NIS

Ministerie van economische zaken

De enquête naar de arbeidskrachten

De resultaten van de steekproefenquête naar de arbeidskrachten (EAK) die in mei-juni 1998 uitgevoerd bij een steekproef van 32.800 huishoudens (zo’n 52.000 personen op actieve leeftijd van 15 tot 64 jaar) zijn beschikbaar.

Hoe gaat deze enquête in zijn werk?

De enquête naar de arbeidskrachten

Het belangrijkste statistische doel van de EAK is het verdelen van de beroepsbevolking (15 jaar en ouder) in drie categorieën (werkenden, werklozen en niet-actieven) die elkaar uitsluiten en gezamenlijk de gehele populatie omvatten, en het verschaffen van een beschrijving van een toelichting op elk van deze categorieën. Die categorieën worden gedefinieerd volgens de aanbevelingen van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). We gebruiken deze internationale definities met het oog op de vergelijkbaarheid tussen de landen. De Belgische enquête naar de arbeidskrachten bij de huishoudens wordt ingericht in het kader van de communautaire steekproefenquêtes naar de arbeidskrachten. Deze worden gecoördineerd door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (EUROSTAT), in samenwerking met de nationale instituten voor de statistiek.

Methode

De respondenten worden bij een van de bovenvermelde groepen ingedeeld aan de hand van via de enquêtevragenlijst verkregen zo objectief mogelijke informatie, die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun feitelijke activiteit gedurende de referentieweek. (in dit geval, de week van 20 tot 26 april 1998).

Wie wordt er ondervraagd?

De enquête omvat de gehele bevolking in privé-huishoudens die op het nationale grondgebied wonen. Hiertoe behoren al degenen die gedurende de referentieweek (d.i. een normale week, zonder feestdagen) in die privé-huishoudens wonen.

Voor dit jaar...

De enquête naar de arbeidskrachten werd sinds 1983 jaarlijks georganiseerd en was dit jaar de laatste in haar soort. Vanaf 1999 wordt het een doorlopende enquête - met over het hele jaar verspreide referentieweken - met het oog op kwartaal- en jaarresultaten.

Waarover hebben we het hier? (definitie van werkloosheid en werkgelegenheid volgen het IAB)

Werkgelegenheid

Tot de "werkenden" behoren al degenen die gedurende de referentieweek enig werk verrichtten (gedurende minstens één uur) voor loon, salaris of winst, of niet werkten, maar wel een werkkring hadden waar zij tijdelijk afwezig waren.

Werkloosheid IAB

Tot de werklozen "in de zin van het IAB" behoren alle personen van 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek zonder werk waren, actief werk zochten (m.a.w. daartoe specifieke stappen hadden ondernomen in de loop van de vier weken voorafgaand aan het interview) en binnen twee weken voor werk beschikbaar waren.

Deze twee grote groepen ("werkenden" en "werklozen") vormen samen de "arbeidskrachten" of nog de "arbeidskracht" of de "actieve bevolking van het ogenblik", gemeten over een korte referentieperiode (een week in de Eurostat-enquête).

Niet-actieve bevolking

De "niet-actieve bevolking" omvat alle personen die niet economisch actief waren in bovenvermelde zin, welk ook hun leeftijd is, d.w.z. inclusief diegenen die jonger zijn dan de voor de actieve bevolking bepaalde leeftijd.

Enkele commentaren over de voornaamste resultaten

De totale actieve bevolking neemt sedert een jaar lichtjes toe Daar waar het onderdeel "werkende actieven" slechts met 0,5% stijgt, neemt dat van de werklozen volgens de enge definitie van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB) met 2,3% toe. Het werkloosheidscijfer volgens IAB-norm stijgt van 8,9% naar 9,1%.

Stagnatie van de werkgelegenheid in loondienst in het land Uitgaande van de twee observaties met één jaar ertussen, is het totale volume van de werkgelegenheid in loondienst voor het hele land ongeveer gelijk gebleven (+0,3%), maar we zien toch een aantal significante evoluties:

- toename van de werkgelegenheid in loondienst voor vrouwen (+1,6%), afname van de werkgelegenheid in loondienst voor mannen (-0,7%)

- een nieuwe merkelijke vooruitgang van het deeltijds werk (+6,5%), zowel bij mannen als bij vrouwen

- duidelijke toename van de werkgelegenheid van beperkte duur

De totale deeltijdse werkgelegenheid in loondienst neemt opnieuw merkelijk toe (+6,5%) zowel bij vrouwen als bij mannen. De deeltijdse werkgelegenheidsgraad (in loondienst) bedraagt nu 17,8%, namelijk 4,0% voor mannen en 36,8% voor vrouwen.

***Zie voor de tabellen het originele bericht***

Deeltijdse werkgelegenheidsgraad naar geslacht, voor heel het land en per gewest

EAK 1998 Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest

België

Mannen 7,3% 3,4% 4,3% 4,0%

Vrouwen 24,3% 38,5% 37,1% 36,8%

Totaal 15,4% 18,1% 18,0% 17,8%

De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van werknemers met een deeltijdse betrekking ligt bij 21,8 uur (38,6 uur voor "voltijdse" werknemers). 6% van het deeltijdse personeel in loondienst werkt een kwart van de werktijd of minder, "echt" halftijds betreft 46% en 16% van de personen die verklaren deeltijds te werken hebben een werktijd van "4/5" (of meer). Dit bevestigt dat de individuele arbeidsduur een erg variabel begrip is. Van deze werknemers hebben er ten slotte 5% een nevenberoep, 3% bij de voltijdse werknemers, met een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van ongeveer 12 uur.

Grote toename (bijna 25%) van de werkgelegenheid van beperkte duur ("tijdelijk werk")

Het tijdelijke werk vertegenwoordigt nu 7,8% van de totale werkgelegenheid in loondienst tegen 6,3% vorig jaar. We zien ook dat het vooral de deeltijdse werknemers zijn die met een contract van beperkte duur werken; 14% van hen zijn in dat geval, tegen 6% bij de voltijdse werknemers).

Intergewestelijke mobiliteit

Dank zij deze enquête (die bij de mensen thuis, dus in hun woonplaats wordt uitgevoerd) kunnen we de werknemers ook verdelen volgens hun werkplaats (gewest) en beschikken we over bepaalde inlichtingen i.v.m. hun intergewestelijke mobiliteit. Zo vinden we 18,1% van het de werkgelegenheid in loondienst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 54,5% in het Vlaams Gewest en 25% in het Waals Gewest, terwijl 2,3% van de werknemers buiten onze landsgrenzen werken (voornamelijk grensarbeiders).

Onderstaande tabel geeft bovendien enkele aanwijzingen over de mobiliteit tussen de gewesten. Van de 100 werkende actieven die in het Brussel Gewest wonen, werken er 85 in dat gewest, 9 in het Vlaams Gewest en 5 in het Waals Gewest. 1 werkt in het buitenland.

EAK 1998 Gewest van verblijf

Brussels Hfdst. Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest België

Werkplaats (gewest) (x 1000) % (x 1000) % (x 1000) % (x 1000) %

Brussels Hfdst. Gewest 232,9 85% 219,5 11% 124,3 13% 576,7 18%

Vlaams Gewest 23,9 9% 1683,4 86% 31,2 3% 1738,6 55%

Waals Gewest 12,8 5% 23,8 1% 761,4 80% 797,9 25%

Buitenland 2,2 1% 31,0 2% 40,7 4% 73,8 2%

Totaal 271,8 100% 1957,7 100% 957,6 100% 3187,1 100%

Grote ongelijkheden tussen de gewesten op het vlak van de werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers Voor heel België bedraagt de werkgelegenheidsgraad (leeftijdsgroep 15-64 jaar) 57,3%, maar in het Vlaams Gewest is dat 60,1%, in het Waals Gewest 53% en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 53,2%. Die afwijkingen springen nog meer in het oog bij jongeren (onder 25 jaar), namelijk 26% voor het Rijk maar 30,5% in het Vlaams Gewest, 20,7% in het Waals Gewest en 17,2% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo ook blijven de werkloosheidscijfers bij jonge Walen (33,1%) en Brusselaars (34,8% - ongewijzigd t.o.v. vorig jaar) in 1998 3 keer zo hoog als wat we in het Vlaams Gewest vaststellen : 9,6% tegen 11,4% tijdens de vorige enquête. De volgende tabel geeft de evolutie weer van de werkloosheidscijfers naar geslacht, voor het land en per gewest met een interval van één jaar:

Werkloosheidscijfer Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest België

1997 1998 1997 1998 1997 1998 1997 1998

Mannen 16,3% 15,8% 3,6% 4,1% 11,0% 11,0% 7,1% 7,3%

Vrouwen 16,9% 17,1% 7,6% 7,3% 16,9% 17,2% 11,4% 11,4%

Totaal 16,6% 16,4% 5,3% 5,4% 13,5% 13,6% 8,9% 9,1%

De belangrijkste resultaten en indicatoren voor het Rijk en de gewesten worden gepubliceerd in het Weekbericht nr 2769.

Top of page Persberichten

Laatst gewijzigd op: 25-02-99 © 1998/1999 NIS, Ministerie van Economische Zaken

Deel: ' Vlaamse enquête naar de arbeidskrachten 1998 '




Lees ook