Registratiekamer

Voorgestelde regelgeving Vennoot '98 behoeft aanpassing

Samenvatting

(5 maart 1999, 98.A.1012)
Het conceptvoorstel Wet documentatie vennootschappen moet volgens de Registratiekamer op diverse privacy-aspecten worden aangepast. De Minister van Justitie verzocht de Registratiekamer advies uit te brengen over dit conceptvoorstel, dat onder meer de verwerking van gegevens regelt over vennootschappen voor de afgifte van verklaringen van 'geen bezwaar' door de Minister van Justitie op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De Afdeling Integriteit Bedrijfsleven van de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie verwerkt deze gegevens in het gevoerde registratiesysteem Vennoot '98. Ook beoogt de minister met het wetsvoorstel het misbruik van vennootschappen te voorkomen en te bestrijden. Tevens dient het ontwerp-voorstel ter ondersteuning bij het inroepen van de bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissementen en surséances van betaling en het uitvoeren van de garantstellingsregeling curatoren.

Registratiekamer:
De Registratiekamer constateert in de eerste plaats dat het ontwerp-voorstel in de huidige vorm kan leiden tot misverstanden over de bevoegdheden die de Minister van Justitie op grond van zijn wettelijke taak tot antecedentenonderzoek ingevolge Boek 2 BW zijn toegekend en de consequenties daarvan in de sfeer van de gegevensverwerking. Voorgesteld wordt namelijk dat de Minister van Justitie niet alleen preventief toezicht te laten uitoefenen met betrekking tot de financiële en criminele antecedenten van degenen die het beleid van een vennootschap (mede) gaan bepalen, maar meer in algemene zin mee te werken aan het voorkomen en bestrijden van misbruik en criminaliteit. De Registratiekamer vraagt zich af hoe deze uitbreiding van bevoegdheden zich verdraagt met het in behandeling zijnde wetsontwerp 26277, dat juist strekt tot beperking van de bevoegdheid van de Minister van Justitie.

De Registratiekamer adviseert verder de kring van personen die bij het onderzoek in aanmerking kunnen worden genomen, de daarbij relevante feiten en omstandigheden, en de regeling over de gegevensverstrekking op hoofdlijnen in de wet neer te leggen.

Daarnaast plaatst zij vraagtekens bij diverse andere onderdelen van de voorgestelde regeling. Een centraal element is daarbij de verhouding tot de WBP. De Registratiekamer heeft de regering geadviseerd deze scherper in beeld te brengen en als maatstaf te gebruiken voor de inrichting van de beoogde wettelijke regeling en de toelichting.

De regering is in overweging gegeven alsnog in de toelichting in te gaan op de verhouding van de voorgestelde regeling tot de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT), het thans bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel van Wet justitiële documentatie (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 797) en het voorstel van wet Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur (Wet BIBOB). De bewaking van de integriteit van diverse maatschappelijke sectoren kan immers worden ondergraven door een onoverzichtelijke en niet afgestemde verzameling van toetsingsinstrumenten.

De Registratiekamer adviseert ook de voorgestelde bewaartermijnen van persoonsgegegevens nader te bezien, waar mogelijk te concretiseren en de noodzaak ervan te onderbouwen.

De Registratiekamer heeft verder vraagtekens gezet bij de wijze waarop gegevens uit informatiebronnen worden verkregen. Zo is het de vraag of niet ook andere bronnen, in het bijzonder bij financiële instellingen en sectorale toezichthouders, onmisbaar zijn voor het realiseren van de voorgestelde regeling.

De voorgestelde mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aan welke instanties gegevens worden verstrekt mede in het licht van de artikelen 8 en 9 WBP, artikel 10 lid 1 Grondwet en artikel 8 EVRM, is ontoereikend. Er moet bovendien in de toelichting aandacht worden besteed aan de transparantie van de gegevensverstrekkingen.

Tenslotte verzoekt de Registratiekamer in de toelichting nadere aandacht te geven aan de toegankelijkheid van het bij de Minister van Justitie te houden centraal geautomatiseerd register van faillisementen, surséances van betaling en schuldsaneringsregelingen alsmede de verhoudingen van deze openbare registers met Vennoot '98.

Brief

De Staatssecretaris van Justitie

.'s-Gravenhage, 6 mei 1999
. Ons kenmerk 98.A.1012.2
. Onderwerp adviesaanvraag nota van wijziging wetsvoorstel JG

Geachte heer Cohen,

Met belangstelling heeft de Registratiekamer kennis genomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de daarbij behorende nota van wijziging met toelichting bij het wetsvoorstel justitiële gegevens. Gaarne voldoet zij, gelet op artikel 37 lid 5 van de Wet persoonsregistraties en artikel 28 lid 2 van Richtlijn nr. 95/46/EG, aan uw verzoek te adviseren. In haar advies zal de Registratiekamer volstaan met een reactie op hoofdlijnen. De kern van beide nota's betreft de voorgestelde centralisering van de toetsing en afgifte van de verklaring omtrent het gedrag. De Registratiekamer kan zich in dit voorstel vinden. Zij vraagt echter wel aandacht voor enkele uitvoeringsaspecten. Het advies van de Registratiekamer treft u hieronder aan.


1. Centralisering
De Registratiekamer onderschrijft in zijn algemeenheid de noodzaak tot aanscherping van het systeem van de verklaring omtrent het gedrag (verder te noemen: v.o.h.g.) zoals thans wordt voorgesteld. Deze noodzaak is in het maatschappelijk verkeer gebleken. Aan de herziening van de procedure van toetsing en afgifte van de v.o.h.g. ligt in het bijzonder ten grondslag dat de v.o.h.g. thans niet als betrouwbaar en effectief integriteitsinstrument wordt ervaren. Naar de Registratiekamer begrijpt zal na invoering van de voorgestelde wijzigingen het systeem van de v.o.h.g. als algemeen en volwaardig screeningsinstrument moeten dienen. Dit sluit aan bij de visie van de Registratiekamer zoals uiteengezet in na te noemen adviezen aan de regering.

Het betreft in het bijzonder de adviezen naar aanleiding van respectievelijk het concept-wetsontwerp Wet Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur (BIBOB, advies 97.A.537.1), het concept-wetsontwerp Wet documentatie vennootschappen (advies 98.A.1011.2) alsmede de notitie "Een nieuwe visie met betrekking tot het verstrekken van justitiële en politiële gegevens (advies 97.A.648.2)". Deze adviezen zijn opgenomen als bijlagen. Indien het systeem van de v.o.h.g. als effectief, volwaardig en breed gedragen integriteitsinstrument kan worden aangemerkt, is het overigens de vraag of introductie van nieuwe screeningsinstrumenten nog zelfstandig bestaansrecht zullen hebben. De noodzaak daarvan zal steeds opnieuw dienen te worden aangetoond.


2. Positionering
Hoewel de Registratiekamer zich in hoofdlijnen kan vinden in de beoogde aanpassing van het systeem van de v.o.h.g., vraagt zij zich af of het voorgestelde centrale orgaan rechtstreeks bij de Minister van Justitie dient te worden ondergebracht. Naar het oordeel van de Registratiekamer ligt het meer voor de hand hiermee het openbaar ministerie te belasten vanuit diens algemene taak ten aanzien van de handhaving van de rechtsorde. Dit orgaan, dat op enige afstand staat van de centrale overheid, is bij uitstek toegerust om de betrouwbaarheidstoetsingen op objectieve, deskundige en effectieve wijze uit te voeren. Met name is het openbaar ministerie bij de beoordeling van de relevantie van de mede in aanmerking te nemen strafrechtelijke gegevens in het algemeen en zachte politiële gegevens (sepots e.d.) in het bijzonder gekwalificeerd teneinde op zorgvuldige wijze tot een afgewogen beslissing te komen.


3. Compas
De Registratiekamer heeft geconstateerd dat in het voorliggende ontwerp het registratiesysteem van het openbaar ministerie (Compas) vooralsnog niet onder het bereik van de wetsvoorstel wordt gebracht. Naar de Registratiekamer begrijpt zal dit onderwerp worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van de nieuwe beleidsvisie op het terrein van de verstrekking van justitiële en politiële gegevens ten behoeve van buiten de strafrechtspleging gelegen doelen. In dit kader vestigt de Registratiekamer uw aandacht op het feit dat inmiddels de werkgroep Wet bescherming persoonsgegevens van de presidentenvergaderingen voornemens is op korte termijn nadere aanbevelingen te doen betreffende de verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerkingen binnen Compas.
De Registratiekamer geeft u in overweging deze aanbevelingen bij de ontwikkeling van bovengenoemde beleidsvisie mede te betrekken.


4. Conclusie
De Registratiekamer kan zich vinden in de voorgestelde centralisering van de toetsing en afgifte van de verklaring omtrent het gedrag. Zij kan zich voorstellen dat het orgaan dat met deze taak belast zal gaan worden organisatorisch bij het openbaar ministerie zal worden ondergebracht.

Ik verwacht u met het voorgaande voldoende te hebben geïnformeerd en vertrouw erop dat u met dit advies rekening zult houden bij de verdere behandeling van het voorstel. Uiteraard is de Registratiekamer bereid desgewenst een nadere toelichting te geven op dit advies.

Hoogachtend,

Deel: ' Voorgestelde regelgeving Vennoot '98 behoeft aanpassing '




Lees ook