Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede kamer

der Staten Generaal

Binnenhof 4


2513 AA Den Haag
Directie Veiligheidsbeleid

Afdeling Wapenbeheersing en Wapenexportbeleid

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 8 juni 1999
Kenmerk DVB/WW-329/99
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Voortgangsrapportage Kleine Wapens C.c --

Naar aanleiding van de toezegging gedaan door de Regering tijdens het Algemeen Overleg over het wapenexportbeleid van 10 december 1998 treft U hierbij aan, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, de Voortgangsrapportage Kleine Wapens.

De Minister van Buitenlandse Zaken

J.J. van Aartsen

De Minster voor Ontwikkelingssamenwerking

Mr E.L. Herfkens

Voortgangsnotitie

Kleine Wapens

Inleiding

Achtergrond

De proliferatie van kleine wapens vormt één van de grootste hedendaagse bedreigingen van de menselijke veiligheid. De cijfers die deze stelling ondersteunen spreken voor zich. Wereldwijd zijn naar schatting niet minder dan vijfhonderd miljoen kleine wapens in omloop. In het merendeel van de circa vijftig conflicten die sinds 1990 zijn uitgevochten waren kleine wapens de belangrijkste of zelfs de enige wapens die werden gebruikt. Kleine wapens zijn de oorzaak van circa
90% van alle oorlogsslachtoffers. Door toedoen van deze wapens hebben sinds 1990 reeds drie miljoen burgers de dood gevonden.

Vooralsnog bestaat geen eenduidige interpretatie van de verzamelterm "kleine wapens". Kleine wapens worden veelal omschreven als "wapens die door één persoon of door een klein team kunnen worden bediend en vervoerd". De categorieën wapens die onder deze definitie worden gebracht lopen uiteen van handgranaten tot stingers (van de schouder af te vuren anti-vliegtuigraketten). In deze notitie wordt geen onderscheid gemaakt tussen kleine wapens en lichte wapens ("small arms and light weapons"). In de praktijk komt het onderscheid kort gezegd neer op het aantal personen dat is vereist voor het gebruik van de wapens: waar "small arms" door één persoon kunnen worden bediend, vraagt het gebruik van "light weapons" veelal een klein team.

Kleine wapens zijn goedkoop, duurzaam, gemakkelijk te onderhouden, snel te vervoeren en eenvoudig te bedienen. Vooral deze laatste eigenschap maakt dit type wapens uitermate "geschikt" voor gebruik door kinderen. Tussen de toename van het aantal kleine wapens dat in een bepaalde regio in omloop is en het aantal kindsoldaten dat door regeringslegers en rebellengroeperingen wordt ingelijfd lijkt dan ook een verband te bestaan. De problematiek van de kindsoldaten is dan ook nauw gelieerd aan de problematiek van de kleine wapens.

Kleine wapens kunnen op zichzelf niet worden aangemerkt als de oorzaak voor geweld en conflicten. Niettemin kan de ruime beschikbaarheid van kleine wapens wel leiden tot de escalatie van geweld en de intensivering en zelfs verlenging van conflicten. De aanwezigheid van grote aantallen kleine wapens kan met name in postconflictsituaties het ontstaan van geweldsculturen en criminele organisatiesstimuleren. In het algemeen kan worden gesteld dat de proliferatie van kleine wapens in veel landen en regio's een duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en politiek gebied in de weg staat.

De proliferatie van kleine wapens wordt thans algemeen erkend als één van de grootste wapenbeheersingsvraagstukken van deze tijd. Zoals ook al uit het bovenstaande blijkt valt de problematiek echter niet alleen onder de noemer van de traditionele wapenbeheersing, maar zijn ook duidelijke raakvlakken met de thema's conflictpreventie- en oplossing, wederopbouw van postconflictgebieden en duurzame ontwikkeling aan te geven.

Het veelzijdige karakter van de problematiek komt eveneens tot uitdrukking in de grote verscheidenheid aan initiatieven die de laatste jaren zijn ontplooid in de verschillende relevante regionale en internationale organisaties. De voorgestelde maatregelen betreffen enerzijds de reductie van het aantal kleine wapens dat reeds in omloop is. Hierbij kan vooral worden gedacht aan wapeninzamelings- en vernietigingsprogramma's. Anderzijds wordt steun gevraagd voor maatregelen die de ongecontroleerde handel in deze wapens willen voorkomen. Hoewel ten aanzien van de maatregelen in de preventieve sfeer de nadruk veelal ligt op het voorkomen van de illegale handel in kleine wapens, wordt de discussie over de aanscherping van regelgeving ten aanzien van de legale handel in kleine wapens evenmin geschuwd.

Aanpak

De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) besteedde in haar advies inzake de toekomst van de conventionele wapenbeheersing, "Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden" uit mei 1998, veel aandacht aan de problemen die voortkomen uit de verspreiding van en handel in kleine wapens. In haar reactie op het advies gaf de regering aan de zorgen van de AIV met betrekking tot de proliferatie van kleine wapens te delen. Teneinde deze aanbevelingen waar mogelijk te implementeren zal de regering voortgaan op de eerder ingeslagen weg: door middel van een proactief bilateraal en multilateraal beleid zal zij zich blijven inzetten voor de beheersing van de problematiek van de kleine wapens.

De regering zet zich hiertoe actief in op nationaal, regionaal en internationaal niveau. Binnen de EU, de OVSE, de NAVO en de VN heeft de regering de laatste jaren tal van initiatieven op het onderhavige terrein gelanceerd en ondersteund. Tot op heden waren de Nederlandse inspanningen vooral gericht op het voorkomen van de illegale handel in kleine wapens op regionaal niveau. Inmiddels zijn in de genoemde regionale veiligheidsorganisaties de nodige politieke en juridische raamwerken in voorbereiding of zelfs reeds in werking getreden. Langzamerhand begint zich thans op mondiaal niveau een vergelijkbaar proces af te tekenen. Binnen het kader van de VN wordt gestreefd naar een Internationale Conferentie, die zich zou moeten buigen over "alle aspecten van de illegale wapenhandel". Het is de Nederlandse wens dat deze Conferentie, die wordt voorzien voor het jaar 2001, op termijn zal leiden tot de aanvaarding van een, bij voorkeur, juridischbindend mondiaal instrument.

Deze notitie beoogt in vogelvlucht een overzicht te geven van de Nederlandse betrokkenheid bij de meest relevante initiatieven en activiteiten ter voorkoming en bestrijding van de proliferatie van kleine wapens.

II Maatregelen op nationaal niveau

In Nederland worden geen kleine wapens geproduceerd. De export van kleine wapens vindt plaats op zeer beperkte schaal via particuliere tussenhandelaren of op grond van afstoting van overtollig materieel door het Ministerie van Defensie. Op deze exporten zijn de criteria van het Nederlandse wapenexportbeleid van toepassing. Voor wat betreft doorvoer geldt hetzelfde (zoals bekend beschikt ons land in de nabije toekomst over een aangescherpt doorvoerregime). In overeenstemming met het EU Gemeenschappelijk Optreden Kleine Wapens (zie verder) worden geen vergunningen afgegeven voor de uitvoer door overheden van kleine wapens aan niet-statelijke actoren. Daarnaast zijn in Nederland nog twee andere bijzondere maatregelen van kracht.

(i) Vernietiging van nationale voorraden

Als één van de weinige landen ter wereld vernietigt Nederland de eigen, nationale voorraden overtollige kleine wapens. De Nederlandse krijgsmacht zal de komende jaren tienduizenden pistoolmitrailleurs, geweren en karabijnen versmelten. Nederland behoudt zich, onder het voorbehoud van het verlenen van een exportvergunning, wel het recht voor (geringe) aantallen overtollige kleine wapens te leveren aan naar haar mening aanvaardbare statelijke eindgebruikers.

(ii) Nationaal Overleg Illegale Wapenhandel

Sinds augustus 1998 kent Nederland het "Nationaal Overleg ter Voorkoming en Bestrijding van de Illegale Handel in Conventionele Wapens". Met de instelling van dit overleg is gehoor gegeven aan één van de aanbevelingen uit het EU Programma ter Voorkoming en Bestrijding van de Illegale Handel in Conventionele Wapens, dat zich in het bijzonder richt op de illegale handel in kleine wapens (zie verder). In België en Zweden is een soortgelijk overleg ingesteld.

Aan het driemaandelijks overleg, dat wordt voorgezeten door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van de relevante diensten en afdelingen van de Ministeries van Economische Zaken, Financiën, Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie. Het overleg heeft tot doel het bevorderen van de onderlinge uitwisseling van informatie en de coòrdinatie van de Nederlandse inbreng in de diverse internationale gremia, met name de EU.

In augustus 1999 zal op basis van een evaluatie van de eerste vier bijeenkomsten worden bezien of behoefte bestaat aan een formele(re) status.

III Initiatieven in de Europese Unie

Binnen de EU komt de problematiek van de kleine wapens vooral aan de orde in de tweede pijler werkgroepen COARM (wapenexporten) en CODUN (ontwapening). De discussie in de EU richt zich zowel op de ontwikkeling van normatieve raamwerken als op het scheppen van mogelijkheden voor financiële ondersteuning van concrete ontwapeningsprojecten in derde landen.

Sinds kort is ook vanuit de EU OS-sector een groeiende belangstelling voor de thematiek waar te nemen. De regering juicht deze ontwikkeling toe, niet in de laatste plaats met het oog op de potentiële verruiming van de financiële mogelijkheden die deze belangstelling met zich mee kan brengen. In de praktijk zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat meer ontwapenings- en demobilisatieprojecten voor ondersteuning door de EU in aanmerking komen.

(i) EU Programma Illegale Wapenhandel

Ter illustratie van de Nederlandse inzet in EU-verband kan worden gewezen op het in juni 1997 op Nederlands initiatief en onder Nederlands voorzitterschap aangenomen "EU Programma ter Voorkoming en Bestrijding van de Illegale Handel in Conventionele Wapens". Dit Programma, dat vooral is gericht op de illegale handel in kleine wapens, biedt een politiek kader voor een reeks van activiteiten die enerzijds betrekking hebben op de illegale uitvoer vanuit de EU-landen en anderzijds op de ongecontroleerde wapenstromen in landen en regio's buiten de EU. Het Programma roept de lidstaten onder andere op landen in conflictsituaties en postconflictsituaties te assisteren bij het onderdrukken van het illegale verkeer van en de illegale handel in (handvuur)wapens.

De regio Zuidelijk Afrika is door de lidstaten aangemerkt als een in aanmerking komende regio voor ondersteunende activiteiten vanuit de EU. De bijzondere aandacht voor deze regio heeft geresulteerd in een regionaal actieprogramma, dat expliciet is onderschreven tijdens een bijeenkomst van de OS-Ministers van de EU en de Southern African Development Community (SADC) in november 1998 in Wenen. Teneinde dit actieprogramma verder te kunnen uitwerken is in april 1999 een EU-SADC werkgroep in het leven geroepen (zie verder). Naast Zuidelijk Afrika worden ook West-Afrika en Centraal- en Oost-Europa genoemd als geschikte regio's voor implementatie van het EU Programma.

(ii) EU Gemeenschappelijk Optreden Kleine Wapens

In het verlengde van het EU Programma ligt het in december 1998 aangenomen "Gemeenschappelijk Optreden inzake de Bijdrage van de Europese Unie aan de Bestrijding van de Destabiliserende Accumulatie en Verspreiding van Handvuurwapens en lichte Wapens". Dit juridisch bindende Gemeenschappelijk Optreden beoogt:


- de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens te bestrijden en bij te dragen tot de beëindiging van deze accumulatie;


- de bestaande accumulatie te beperken tot niveaus die corresponderen met de legitieme veiligheidsbehoeften van landen;


- te helpen bij het oplossen van de problemen die door dergelijke accumulaties zijn veroorzaakt.

Met het Gemeenschappelijk Optreden hebben lidstaten zich tevens verplicht de consensus op dit gebied in regionale en internationale fora zoveel mogelijk te bevorderen.

Anders dan de meeste internationale verklaringen, afspraken en overeenkomsten op dit gebied bevat het EU Gemeenschappelijk Optreden een limitatieve opsomming van de categorieën wapens die onder de bepalingen van dit instrument vallen. De Nederlandse suggestie ook "munitie" op te nemen in deze opsomming werd door de overige partners niet opportuun geacht.

Op grond van artikel 4 van het EU Gemeenschappelijk Optreden zullen de EU-lidstaten "passende bijstand" verlenen aan landen die vragen om ondersteuning bij het reduceren van een overschot aan handvuurwapens op hun grondgebied. De EU-lidstaten zullen waar mogelijk behulpzaam zijn bij de daadwerkelijke vernietiging van deze wapens. In het kader van de implementatie van deze bepaling zoekt de EU bij voorkeur aansluiting bij bestaande projecten. Ter illustratie kan worden gewezen op de Europese steun aan een door de VN gecoòrdineerd wapeninzamelings- en vernietigingsproject in Albanië. In ruil voor het inleveren van de wapens, die in 1997 zijn ontvreemd uit wapenopslagplaatsen van de Albanese overheid, ontvangen de burgers uit het Gramsh District in Midden-Albanië technische en financiële hulp voor de aanleg van wegen en bruggen. In verband met de gewijzigde veiligheidssituatie in het gebied zal het project mogelijk voor onbepaalde tijd worden opgeschort. Een tweede project dat voor ondersteuning door de EU in aanmerking komt is het West-Afrikaanse Moratorium op de Produktie van en Handel in Kleine Wapens. Op initiatief van de Malinese President Konaré werd dit moratorium op 30 oktober 1998 door de Economic Community of West-African States (ECOWAS) aangenomen. De UNDP ondersteunt de implementatie van het moratorium met technische en financiële middelen. De regering overweegt het moratorium ook op bilaterale basis te ondersteunen.

Binnen en buiten de EU heeft de totstandkoming van het EU Gemeenschappelijk Optreden de discussie over de problematiek van de kleine wapens een grote impuls gegeven. Het EU voorzitterschap spant zich in de boodschap van het Gemeenschappelijk Optreden verder uit te dragen. In maart 1999 hebben ook de EU Geassocieerde Landen de doelstellingen en principes van het EU Gemeenschappelijk Optreden onderschreven. Daarnaast is met Canada een EU-Canadees partnerschap op het gebied van kleine wapens in voorbereiding, waarin de beginselen van het EU Gemeenschappelijk Optreden een centrale rol spelen.

(iii) Illegale wapenhandel in en naar het Grote Meren Gebied

Mede op verzoek van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken (AO,
15 oktober 1998) heeft de regering onlangs in de relevante werkgroepen van de EU een voorstel onder de aandacht gebracht dat beoogt de destabiliserende wapenstromen in en naar het Grote Meren Gebied aan banden te leggen. In grote lijnen valt het Nederlandse voorstel uiteen in maatregelen die de wapenstromenvan buiten het Afrikaanse continent beogen in te dammen en maatregelen die de wapenstromen vanuit de regio's grenzend aan het Grote Meren Gebied zouden kunnen beperken. Nederland heeft ondermeer voorgesteld de naleving van bestaande wapenembargo's alsmede de implementatie van de EU Gedragscode inzake Wapenexporten te herbevestigen in een Politieke Verklaring, die in het bijzonder aandacht zou moeten schenken aan de situatie in het Grote Meren Gebied. Over de gewenste strekking en reikwijdte van deze Verklaring wordt thans gesproken in de relevante tweede pijler werkgroepen. Nederland heeft voorts verzocht de illegale wapenhandel naar deze regio expliciet aan de orde te stellen tijdens de reguliere (troïka) bijeenkomsten met de EU Geassocieerde Landen. Ook is mede op Nederlandse suggestie besloten de samenwerking met SADC op het onderhavige terrein uit te bouwen door een EU-SADC technische werkgroep inzake illegale wapenhandel in het leven te roepen.

(iv) Samenwerking in JBZ-verband

In december 1998 nam de JBZ-Raad een Aanbeveling inzake illegale wapenhandel aan. De aanbeveling, die was voorbereid door de derde pijler Terrorisme-werkgroep, bevat een tiental bepalingen die beogen de samenwerking en coòrdinatie tussen politie, douane en veiligheidsdiensten te bevorderen. De Aanbeveling suggereert tevens, in navolging van het EU Programma ter Voorkoming en Bestrijding van de Illegale handel in Conventionele Wapens, nationale contact- en aanspreekpunten voor de illegale wapenhandel in het leven te roepen. De nationale coòrdinatie voor de Nederlandse inbreng in de betreffende werkgroep is in handen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Binnenlandse Veiligheidsdienst).

IV Initiatieven in de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa

Nederland ziet vooral voor de OVSE een belangrijke rol weggelegd in de bestrijding van de proliferatie van kleine wapens. Niet alleen lijkt de OVSE als regionale veiligheidsorganisatie bij uitstek geschikt om de problematiek aan de orde te stellen, ook de directe betrokkenheid van de OVSE bij de (gevolgen van) illegale handel in kleine wapens nopen de organisatie in de Nederlandse visie tot een meer actieve en inhoudelijke rol.

Direct of indirect worden de OVSE-landen allen geconfronteerd met de illegale handel in kleine wapens:


- delen van de OVSE-regio vormen lucratieve afzetgebieden voor illegale kleine wapens die bestemd zijn voor conflicten die woeden op het grondgebied van de OVSE. Hierbij kan worden gedacht aan conflicten op de Balkan en in de Kaukasus, maar bijvoorbeeld ook aan het conflict in Noord-Ierland.


- illegale kleine wapens vinden regelmatig hun weg naar criminele organisaties en terroristische groeperingen die in of vanuit de OVSE-regio opereren.


- vele aan de OVSE deelnemende staten zijn belangrijke producenten en exporteurs van kleine wapens. Ondanks geldende in- en uitvoerregelingen worden legale partijen kleine wapens geregeld aan controlemechanismen onttrokken om vervolgens te verdwijnen op grijze en zwarte markten.


- een aantal OVSE-landen wordt regelmatig gebruikt als doorvoerland voor de illegale handel in kleine wapens. Deze wapens blijken vervolgens meer dan eens op te duiken in conflictgebieden elders in de wereld.


- onvoldoende bewaking van wapenopslagplaatsen in een aantal OVSE-landen kan ertoe leiden dat kleine wapens weglekken en terecht komen in illegale circuits. De wapenopslagplaatsen in Moldavië kunnen in dit verband als voorbeeld worden genoemd.

De OVSE lijkt om een aantal redenen de meest aangewezen organisatie voor het stimuleren van maatregelen op het Europese continent. In de eerste plaats maakt het brede mandaat van de OVSE het mogelijk zowel de militaire als de economische, sociale en humanitaire aspecten van de problematiek in de strategie te betrekken. Daarnaast heeft de OVSE ruime ervaring met (regionale) wapenbeheersingsvraagstukken. In de derde plaats biedt het grote ledental van de OVSE belangrijke voordelen ten opzichte van andere, Europese (veiligheids)organisaties als de (W)EU en de NAVO. Met name het lidmaatschap van een aantal Oost-Europese landen, die direct of indirect betrokken zijn bij (illegale) wapenhandel, is hierbij relevant. Tenslotte kunnen de plaatselijke vertegenwoordigingen (missies) van de OVSE nuttig worden ingezet bij de implementatie van maatregelen ter bestrijding van de illegale wapenhandel in de regio.

(i) OVSE Workshop inzake kleine wapens

De tweedaagse workshop "Small Arms and Light Weapons: an Issue for the OSCE?", die Nederland in november 1998 samen met Canada, Noorwegen, Zwitserland en de Britse NGO BASIC organiseerde, heeft zeker geleid tot de nodige bewustwording van het probleem binnen de OVSE. Namens de vier organiserende landen concludeerde Nederland in de slotsessie van de bijeenkomst dat er voor de organisatie een duidelijke rol was weggelegd in de bestrijding van de proliferatie van kleine wapens in en vanuit de OVSE-regio. Gepleit werd voor een alomvattende aanpak door de OVSE. Deze alomvattende aanpak zou tot uiting moeten komen in een viertal uitgangspunten, dat de basis zou moeten vormen voor toekomstige initiatieven binnen de OVSE:


1 de bevordering van maatregelen met betrekking tot legaal bezit, gebruik en verkeer van kleine wapens;


2 de bevordering van maatregelen om de illegale handel in kleine wapens te bestrijden;


3 de bevordering van maatregelen om het aantal wapens in omloop te verminderen; en


4 de bevordering van vredesopbouwende maatregelen.

(ii) Voorstel voor een bindende regeling

De regering streeft in OVSE-verband meer in het bijzonder naar de totstandkoming van een bindende regeling die de illegale handel in kleine wapens in de regio zal beperken. De in november 1997 aangenomen Inter-American Convention against the Illicit Manufacturing of and Trafficking in Firearms, Ammunition, Explosives and Other Related Materials (zie verder) zou als voorbeeld voor een dergelijke regionale regeling kunnen dienen.

Onlangs is in EU-verband een Nederlands voorstel terzake, inclusief een ontwerptekst voor het beoogde instrument, verspreid. Het voorstel bevat suggesties voor versterkte controle op legale overdrachten van legale wapens teneinde het weglekken naar grijze en zwarte markten te voorkomen. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen die de reductie stimuleren van kleine wapens die reeds in omloop zijn. Voorts reflecteert het voorstel het belang van openheid tussen de OVSE-landen en schept het een kader voor een intensieve coòrdinatie en samenwerking tussen de betrokken landen.

In EU-verband is afgesproken dat de aandacht de komende maanden vooral zal worden gericht op de voorbereidingen voor een Verklaring die tijdens de OVSE-Top in Istanbul (november 1999) kan worden aangenomen. Deze Verklaring zou een mandaat kunnen formuleren, op grond waarvan het Nederlandse voorstel met alle OVSE-partners kan worden besproken.

(iii) Vernietiging van wapens en munitie in Moldavië

Tegen de wens van de Moldavische overheid in en in tegenspraak met hetgeen is overeengekomen tijdens de OVSE Top-ontmoetingen in 1994 (Boedapest) en 1996 (Lissabon), bewaken Russische troepen in Transdnjestrië, in het oostelijk deel van Moldavië, nog altijd een oude Russische opslag van naar schatting 60.000 ton (kleine) wapens en
40.000 ton -gedeeltelijk instabiele- munitie. Er bestaan sterke aanwijzingen dat wapens en munitie uit deze Russische voorraden hun weg vinden naar ongewenste afnemers in en buiten de regio.

De verkoop, afvoer en vernietiging van de Russische voorraden is regelmatig onderwerp van gesprek tussen de partijen die betrokken zijn bij de statuskwestie van Transdnjestrië (Moldavië, Rusland, Oekraïne en Transdnjestrië). Nederland onderzoekt thans op welke wijze het samen met andere landen, bijvoorbeeld de overige "Friends of Moldova", een bijdrage kan leveren aan de afvoer en, bij voorkeur, de vernietiging van de Russische wapen- en munitievoorraden. Hierbij kan worden gedacht aan het leveren van technische expertise, het sturen van waarnemers of het bieden van financiële hulp voor de uitvoering van de vernietiging. De afgelopen maanden is gesondeerd naar de belangstelling voor een dergelijke ondersteuning bij de betrokken partijen (met uitzondering van het regime in Transdnjestrië) alsmede bij andere mogelijk geïnteresseerde OVSE-landen. Naar is gebleken is een tiental landen bereid in een nader te bepalen vorm assistentie te verlenen. In EU-verband is de mogelijkheid geopperd een Europese bijdrage te financieren uit het budget voor het EU Gemeenschappelijk Optreden KleineWapens.

Voortbouwend op de Verklaring die is aangenomen tijdens de OVSE-Ministeriële Ontmoeting in Oslo begin december 1998, dienen de uitgesproken voornemens nu te worden vastgelegd in een meer concreet en vastomlijnd voorstel. Op dit moment wordt de mogelijkheid besproken een expertmissie, onder leiding van Frankrijk, naar het gebied te sturen. Deze missie zou een realistische inschatting moeten geven van de mogelijkheden en onmogelijkheden van vernietiging van de overtollige voorraden. Nederland heeft aangeboden een (burger)deskundige op het gebied van de vernietiging van munitie aan de missie toe te voegen.

V Initiatieven in de NAVO

Ondanks herhaalde oproepen van de NGO-gemeenschap heeft de NAVO tot op heden weinig belangstelling getoond voor de problematiek van de kleine wapens. Hier lijkt echter langzaam enige verandering in te komen nu de problematiek een plaats heeft gekregen op de agenda van de NAVO-EAPR (Euro-Atlantische Partnerschaps Raad). De regering verwacht dat de NAVO-EAPR een nuttig forum zal blijken voor de uitwisseling van informatie en ervaring met de landen die deelnemen aan het Partnerschap voor Vrede Programma. Daar alle NAVO-EAPR landen tevens deelnemen aan de OVSE hoopt de regering dat de inspanningen in beide fora elkaar zullen versterken.

(i) Modernisering arsenalen

De vereiste modernisering van de wapenarsenalen van de nieuwe NAVO-partners baart vooral vele NGOs ernstige zorgen. De vrees bestaat dat de modernisering een stroom van af te stoten, verouderde kleine wapens met zich zal meebrengen. Deze in Europa overtollig geworden kleine wapens zouden volgens de NGOs binnenkort wel eens kunnen opduiken in brandhaarden elders in de wereld. De NAVO deelt deze zorgen niet zozeer. De zo gevreesde aanpassing aan de NAVO-standaard heeft immers vooral betrekking op de grote wapensystemen en op de organisatorische aspecten van de gevoerde commandostructuur en niet direct op de modernisering van kleine wapens voorraden. Bovendien blijft de NAVO op het standpunt staan dat de controle op nationale voorraden kleine wapens tot de uitdrukkelijke bevoegdheid en discretie hoort van de individuele lidstaten. Iedere lidstaat draagt zelf verantwoordelijkheid voor de opslag, vernietiging en eventuele uitvoer van (overtollige) kleine wapens.

(ii) Initiatieven in NAVO-EAPR kader

Op aandringen van de Ministers van Buitenlandse Zaken van Canada en Noorwegen is het thema kleine wapens inmiddels wel onderdeel geworden van de agenda van de EAPR. Op de NAVO-Raad van 7 en 8 december 1998 werd het herziene actieprogramma van de EAPR voor de periode tot het jaar 2000 waarin een verwijzing is opgenomen naar "arms trafficking" en "control of small arms transfers" verwelkomd. Inmiddels is in EAPR-verband een speciale ad-hocwerkgroep opgericht die tot taak heeft het thema nader uit te werken. De regering heeft aangekondigd te overwegen in het najaar van 1999 een NAVO-EAPR seminar over het thema kleine wapens te organiseren. Dit seminar zou onder meer in het teken kunnen staan van efficiënt management van wapenopslagplaatsen.

VI Initiatieven in het Wassenaar Arrangement

Mede op aandringen van Nederland staat het thema kleine wapens sinds kort op de agenda van het Wassenaar Arrangement. In de laatste Plenaire Vergadering, die plaatsvond op 2 en 3 december 1998, werd het gevaar van de proliferatie van kleine wapens expliciet erkend. Het belang van een scherpe controle op de uitvoer en doorvoer van deze wapens en de onderlinge uitwisseling van informatie terzake werd onderstreept. Het Wassenaar Arrangement zal haar activiteiten op dit gebied in de toekomst zoveel mogelijk afstemmen met andere fora en organisaties. Daar de meeste deelnemende landen aan het Wassenaar Arrangement kenbaar hebben gemaakt zich de komende tijd bij voorkeur te willen richten op de consolidatie van bestaande verworvenheden binnen het Wassenaar Arrangement, is de kans gering dat er op korte termijn een uitgebreid beleid op het gebied van kleine wapens zal worden ontwikkeld (zie voorts bijlage 5).

VII Initiatieven in de Verenigde Naties

Nu in de hierboven genoemde regionale fora een aantal initiatieven en activiteiten inmiddels "op de rails staat", wil de regering zich meer toeleggen op mogelijkheden ook op mondiaal niveau de problematiek van de kleine wapens aan te pakken. Hiertoe zal de regering gebruik maken van de volgende invalshoeken.

(i) Nederlands voorzitterschap Veiligheidsraad

Zoals bekend bekleedt Nederland sinds januari 1999 voor een periode van twee jaar een niet-permanente zetel in de Veiligheidsraad. In september 1999 zal Nederland gedurende één maand het voorzitterschap van de Raad op zich nemen. Dit moment kan worden aangegrepen om in een zogenaamd oriëntatiedebat bijzondere aandacht te vragen voor een onderwerp dat naar de mening van het voorzittende land brede aandacht verdient. Een dergelijk debat kan resulteren in een Presidentiële Verklaring of zelfs een Resolutie. De regering is voornemens tijdens het Nederlandse voorzitterschap een oriëntatiedebat te wijden aan het thema kleine wapens, met name in relatie tot conflicten in Afrika.

Nederland zal in het oriëntatiedebat de nadruk leggen op de relatie tussen de proliferatie van kleine wapens enerzijds en het gebrek aan (menselijke) veiligheid en stabiliteit, resulterend in een gebrekkige economische, sociale en politieke ontwikkeling anderzijds. Het oriëntatiedebat zal worden benut om een aantal concrete voorstellen te introduceren. Nederland zal zich hierbij niet beperken tot maatregelen die gericht zijn op het reduceren van het aantal wapens dat reeds in omloop is. Ook de aanbodzijde van de problematiek zal aan de orde wordengesteld, waarbij met name zal worden gewezen op de bijzondere verantwoordelijkheid van wapenproducenten en exporteurs. Deze meerzijdige invalshoek voorkomt dat de keuze voor het thema kleine wapens kan worden opgevat als een "beschuldigende vinger naar het Zuiden".

Aan de concrete invulling van het Nederlandse initiatief wordt op dit moment nog gewerkt. Een drietal elementen, dat thans nog intern wordt uitgewerkt, kan evenwel reeds worden genoemd. Binnen het kader dat zojuist is geschetst zal Nederland speciale aandacht vragen voor de positieve ervaringen die in West-Afrika zijn opgedaan met het ECOWAS Moratorium op de Produktie van en Handel in Kleine Wapens met het oog op de mogelijke uitbreiding van dit initiatief naar andere regio's. Daarnaast zal Nederland trachten te bevorderen dat demobilisatie en ontwapening in de toekomst automatisch worden opgenomen in mandaten voor vredesmissies. Voorts zal de benoeming van een VN Speciale Vertegenwoordiger op het gebied van kleine wapens mogelijk in overweging worden gegeven.

Het Nederlandse initiatief valt vrijwel samen met de publikatie van het rapport van de gezaghebbende UN Group of Governmental Experts on Small Arms, de opvolger van het UN Panel of Governmental Experts on Small Arms dat in 1997 rapporteerde aan de Secretaris-Generaal. Het rapport zal met name aanbevelingen bevatten die toezien op de verdere voorbereidingen voor de Internationale Conferentie inzake Illegale Wapenhandel (zie verder). Naar verwachting zullen de publikatie van dit rapport en het Nederlandse initiatief elkaar wederzijds gunstig beïnvloeden.

(ii) VN Conventie inzake Grensoverschrijdende Georganiseerde Misdaad

In Wenen vinden onder auspiciën van de ECOSOC Commission on Crime Prevention and Criminal Justice (CCPCJ) onderhandelingen plaats over de totstandkoming van een internationale conventie inzake grensoverschrijdende georganiseerde misdaad. Ook wordt reeds gewerkt aan een aantal protocollen dat te zijner tijd aan de conventie dient te worden gehecht. Eén van de beoogde protocollen richt zich tegen de illegale produktie van en handel in vuurwapens, inclusief onderdelen en munitie.

Het ontwerpprotocol, dat is opgesteld door Canada, vertoont sterke gelijkenis met de Inter-American Convention against the Illicit Manufacturing of and Trafficking in Firearms, Ammunition, Explosives and Other Related Materials. Deze conventie, die bekend is geworden als de OAS-Conventie, is de eerste juridisch bindende regeling die de illegale wapenhandel op regionale schaal aan banden wil leggen. De reikwijdte van de Conventie, die vooral de bevordering van de strafrechtelijke samenwerking met betrekking tot de commerciële produktie van en handel in de goederen genoemd in de titel op het oog heeft, is echter relatief beperkt: vele elementen die wel onder de noemer van de problematiek van de kleine wapens vallen keren niet terug in de gekozen aanpak die zich, zoals gezegd, alleen richt op misdaadbestrijding. Bovendien wordt in de Conventie alleen het gedrag van de private sector gereguleerd; transacties tussen overheden en eindgebruikers die als bedenkelijk of erger te boek staan worden ongemoeid gelaten.

Soortgelijke kanttekeningen kunnen eveneens worden gemaakt bij het ontwerpprotocol inzake illegale wapenhandel dat thans in Wenen wordt besproken. Ondanks deze beperkingen bevat het ontwerpprotocol een aantal potentieel waardevolle maatregelen. Gewezen kan worden op de voorgestelde verplichting alle nieuw geproduceerde, geïmporteerde en in beslag genomen wapens van een merkteken te voorzien alvorens deze te gebruiken of verder te verhandelen. Deze maatregel zal de identificatie en opsporing van illegale wapens aanzienlijk vereenvoudigen. Daarnaast stelt het protocol vergaande maatregelen voor ter verscherping van de controle op legale handel in kleine wapens.

(iii) Internationale Conferentie Illegale Wapenhandel

De door Japan ingediende AVVN-resolutie inzake kleine wapens (resolutie 53/77 E), aangenomen tijdens de jongste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, stipuleert dat de VN "niet later dan het jaar 2001" een internationale conferentie zal organiseren over alle aspecten van de illegale wapenhandel. Deze ruime omschrijving biedt de mogelijkheid om naast aspecten die de illegale handel betreffen tevens maatregelen met betrekking tot (de controle op) de legale handel in deze wapens aan de orde te stellen. Dit betekent dat niet alleen vraagfactoren, maar ook aanbodfactoren onder de loupe kunnen worden genomen, waarbij nadrukkelijk kan worden gewezen op de bijzondere verantwoordelijkheid van wapenproducenten en -exporteurs. Nederland streeft, evenals de overige EU-partners, naar een zo breed mogelijke reikwijdte van de Conferentie. De Conferentie zou in de visie van de regering uiteindelijk moeten leiden tot de totstandkoming van een politiek of zelfs juridisch bindend mondiaal instrument. In augustus 1999 zal de VN Expertgroep inzake Kleine Wapens de Secretaris-Generaal een rapport aanbieden, waarin de groep aanbevelingen zal formuleren over de aangewezen opzet van de Conferentie. Het definitieve besluit over de reikwijdte, agenda, datum en plaats van de Conferentie is uitgesteld tot de volgende AVVN (najaar 1999).

VIII Contacten met Niet-Gouvernementele Organisaties (NGOs)

Voor de totstandkoming van nationale, (sub)regionale en internationale initiatieven alsmede voor de concrete uitwerking van Nederlands beleid op de onderhavige beleidsterreinen zijn de inspanningen van NGOs van groot belang. Vele activiteiten, zoals seminars en workshops, worden in nauwe samenwerking met binnen- en buitenlandse NGOs voorbereid en uitgevoerd. De Britse NGO Saferworld ontving bijvoorbeeld Nederlandse steun voor de organisatie van een drietal seminars over de implementatie van het EU Programma ter Voorkoming en Bestrijding van de Illegale Handel in Conventionele Wapens. Met de Britse NGO BASIC organiseerde Nederland, in samenwerking met drie andere landen de reeds eerder vermelde workshop "Small arms and Light Weapons: an Issue for the OSCE?". Op nationaal niveau organiseerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken in december 1998 een informele bijeenkomst met een aantal Nederlandse NGOs, waarbij onder meer van gedachten werd gewisseld over het Nederlands beleid met betrekking tot de problematiek van de kleine wapens.

In oktober 1998 financierde Nederland met een aantal andere landen een grote voorbereidende vergadering van het International Action Network on Small Arms (IANSA). Op deze bijeenkomst bespraken circa 170 NGOs uit alle delen van de wereld de modaliteiten van een op te richten internationaal netwerk van NGOs die zich inzetten voor de strijd tegen de proliferatie van kleine wapens. De succesvolle International Campaign to Ban Landmines (ICBL) diende als inspiratiebron voor het netwerk. Anders dan in het geval van de ICBL voert IANSA niet één centraal thema op. IANSA fungeert voornamelijk als intermediair en contactpunt ten behoeve van de deelnemende NGOs. Hierbij zal IANSA zich in de eerste plaats inzetten voor de afstemming van huidige en toekomstige NGO-initiatieven op dit gebied. Daarnaast zal IANSA een belangrijke rol spelen bij de voorbereidingen voor de Internationale Conferentie inzake Illegale wapenhandel die naar verwachting in 2001 zal plaatsvinden.

IANSA werd officieel opgericht en marge van de Hague Appeal for Peace Conferentie die van 11 tot 15 mei jl. plaatsvond in Den Haag. Ter gelegenheid van de oprichting van dit internationale NGO-netwerk had IANSA met behulp van de regering op het Plein in Den Haag een symbolische verbranding van een aantal overtollige kleine wapens georganiseerd. Dit gebeurde in navolging van de in 1996 in Mali georganiseerde "Flamme de la Paix", waaraan destijds ook Nederland een bijdrage leverde. De Minister van Buitenlandse Zaken sprak op 12 mei jl. de openingsvergadering van IANSA toe. Hij brak hierbij een lans voor de samenwerking tussen overheden en NGOs en riep de aanwezige NGOs op constructieve ideeën en suggesties voor deze nieuwe samenwerking aan te dragen.

Deel: ' Voortgangsrapportage Kleine Wapens naar Tweede Kamer '




Lees ook