Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
TRCDL/2001/3948
datum
11-09-2001

onderwerp
Voortgang implementatie mestbeleid
doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Na de aanvaarding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet in de Eerste Kamer op 26 juni 2001 worden thans de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen getroffen. Daarover heb ik gisteravond met LTO Nederland overleg gevoerd. In deze brief, die ik u zend mede namens mijn ambtgenoot van VROM, informeer ik u over de stand van zaken. Achtereenvolgens ga ik in op het Besluit zand- en lössgronden, de stikstof-excretienormen en de positie van enkele tuinbouwteelten in relatie tot de verliesnormen.

datum
11-09-2001

kenmerk
TRCDL/2001/3948

bijlage

1. Het Besluit zand- en lössgronden
Op 6 juli 2001 heb ik het ontwerp voor het Besluit zand- en lössgronden in de Staatscourant bekend gemaakt en de bij dit ontwerpbesluit behorende kaarten ter inzage gelegd. De bekendmaking van het ontwerp heeft vele reacties opgeleverd. Daaruit zijn enkele feiten naar voren gekomen die een technische correctie van de bij het besluit behorende kaarten noodzakelijk maakt.
De belangrijkste constatering is dat voor de bij het ontwerpbesluit opgenomen kaarten gebruik is gemaakt van een te grofmazig digitaal perceelsbestand. Daardoor voldoen de kaarten niet in alle gevallen aan de aanwijzing op perceelsniveau, zoals de wet voorschrijft. Sommige topografische perceelsgrenzen waren niet in het digitale perceelsbestand opgenomen, waardoor percelen werden samengevoegd tot grotere arealen. Dit heeft tot gevolg gehad dat sommige zelfstandige percelen ten onrechte als droog en andere ten onrechte als nat werden aangeduid. De kaarten zullen worden gecorrigeerd ter voldoening aan het wettelijke vereiste dat gronden op perceelsniveau als droge zand- en lössgronden worden aangewezen. Voor deze correctie wordt gebruik gemaakt van een fijnmaziger topografisch bestand. Dit heeft echter een keerzijde. Percelen die op de ter inzage gelegde kaarten ten onrechte als nat waren aangewezen, zullen op de gecorrigeerde kaarten als droog worden aangeduid. Dit aantal is aanmerkelijk groter dan in de omgekeerde situatie. Dit vindt zijn oorzaak in de hoge aanwijzingsdrempel voor droge zand- en lössgronden. Een perceel wordt pas als droge zandgrond aangewezen als tenminste tweederde deel van het perceel grondwatertrap 6, 7 of 8 heeft. Grote stukken van de ten onrechte samengevoegde percelen die tezamen genomen voor minder dan tweederde droog waren en in die classificatie dus tot de natte zandgronden behoorden, komen op de gecorrigeerde kaarten als zelfstandig perceel in de categorie droog terecht. Deze noodzakelijke correctie leidt ertoe dat een groter totaal oppervlak als droog moet worden aangemerkt. Op grond van de wettelijke criteria wordt dus circa 360.000 hectare aangewezen als droge zand- en lössgronden. Ik heb echter tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van de meststoffenwet met u gesproken over een areaal van 250.000 hectare droge zand- en lössgronden, op basis van het toen gebruikte, maar naar thans blijkt, te grofmazige digitale perceelsbestand. In het licht van de parlementaire discussie over de omvang van het areaal droge zand- en lössgronden, acht ik mij gebonden de gevolgen van de aanwijzing niet groter te maken dan met uw Kamer is afgesproken. In die discussie is ook gesproken over de milieukundige noodzaak om gronden met grondwatertrap 6 als uitspoelingsgevoelig te bestempelen.
Ik heb aangegeven dat dit onderwerp van evaluatie in 2002 zal zijn, maar dat voorshands gronden met grondwatertrap 6 als uitspoelingsgevoelig moeten worden aangemerkt. Gegeven de nieuwe inzichten ten aanzien van de omvang van het areaal droge zand- en lössgronden én het feit dat bij de evaluatie nog opnieuw gekeken zal worden naar de noodzaak om voor gronden met grondwatertrap 6 dezelfde verliesnormen te hanteren als voor andere droge zand- en lössgronden, heb ik besloten om binnen het aangewezen areaal van 360.000 hectare voor de normstelling onderscheid te maken tussen twee categorieën. Enerzijds een categorie gronden die als matig droog bestempeld kan worden (gronden met overwegend grondwatertrap 6) en anderzijds een categorie gronden die als droog en extra droog bestempeld kan worden. Percelen die voor tenminste tweederde deel uit grondwatertrappen 7 en 8 bestaan komen in deze categorie. Voor de categorie gronden die als matig droog bestempeld wordt zullen in 2002 de verliesnormen voor nat zand gelden en alleen voor de categorie gronden die als droog en extra droog worden bestempeld zullen de aangescherpte verliesnormen voor 2002 gelden. Artikel 46 van de wet, zoals dat bij amendement van het lid Th.A.M. Meijer is geformuleerd, biedt mij de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur binnen een bandbreedte van 35% van de wet afwijkende verliesnormen vast te stellen. Het areaal gronden in de categorie matig droog bedraagt circa 220.000 hectare, in de categorie droog en extra droog bedraagt dit circa 140.000 hectare. Definitieve herberekening door Alterra kan leiden tot lichte wijziging van de berekende omvang van deze arealen.
Door het onderscheid in twee categorieën blijven de feitelijke gevolgen van de aanwijzing, i.c. verscherpte verliesnormen, in 2002 beperkt tot circa 140.000 hectare.
Zodra de bij het ontwerpbesluit behorende kaarten voor 2002 zijn gecorrigeerd, zullen deze -naar verwachting in oktober- algemeen bekend worden gemaakt door ter inzage legging en door verspreiding via internet en cd-rom.
Het onderscheid in twee categorieën geldt nadrukkelijk uitsluitend voor het jaar 2002. Op grond van de evaluatie in 2002 zal nadere besluitvorming plaatsvinden omtrent de normstelling in 2003. Dit zou voor het jaar 2003 kunnen leiden tot een hernieuwde aanwijzing van droge zand- en lössgronden.
Al eerder is u gemeld dat thans een grootschalig onderzoeksproject gaande is waarbij alle bodem- en grondwaterkaarten in Nederland zullen worden geactualiseerd. Daaruit zal de voortschrijdende verdroging in Nederland in de afgelopen decennia tot uitdrukking komen en dat zal leiden tot een toename van het areaal droge zand- en lössgronden. In de loop van 2003 zal dat onderzoek worden afgerond en daarmee zal in 2004 een hernieuwde aanwijzing van droge zand- en lössgronden op grond van de meest actuele inzichten plaatsvinden.
2. Stikstofexcretienormen
Met uw Kamer is tijdens de parlementaire behandeling uitvoerig gesproken over de problematiek van de loze contracten in de veehouderij. Deze problematiek is een gevolg van het feit dat de excretie per diersoort op forfaitaire wijze moet worden bepaald. Dit leidt ertoe dat bedrijven die een lage mestproducties per dier weten te realiseren mestafzetovereenkomsten moeten sluiten voor mest die niet daadwerkelijk is geproduceerd. Om zoveel mogelijk loze contracten te voorkomen zijn in de wet voor het jaar 2002 de forfaits bepaald op 90% van de gemiddelde excretie. Voor 2003 is uitgegaan van 95%. Daarmee worden niet alle loze contracten voorkomen.
Ik erken het probleem van deze loze contracten en heb uw Kamer toegezegd dat dit onderwerp van evaluatie zal zijn in 2002. LTO Nederland heeft dit probleem gisteravond opnieuw met kracht bij mij aangekaart en erop aangedrongen om voor 2002 het percentage te verlagen van 90% naar 85%, omdat ook in 2002 met name in de melkveehouderij sprake zal zijn van een aanmerkelijk percentage loze contracten. Naar aanleiding daarvan heb ik nogmaals naar deze problematiek gekeken en heb ik besloten om met het oog op een soepele introductie van het stelsel van mestafzetovereenkomsten voor 2002 een percentage van 85% te hanteren.
Bij ministeriële regeling zullen op zeer korte termijn overeenkomstig het percentage van 85% nieuwe forfaits worden vastgesteld. Boeren zullen hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte worden gesteld.
3. De positie van enkele tuinbouwteelten binnen het stelsel In de positiebepaling mest van februari 2000 met LTO Nederland is opgenomen dat nader gekeken zal worden naar de specifieke positie van enkele tuinbouwsectoren op droge zandgronden. Uitgangspunt daarbij is dat tenminste een evenredige inspanning geleverd zal worden om aan verliesnormen te voldoen als in andere sectoren. Uit onderzoek is gebleken dat er aanleiding is om voor enkele teelten in de boomteelt, bollenteelt en vollegrondsgroenteteelt naar aanpassingen binnen de algemene systematiek te kijken. Met LTO Nederland is afgesproken dat de komende twee maanden via nader onderzoek gekeken zal worden in welke mate via MINAS-vrije aanvoer van compost een milieukundig verantwoorde oplossing gevonden kan worden. Indien daarmee de problematiek niet in afdoende mate kan worden opgelost zal gekeken worden naar verhoging van het afvoerforfait voor enkele teelten. Dit vereist een aanpassing van regelgeving. Over de details van deze oplossing zal ik u over twee maanden nader informeren.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst



Deel: ' Voortgang implementatie mestbeleid '




Lees ook