hij van mening dat donoracties in regio's beter moeten worden gecoòrdineerd. Hij wees daarbij op een te houden humanitaire conferentie m.b.t. de republiek Congo, najaar '99. Eveneens vroeg hij aandacht voor landen in een post-conflict situatie en melde in dit verband dat België in juni met de Wereldbank een seminar belegt over de problematiek van kleine wapens.

Coherentie-rapport inzake handel, investeringen en ontwikkeling; de rol van de OESO.

Het OESO-secretariaat gaf een uiteenzetting over het totstandkomen van het rapport. Op instigatie van de DAC/HLM van vorig jaar, die een pleidooi hield om het beleid van de OESO-landen consistenter te maken met de ontwikkelingsdoelstellingen in plaats van deze te ondermijnen, had de OESO-Ministerraad van vorig jaar opdracht gegeven tot het opstellen van een rapport terzake. Daarbij erkende de OESO-ministerraad dat het succes van de partnershipstrategie afhankelijk is van een grotere beleidscoherentie, vooral om ontwikkelingslanden te helpen duurzame ontwikkeling zeker te stellen, de noodzakelijke financiële bronnen aan te boren en succesvol te integreren in de wereldeconomie.

Het rapport bestaat uit 2 delen. In deel I wordt ingegaan op de relatie tussen handel, investeringen en ontwikkeling, waarin o.a. het belang van een open economie wordt uiteengezet, de gevolgen daarvan voor de economische ontwikkeling, en de betekenis van coherent nationaal beleid en de rol van ontwikkelingshulp daarbij, waarbij verwezen wordt naar de DAC partnershipstrategie.

In deel II van het rapport is nader ingegaan op de beleidscoherentie in de OESO-landen en de mogelijke rol van de OESO daarbij.

Volgens het secretariaat is het rapport tevens van belang voor de komende WTO-ronde, die mede in het teken zal staan van ontwikkelingsvraagstukken. Het secretariaat is voornemens het rapport medio 1999 te publiceren.

De Zweedse staatsecretaris Karlsson onderstreepte het grote belang van coherentie. Coherentie begint thuis. Het adagium 'trade and aid' is nog steeds van toepassing en kan niet genoeg worden benadrukt. De ervaring met MAI leert, dat er nog een lange weg te gaan is. Deze weg is aangegeven in de toespraak van de Britse minister Short voor UNCTAD: "Future multilateral trade negotiations: a 'development round'?" (Genève, 2 maart '99). Ook het OESO-rapport laat zien dat er nog een lange weg te gaan is. Het rapport wordt verwelkomd, maar zou op bepaalde punten nog explicieter hebben kunnen zijn, o.a. op het punt van de minst ontwikkelde landen, waar blijkens studies het openen van markten positief is maar niet voldoende.

De onderwerpen in deel II van het rapport zijn goed gekozen. Zij tonen aan dat er ook voor de OESO een taak is weggelegd. Zo zou in de DAC landenexamens (peer reviews) meer aandacht aan coherentie moeten worden besteed. Het rapport vormt ook een basis voor de discussie over internationalisatie van nationaal beleid. Hulp als instrument zou in deze discussie kunnen worden ingebracht. Daarmee wordt hulp geplaatst in de context van de globalisatie. Coherentie is ook van belang voor de discussie over institutionele vernieuwing van de multlaterale organisaties.

Waar het nu om gaat is een overtuigende committering voor beleidscoherentie.

De Britse minister Short steunde het Zweedse pleidooi. Britse ervaring leert dat hulp belangrijk is maar niet voldoende. Ook het beleid en beleidscoherentie dient ontwikkeling te ondersteunen. Zo zal de volgende WTO-ronde vooral een 'development round' moeten worden. Ervaring met Britse NGO's leert ook dat door NGO's zelden vragen over hulp worden gesteld, maar veel vaker over met beleidscoherentie samenhangende onderwerpen zoals schulden. Ook de ervaring met MAI toont de noodzaak van coherentie aan.

In het VK krijgt beleidscoherentie inmiddels veel meer aandacht.

De OESO zou zou zich vooral moeten bezig houden met het aantonen van gebrek aan coherentie. Het rapport is daarvoor een goede basis. Overigens ontbreekt daarin antidumping.

De Duitse minister mevrouw Wieczoreck-Zeul onderschreef de noodzaak van coherentie. Zij verwees naar de Nederlandse interventie tijdens de ECOSOC/High Level Meeting van 29 april 1999, over de noodzaak van beleidscoherentie in de eigen hoofdsteden. Coherentie is voor de nieuwe Duitse regering belangrijk geworden, getuige de samenvoeging van een aantal onderwerpen (Lomé, ontwikkelingsvraagstukken, wapenhandel, handel/WTO) in een ministerie.

Zij wees op de discussies van de EU met de ACP-landen over handel. Ongeacht de uitkomst dient erop te worden toegezien dat daarbij de belangen van de minst ontwikkelde landen worden meegenomen. Dit geldt ook voor de nieuwe WTO-ronde.

Ik onderschreef eveneens het Zweedse pleidooi. Het DAC zou zich kunnen buigen over een kosten/baten analyse voor de ontwikkelingslanden van beleidscoherentie, o.a. door aan te geven in welke mate beleidsincoherentie ontwikkelingslanden schaadt.

Ik onderschreef de Britse voorstellen met betrekking tot een beleidscoherentie agenda ten beboeve van de nieuwe WTO Ronde (landbouw, tarieven, origine regels, antidumping, overheids procurement) en stelde voor daaraan maritieme diensten aan toe te voegen. Ten aanzien van de implementatie van de Uruguay Ronde wees ik erop, dat ontwikkelings-landen kampen met congestieproblemen bij de uitvoering van de afspraken en stelde ik voor de ontwikkelingslanden meer tijd te gunnen. Ook wees ik erop, dat besloten was tot volledige vrije toegang voor de armste landen, maar dat dit niet wordt geimplemen-teerd. Tenslotte wees ik erop, dat een te groot aantal ontwikkelingslanden nog geen lid is van WTO.

Ik stelde voor, om de DAC te betrekken bij de herziening van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (MNO's), vanwege de betekenis daarvan voor ontwikkelingslanden.

De Noorse minister Johnson onderschreef eveneens het Zweedse pleidooi, waarbij het nu aankomt op implementatie. Coherentie dient op alle niveau's, multilateraal, internatinaal en nationaal, zowel in donorlanden als in ontwikkelingslanden, plaats te vinden.Voorbeelden voor verbetering van beleidscoherentie zijn:


- bedrijfsleven (richtlijnen MNO's, mensenrechten {vgl. Noors consultatieforum van bedrijfsleven, ngo's en overheid}, arbeidsnormen en mensenrechten)


- particuliere sector in ontwikkelingslanden (macro economie en exportmarkten, ontbinding)


- sectorale benadering.

De vertegenwoordiger van de Europese Commissie onderschreef dat de nieuwe WTO Ronde een ontwikkelingsronde moet worden en ten doel moet hebben ontwikkelings-landen, en met name de minst ontwikkelde landen, in de wereldhandel te integreren.

De Japanse woordvoerder onderschreef het belang van een alomvattende benadering, waarbij de ontwikkeling van de private sector primair de verantwoordelijkheid is van particuliere investeringen en ontwikkelingshulp de verantwoordelijkheid is van de overheden. De belangrijkste taak voor het DAC is aan te geven hoe ontwikkelingshulp het best kan worden aangewend.

De woordvoerders van België, Canada, de VS en Finland stemden eveneens in met het belang van beleidscoherentie, waarbij België aandacht vroeg voor culturele aspecten, en Canada vond dat coherentie ook in de peer reviews aandacht moet krijgen. De VS vroeg bijzondere aandacht voor corruptie en de ontwikkeling van de private sector.

Aan het slot van de vergadering gaf Polen, dat thans een observer status bij de DAC bekleedt, maar voornemens is tot de DAC toe te treden, een uiteenzetting over de vormgeving van het Poolse ontwikkelingsbeleid, dat geënt is op de DAC strategie 'Shaping the
21st century'.


----------------------

Deel: ' Verslag van de DAC High Level Meeting van 11-12 mei 1999 '




Lees ook